CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan appartementen Klooster Ootmarsum.pdf

Gemeenteraad 22 oktober 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake vaststellen bestemmingsplan “Appartementen Klooster Ootmarsum”25.337 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Appartementen Klooster Ootmarsum

Status: vastgesteld

Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):

vastgesteld juli 2023 NL.IMRO.1774.OOTBPAPPKLOOSTERVG01

Appartementen Klooster Ootmarsum

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit

5

Toelichting

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

9 9 9 10 11 11

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

13 13 14

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid

17 17 17 24

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering

27 27 28

4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

30 30 31 33 34 36 37 39

Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek

43 43

Hoofdstuk 6

45

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

47 47 47

Bijlagen bij toelichting

49

Bijlage 1

Vormvrije aanmeldnotitie m.e.r.

50

Bijlage 2

Bodemonderzoek

63

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek

139

Bijlage 4

Stikstofberekening

169

Bijlage 5

Quickscan natuurwaarden

203

2

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Bijlage 6

PvE archeologie

235

Bijlage 7

Watertoets

258

Regels

267

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

269 269 275

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Bestemmingsregels Centrum Wonen Waarde - Archeologie Waarde - Beschermd stadsgezicht

277 277 278 282 284

Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

285 285 286 287 288 289

Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

291 291 292

Bijlage bij de regels

293

Bijlage 1

inrichting parkeren

294

Bijlage 2

Staat van bedrijfsactiviteiten

296

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

3

4

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Vaststellingsbesluit

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

5

VASTSTELLINGSBESLUIT

Toelichting

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

7

8

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor de locatie aan de Oostwal in Ootmarsum, op het kloosterterrein is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers willen op deze locatie twee geschakelde panden bouwen waarbinnen 6 appartementen worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied ligt aan de Oostwal in het historische centrum van Ootmarsum. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Ootmarsum, sectie A, perceelsnummer 3858. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: PDOKviewer) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is op de luchtfoto weergegeven waarop de Oostwal te zien is. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

9

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: PDOKviewer)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de Oostwal in Ootmarsum geldt het bestemmingsplan 'Klooster Ootmarsum 2015'. Dit bestemmingplan is door de gemeenteraad van Dinkelland op 19 april 2016 vastgesteld. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Klooster Ootmarsum 2015' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 10

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Aan het plangebied is de bestemming 'Centrum' toegekend met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie" en "Waarde - beschermd stadsgezicht". De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor: dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen (op begane grond); maatschappelijke voorzieningen (op begane grond); detailhandel (op begane grond); kantoren; wonen (op tweede en/of hogere bouwlaag); bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën A en B. Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden voor het realiseren van zes appartementen. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Appartementen Klooster Ootmarsum' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.OOTBPAPPKLOOSTER-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

11

12

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Hoofdstuk 2

Het plan

2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is er aan de Oostwal in Ootmarsum sprake van een binnenterrein bij het klooster Maria Ad Fontes. In figuur 2.1 is het plangebied op de luchtfoto te zien. Het kloostergebouw ligt ten oosten en noorden van de plek waar de appartementen worden gerealiseerd.

Figuur 2.1: Luchtfoto plangebied vogelperspectief (bron: StreetSmart) Het plangebied is onderdeel van het binnenterrein dat hoort bij het klooster Maria Ad Fontes. Aan de zijde van de Oostwal is terrein omsloten door een muur (zie figuur 2.2).

Figuur 2.2: Straatbeeld richting plangebied vanaf Oostwal (bron: GoogleStreetview)

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

13

Het kloostergebouw wordt verbouwd en geschikt gemaakt voor wonen, horeca en kantoorruimte met bijbehorende buitenruimte. De plek waar het appartementengebouw wordt opgericht is nu gedeeltelijk met groen en gedeeltelijk met verharding ingericht. Het terrein is (ook) toegankelijk vanaf de Oostwal.

2.2 Toekomstige situatie Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om 6 appartementen te realiseren in één appartementengebouw. Het gebouw heeft de uitstraling van twee aan elkaar gebouwde panden. Het pand bestaat uit twee bouwlagen met kap. In figuur 2.3 is de nieuwe situering weergegeven. De toegang voor de appartementen is geregeld via de Oostwal ten zuiden van het beoogde appartementengebouw en via de binnentuin. Hier wordt ook ruimte gecreëerd voor parkeergelegenheid ten behoeve van de appartementen. De bergingen voor de appartementen zijn naast het appartementengebouw gelegen.

Figuur 2.3: toekomstige plattegrond (bron: Loman architecten) De voorgevels van de panden sluiten aan op de (nieuwe) kloostermuur en vormt daarmee één geheel. In figuur 2.4 is dat weergegeven.

14

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Figuur 2.4: Toekomstige situatie, voor- en achterzijde (bron: Loman architecten) De locatie van de appartementen ligt in het centrumgebied, dat in 1996 is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Het doel daarvan is om de karakteristieke, met historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als een zwaarwegend belang bij verdere ontwikkelingen. Bij het ontwerpen van de gebouwen is veelvuldig overleg gevoerd met de gemeentelijke Q-team en de monumentencommissie. Dat heeft geleid tot het voorliggende ontwerp. Het ontwerp bestaat uit min of meer twee panden die verbonden zijn met elkaar. De panden kennen elk drie bouwlagen, waarbij de derde bouwlaag in de kap is ontworpen. In elke bouwlaag bevinden zich twee appartementen. In het gedeelte van het gebouw dat de verbinding vormt, is een lift aanwezig. De appartementen zijn levensloopgeschikt ontworpen en bedoeld voor zowel starter als ouderen. Het betreft appartementen in de koopsector. De entree tot het gebouw is aan de zijde van de Oostwal.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

15

16

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Dit bestemmingsplan maakt het realiseren van 6 appartementen mogelijk.

Uit jurisprudentie is voor woningbouw duidelijk geworden welke aantallen wel en welke aantallen woningen niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling worden gezien. Het realiseren van maximaal 11 woningen wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Maakt een plan 12 woningen mogelijk, dan wordt dat wel beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953), Het aantal van 6 appartementen valt ruim onder de bovengrens van 11 woningen en is op basis daarvan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. In de toelichting wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van deze ontwikkeling, waarmee wordt aangetoond dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening en eveneens wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2

Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

17

3.2.3

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts.

De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

18

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Per 1-1-2024 is de Omgevingsverordening Overijssel in werking getreden. Dat heeft niet geleid tot een inhoudelijke beleidswijziging met betrekking tot voorliggen bestemmingsplan. Dat betekent dat als wordt verwezen naar de artikelnummers uit de oude provinciale verordening, hier de nummers van de nieuwe provinciale verordening moet worden gelezen. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. Artikel 2.1.2 Principe van concentratie lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Doorwerking voor voorliggend plan: De bouw van het appartementengebouw voorziet in de lokale behoefte en wordt gebouwd voor de juiste doelgroep. Het betreft levensloopgeschikte woningen die geschikt zijn voor zowel ouderen als starters. Gelet op de vorenstaande wordt gesteld dat de ontwikkeling past binnen het provinciale beleidsprincipe van concentratie. artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

19

dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: In dit plan is er sprake van een stedelijke ontwikkeling op gronden die in de huidige situatie al benut kunnen worden voor stedelijke functies. Van (extra) ruimtebeslag op de Groene Omgeving is geen sprake. Daarmee voldoet de ontwikkeling aan dit beleidsprincipe. artikel 2.2.2 Realisatie nieuwe woningen Lid 1 Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen (art. 2.1 lid 1 onder c Wabo) voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw.

lid 4 De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Doorwerking voor voorliggend plan: In paragraaf 3.3.2 is bij de Woonvisie 2021+ verder uitleg gegeven dat dit woningbouwplan past binnen de gemaakte woonafspraken. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven. Het plangebied valt binnen het kenmerk 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) 20

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Voor locaties die vallen binnen dit kenmerk geldt dat de steden en dorpen altijd mogen bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. De plannen van initiatiefnemer voor de bouw van 6 appartementen, voor de lokale behoefte, en doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor de omgeving. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Stuwwallen' (zie figuur 3.3).

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De kenmerken van de stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Als er ontwikkelingen plaatsvinden dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving. Toets Het plangebied ligt in het historisch centrum van Ootmarsum, in bestaand bebouwd gebied. De kenmerken van de stuwwallen zijn ter plaatse niet meer herkenbaar. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Essenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

21

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, -voormalige- heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting - met heideplaggen en stalmest- heeft geleid tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol archeologisch archief opgebouwd. De dorpen en erven lagen op de flanken van de es, op overgang naar het lager gelegen maten- en flierenlanden. Zo lagen ze droog en werden tegelijkertijd de werklijnen zo kort mogelijk gehouden. De zandpaden volgen steeds de lange ‘luie’ lijnen van het landschap, Zo ontstond vanuit de dorpen een organische spinragstructuur naar de omliggende gronden en de dorpen in de omgeving. Toets Het plangebied ligt in het bestaand bebouwd gebied. De kenmerken van het essenlandschap zijn ter plaatse niet meer herkenbaar. Stedelijke laag Het plangebied valt grotendeels binnen het kenmerk "Historische centra binnensteden'.

Ruimtelijk kenmerkend zijn de compacte bebouwingsstructuur, veelal binnen (voormalige) omwalling en veel individuele karakterverschillen op korte afstand. Veel historische centra staan symbool voor de identiteit en eigenheid van de steden en stadjes.

22

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Figuur 3.5: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Toets Het plangebied valt in drie verschillende typen van de stedelijke laag, te weten: Historische centra binnensteden; Woonwijken 1955 - nu; Bebouwingsschil 1900 - 1955. Gezien de mate van gedetailleeerheid waarop deze kaart tot stand is gemaakt en de beschermde status van het plangebied, lijken de kenmerken 'woonwijken 1955 - nu' en 'bebouwingsschil 1900-1955' niet van toepassing en moet worden aangesloten bij de 'Historische centra binnensteden'. De historische centra, binnensteden en landstadjes vormen de functionele en emotionele kernen van de steden en dorpen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de compacte bebouwingsstructuur, veelal binnen (voormalige) omwalling en veel individuele karakterverschillen op korte afstand. Functioneel worden deze gebieden gekenmerkt door een mix van functies waarvan de concentratie van voorzieningen op gebied van detailhandel, horeca, cultuur, onderwijs, gezondheidszorg et cetera een belangrijk deel vormt. Oude singels en parken refereren aan oude stadswallen. Het historisch patroon van straten en bebouwing vormt nog steeds de onderlegger van de oude centra.

Als er ontwikkelingen plaatsvinden in historische centra, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimten en de leefbaarheid. Bij inbreiding vindt de inpassing plaats met respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren. Het betreft een inbreidingslocatie in een historisch centrum waarbij in overleg met de gemeente het ontwerp van het appartementengebouw tot stand is gekomen. Daarbij speelt de kenmerken en waarden van het historische centrum een belangrijke rol. Met het ontwerpen van de plannen is rekening gehouden met de waarden en kenmerken van het 'historisch centrum. Tevens is in een vroeg stadium de monumentencomissie betrokken bij de planvorming. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling past binnen de kenmerken van de Stedelijke laag. De 'Laag van de beleving' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

23

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1

Mijn Omgevingsvisie

De gemeenteraad van Dinkelland heeft MijnOmgevingsvisie Dinkelland vastgesteld op Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en de samenleving willen sturen. Wat er behouden moet worden, wat er versterkt moet worden en wat er ontwikkeld moet worden. MijnOmgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. De kernprincipes zijn manieren van werken, werkwijzen die altijd gelden. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; de gemeente met haar inwoners, instellingen en ondernemers; We geven het goede voorbeeld; wat we belangrijk vinden, laten we zien in de praktijk; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt; We wentelen geen problemen af op volgende generaties. In figuur 3.6 is een fragment van de Waardenkaart weergegeven met daarop de planlocatie met een blauwe cirkel aangeduid.

Figuur 3.6: Fragment uit Waardenkaart (bron: MijnOmgevingsvisie Dinkelland) Toets De planlocatie valt binnen de "Beschermde dorpsgezichten" en is aangeduid als een ontwikkellocatie. De waarden van kernen met een beschermd dorps- en stadsgezicht zitten in de cultuurhistorische waarden die tot uiting komen in: het wegen- en padenpatroon; het bebouwingspatroon; de groenstructuren; en karakteristieke bebouwing en inrichting. Een andere waarde is de belevingswaarde. In deze kernen ziet de gemeente graag de cultuurhistorie als inspiratiebron en leren en beleven van 24

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

cultuurhistorische waarden. Over het ontwerp is veelvuldig overleg geweest met het gemeentelijk Q-team en ook de monumentencommissie. In gezamenlijk overleg is het voorliggende ontwerp voor de 6 appartementen tot stand gekomen. In het ontwerp komt de kloostermuur weer terug. Een ontwerp passend in de omgeving en met respect voor het beelbepalende karakter van de omliggende panden. De planlocatie is onderdeel van een 'ontwikkellocatie. Het betreft de ontwikkeling van het gehele complex van het klooster en de kloostertuin, omdat het klooster al enige tijd niet meer als zodanig in gebruik is. Een transformatie van deze locatie. Het kloostergebouw wordt inmiddels verbouwd voor ander, passend gebruik van het klooster. In de Structuurvisie was deze locatie (inclusief klooster) opgenomen als ontwikkellocatie en als zodanig ook weer opgenomen in de Omgevingsvisie. Dit bestemmingsplan voorziet in transformatie van een gedeelte van de ommuurde tuin, waarbij appartementen worden gerealiseerd, passend in de omgeving. 3.3.2

Woonvisie 2021+

De gemeenteraad van Dinkelland heeft op 5 juli 2021 de Woonvisie Dinkelland 2021+ vastgesteld. Deze visie is de opvolger van de Woonvisie 2016+ en vormt een actueel beleidskader om goed wonen in de gemeente te bevorderen. Onderdeel van de Woonvisie is een kwaliteitskader die richting geeft aan de woningbehoefte per doelgroep en per kern. In de visie wordt ingezet om de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom te realiseren. Dit is ook vastgelegd in de Nota Inbreidingslocaties (2020). Voor de kernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo is er een behoefte van 275 woningen voor de periode 2020-2025. Daarbij wordt een bandbreedte van 130% gehanteerd, waarmee wordt ingezet op 360 woningen voor deze drie kernen. Voor de kern Ootmarsum is het richtinggevende kader: starters: het aanbod goedkope koop (grondgebonden of appartement) uit te breiden; gezinnen/doorstromers: een kwalitatieve opgave (renovatie/vervanging) omdat een deel verouderd is; senioren: behoefte aan levensloopgeschikte woningen (voor zowel senior als starter) en er is vraag naar zowel betaalbare koop als middeldure huur. Toets Het plan voorziet in het realiseren van 6 appartementen dichtbij het centrum van Ootmarsum. Het gaat om levensloopbestendige woningen in de koopsector, die geschikt zijn voor zowel senioren als starters. 3.3.3

Nota inbreidingslocaties 2020

De gemeenteraad van Dinkelland heeft op 19 januari 2021 de beleidsnota Inbreidingslocaties 2020 vastgesteld. Deze Nota inbreidingslocatie 2020 biedt een kader voor beoordeling van woningen binnen de kernen op inbreidingslocaties. Hierin zijn de uitgangspunten aangegeven en onder welke voorwaarden inbreiding mogelijk is. Het moet gaan om locaties binnen de bebouwde kom en gebouwd worden op structuurversterkende plekken. Onder structuurversterkende plekken wordt verstaan: Plekken die: a. binnen bestaand bebouwd gebied zijn gelegen; en b. goed bereikbaar zijn voor al het verkeer; en c. door herontwikkeling voor woningbouw (als functie, naast eventuele andere functies) bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en vitaliteit van de kern door: 1. het herontwikkelen van een “rotte kies” (oude leegstaande/vervallen gebouwen); of 2. het oplossen van leegstand; of 3. het hergebruiken van bestaand maatschappelijk vastgoed of monumenten; of 4. het slopen of wegbestemmen van incourante woningen of bouwkavels; of 5. sanering van een milieuhinderlijk bedrijf; of 6. het (her)ontwikkelen van een locatie die voldoet aan de omschrijving stedelijke functies in paragraaf 3.2 van deze beleidsnota. Locaties met beeldbepalend groen/bos zijn uitgesloten.

Daarnaast gelden er nog overige stedenbouwkundige voorwaarden: aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige structuur; bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

25

kavel(s) moeten grenzen aan de openbare weg; samenhang met de omgeving; woonmilieus mogen niet onevenredig worden aangetast. Toets Het appartementengebouw bevindt in de bebouwde kom van Ootmarsum nabij het centrum van de stad. De locatie is goed bereikbaar via de Oostwal. Het klooster heeft de oorspronkelijke functie verloren en is te zien als een herontwikkellingslocatie. Het klooster wordt verbouwd en heontwikkeld ten behoeve van nieuwe functies. Naast deze transformatie is nu de bouw van het voorliggende appartementencomplex op het binnenterrein bij het klooster, aan de orde om herinvulling/transformatie van een monument financieel mogelijk te maken. Een vrijstaand bijgebouw aan de achterzijde wordt gesloopt ten behoeve van de nieuwbouw. Deze herinvulling met de functie wonen, draagt bij de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit in de kern. Met het ontwerpen van dit appartementencomplex in overleg met het Q-team (en advies van de monumentencommissie), is een plan tot stand gekomen dat past binnen de gestelde stedenbouwkundige voorwaarden.

26

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (genoemd in de D-lijst) vhangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol.

Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Het betreft hier het realiseren van een appartementengebouw voor 6 appartementen in bestaand bebouwd gebied, met een oppervlakte van circa 200 m². De planontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het plangebied mag op basis van het geldende bestemmingsplan reeds worden bebouwd met gebouwen (niet zijnde hoofdgebouw), overkappingen en carports. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 11 maart 2020 (ECL:NL:RVS:2020:729) over een project van 12 woningen, gezien dat het in bestaand bebouwd gebied ligt en het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is, kan dit plan niet worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor de planontwikkeling is een vormvrije aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld (zie Bijlage 1 Vormvrije aanmeldnotitie m.e.r.).

Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dus geen belemmering vormt voor het realiseren van dit plan.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

27

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Deze richtlijnen gaan er vanuit dat er sprake dient te zijn van functiescheiding, bijvoorbeeld tussen bedrijventerreinen en woonwijken. Er zijn echter ook gebieden waar functiemenging juist gewenst is. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn: horecaconcentratiegebieden; stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen; woon-werkgebieden met kleinschalige, vooral ambachtelijke bedrijvigheid; gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies; lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. In tegendstelling tot in woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden desgewenst ook milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. In de VNG-publicatie is daarvoor een specifieke lijst opgenomen voor gebieden met functiemenging. In de lijst worden 3 categorieën gehanteeerd: categorie A: Actitviteiten die zodanig weinig milieubelastend zijn voor hun omgeving, dat deze aanpandig aan woningen - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving, dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere functies dienen plaats te vinden. categorie C: De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende 28

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Toets In het kader van dit bestemmingsplan is gekeken naar de functies in de omgeving van het plangebied. Daarbij worden twee vragen gesteld: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Het plangebied maakt deel uit van een gebied met functiemenging, het centrum van Ootmarsum. Globaal gaat het om de volgende functies in dat gebied: dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen: cat. A; maatschappelijke voorzieningen: cat. A/B; horeca (SBI-code 2008 261/263, zoals restaurant, café, proeverij, keuken): cat. A ambachtelijke bedrijvigheid (SBI-code 2008 231 glasblazer): cat B; detailhandel (SBI-code 2008 47): cat. A. Dit betekent dat het merendeel van de functies bestaat uit activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. Een uitzondering hierop is de glasblazerij, die bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. De whiskeystokerij valt conform de VNG-publicatie onder 'destilleerderijen en likeurstokerijen'. Voor dergelijke bedrijven (SBI-2008: 110101) geldt een richtafstand van 300 meter voor geur, 50 meter voor stof, 200 meter voor geluid en 30 meter voor gevaar.

Dergelijke bedrijven vallen daarmee binnen de milieucategorie 4.2 en komen daarom niet voor op de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging', welke slechts bedrijven tot milieucategorie 3.1 bevat. De VNG-publicatie gaat echter uit van gemiddelde moderne bedrijven, oftewel de grote(re) productie-destilleerderijen en gaat qua milieubelasting niet op voor de onderhavige ambachtelijke whiskeystokerij. De ambachtelijke stokerij komt door de kleinschaligheid voor het geluid en geuraspect meer overeen met de categorie 1102 tot 1104, 'vervaardiging van wijn, etc.', welke wel voorkomt op de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging' en onder categorie B valt. Akoestisch onderzoek Met het onderzoek naar de geluidsbelasting afkomstig van wegverkeerslawaai is eveneens het geluid vanwege bedrijfsmatige activiteiten nader onderzocht door Aveco de Bondt (zie bijlage Bijlage 3 Akoestisch onderzoek). In paragraaf 4.5 is omschreven dat er in het akoestisch onderzoek is gekeken naar wegverkeerslawaai en naar geluid vanwege bedrijfsmatige activiteiten. De conclusie is dat de bedrijvigheid op voldoende afstand ligt van het appartementengebouw en geen belemmeringen oplevert voor de woningen noch de bedrijvigheid. Conclusie Het appartementengebouw is een vrijstaand gebouw en is dus fysiek gescheiden van de functies van het kloostergebouw.

Voor het aspect 'bedrijven en milieuzonering' is daarmee sprake van een goede ruimtelijke ordening. Buiten het gebied waarvoor functiemenging geldt, gelden de richtafstanden uit de VNG-publicatie waarbij de categorieën 1, 2, 3.1, 3,2 etcetera gelden. Hier is sprake van een omgevingstype 'gemengd gebied' gezien de diverse functies in de directe omgeving. Interne werking Aan de de overzijde van de Oostwal bevindt zich de aula van een uitvaartcentrum. Voor een uitvaartcentrum geldt een richtafstand van minimaal 0 meter, zoals deze in tabel van figuur 4.1 zijn weergegeven. De daadwerkelijke afstand bedraagt minimaal 25 meter. Naast deze aula ligt een openbare parkeerplaats die toegankelijk is vanaf de Smithuisstraat. In deze VNG-brochure wordt uitgegaan van een terrein waar veel meer auto's gestald kunnen worden dan in de praktijk aan de orde is. De afstand tot deze parkeerplaats bedraagt minimaal 20 meter en is dus voldoende. Externe werking Met de toevoeging van de appartementen worden er geen nieuwe milieubelastende functies toegevoegd. Een nadere beschouwing op dit onderdeel is niet nodig. Conclusie Gezien het vorenstaande, kan worden geconcludeerd dat het aspect 'milieuzonering' geen belemmering vormt voor het realiseren van de 6 appartementen.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

29

4.3 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend (asbest)bodemonderzoek om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen, uitgevoerd door Kruse Groep (d.d. juli 2022, projectcode 22038316) zie Bijlage 2 Bodemonderzoek.

Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond en geroerde ondergrond van de locatie verdacht is voor de aanwezigheid van zware metalen, minerale olie, PAK en asbest. De ongeroerde ondergrond en het grondwater op de locatie is onverdacht voor chemische componenten. Resultaten veldwerk Er zijn in totaal 7 inspectiegaten gegraven en 1 boring verricht, waarvan 1 diepe boring is afgewerkt met een peilbuis (PB 51). Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit uiterst fijn tot matig fijn, zwak grindig, zwak humeus, zwak siltig zand. In zowel de boven- als ondergrond worden tevens zwak tot sterk zandige leemlagen aangetroffen. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen (puin/baksteen/kolengruis/slakken). Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld, in het aangetroffen in het puin of in de bodem. Het freatische grondwater is gemiddeld aangetroffen op 1.90 meter min maaiveld.

Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG I, BG II en BG III), de ondergrond (OG I) en in het grondwater (PB 51) zijn lichte tot matige verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het onderzoek. In de ondergrond (OG II) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Naar aanleiding van het matig verhoogde loodgehalte in het mengmonster van de bovengrond BG II zijn de 3 deelmonsters separaat op lood geanalyseerd. Uit de separate analyses blijkt dat de bovengrond van boring 53.3 (0.5 - 1.0) en boring 55.1 (0.15 - 0.65) licht zijn verontreinigd met lood. De bovengrond van boring 53.4 (1.0 1.5) is matig verontreinigd met lood. Lood (en andere zware metalen en PAK) is heterogeen op de onderzoekslocatie aanwezig als gevolg van stedelijke ophoging. Vanuit de Wet bodembescherming is er geen verplichting tot het uitvoeren van nader onderzoek, omdat er geen verhoogde gehalten ten opzichte van de interventiewaarde in een individueel monster zijn gemeten. Er is geen saneringsnoodzaak. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 is geen asbest aangetoond Conclusie Het aspect 'bodem' biedt geen belemmering voor het realiseren van de 6 appartementen.

4.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds 30

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b. in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied ligt aan de Oostwal, een weg waar een 30 km/uur-regime geldt. In het kader van de Wet geluidhinder zijn de gestelde grenswaarden niet van toepassing. Ook als de wet niet van toepassing, is geldt in het kader van de ruimtelijke ordening dat gemotiveerd moet worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Voor dit plan is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Aveco de Bondt (d.d. 13 juli 2022, projectnummer 222131). Deze is opgenomen in de bijlagen van de toelichting: Bijlage 3 Akoestisch onderzoek. Daarnaast is in het onderzoek op kwalitatieve wijze ingegaan op het aspect geluid vanwege bedrijfsactiviteiten. Conclusie van het onderzoek Wegverkeerslawaai De berekende geluidbelasting is ten hoogste 49 dB, na toepassing aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh en daarmee hoger dan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid. Er is wel voldaan aan de bovengrens. Er is sprake van een beperkte overschrijding van de voorkeurs- en ambitiewaarde van 1 dB op één gevel. Gebleken is dat bronmaatregelen op overwegende bezwaren van financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige bezwaren stuiten. Indien verlangd wordt dat de overschrijding van 1 dB op de eerste bouwlaag wordt voorkomen, kan de kloostermuur als overdrachtsmaatregel fungeren. Echter, in de kloostermuur zijn (te openen) ramen gerealiseerd ten behoeve van de achterliggende appartementen. Doordat voorzien wordt in voldoende geluidwering van de gevels van de appartementen is het binnenniveau geborgd. Als gevolg van de overige 30 km/uur-wegen nabij het plangebied wordt aan de voorkeurs- en ambitiewaarde voldaan.

Zodoende is de conclusie dat vanwege het onderdeel wegverkeerslawaai sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Geluid vanuit bedrijfsactiviteiten Het plangebied bevindt zich op een afstand van minder dan 10 meter van het kloostergebouw. Aan de hand van de daadwerkelijk te verwachten bedrijfsmatige activiteiten is geconcludeerd dat geen onaanvaardbare negatieve geluideffecten te verwachten op de gevels van het plan. Railverkeerslawaai In de nabije omgeving bevindt zich geen spoorlijn en daarmee is dit aspect niet aan de orde. Conclusie Gelezen het vorenstaande vormt het aspect 'milieuzonering' geen belemmering voor de

4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

31

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets De 6 appartementen zullen verkeersbewegingen met zich mee brengen. De appartementen worden ontsloten via de Oostwal. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 5,2 per appartement per dag gesteld worden, een totaal van 31,2. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 31,2 extra voertuigbewegingen.

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: Infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Conclusie Gezien het vorenstaande vormt het aspect 'luchtkwaliteit' geen belemmering voor realiseren van dit bestemmingsplan.

32

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.

In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

bestemmingsplan Appartementen Klooster Ootmarsum

33

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Toets In figuur 4.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Hieruit blijkt dat het dichtstbijzijnde risico een gasleiding (40 bar), deze ligt op een afstand van minimaal 413 meter, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/850/documents/22581