CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidsregels Wmo Dinkelland 2026 DEF.pdf

Gemeenteraad 25 november 2025, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake vaststellen verordening Maatschappelijke ondersteuning en verordening jeugdhulp Dinkelland 202644.890 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden. Als dat nodig is, neemt het college contact op met bijvoorbeeld de zorgverzekeraar om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op grond van de Zvw. Keuze in de voorliggende voorziening Het college volgt de keuze in de voorliggende voorziening om bepaalde kosten gedeeltelijk of niet te vergoeden. Voor de Zorgverzekeringswet gaat het bijvoorbeeld om de eigen bijdrage die iemand moet betalen of de kosten voor een psychosociale hulphond (CRVB:2013:CA1427, CRVB:2024:241, CRVB:2024:1467, CRVB:2024:367). Verplicht eigen risico De kosten van bijvoorbeeld ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is te vergelijken met de kosten van de eigen bijdrage voor bijvoorbeeld een hoorapparaat op grond van de Zvw. Aanspreken van het

18

verplicht eigen risico is geen reden om geen gebruik te maken van een Zvw-aanspraak. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel. Gelden met een specifieke bestemming Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (CRVB:2012:BV9433). Reële mogelijkheden van behandeling Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk aan (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444). Onderzoek maatwerkvoorziening en mogelijke behandeling Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke ondersteuning en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan (CRVB:2025:876).

Denk bijvoorbeeld aan: fysiotherapie, oefentherapie of ggz-behandeling. Gebruik maken van ergotherapie Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in de leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar. 3.2.6 Algemeen gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 Artikel 3.1 lid 1 onder b Verordening Art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken.

Beoordelingskader De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in 2019 een richtinggevende uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze: 1. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, 2. daadwerkelijk beschikbaar is,

19

3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een robotstofzuiger, een spoel-föhn installatie of een boodschappendienst bij de supermarkt. Het gaat om wat normaal wordt gevonden om over te (kunnen) beschikken. Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld.

Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is. Ad. 3 Een passende bijdrage Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Gaat het om kosten van ongeveer € 190, dan gaat het (qua betaalbaarheid) om een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2021:160). Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag voor bijvoorbeeld een toiletverhoger dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: 1.

de aflossingsduur van 36 maanden die in Dinkelland geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); 2. een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheid gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272).

20

Datum aanvraag De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening. Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder 5% van de bijstandsnorm € 1.369,06 [bedrag per 1 juli 2025] = € 68,45 x 36 maanden = € 2.464,31. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Berekening gehuwden of daarmee gelijkgesteld (niet pensioengerechtigd) 5% van de bijstandsnorm € 1.955,80 [bedrag per 1 juli 2025] = € 97,79 x 36 maanden = € 3.520,44. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder (pensioengerechtigd) 5% van de bijstandsnorm € 1.530,21 [bedrag per 1 juli 2025] = € 76,51 x 36 maanden = € 2.754,38. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Berekening gehuwden of daarmee gelijkgesteld (pensioengerechtigd) 5% van de bijstandsnorm € 2.094,98 [bedrag per 1 juli 2025] = € 104,75 x 36 maanden = € 3.770,96. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden.

Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Rekenvoorbeeld alleenstaande of alleenstaande ouder (niet pensioengerechtigd) Cliënt dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek is gebleken dat een bepaalde maatwerkvoorziening een passende oplossing is. Die maatwerkvoorziening kost € 1.525,00. De kosten zijn lager dan € 2.464,31 [bedrag geldt per 1 juli 2025] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 939,31 (€ 2.464,31 minus € 1.525,00). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst. Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182).

Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn. Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden.

21

Besteding pgb De cliënt mag het pgb niet besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 5.4 lid 1 Verordening). Meerkosten Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn: • Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. • De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. • Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. 3.2.7 Kosten saneren woning De cliënt kan in aanmerking komen voor tegemoetkoming in de kosten van een woningsanering die nodig is in verband met een allergie, astma of chronische bronchitis (CARA of COPD). Sanering is slechts mogelijk als daarvoor een medische noodzaak is vastgesteld, waar ook de noodzakelijke vervanging van bijvoorbeeld vloerbedekking of gordijnen uit blijkt. De cliënt dient in zo’n geval gebruik te maken van de adviezen van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Het college kan ook om advies vragen aan deze verpleegkundige. Als de cliënt bekend was met zijn aandoening, maar toch is overgegaan tot de aanschaf van bijvoorbeeld vloerbedekking die allergene reacties oproept, is er sprake van voorzienbaarheid.

De gevolgen van de keuzes van een cliënt in geval van voorzienbaarheid kunnen niet op het college worden afgewend. Aard van de kosten Een woningsanering gaat in het algemeen over het vervangen van tapijt in de slaapkamer. Zijn er jonge kinderen, dan kan ook die woonkamer worden gesaneerd (in verband met kruipen/spelen op de grond). Een tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als de te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Als een artikel is afgeschreven (in de regel na acht jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt. Voor de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met het volgende afschrijvingsprincipe: • 100% als het artikel nieuwer is dan twee jaar; • 75% als het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; • 50% als het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; • 25% als het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. Berekening Bij de hiervoor genoemde percentages wordt de uitkomst van de berekening afgezet tegen de systematiek die wordt gebruikt bij de eenmalige aanschaf. Zie de voorbeeldberekeningen in 3.2.6 van deze beleidsregels. Geen tegemoetkoming Als het artikel acht jaar of ouder is, wordt dus geen vergoeding in de kosten verstrekt. Hoogte van de kosten Bij de vaststelling van de hoogte van de kosten gelden de richtprijzen van het Nibud als uitgangspunt.

Verhuizing en geen dubbele vergoeding Hetzelfde geldt bij een verhuizing, omdat bij een verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. Dat wil ook zeggen dat een tegemoetkoming voor de kosten van sanering niet naast een tegemoetkoming voor verhuiskosten wordt verstrekt.

22

3.2.8 Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. 3.2.9 Mantelzorg en personen uit het sociale netwerk Mantelzorg is niet afdwingbaar. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid of participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. Sociaal netwerk Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring. Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden verminderd of weggenomen.

3.2.10 Gebruikmaken van algemene voorzieningen De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorafgaand en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen volgens de wetgever ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. 3.2.11 Overige voorliggende oplossingen Andere beschikbare voorliggende oplossingen in Dinkelland vallen ook onder het beoordelingskader.

Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn waaruit deze bestaan, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die dagbestedingsactiviteiten organiseert of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. 3.3 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget 3.3.1 Ingangsdatum Artikel 3.2 lid 1 Verordening Als hoofdregel geldt dat de ingangsdatum van de indicatie niet eerder ingaat dan de datum waarop het college beslist op de aanvraag. Dat is alleen anders als het college de aanbieder (natura) toestemming heeft gegeven om vóór de besluitdatum te starten. Deze bepaling geldt dus niet voor cliënten, zie verder 3.3.2 en 3.3.3 van deze beleidsregels.

23

3.3.2 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding Artikel 3.2 lid 2 onder a Verordening Het kan voorkomen dat de melding van de hulpvraag pas wordt gedaan nadat de cliënt de maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met een hulpvraag tot het college. Er is op dat moment voorzien in de behoefte. Omdat de Wmo 2015 niet voorziet in een grondslag, bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening in die situatie wordt geweigerd (CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet met terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). 3.3.3 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname Artikel 3.2 lid 2 onder b Verordening Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert tijdens de procedure van de melding maar voordat is beslist op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing van het college op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen.

Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand anders wordt toegewezen of verkocht. Het college zal in dat geval de noodzaak van de maatwerkvoorziening nog wel moet kunnen vaststellen. 3.3.4 Ingangsdatum diensten Het spreekt voor zich dat in het geval een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, wel een indicatie kan worden verstrekt maar in beginsel niet met terugwerkende kracht. 3.3.5 Niet (volledig) gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen Artikel 3.3 lid 1 onder a en b Verordening Er kan ook sprake zijn van een nog niet (volledig) gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn hulpvraag heeft gemeld of het college heeft beslist op de aanvraag. Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan het college overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening, al dan niet in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer door het bad te verwijderen.

De vraag is of het college op dat moment, aan de hand van bouwtekeningen of foto’s, nog kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is. 3.3.6 Aanpassing zelf aangeschaft hulpmiddel Het kan voorkomen dat de cliënt zelf een hulpmiddel heeft aangeschaft en een melding doet voor een aanpassing van dat hulpmiddel. De omstandigheid dat het om een zelf aangeschaft hulpmiddel gaat wil niet zeggen dat een aanpassing daarvan niet voor verstrekking in aanmerking kan komen als die nog niet is gerealiseerd (zie hiervoor). Het college beoordeelt in zo’n situatie of het betreffende hulpmiddel noodzakelijk is en zo ja, of dat ook geldt voor de gevraagde aanpassing. 3.3.7 Pgb-aanvraag binnen budgetperiode Artikel 3.2 lid 3 onder a en b Verordening Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger,

24

verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Bestedingsruimte Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819, CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818). Rekening en risico budgethouder Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren. 3.3.8 Technisch geschikte maatwerkvoorziening (afschrijvingstermijn niet verstreken) Art.

3.2 lid 4 Verordening De hulpvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze voldoen nog in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling gaat ook over de maatwerkvoorziening in natura. 3.3.9 Afsluiten opstalverzekering Artikel 3.2 lid 5 Verordening De cliënt aan wie een woningaanpassing is verstrekt moet zorgen voor een opstalverzekering die het risico van schade afdekt. 3.3.10 Afdoende verzekeren Artikel 3.2 lid 6 Verordening Maatwerkvoorzieningen die worden meegenomen naar het buitenland zullen afdoende verzekerd moeten zijn tegen verlies, diefstal en schade. 3.3.11 Goedkoopst passende bijdrage Artikel 3.3 lid 1 onder b Verordening Het college verstrekt altijd de goedkoopst passende bijdrage.

Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopst passende is. Indien de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat is) komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de kosten van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. 3.3.12 Individueel gericht Artikel 3.3 lid 1 onder c Verordening

25

Een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht. De maatwerkvoorziening wordt aan de cliënt verstrekt en levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin deze in staat is toe zelfredzaamheid of participatie. Het college kan bijvoorbeeld wel rekening houden met mantelzorgers die hulp door bijvoorbeeld duwondersteuning op een rolstoel te verstrekken. 3.3.13 Zelf passende oplossing realiseren Artikel 3.3 lid 2 onder b Verordening Het college kan van de cliënt vergen dat hij zelf zorgt voor een passende oplossing. Zie 3.2.4 van deze beleidsregels voor voorbeelden. 3.3.14 Gebruik maken voorliggende voorziening Artikel 3.3 lid 2 onder c Verordening Het gebruik maken van een andere wettelijke aanspraak gelet op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning valt binnen de eigen kracht. Zie 3.2.3 van deze beleidsregels. 3.4 Risicosfeer Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In zo’n situatie betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd.

Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (CRVB:2019:290, CRVB:2019:2951, CRVB:2023:1195).Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen worden ondervonden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift (zie art. 4.6 en 4.7 Verordening). 3.5 Regresrecht Artikel 2.4.3 Wmo 2015 Een onrechtmatige daad is in het burgerlijk recht de term voor een fout die een ander schade berokkent. In het algemeen betekent dit dat degene die een onrechtmatige daad heeft begaan, ervoor verantwoordelijk is de hieruit voortkomende schade te vergoeden. Door een onrechtmatige daad kan een cliënt aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen van een ongeval.

Cliënt heeft een keuze In het algemeen mag van een cliënt in het kader van de eigen kracht niet worden verlangd dat hij zich voor de kosten van de benodigde maatwerkvoorzieningen (eerst) tot de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker wendt. De uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is dat de cliënt keuzevrijheid heeft: melding bij het college of de schadeveroorzaker aanspreken. De enkele omstandigheid dat de client met de (verzekeraar van de) schadeveroorzaker een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, brengt niet mee dat het een cliënt niet meer vrijstaat zich tot het college te wenden (CRVB:2024:2410 en vgl. CRVB:2025:84). Regres plegen Het college heeft de bevoegdheid regres te plegen en de schade te verhalen op degene die de onrechtmatige daad heeft begaan. De datum van de onrechtmatige daad is bepalend: plaatsgevonden op of ná 1 januari 2019. Gebruik formulier Het college kan ook gebruik maken van het model-schadeformulier voor de declaratie van regreskosten. Het formulier is beschikbaar via de website van de VNG.

26

4 Gebruikelijke hulp Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 3.1 lid 1 Verordening (beoordeling aanspraak) 4.1 Inleiding Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op gezamenlijk een huishouden voeren. Uit de rechtspraak blijkt dat gebruikelijke hulp een afdwingbaar karakter heeft. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat dan om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af.

Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer huishoudelijke ondersteuning moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie. 4.2 Beleidsuitgangspunten In de Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en zo ja, in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te lossen of te verminderen. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan: • het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; • het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie; • het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die naar oordeel van het college volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd van niet-professionele hulp. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook volgens algemene aanvaardbare opvattingen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de individuele situatie.

4.3 Algemeen aanvaardbare opvattingen Hulp die op grond van algemeen aanvaardbare opvattingen geacht wordt geboden te kunnen worden valt in ieder geval: • overname van huishoudelijke taken, • overname van of hulp bij de thuisadministratie, • hulp gericht op zelfzorg, • hulp bij het doen van aankopen, • hulp bij structureren van de dag/week, • hulp bij participatie, • legen en reinigen van de toiletemmer, • zorg voor minderjarige inwonende kinderen. Niet-professionele ondersteuning Het gaat bij gebruikelijke hulp om niet-professionele ondersteuning die niet per se door een professional geboden hoeft te worden (bijv. CRVB:2021:823, CRVB:2021:1114). Daarom wordt in dit hoofdstuk de term hulp

27

en niet begeleiding gebruikt. Verder is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan volgens het college ook onder algemene aanvaardbare opvattingen vallen. Legen en reinigen toiletemmer Van een partner/echtgenoot en/of inwonende meerderjarige kinderen worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. 4.4 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten Of in redelijkheid mag worden verwacht dat huisgenoten gebruikelijke hulp bieden is afhankelijk van de individuele situatie. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zal het college vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de gebruikelijke hulp te bieden over te nemen. De individuele situatie gaat in ieder geval over: • de beschikbaarheid van de huisgenoot voor de niet-uitstelbare taken, • mogelijke overbelasting van de huisgenoot, • de (totale) omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. 4.5 Beoordelingskader gebruikelijke hulp Een en ander is nader uitgewerkt in 4.3 (algemeen aanvaardbare opvattingen) en 4.4 (in redelijkheid te verwachten van huisgenoten) in dit hoofdstuk. Daarbij geldt dat van partners in redelijkheid meer hulp worden verwacht dan van bijvoorbeeld kinderen aan hun ouders of van andere huisgenoten (RBLIM:2022:7897).

4.5.1 Huishoudelijke taken Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van de beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot. 4.5.2 Overige taken of activiteiten Zoals gezegd bestaat het bieden van gebruikelijke hulp niet alleen uit het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp baseert het college zich op de volgende feiten en omstandigheden: 1. De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. 2.

De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. 3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. 4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Hierna wordt ingegaan op de bovengenoemde punten. 4.6 Aard van de ondersteuningsbehoefte De aard van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). Het college houdt rekening met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden

28

aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en andere huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. In het algemeen wordt ook verwacht dat aan personen van het sociaal netwerk, uitleg wordt gegeven in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc. Dit voor zover het niet-professionele hulp betreft. Niet beheersen Nederlandse taal Het (nog) niet beheersen van de Nederlandse taal is geen beperking in de zin van de Wmo 2015. Het kan wel voorkomen dat dit een probleem oplevert bij het bieden van gebruikelijke hulp. Het college wijst de cliënt en degene van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht op de mogelijkheden. Denk aan een tolk of cliëntondersteuning. 4.7 Omvang van de ondersteuningsbehoefte Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot in verband met bijvoorbeeld werk. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op: hulp bij het vervoer, de administratie of aansporing bij zelfzorg. De omvang van de hulp kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen.

Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, etc. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als bovengebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan moet het college een maatwerkvoorziening verstrekken. 4.7.1 Overname van huishoudelijke taken Voor huishoudelijke ondersteuning (schoon en leefbaar huis) geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665).

Inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. 4.8 De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers, huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, van kinderen ten opzichte van hun ouders en van huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt.

29

Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp: • bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer; • bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de thuisadministratie; • aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.; • van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke zorg van ouder(s) voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg (CRVB:2021:823).

Meerderjarige kinderen en ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp van kinderen aan hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(s) hulp bieden. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Ouders en meerderjarige kinderen Afhankelijk van de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte mag van ouders worden verwacht dat zij bij bepaalde hulpvragen van een meerderjarig kind hulp bieden in het kader van de gebruikelijke hulp. Een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding wordt dan afgewezen (CRVB:2024:941).

In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het onder meer om hulp dan wel aansturing om: • ‘s ochtends op tijd uit bed te komen; • te voorkomen dat te veel eten wordt opschept en betrokkene gaat kokhalzen tijdens het eten; • te kunnen werken met een agenda; • bij het ondernemen van nieuwe activiteiten. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn.

30

Ouders en kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor opvang van kinderen hoofdstuk 6 huishoudelijke ondersteuning van deze beleidsregels. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen. Thuisadministratie Voor hulp bij of het overnemen van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat partners de thuisadministratie van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen.

In die situatie biedt de huisgenoot hulp bij de thuisadministratie. Ook van ouder(s) wordt verwacht dat zij de thuisadministratie van een inwonend meerderjarig kind overnemen. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. Hulp gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van echtgenoten/partners mag in ieder geval worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt. Gebruikelijke hulp van de echtgenoot/partner wordt ook verwacht voor zover het activiteiten betreft die hen gezamenlijk aangaan, zoals het eten en drinken.

Bij andere adl-activiteiten overlegt het college met de cliënt en zijn partner/echtgenoot wat redelijk is. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(s) aansporen tot zelfzorg. Hulp bij het doen van aankopen Van de echtgenoot/partner ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is overigens nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(s) incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen. Hulp bij structureren van de dag/week Van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken en bespreken van een dag- of weekplanning.

31

Daarin staat de volgorde waarin activiteiten plaatsvinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: • Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, • Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, e.d., • Bezoek aan familie, • Deelname aan geïndiceerde groepsondersteuning (brengen en/of opgehaald worden), • Etc. Dergelijke activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. Hulp in de keuken Onder gebruikelijke hulp valt ook het aangegeven van spullen uit de keukenkasten waar de cliënt niet bij kan. In zo’n geval weigert het college een aanpassing van de keuken (CRVB:2025:1461). Hulp bij participatie Onder participatie wordt onder meer verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname aan maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Zoals gezegd geldt in het algemeen dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders.

Dat wil zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind wel mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Individuele vervoersbehoefte, geen gebruikelijke hulp De cliënt kan ook een individuele lokale vervoersbehoefte hebben en om die reden dus niet voor alle ondersteuning afhankelijk gemaakt worden van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen. 4.9 De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken.

Daarnaast kunnen zij mogelijk eventuele jongere gezinsleden verzorgen. Verder gelden de volgende uitgangspunten. • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. • Bij kinderen tussen 5-12 jaar worden hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. • Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, zoals rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

32

• Kinderen tussen 18 – 21 jaar kunnen een eenpersoons huishouden voeren (overnemen binnen de leefeenheid). 4.10 Leerbaarheid cliënt of huisgenoot Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd om huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken.

4.11 Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe vanuit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: • de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; • de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; • de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(n) niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of • de huisgenoot heeft geobjectiveerde beperkingen en/of mist de kennis dan wel vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; • de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(n) niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of • er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In dergelijke situaties kan het college al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Denk bijvoorbeeld aan een vorm van kinderopvang. 4.12 Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijke hulp substantieel wordt overschreden. Dat kan te maken hebben met een combinatie van factoren.

Denk bijvoorbeeld aan de aard en omvang van de totale ondersteuningsbehoefte van de cliënt of het combineren van het bieden van gebruikelijke hulp en de eigen activiteiten van de huisgenoot. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. Er kan dan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de Jeugdwet. Zie voor huishoudelijke ondersteuning hoofdstuk 6 van de beleidsregels. 4.13 De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of er in individuele situaties nog een uitzondering kan zijn, op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht gebruikelijke hulp te bieden, overbelast is (geraakt) en daarom niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Eventueel contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot kan helpen om daarover een oordeel te kunnen geven. Verwezen wordt naar bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels.

33

Omvang planbare en onplanbare hulp Soms is het direct duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden, is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt (ook nog) gebruikelijke hulp te verlenen. Het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met zorg die wordt geboden in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan zijn dat onplanbare zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Dreigende overbelasting Wordt een beroep gedaan op (dreigende) overbelasting van een huisgenoot, dan moet de cliënt dat aannemelijk maken. Op het college rust dan de plicht daar onderzoek naar te doen. De betreffende huisgenoot is overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert hij dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening mogelijk niet worden vastgesteld (CRVB:2019:2616).

Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, zullen deze aangewend moeten worden. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf onbetaald leveren van te indiceren zorg (verpleging en/of verzorging). In die gevallen kan het college met de cliënt en zijn huisgenoot overleggen of voor deze zorg aanspraak wordt gemaakt op de Zorgverzekeringswet zodat de (dreigende) overbelasting kan worden opgeheven. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten (buiten de gebruikelijke hulp) al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Het spreekt voor zich dat de schoolprestaties daar niet onder mogen lijden. Zie ook bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels. Reële mogelijkheden oplossen of verminderen overbelasting Artikel 4.2 lid 5 Verordening Is er sprake van (dreigende) overbelasting, dan kan het college (tijdelijk) huishoudelijke ondersteuning verstrekken. De overbelasting kan betrekking hebben op de cliënt of diens huisgenoot. Voor overbelasting is vaak een oplossing (eigen kracht). Om dat vast te stellen zal doorgaan een medisch advies nodig zijn.

Het college helpt om de huisgenoot of de cliënt niet afhankelijk te maken van ondersteuning van de gemeente. Daarom verwacht het college dat een huisgenoot of cliënt met reële oplossingen aan de slag gaat. Doen zij dat niet zonder gegronde reden, dan verstrekt het college niet opnieuw huishoudelijke ondersteuning.

34

5 Mantelzorg, respijtzorg en kortdurend verblijf Artikel 1.1.1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 3.1 lid 1 Verordening (beoordeling aanspraak) Artikel 4.5 Verordening 5.1 Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Bij mantelzorg is geen sprake van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. Wettelijk begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Niet verzilveren van een aanspraak Uit de wettelijke begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigt. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet.

Afstemmen Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17). Dit laat onverlet dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Ondersteuning aan de mantelzorger De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet onderzoek doen naar de vraag of er behoefte is aan ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Daarnaast zijn er lokale of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen.

Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt.

35

Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kan hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden in het onderzoek meegewogen (zie bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.2 Respijtzorg Een maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passend te ondersteunen. Maatwerkvoorzieningen zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 3.3 lid 1 onder c verordening). Het college houdt in het algemeen rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is de cliënt ondersteuning te bieden, kan hij (tijdelijk) zijn aangewezen op een maatwerkvoorziening. Een mogelijkheid is dan respijtzorg; dit is de tijdelijke en volledige overname van zorg met als doel de mantelzorger een adempauze te geven.

Denk bijvoorbeeld aan groepsondersteuning. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: • ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en • maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid of participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. De maatwerkvoorziening in de vorm van respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is. 5.3 Kortdurend verblijf (wonen en verblijf) De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten en die is gericht op de ondersteuningsbehoefte kortdurend verblijf (art. 1.1.1 Wmo 2015). Het college beoordeelt eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. En als is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast, geldt nog een ander criterium. Namelijk, of de cliënt door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg is aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/955/documents/24424