Bestemmingslan buitengebied, Disseroltweg 51.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Disseroltweg 51
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.1774.BPBUIDISSEROLWG51-VG01
Buitengebied, Disseroltweg 51
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer
7 7 7 7 9 9
Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
11 11 12
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.3 Gemeentelijk beleid
15 15 16 22
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem
27 27 28 29 29
4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
30 31 33 34 36 36 38
Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Verkeer / parkeren
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels
39 39 39
Hoofdstuk 6
41
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen
43 43 43
Bijllagen toelichting
45
Bijlage 1
KGO-plan
46
Bijlage 2
Verkennend (asbest)bodemonderzoek
50
Bijlage 3
Watertoets
113
Bijlage 4
Quickscan natuurwaarden
121
2
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Regels
153
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
155 155 160
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4
Bestemmingsregels Agrarisch - 1 Bedrijf - voormalig agrarisch
161 161 163
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
167 167 168 169 170 171
Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
173 173 174
Bijlage bij regels Bijlage 1 Landschapsinrichtingsplan
175 176
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voor de locatie Disseroltweg 51 in Lattrop Breklenkamp is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemer heeft een electrotechnisch bedrijf en wil een nieuw bedrijfsgebouw realiseren ter vervanging van bestaande gebouwen. Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Met dit bestemmingsplan wordt een passend juridisch planologische regeling voor de bedrijfsactiviteiten gegeven.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied bestaat uit de locatie Disseroltweg 51 in Lattrop Breklenkamp. Het plangebied ligt op circa 700 meter ten oosten van Lattrop. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Denekamp, sectie L, perceelsnummer 259. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied (rode ster) en de begrenzing van de planlocatie (rood omlijnd) weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Topotijdreis.nl)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de Disseroltweg 51 in Lattrop Breklenkamp geldt het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' (vastgesteld 18-2-2010). Tevens geldt op deze locatie het "Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland". In figuur 1.2 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
7
Figuur 1.2: Uitsnede 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Aan het plangebied is de bestemming 'Agrarisch-1' toegekend met een bouwvlak en de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf'. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor een agrarisch bedrijf met grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Het bestemmingsplan Buitengebied 2010 biedt in artikel 3.7 onder q de mogelijkheid om de bestemming "Agrarisch - 1" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf - voormalig agrarisch" ten behoeve dat een functieverandering van een bouwperceel, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden: 1. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 16 van overeenkomstige toepassing zijn; 2. deze wijzigingsbevoegdheid niet wordt toegepast, indien de gronden zijn voorzien van een aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'; 3. de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel grondgebonden agrarisch bedrijf', specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel sierteelt- en/of boomkwekerijbedrijf', 'specifieke vorm van agrarisch bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf' of specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel gemengd agrarisch bedrijf' wordt verwijderd; 4.
er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dïe zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; 5. de functie ondergebracht wordt in de bestaande, voormalige agrarisch gebruikte gebouwen die aanwezig zijn op het moment van toepassing van deze wijziging en die ten minste drie jaar ten behoeve van het agrarisch gebruik in gebruik zijn geweest; 6. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Aan de voorwaarden 1, 2 , 3, 4 en 6 kan worden voldaan. Voorwaarde 5 betreft gebruik van bestaande gebouwen en daaraan wordt niet voldaan, omdat de eigenaar een nieuw gebouw wil realiseren dat voldoet aan de eisen van deze tijd. Deze heeft vergelijkbare oppervlakte met de bestaande schuur en met een grotere inhoud. Dat betekent dat er een bestemmingsplanherziening noodzakelijk is voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling.
8
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied, Disseroltweg 51' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1774.BPBUIDISSEROLWG51-VG01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlage bij de regels.
1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Hoofdstuk 2
Het plan
2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is er aan de Disseroltweg 51 in Lattrop sprake van een electrotechnisch bedrijf dat is gevestigd op een perceel waar in het verleden een agrarisch bedrijf was gevestigd. De agrarische bedrijfsvoering is volledig gestaakt. Het electrotechnische bedrijf is een bedrijf dat meer dan 20 jaar bestaat en op deze locatie sinds 2012 is gevestigd. Het grootste gedeelte van de werkzaamheden vindt op locatie plaats. Het bedrijf ligt in het buitengebied van Lattrop en in de omgeving bevinden zich verschillende bedrijven, zoals een paardenhouderij, een aannemersbedrijf en diverse woningen. In figuur 2.1 is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Op het perceel bevinden zich een (bedrijfs) woning, één grote en twee kleinere gebouwen en wat buitenopslag.
Figuur 2.1: huidige situatie Disseroltweg 51 (bron: Topotijdreis.nl) In figuur 2.2 is het bedrijf te zien vanaf de Disseroltweg.
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
11
Figuur 2.2: Straatbeeld vanaf Disseroltweg (bron: GoogleStreetview)
2.2 Toekomstige situatie Het voornemen is om twee bestaande gebouwen te slopen en daarvoor één nieuw gebouw te realiseren met dezelfde oppervlakte. De bestaande schuren bieden niet voldoende ruimte en mogelijkheden voor het bedrijf om met de eisen van deze tijd mee te kunnen gaan. De beide gebouwen die gesloopt gaan worden zijn in figuur 2.3 aangegeven (rood omcirkeld).
Figuur 2.3: Te slopen gebouwen Disseroltweg 51 (bron: Topotijdreis.nl) Het nieuwe bedrijfsgebouw is gepland op de plek van één van de bestaande gebouwen. Dit is weergegeven in figuur 2.4.
12
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Figuur 2.4: Situatieschets van bestaande (links) en nieuwe situatie (bron: Architom). In de figuren 2.5 en 2.6 zijn afbeeldingen opgenomen van de nieuwe schuur. In figuur 2.5 is de indeling van de schuur te zien. Figuur 2.6 laat de nieuwe voorgevel en linkerzijgevel zien.
Figuur 2.5: indeling nieuwe schuur (bron: Architom)
Figuur 2.6: impressie van de voor - en linkerzijgevel van de nieuwe schuur (bron: Architom) In figuur 2.7 is de inrichtingstekening van het landschapsplan opgenomen.
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
13
Figuur 2.6: Inrichtingsschets nieuwe situatie Disseroltweg 51 (bron: Borgerink groenadvies) De nieuwe situatie wordt landschappelijk ingepast en daarbij worden er investeringen in de ruimtelijke kwaliteit gedaan. Zoals vermeld worden twee bestaande schuren gesloopt. Daarnaast wordt er een deel van de verharding verwijderd evenals een haag. De sloot langs de toegangsweg wordt gedempt en evenwijdig daaraan wordt een nieuwe greppel gerealiseerd langs de perceelsgrens. Aan de voorzijde van het perceel wordt langs de weg een houten hekwerk geplaatst. Tevens worden er nieuwe bomenrijen aangeplant. De inrichting en de kwalitatieve investeringen in de ruimtelijke kwaliteit worden verder toegelicht in paragraaf 3.3.4 van het gemeentelijk beleid.
14
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een kleinschalige ontwikkeling in het buitengebied en is daarme niet in strijd met de uitgangspunten van de NOVI. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Onderhavig plan Onderhavig plan heeft tot doel op de sloop van twee schuren aan de Disseroltweg 51 te Lattrop-Breklenkamp waarvoor een nieuwe schuur wordt gebouwd. Het doel is het geven van een passende bestemming aan dit perceel waarbij tevens sloop en nieuwbouw mogelijk wordt gemaakt. Het bedrijf bevindt zich al 10 jaar op deze locatie en wordt middels dit plan bestemd. bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
15
De hoeveelheid bebouwing in het buitengebied van de gemeente Dinkelland blijft gelijk doordat dezelfde oppervlakte wordt teruggebouwd. Het bestaande erf blijft gehandhaafd en is geen sprake van extra ruimtebeslag in de groene ruimte. Tevens wordt het erf landschappelijk ingepast. Gelet op het feit dat in het onderhavige plan: er geen sprake is van nieuw beslag op de ruimte; er sprake is van een relatief kleinschalige ontwikkeling, gelieerd aan het buitengebied, waarbij de oppervlakte gelijk blijft; er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is; kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven. Echter, op grond van de uitspraak van de Raad van State van 16 september 2015 ECLI:NL:RVS:2015:2921) geldt dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. De toelichting van dit bestemmingsplan toont aan dat er als gevolg van onderhavig plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het plan uitvoerbaar is.
3.2 Provinciaal beleid Overijssel 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zogenaamde principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische 16
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
17
Artikel 2.1.2 lid 1 Principe van concentratie Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in woningbouw, aanleg van bedrijventerreinen voor lokaal gewortelde bedrijvigheid en het realiseren van stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen om te voldoen aan de lokale behoefte en de behoefte van bijzondere doelgroepen. Doorwerking voor voorliggend plan: Het gaat hier om een lokaal bedrijf dat reeds jarenlang gevestigd is op deze locatie en bestaande bedrijfsgebouwen wenst te vervangen door één nieuw gebouw. Dit nieuwe bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd op het bestaande erf, waarmee er sprake is van concentratie van bebouwing en voorziet in lokale behoefte. artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik lid 1 Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Doorwerking voor voorliggend plan: Dit plan legt geen beslag op (extra) ruimte in de Groene Omgeving. Het bestaande erf wordt opnieuw ingedeeld met de voorgenomen sloop en bouw van de bedrijfsgebouwen. Het bestaande erf wordt benut, waarbij de omvang van het erf gelijk blijft en voldoet daarmee aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.
In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Doorwerking voor voorliggend plan: De voorgenomen ontwikkelingen op de locatie worden landschappelijk ingepast in de omgeving. Door de uitvoering van de landschapsmaatregelen wordt de ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied en ten opzichte van de directe omgeving versterkt. Voor een nadere toelichting op de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar hoofdstuk 2 en de als bijlage opgenomen landschapsinrichtingstekening. Verderop in deze paragraaf is het plan getoetst aan de geldende ontwikkelingsperspectieven en de gebiedskenmerken. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan voldoet aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het plan is daarmee in overeenstemming met artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.
artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Doorwerking voor voorliggend plan: De gemeente Dinkelland heeft KGO-beleid opgesteld voor het buitengebied gebaseerd op het provinciale beleid. Het gaat hier om een bedrijf in het buitengebied dat daar reeds jaren is gevestigd en een passende bestemming 18
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
krijgt. Tevens bestaat het voornemen om twee bestaande bedrijfsgebouwen te slopen en daarvoor één nieuw gebouw te realiseren met vergelijkbare oppervlakte. Het nieuwe gebouw heeft een grotere inhoud. Het realiseren is mogelijk mits wordt voldaan aan het KGO-beleid. In bijlage 1 is het KGO-plan opgenomen waarin de investeringen in ruimtelijke kwaliteit zijn opgenomen. Hier wordt in paragraaf 3.3.3 verder ingegaan. Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de KGO. Het plan is daarmee in overeenstemming met artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening Overijssel. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel) Het plangebied valt binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' In dit ontwikkelingsperspectief wordt ruimte geboden aan een mix/verweving van verschillende functies. In de praktijk is er geen verschil voor de omgeving omdat de omvang van het bedrijf hetzelfde blijft. Echter is het bedrijf dat daar sinds 2012 is gevestigd en was het nog niet voorzien van een passende bestemming. De plannen van initiatiefnemer doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor in de omgeving. Daarop wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan. Gebiedskenmerken Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Beekdalen en natte laagtes' (zie figuur 3.3).
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
19
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) De beekdalen zijn gevormd door erosie. Dit landschap wordt gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. De ambitie voor deze gronden is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Nieuwe ontwikkelingen moeten dan ook bijdragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. De landschappelijke inpassing van het plangebied dat is opgesteld om de ontwikkeling mogelijk te maken heeft zoveel mogelijk rekening gehouden met de kenmerken van de natuurlijke laag. Zo wordt de sloot langs het toegangsweggetje gedempt en er wordt een nieuwe greppel gerealiseerd langs de perceelsgrens aan de noordzijde, waarmee de waterafvoer op een natuurlijke wijze wordt geregeld. Geconcludeerd wordt dat dit plan geen afbreuk doet aan de natuurlijke laag. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Oude hoevenlandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
20
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Het oude hoevenlandschap werd ontwikkeld nadat de complexen met grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij klein dekzandkopjes. Het individueel ontginnen van deze dekzandkopjes leidde tot een landschap dat eenzelfde soort opbouw kent als het essenlandschap. Het oude hoevenlandschap is echter een wat meer kleinschalige, individuele en jongere variant. De ambitie voor het oude hoevenlandschap is om het kleinschalige, afwisselende landschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom bijdragen aan het behoud en de accentuering van de dragende structuren van het oude hoevenlandschap en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen. Daarnaast moeten zij de toegankelijkheid van erven en erfroutes versterken. In dit plan is er sprake van de toekenning van het passende bestemming voor het electrotechnisch bedrijf en de sloop van twee bestaande gebouwen en de bouw van één vervangend gebouw binnen de contouren van het bestaande erf.
Bij het opstellen van het erfinrichtingsplan en de landschappelijke inpassing van de planlocaties is rekening gehouden met de kenmerken van het landschap, zodat de maatregelen een versterking van het landschap tot gevolg hebben en de kleinschaligheid van het landschap wordt versterkt. Er is geen sprake van afbreuk aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap. Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen de kenmerken van de Laag van het agrarische cultuurlandschap. Laag van de beleving Het plangebied valt in deze laag binnen het gebiedskenmerk 'Donkerte' (zie figuur 3.6). Dit gebiedskenmerk wordt toegekend aan gebeiden waar het 's nachts nog echt donker is en waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken.
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
21
Figuur 3.6: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel) Met dit plan wordt op een bestaand erf het bestaande bedrijf bestemd, waardoor mede vervanging van de bestaande bedrijfsgebouwen (met dezelfde totale oppervlakte) mogelijk wordt gemaakt. De aanpassing van het erf brengt geen veranderingen ten aanzien van licht met zich mee. Er zal sprake zijn van functionele verlichting ten behoeve van het bedrijf. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1
Omgevingsvisie Dinkelland
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We wentelen niet af op volgende generaties; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. De gemeente Dinkelland wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Dinkelland is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn. Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis.
Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Dinkelland komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben.
22
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Toets
Figuur 3.7: fragment waardenkaart Omgevingsvisie Dinkelland (www.dinkelland.nl) Het plangebied valt onder 'middelgroen', dat is gericht op beperkte ontwikkeling door gemiddelde waarde en dynamiek. In de gebieden met de tussenkleur groen zijn waarden aanwezig voor modern, agrarisch gebruik alsmede landschapswaarden die van belang zijn voor natuur, beleving en recreatie. Daarbij wordt aangegeven in te spelen op: de schaal van het landschap en het afwisselende karakter; behoud van natuurwaarden en cultuurhistorie versterken van de biodiversiteit; vasthouden van water; bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; belevingswaarde gericht op recreatie. Op deze locatie aan de Disseroltweg wordt een passende bestemming aan het bestaande electrotechnische bedrijf toegekend en wordt de sloop van twee bestaande schuren en een nieuwe schuur met dezelfde oppervlakte mogelijk gemaakt. Deze nieuwe schuur wordt gebouwd op de plek van één van de bestaande schuren, binnen het bestaande erf. Het erf wordt landschappelijk ingepast, zoals aangegeven op het landschapsplan, zie Bijlage 1 KGO-plan. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt bijgedragen aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. Rondom en op het erf wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van landschapselementen (bomen, beplanting, waterloop).
De voorgenomen ontwikkeling is lijn met het beleid in de Omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland.
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
23
3.3.2
Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart (figuur 3.4) kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Figuur 3.4: Fragment casco-kaart (bron: www.overijssel.nl/cascokaart) Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de cascokaart. 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de cascokaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de cascokaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). Toets Uit het fragment van de casco-kaart is het plangebied met een zwarte cirkel aangeduid. In geel is het voormalige agrarische bouwblok aangegeven. Daarnaast is met de rode lijnen de beplanting/bomenrijen aangegeven die niet behoren tot het casco. De bestaande beplanting blijft gehandhaafd, waarbij er nieuwe bomenrijen worden gerealiseerd langs de Disseroltweg en de perceelsgrens. 24
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan geen afbreuk doet aan het gemeentelijk cascobeleid. 3.3.3
VAB+ beleid en Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
De gemeente Dinkelland heeft in 2011 het VAB+ beleid vastgesteld. Op basis van dit beleid kan bestaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing worden gebruikt voor het vestigen van een electrotechnisch bedrijf. Er geldt een maximale oppervlakte van 500 m² voor bedrijfsmatige activiteiten, waarbij ruimte voor opslag niet wordt meegerekend. Voor de benodigde oppervlakte boven de toegestane 500 m², kan op basis van het KGO-beleid medewerking worden verleend. De basis voor deze verruiming ligt in een motie die de gemeenteraad van Dinkelland heeft vastgesteld (8-10-2013). Het besluit op het principeverzoek is afgehandeld onder dit beleid. De plannen voor onderhavige ontwikkeling waren onder dit beleid al in een vergevorderd stadium. Er wordt daarom niet getoetst aan het nieuwere beleid "Buitengebied met kwaliteit". Zoals aangegeven in paragraaf 3.2 zijn de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel de basis voor de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Op basis van dit provinciaal beleid ten aanzien van dit instrument is het mogelijk om op gemeentelijk niveau beleidskaders vast te stellen. De gemeente Dinkelland heeft op 8 oktober 2013 het beleidskader "Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' vastgesteld.
Het beleidskader dient als toetsingskader voor de gemeente om aangevraagde ontwikkelingen in het landelijk gebied te kunnen beoordelen op basis van de kwaliteitsimpuls. Tegelijkertijd biedt het beleidskader aanvrager handvatten om hun aanvraag vorm te geven in combinatie met de kwaliteitsimpuls. Het kader streeft na om dit nieuwe instrument zoveel mogelijk te objectiveren en eenduidig toe te passen. Voor voorliggend plan is het KGO-beleid van toepassing, vanwege de grotere inhoud van de nieuwe schuur uitgewerkt. Dit is opgenomen in het bijgevoegde KGO-plan, zie Bijlage 1 KGO-plan. Toets Het VAB+-beleid kent een aantal randvoorwaarden. * De aard en omvang van het bedrijf moet passen binnen bestaande bebouwing en buitenopslag is niet toegestaan. De bestaande bebouwing wordt vervangen door gebouwen met dezelfde oppervlakte en er is geen buitenopslag. * Activiteiten beperkt tot 500 m² De bedrijfsactiviteiten blijven binnen de 500 m². De andere gebouwen zijn in gebruik voor opslag. * Er moet sprake zijn van een erf waarop de betreffende gebouwen staan. Het nieuwe gebouw wordt gerealiseerd op de plek van een bestaand gebouw en vormt samen met de andere gebouwen een erf, met een bedrijfswoning. * De inrichting, verkeersaantrekkende werking en uitstraling moeten in overeenstemming zijn met de gebiedsperspectieven en bebouwing moet kwaliteit uitstralen.
In de nieuwe situatie is er sprake van de uitstraling van één erf. Er is geen sprake van verkeersaantrekkende werking, de verkeersbewegingen zijn afkomstig van de werknemers die op locatie aan het werk zijn. Het plan zal uiteraard voldoen aan de eisen van welstand. Aan de milieukundige randvoorwaarden wordt voldaan. In hoofdstuk 4 wordt daar nader op ingegaan. In het gemeentelijk beleid is vastgesteld dat afwijking van bestaande regels (bestemmingsplan) mogelijk is ten behoeve van economische ontwikkelingen die naar aard en omvang passend zijn op de locatie, mits passend binnen het provinciaal en rijksbeleid (zoals zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), deze passen bij de gebiedskenmerken en bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Qua aard gaat het om de activiteit op zich. Met 'aard' wordt bedoeld de soort functie. Qua omvang gaat het om de verhouding tussen de grootte van de ontwikkeling ten opzichte van de specifieke locatie, te weten de gebiedskenmerken van het type landschap. Uit het KGO-plan blijkt het dit plan aansluit bij de ter plaatse geldende landschappelijke kenmerken en aanvaardbaar is binnen deze omgeving. Voor de basisinspanning wordt een deel van de verharding van het erf verwijderd (ca. 240 m²) en een haag verwijderd (ca. 25 m), beide gelegen aan de voorzijde van het erf.
Het nieuwe gebouw heeft een oppervlakte van 496 m² dat ten behoeve van het bedrijf wordt gebruikt. Het gebouw heeft echter wel een grotere inhoud dan de beide te slopen schuren. De nieuwe schuur wordt 3.015 m³ en de bestaande gezamenlijke inhoud is 2.631 m³. Dat is extra inhoud van 384 m³ waarvoor op grond van het KGO-beleid een kwaliteitsinvestering dient te worden gedaan. Deze investering bedraagt € 22,50/m³ (= 25% van €90 bouwkosten van de bedrijfsgebouw). De kosten voor advies en voor de kwaliteitsgroep kunnen hierop in mindering worden gebracht. Dan blijft er een te investeren bedrag over van € 7.276,00. De berekening is opgenomen in figuur 3.5. bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
25
Figuur 3.5: Berekening KGO-investering (bron: Borgerink groendesign) In bijlage 1 van het KGO-plan is aangegeven waarin de investeringen in ruimtelijke kwaliteit worden gedaan. Hieruit blijkt dat de vereiste investering wordt gedaan. De functieaanduiding voor het agrarische bedrijf wordt verwijderd. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het beleid zoals dat is verwoord in het beleidskader "Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving".
26
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt het electrotechnisch bedrijf bestemd, dat reeds jarenlang op deze locatie is gevestigd. Hiermee ontstaat de mogelijkheid om twee bestaande schuren te slopen en één nieuwe te realiseren.
Er is geen sprake van een activiteit die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig is. Deze ontwikkeling wordt niet expliciet benoemd in het Besluit milieueffectrapportage, maar de meest logische aansluiting kan worden gemaakt bij: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht bij: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, of met het onderhavig plan sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid.
Hier wordt het volgende over gezegd: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook 'dorpen' hieronder vallen. Wat 'stedelijke ontwikkeling' inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.” Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
27
zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832). Het betreft hier een ontwikkeling op een (bestaand) erf waarbij de bestaande oppervlakte aan bebouwing gelijk blijft. Het effect van het bedrijf op de omgeving zal hetzelfde blijven. Al met al kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.
4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Het plangebied ligt in het buitengebied van Lattrop-Breklenkamp. Het plangebied wordt overwegend omgeven door bedrijven, woningen, camping en agrarische gronden. Op grond hiervan is het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' van toepassing. Bij de realisatie van een nieuwe bestemming dient te worden gekeken naar de omgeving waarin de voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd. Daarbij gaat het om de externe en de interne werking: 1. externe werking: past de nieuwe bestemming in de omgeving? 2. interne werking: laat de omgeving de nieuwe bestemming toe? 28
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Externe werking Het bedrijf wordt niet expliciet benoemd in de VNG-brochure en kan worden geschaard onder de categorie 'electrotechnische installaties n.e.g.'en heeft een richtafstand van 30 meter voor geur en geluid. De dichtstbijzijnde bedrijfswoningen liggen op een afstand van circa 80 m (Frensdorferweg 47) en 125 m (Disseroltweg 52). De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt op circa 175 m. De benodigde afstanden worden ruim voldoende gehaald. De functieaanduiding in het geldende bestemmingsplan voor het agrarische bedrijf wordt verwijderd. Interne werking Een verblijfsruimte is een geurgevoelig object. Daar wordt niet alleen een woning onder verstaan, maar ook bijvoorbeeld een kantoor of een kantine. De nieuwe bedrijfsbebouwing bestaat grotendeels uit opslag van materieel, met een kantooruimte en een kantine. De overige bedrijfsbebouwing is ook in gebruik voor opslag/ stalling en niet als verblijfsruimte. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd en daarmee op dezelfde afstand van de omliggende bedrijvigheid. Aan de Frensdorferweg 37-39 is een paardenhouderij gevestigd, een bedrijf uit categorie 3.1 waarbij een afstand van 50 meter hoort voor het aspect 'geur'. In paragraaf 4.3 wordt hierop verder ingegaan. De afstand tussen de paardenhouderij en de verblijfsruimte van de nieuwe bebouwing is minimaal 75 m. De afstand tot de bestaande bedrijfswoning is minder.
De nieuwe bebouwing vormt dus geen beperking voor de paardenhouderij. Aan de overzijde van Disseroltweg bevindt zich een aannemersbedrijf (Disseroltweg 52), waarvoor een richtafstand van 100 m geldt. Deze ligt op een afstand van 125 meter. Het vakantiepark aan de Breemorsweg 22 heeft een bestemming voor kampeerterrein en recreatieapar is een categorie 3.1-bedrijf, waarbij een afstand van 50 m hoort. Deze ligt op een afstand van minimaal 175 m. Dat is ruim voldoende. Geconcludeerd kan worden dat de milieuzonering geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.
4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets De afstand tussen de geurgevoelige bebouwing (kantine/kantoor) en de paardenhouderij is minimaal 75 meter, waarmee ruim wordt voldaan aan de benodigde afstand van 50 meter.
4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
29
moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan Kruse Advies verkennend (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd (23 december 2021, projectcode 21062016) om ter plaatse de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen zie Bijlage 2 Verkennend (asbest)bodemonderzoek. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er een bovengrondse dieseltank op het terrein aanwezig is geweest. De locatie van de voormalige tank wordt beschouwd als een verdachte deellocatie. Verder wordt de bovengrond van de onderzoekslocatie als verdacht beschouwd voor de aanwezigheid van zware metalen, minerale olie, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater worden beschouwd als onverdacht voor chemische componenten. Hypothese De hypothese "verdachte locatie" dient te worden aangenomen, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese "asbestverdachte locatie" dient te worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond.
De hypothese "verdachte locatie" ter plekke van de (voormalige) bovengrondse dieseltank kan worden verworpen, aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG I en BG II) en in het grondwater (PB 1) zijn lichte verontreinigingen gemeten. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. in de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB A1) zijn geen verontreinigingen gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk. In de fijne fractie van het mengmonster MM FF - 01 is asbest aangetoond; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. De voormalige bovengrondse dieseltank heeft geen aantoonbare negative invloed gehad op de bodemkwaliteit. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (schuur).
4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. 30
bestemmingsplan Buitengebied, Disseroltweg 51
Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).
Figuur 4.2: Fragment geluidskaart (www.atlasleefomgeving.nl) In figuur 4.s is een fragment van de geluidskaart opgenomen waarin het wegverkeerslawaai is weergegeven. De aanduiding ligt op bestaande woning. deze blijft gehandhaafd. De nieuwe bebouwing ligt noordelijk daarvan. Dit is geen geluidgevoelig object waarmee geconcludeerd kan worden dat het wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de planontwikkeling. De aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai spelen in dit bestemmingsplan geen rol.
4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.