CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Dinkelland 2021.pdf

Commissie Sociaal Domein & Bestuur 8 juni 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 5: Voorstel inzake vaststellen Verordeningen maatschappelijke ondersteuning en jeugd Dinkelland 202122.554 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ondersteuningsbehoefte 2 niveau B Kenmerken van de jeugdige die onder niveau B vallen zijn: • er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot,

Versie 2, 9 mei 2021

19

• de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren, • de motivatie van de jeugdige en/of gezinssysteem voor het volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 2 niveau C Kenmerken van de jeugdige die onder niveau C vallen zijn: • er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering va de ondersteuning, • de ondersteuning is niet routinematig, • er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context, • er is hoog risico op escalatie/gevaar, • met de inwoner/gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig, • de inwoner of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf in het geheel niet signaleren, • er kan verscherpt toezicht nodig zijn, • de inwoner of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

4.4 Aard en niveau van de ondersteuningsbehoefte 3 en 4 Bij ondersteuningsbehoefte 3 en 4 gaat het om jeugdhulp voor jeugdigen die: • specialistische/therapeutische ondersteuning nodig hebben; of • behandeling nodig hebben voor de aanpak van een aandoening of stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden waarbij er tenminste één op één contact nodig is met een specialistische behandelaar. Specialistische/therapeutische ondersteuning Bij specialistische, therapeutische ondersteuning gaat het om trainen, coachen of begeleiden naar zelfstandig(er) functioneren door het aanleren en oefenen van nieuwe vaardigheden. Hieronder worden ook interventies op gezinssysteem niveau verstaan. Dat wil zeggen dat ook personen uit het sociaal netwerk betrokken kunnen worden bij de ondersteuning die door de jeugdhulpaanbieder wordt geboden Wat is behandeling Onder behandeling wordt een aanpak verstaan van psychosociale problemen en/of een psychische/psychiatrische stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden van de ZRM. De behandeling is gericht op:  bewust worden van (eigen) mogelijkheden,  plan maken om tot gedragsverandering te komen,  werken aan gedragsverandering,  bestendigen van de gedragsverandering.

Specialistisch behandelaar Bij de ondersteuningsbehoefte 3 en 4 voor jeugd is er ook betrokkenheid van een specialistisch behandelaar noodzakelijk of gewenst voor de uitvoering van de ondersteuning. Voorbeelden van specialistisch behandelaars zijn (Gz-)psycholoog, (ortho)pedagoog(generalist), psychiater, kinderartsen etc.

Versie 2, 9 mei 2021

20

4.4.1 Ondersteuningsbehoefte 3 De jeugdige heeft specialistische/therapeutische ondersteuning nodig bij het aanleren van nieuwe vaardigheden die betrekking hebben op het (psychosociaal) functioneren en bijdragen aan gedragsverandering. Het doel is dat de jeugdige een haalbaar niveau van zelfredzaamheid bereikt. Het gedrag van de jeugdige is passend bij de ontwikkelmogelijkheden en helpt de jeugdige om adequaat te functioneren op de relevante leefgebieden. Denk bijvoorbeeld aan een passende interactie met zijn/haar directe omgeving, positief opvoedklimaat scheppen, of creëren van een veilige leefomgeving. De ondersteuning is gericht op het aanleren en oefenen van nieuwe (inter)persoonlijke vaardigheden in het dagelijks functioneren. Er zijn drie niveaus te onderscheiden. Ondersteuningsbehoefte 3 niveau A Kenmerken van de jeugdige die onder niveau A vallen zijn: • er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek, • er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context, • de jeugdige en/of het gezinssysteem kan afspraken te maken over het moment van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering, • de zorgvrager heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en • hierop reageren, • de jeugdige of het gezinssysteem is gemotiveerd voor het volgen/ontvangen van ondersteuning.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 3 niveau B Kenmerken van de jeugdige die onder niveau B vallen zijn: • er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot, • de inwoner of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren, • de motivatie van de inwoner/gezinssysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Specifiek voor OB 3b Hiervoor geldt dat er altijd een specialistisch behandelaar betrokken is. Daaronder wordt verstaan dat de jeugdhulpverlener afstemt met een specialistisch behandelaar over de in te zetten methode van de specialistische/therapeutische ondersteuning. Als specialistisch behandelaren zijn aan te merken: 1. Psychiater 2. Klinisch psycholoog 3. Klinisch neuropsycholoog 4. Psychotherapeut 5. Verslavingsarts inschreven in profielregister KNMG (enkel specialistisch behandelaar binnen de verslavingszorg) 6. Verpleegkundig specialist GGZ 7. GZ-psycholoog; 8. VG arts 9. Orthopedagoog-generalist NVO 10. Kinder- en jeugdpsycholoog NIP 11. Medisch specialist

Versie 2, 9 mei 2021

21

Ook de Gedragswetenschapper (basis orthopedagoog, ontwikkelpsycholoog) wordt als specialistisch behandelaar gezien bij OB 3b. Ondersteuningsbehoefte 3 niveau C Kenmerken van de jeugdige die onder niveau C vallen zijn: • er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering va de ondersteuning, • de ondersteuning is niet routinematig, • er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context, • er is hoog risico op escalatie/gevaar, • met de jeugdige/gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig. • de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf in het geheel niet signaleren, • er kan verscherpt toezicht nodig zijn, • de jeugdige of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Specifiek voor OB 3c Hiervoor geldt dat er altijd een specialistisch behandelaar eindverantwoordelijk is. Onder eindverantwoordelijk wordt verstaan dat er altijd 1 op 1 contact is geweest tussen specialistisch behandelaar en jeugdige en de specialistisch behandelaar eindverantwoordelijk is voor de specialistische/therapeutische ondersteuning.

Er mogen medebehandelaars en/of jeugdhulpverleners worden ingezet, maar deze werken altijd onder eindverantwoordelijkheid van de specialistisch behandelaar. Als specialistisch behandelaren zijn aan te merken: 1. Psychiater 2. Klinisch psycholoog 3. Klinisch neuropsycholoog 4. Psychotherapeut 5. Verslavingsarts inschreven in profielregister KNMG (enkel specialistisch behandelaar binnen de verslavingszorg) 6. Verpleegkundig specialist GGZ 7. GZ-psycholoog 8. VG arts 9. Orthopedagoog-generalist NVO 10. Kinder- en jeugdpsycholoog NIP 11. Medisch specialist Bij OB 3c geldt de gedragswetenschapper niet als specialistische behandelaar. De specialistische behandelaar die eindverantwoordelijk is, is in dienst van de jeugdhulpaanbieder.

4.4.2 Ondersteuningsbehoefte 4 De jeugdige heeft behandeling nodig voor de aanpak van een aandoening of stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden waarbij er tenminste één op één contact nodig is met een specialistische behandelaar. Het resultaat van de behandeling draagt bij aan (inter)persoonlijke vaardigheden zoals beschreven bij Ondersteuningsbehoefte 3. Onder de behandeling valt ook diagnostiek gericht op het in kaart brengen van mogelijkheden en beperkende factoren binnen een ziektebeeld en/of behandeling (procesdiagnostiek) gericht op ontwikkelen van inzichten in eigen handelen en/of nieuwe vaardigheden. . Er zijn vijf niveaus te

Versie 2, 9 mei 2021

22

onderscheiden. De indeling van de niveaus A, B en C zegt iets over de kenmerken van de jeugdige en/of het gezinssysteem. Niveau E en F betreffen specifieke (deel)vormen van ondersteuning binnen OB4. Ondersteuningsbehoefte 4 niveau A Kenmerken van de jeugdige die onder niveau A vallen zijn: • er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek, • er is sprake van een stabiele (ontwikkel en opvoed) context, • de jeugdige en/of het gezinssysteem kan afspraken te maken over het moment van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is gering, • de jeugdige heeft voldoende inzicht: kan veranderingen in eigen ondersteuningsbehoefte signaleren en hierop reageren, • de jeugdige of het gezinssysteem is gemotiveerd voor het volgen/ontvangen van ondersteuning. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ondersteuningsbehoefte 4 niveau B Kenmerken van de jeugdige die onder niveau B vallen zijn: • er kan sprake zijn van gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering van de ondersteuning, • de kans op risicovolle situaties en of escalatie is aanwezig maar niet groot, • de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf signaleren, maar is/zijn onvoldoende in staat om hierop te reageren, • de motivatie van de jeugdige/gezinssysteem voor de volgen van de ondersteuning is wisselend. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Ondersteuningsbehoefte 4 niveau C Kenmerken van de jeugdige die onder niveau C vallen zijn: • er is meestal sprake van matige of ernstige gedragsproblematiek die belemmerend werkt bij de uitvoering va de ondersteuning, • de ondersteuning is niet routinematig, • er is geen stabiele (ontwikkel- en/of opvoed-) context, • er is hoog risico op escalatie/gevaar, • met de jeugdige/gezinssysteem is het niet mogelijk om afspraken te maken over de planning doordat de situatie sterk wisselend is en onvoorspelbaar: voortdurend is herziening van de planning van de ondersteuning nodig, • de jeugdige of het gezinssysteem kan/kunnen veranderingen zelf in het geheel niet signaleren, • er kan verscherpt toezicht nodig zijn, • de jeugdige of het gezinssysteem is structureel niet of nauwelijks te motiveren tot het volgen van de ondersteuning of behandeling. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Specifiek voor OB 4, niveau A, B en C Hiervoor geldt dat een specialistische behandelaar eindverantwoordelijk is. Als specialistisch behandelaren worden aangemerkt: 1. Psychiater 2. Klinisch psycholoog 3. Klinisch neuropsycholoog 4. Psychotherapeut 5. Verslavingsarts inschreven in profielregister KNMG (enkel regiebehandelaar binnen de verslavingszorg)

Versie 2, 9 mei 2021

23

6. Verpleegkundig specialist GGZ 7. GZ-psycholoog 8. VG arts 9. Orthopedagoog-generalist NVO 10. Kinder- en jeugdpsycholoog NIP 11. Medisch specialist Er mogen medebehandelaars worden ingezet, maar deze werken altijd onder eindverantwoordelijkheid van de specialistisch behandelaar. De specialistisch behandelaar moet in dienst zijn van de jeugdhulpaanbieder. Ondersteuningsbehoefte 4 niveau E Niveau E betreft de afzonderlijke medicatiecontrole voor jeugd en is een verbijzondering van ondersteuningsbehoefte 4. Dit geldt alleen voor jeugdhulpaanbieders die medicatiecontrole inzetten voor kinderen met ADHD en gedragsproblemen. Wanneer een zorgaanbieder binnen de behandeling medicatiecontrole inzet, dan valt dit onder ondersteuningsbehoefte 4A, B of C. Ondersteuningsbehoefte 4 niveau F Niveau F betreft de diagnostiek en behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie. Dyslexie wordt gezien als een psychische stoornis in de zin van de wet (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 119). Het onderwijs is verantwoordelijk voor signalering van jeugdigen met dyslexie omdat in het onderwijs lees-/spellingproblemen als eerste herkend zullen worden. Voor de behandeling van dyslexie zal een diagnose gesteld moeten worden. Dyslexiezorg omvat de zorg in verband met enkelvoudige ernstige dyslexie (EED en zie CRVB:2018:3454).

Bij EED is sprake van dyslexie zónder bijkomende stoornissen die belemmerend zijn voor de behandeling van dyslexie. Organisaties die voldoen aan de landelijke richtlijnen voor EED zorg kunnen diagnostiek (max 15 uur) en behandeling (max 70 uur) gericht op EED bieden aan jeugdigen van 7-13 jaar. De behandeling wordt pas ingezet als begeleiding uit het onderwijs tot onvoldoende resultaat heeft geleid. EED-ondersteuning is aanvullend op onderwijsondersteuning die gelijktijdig plaatsvindt

4.5 Individuele ondersteuning of groepsgerichte ondersteuning Het college stelt de ondersteuningsbehoefte en het bijbehorend niveau vast. Daarmee wordt het resultaat bepaald dat de jeugdhulpaanbieder die de ondersteuning zal gaan bieden, moet bereiken. Er kunnen meerdere resultaten binnen de ondersteuningsbehoefte worden vastgesteld. Ook kan het zijn dat verschillende ondersteuningsbehoeften bijdragen aan één resultaat. Afhankelijk van het te bereiken resultaat kan de ondersteuning individueel of groepsgewijs worden ingezet. Voor de groepsgerichte ondersteuning geldt dat het methodisch moet zijn, gericht op het structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid van de jeugdige bevorderen. Groepsgerichte ondersteuning bestaat uit een structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat waarbij de jeugdige actief wordt betrokken en die hem zingeving biedt anders dan arbeid of onderwijs. De jeugdige moet per dagdeel minimaal 3 uren kunnen deelnemen aan de groepsgerichte ondersteuning. 4.6 Wonen en verblijf Naast de vastgestelde ondersteuningsbehoefte kan er een (aanvullende) behoefte zijn aan wonen en verblijf.

Het gaat daarbij om accommodaties waar wonen en verblijf wordt geboden inclusief: • eten en drinken, • verschillende hotelmatige aspecten (zoals schoonmaak, keuken, portier, gastvrouw, slaapdienst, bewaking en nachtwacht), en • een passend leefklimaat (ondersteuning per etmaal ter vervanging van de thuissituatie).

Versie 2, 9 mei 2021

24

Passend leefklimaat Met passend wordt bedoeld dat het leefklimaat en de fysieke omgeving geschikt zijn voor de leeftijd en/of de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Onder het leefklimaat valt bijvoorbeeld: medicatiegebruik, in en uit bed komen, mobiliteit, ontspanning, zinvolle activiteit, vrijetijdsbesteding (zoals hobby, sport etc.), aan- en uitkleden, gesprek voeren, toiletgang, lichamelijke hygiëne, sociale vaardigheden, sociale redzaamheid, deelname aan de samenleving, samen naar de speeltuin, knutselen of gamen. De invulling van wat een passend leefklimaat voor de jeugdige is, hangt ook af van zijn zelfredzaamheid en de mate waarin hij deel kan nemen aan recreatieve en sociaal-culturele activiteiten. De volgende vormen van wonen en verblijf zijn beschikbaar: • Pleegzorg (dakje 0-A) • Gezinsopvang (dakje 0-B). • Vervanging thuis zonder bijzonderheden (dakje 1) • Vervanging thuis met actief toezicht (dakje 2). • Vervanging thuis met onvoorspelbaar gedrag (dakje 3). • Hoog specialistische 24-uurs zorg. Voor dakje 0 en 1 geldt dat deze ook zelfstandig kunnen worden ingezet; er kán samenloop zijn met ondersteuningsbehoeften, maar dit hoeft niet. Er wordt naar gestreefd jeugdigen zoveel mogelijk te laten opgroeien in een gezin. Is dat in het eigen gezin (tijdelijk) niet mogelijk, dan kan dit plaatsvinden in een pleeggezin of een gezinshuis.

Dit noemen we de duurzame gezinsvormen. Bij het vinden van een adequate plek voor een jeugdige wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden van een duurzame gezinsvorm, te beginnen met een pleeggezin. Het matchen van een jeugdige met pleeg- of gezinshuisouders is een vak apart en vereist specifieke deskundigheid. 4.6.1 Pleegzorg (dakje 0-A) Pleegzorg is het (tijdelijk) opvoeden en verzorgen van een jeugdige uit een ander gezin. Pleegouders bieden kinderen een thuis, waar ze kunnen rekenen op veiligheid, stabiliteit en een positief opvoedklimaat. Twee soorten pleegzorg Er bestaat bestandspleegzorg en netwerkpleegzorg. Bij netwerkpleegzorg zijn de pleegouders geworven uit het netwerk van de jeugdige en zijn systeem. De jeugdige kent de pleegouders. Bij bestandspleegzorg komen de pleegouders uit het bestand van de jeugdhulpaanbieder. Pleegzorg kan zowel in fulltime variant als deeltijdvariant verstrekt worden. Bij de deeltijdvariant gaat het vaak om preventieve hulp voor een pleeggezin waar de zorg en opvoeding de (pleeg)ouders te zwaar valt. Het is dus een vorm van respijtzorg. Het doel van de deeltijdvariant is het voorkomen van een uithuisplaatsing of break down. Pleegzorgvergoeding Pleegouders zijn vrijwilligers en ontvangen dus geen salaris. De pleegzorgvergoeding die zij ontvangen is bedoeld om de kosten voor het kind te dekken.

De pleegzorgbegeleiding (minimaal 1 keer per 6 weken) vanuit de instelling bestaat uit: • het bevorderen en volgen van een veilige en gezonde ontwikkeling van het kind en tijdig signaleren wanneer deze stagneert • het begeleiden van de (specifieke) opvoeding van het kind in het pleeggezin • het coördineren en verbinden van het informele en formele systeem rondom het kind (onderlinge relaties tussen pleegouders, ouders en het kind) • het creëren van helderheid over het perspectief en het bewaken van de continuïteit • rapportage en evaluatie

Versie 2, 9 mei 2021

25

Crisispleegzorg Wanneer in verband met een ernstige bedreiging van de veiligheid van de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt besloten (in vrijwillig of justitieel kader) tot directe plaatsing in een crisispleeggezin, wordt de zorg vooral gericht op stabilisatie, veiligheid en rust. Het verblijf in het crisispleeggezin is ondersteunend aan het proces dat met de ouders wordt doorlopen om voor het kind weer een veilige gezinssituatie te realiseren. 4.6.2 Gezinshuizen (dakje O-B) Een gezinshuis is een vorm van kleinschalige jeugdhulp waarin gezinshuisouder(s) op professionele wijze vormgeven aan de verzorging, opvoeding en begeleiding van een aantal jeugdigen die geplaatst worden in hun eigen gezin. Daarvoor is vereist dat ten minste één van de gezinshuisouders een jeugdzorgprofessional is die SKJ geregistreerd is. Daarnaast moet zijn voldaan aan het landelijk kwaliteitskader gezinshuizen. Op basis van dat kwaliteitskader mag een gezinshuis niet meer dan zes jeugdigen gelijktijdig opvangen. Daarnaast moet het gezinshuis in het bezit zijn van het keurmerk gezinshuizen van de Rudolphstichting of in procedure zijn om dit keurmerk te krijgen. Zonder dit keurmerk moet op andere wijze worden aangetoond dat het gezinshuis aan de inhoudelijke eisen van dit keurmerk voldoet. De jeugdige vraagt vanwege de gezins- en kindproblematiek een specifieke benadering bij het opgroeien en ontwikkelen.

De gezinshuisouders werken samen met ouders en jeugdige aan een gezonde ontwikkeling van het kind, op basis van een zorgplan. De jeugdige blijft zo mogelijk contact onderhouden met het eigen gezin. Per jeugdige wordt gebruik gemaakt van een gedragswetenschapper voor gemiddeld 36 uur per jaar. Ondersteuningsbehoeften De gezinshuisouders zijn verantwoordelijk om te zorgen voor een passend leefklimaat. Dit betekent dat er binnen het gezinshuis aandacht wordt besteed aan onder meer: verzorging, opvoeding, veiligheid, ontwikkeling en stabiliteit. De gezinshuisouders bieden: emotionele steun, autonomie en ruimte, structureren en grenzen stellen, informatie en advies geven, begeleiding van de interactie van jeugdigen en ouders. Dat kan betekenen dat er geen aanvullende ondersteuningsbehoeften 1 en 2 ingezet hoeven te worden. 4.6.3 Vervanging thuis zonder bijzonderheden (dakje 1) Het gaat bij deze vorm van wonen en verblijf om vervanging van de thuissituatie in een professionele 24 uursetting waarbij betaalde professionele hulp wordt ingezet. Er is een professional aanwezig op de momenten dat de jeugdige dit nodig heeft en op de momenten dat er wordt gealarmeerd. De mate waarin dit noodzakelijk is, is leeftijd- en persoonsafhankelijk. Bij deze vorm van wonen en verblijf kan het gaan om kortdurend verblijf, maar ook om kamertraining voor jeugdigen.

Kenmerken van de jeugdige De jeugdige functioneert sociaal redelijk zelfstandig, maar voor de sociale redzaamheid is beperkte begeleiding nodig. Het gaat met name om toezicht en stimulatie bij het aangaan van sociale relaties en contacten en deelname aan het maatschappelijk leven. De jeugdige heeft voor wat betreft de psychosociale/cognitieve functies af en toe hulp, toezicht of sturing nodig. Bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) functioneert de jeugdige leeftijdsadequaat. Er is meestal geen of in beperkte mate sprake van gedragsproblematiek of psychiatrische problematiek, of deze problematiek is beheersbaar. Ondersteuningsbehoeften Deze vorm van wonen en verblijf kan aanvullend verstrekt worden wanneer daar, naast een ondersteuningsbehoefte, behoefte aan is. De jeugdhulpaanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert, is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat.

Versie 2, 9 mei 2021

26

4.6.4 Vervanging thuis met actief toezicht (dakje 2) Deze vorm van wonen en verblijf is bestemd voor jeugdigen die onvoorspelbaar gedrag vertonen en daarom zijn aangewezen op 24 uurs actief toezicht door betaalde professionals. Ook is er een (pedagogisch) gekwalificeerde slaapdienst aanwezig. Wanneer nodig is er 24 uur per dag op afroep een behandelaar beschikbaar. Er is sprake van vervanging van de thuissituatie die bestaat uit een veilige omgeving. Vanwege de complexiteit van de problematiek en het feit dat de jeugdige niet thuis kan wonen, heeft de jeugdige specifieke zorg nodig. De huisvesting is passend bij het gedrag van de jeugdige, dit betekent dat het een veilige omgeving is die ook bestand is tegen mogelijk geweld/molest. Toezicht op de jeugdige is op een fysiek goede manier geregeld omdat de locatie zo is gebouwd en/of vormgegeven dat er goed toezicht gehouden kan worden, met als doel de veiligheid te bewaken. Denk bijvoorbeeld aan voldoende ramen/vensters vanaf de hal e.d. zodat zichtbaar is wat er gebeurt. Kenmerken jeugdige De jeugdige vertoont onvoorspelbaar gedrag, er is sprake van gedragsproblematiek. Voor de ondersteuning geldt dat de problematiek zowel van psychische als psychiatrische aard kan zijn. Er is met name sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd, ontremd gedrag en reactief gedrag aangaande interactie.

Op het gebied van sociale redzaamheid heeft de jeugdige vaak hulp en soms overname nodig, hij kan taken vaak niet zelf uitvoeren. Het gaat dan met name om het uitvoeren van complexere taken, het regelen van de dagelijkse routine en taken die besluitnemings- en oplossingsvaardigheden vereisen. Voor wat betreft het psychosociaal/cognitief functioneren heeft de jeugdige af en toe tot vaak hulp, toezicht of sturing nodig. Op het gebied van de ADL functioneert de jeugdige leeftijdsadequaat, maar is er wel regelmatig behoefte aan toezicht en stimulatie, met name bij de kleine verzorgingstaken. Denk aan de persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid en bij het wassen, eten en drinken. Rond de mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen. Ondersteuningsbehoeften Deze vorm van wonen en verblijf kan aanvullend verstrekt worden wanneer daar, naast een ondersteuningsbehoefte, behoefte aan is. De jeugdhulpaanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert, is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat. 4.6.5 Vervanging thuis met onvoorspelbaar gedrag (dakje 3) Bij deze vorm van wonen en verblijf is er sprake van vervanging van de thuissituatie die bestaat uit een veilige omgeving voor de jeugdige die zeven dagen in de week behoefte heeft aan 24 uurs toezicht.

Vanwege de complexiteit van de problematiek en het feit dat de jeugdigen geen thuis hebben om op korte termijn naar terug te keren, hebben zij specifieke zorg nodig. Daarom is naast bewaking ook een (pedagogisch) gekwalificeerde (slaap)dienst beschikbaar. Op afroep is 24 uur per dag een behandelaar beschikbaar. De woonomgeving is passend bij het gedrag van de jeugdige. Dat wil zeggen een veilige omgeving voor de jeugdige die ook en bestand is tegen mogelijk geweld/molest. Toezicht op de jeugdige is op een fysiek goede manier geregeld door bijvoorbeeld cameratoezicht en gereguleerde toegang tot de ruimten. Er is een adequaat alarmeringssysteem en directe back-up van collega's aanwezig. De woonomgeving is passend bij het gedrag van de jeugdige. Dat wil zeggen een veilige omgeving voor de jeugdige die tevens bestand is tegen mogelijk geweld/molest. Kenmerken jeugdige De jeugdige vertoont onvoorspelbaar gedrag; er is sprake van ernstige gedragsproblematiek. De problematiek kan zowel van psychische als psychiatrische aard zijn. De jeugdige heeft continu sturing, regulering, behandeling, ondersteuning en toezicht nodig. Er is met name sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatief gedrag, ongecontroleerd, ontremd gedrag, reactief gedrag met betrekking tot interactie, zelf verwondend of zelfbeschadigend gedrag, angsten en psychosomatiek.

Ook voor wat betreft het psychosociaal/cognitief functioneren heeft de jeugdige vaak hulp, toezicht of sturing nodig.

Versie 2, 9 mei 2021

27

Sociale redzaamheid Op het gebied van sociale redzaamheid heeft de jeugdige veel hulp nodig. Hij/zij kan taken vaak met veel moeite zelf uitvoeren en heeft daarbij veel hulp of zelfs overname nodig. Het gaat vooral om het uitvoeren van complexere taken, het regelen van de dagelijkse routine en taken die besluitnemings- en oplossingsvaardigheden vereisen. Voor wat betreft het psychosociaal/cognitief functioneren heeft de jeugdige af en toe tot vaak hulp, toezicht of sturing nodig. Op het gebied van de ADL functioneert de jeugdige leeftijdsadequaat, maar er is wel regelmatig behoefte aan toezicht en stimulatie, met name bij de kleine verzorgingstaken. Denk aan de persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid en bij het wassen, eten en drinken. Rond de mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen. Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) Bij de jeugdige kan een uitgebreide behoefte aan hulp zijn, onder andere bij het eten en drinken, bij het zich wassen en kleden, de toiletgang. Bij deze jeugdige kan sprake zijn van verpleegkundig handelen als gevolg van fysieke gezondheidsproblemen. Rond de mobiliteit is er doorgaans geen sprake van beperkingen. Ondersteuningsbehoeften Deze vorm van wonen en verblijf kan aanvullend verstrekt worden wanneer daar, naast een ondersteuningsbehoefte, behoefte aan is.

De jeugdhulpaanbieder die de ondersteuningsbehoefte levert is eindverantwoordelijk voor het behalen van het resultaat.

4.6.6 Hoog specialistische 24-uurs zorg Naast de hiervoor genoemde Dakjes is er nog een andere individuele voorziening beschikbaar in de vorm van wonen en verblijf. Het gaat om hoog specialistische zorg voor jeugdigen met complexe problematiek (vaak gedragsproblematiek in combinatie met GGZ-problematiek). Deze specialistische hulp wordt gecombineerd aangeboden met onderwijs en vrije tijd. 4.7 Vervoer Onder groepsondersteuning valt tevens het noodzakelijke vervoer zodat de jeugdige ook feitelijk van de groepsondersteuning gebruik kan maken. De jeugdige die niet in staat is om op eigen kracht, al dan niet met hulp van anderen, van een naar locatie te reizen kan in aanmerking komen voor vervoer. Onder anderen worden personen uit het sociaal netwerk verstaan of vrijwilligers. Het college beoordeelt de noodzaak op basis van artikel 3.5 van de verordening.

Versie 2, 9 mei 2021

28

5 Persoonsgebonden budget Hoofdstuk 4 en 5 van de verordening § 2 Nadere regels Financieel besluit 5.1 Inleiding Een pgb vertegenwoordigt de geldswaarde van een individuele voorziening die het college in natura zou verstrekken aan de jeugdige of zijn ouder(s). Dat betekent dat met het toegekende pgb tenminste de goedkoopst passende geïndiceerde individuele voorziening ingekocht moet kunnen worden bij tenminste één jeugdhulpverlener (vergelijk CRVB:2018:3093, CRVB:2018:2829). Dat betekent ook dat de indicatie (mede) bepalend is voor de hoogte van het pgb. Om in aanmerking te komen voor een pgb moet zijn voldaan aan een aantal wettelijke voorwaarden en de bepalingen daarover in de verordening. De huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts kunnen alleen een verwijzing naar gecontracteerde jeugdhulp in natura doen. Uit de wet volgt dat het pgb bestemd is voor besteding door in Nederland verblijvende jeugdigen en/of ouder(s). De jeugdige of zijn ouder(s) moeten om een pgb verzoeken. Dat wil zeggen dat het college zowel beslist op het verzoek om jeugdhulp als ook op de leveringsvorm pgb. Als de jeugdige of zijn ouder(s) voor een pgb in aanmerking wensen te komen, dan beoordeelt het college eerst welke bepalingen in de verordening van toepassing zijn op de situatie en daarna ook de wettelijke voorwaarden.

5.2 Pgb met terugwerkende kracht Artikel 4.1, tweede lid, van de verordening De verordening bepaalt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) de hulpvraag eerst moet melden bij het college alvorens een aanvraag in te dienen. Als een indicatie voor een individuele voorziening is vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college verzoekt om deze met terugwerkende kracht te verstrekken. De verordening bepaalt dat dit in principe wordt geweigerd, tenzij het gaat om een voorziening die ná de melding van de hulpvraag is gerealiseerd met schriftelijke toestemming van het college vooraf. Beoordeling Pgb met terugwerkende kracht De wet strekt er niet toe dat het college gehouden is om een individuele voorziening in de vorm van een pgb te verstrekken als de (gevraagde) individuele voorziening al vóór de melding van de hulpvraag of de aanvraag is ingezet (vergelijk CRVB:2017:433). Onbekendheid van jeugdigen of ouders met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). Dit betekent dat de bewijslast op de jeugdige en/of zijn ouder(s) rust om aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat de aanvraag niet eerder kon worden ingediend dan wel dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet eerder bij het college kon melden.

Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan wordt geen pgb met terugwerkende kracht verstrekt. Is echter vastgesteld dat de melding of aanvraag niet eerder kon worden gedaan, dan beoordeelt het college verplichtingen zijn aangegaan met derden die niet meer teruggedraaid kunnen worden. De jeugdige en/of zijn ouders moet dat aantonen met bijvoorbeeld een overeenkomst. Vervolgens is het zo dat het college in staat moet zijn om de noodzaak van de betreffende individuele voorziening vast te stellen. Is dat niet meer mogelijk, dan liggen de gevolgen daarvan in de risicosfeer van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan in principe worden overgegaan tot het met terugwerkende kracht verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb. Ingangsdatum jeugdhulp Het spreekt voor zich dat in het geval een aanvraag wordt gedaan voor jeugdhulp er wel een indicatie kan worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht. Dit laat overigens onverlet dat de inzet van spoedzorg onverkort van toepassing blijft.

Versie 2, 9 mei 2021

29

5.3 Besteding pgb algemeen Artikel 4.1, derde lid, 4.2 en 5.4 van de verordening en artikel 3.2 Nadere regels Verblijf buiten de gemeente of buitenland De inzet van jeugdhulp is bestemd en gericht op jeugdigen die in Nederland verblijven. Behoudens het woonplaatsbeginsel voor jeugdigen, gaat het doorgaans om jeugdigen die feitelijk hun hoofdverblijf in de gemeente Dinkelland hebben. Wel kan de jeugdhulp in de vorm van wonen en verblijf buiten de gemeente ingekocht worden met een pgb. In de praktijk betekent dit dat het verstrekte pgb in andere situaties niet mag worden besteed in het geval de jeugdige buiten de gemeente of in het buitenland verblijft. Denk bijvoorbeeld aan vakantie. Het is toegestaan om maximaal 13 weken per kalenderjaar, waarvan zes weken aaneengesloten, een pgb te besteden buiten de gemeente of in het buitenland. Het gaat in de praktijk om situaties waarbij degene aan wie het pgb wordt besteed de jeugdhulp ook daadwerkelijk biedt. Dat zal in de praktijk doorgaans de ouder zijn. Het college kan de termijnen op aanvraag verlengen als zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor verlenging is aangewezen. Daarvan zal in de praktijk zelden sprake zijn.

Gebruikelijke hulp en overbelasting De verordening bepaalt dat het pgb niet mag worden besteed aan de ouder(s) als: • het activiteiten betreft die naar oordeel van het college worden aangemerkt als eigen mogelijkheden en het oplossend vermogen van de ouder(s); • de ouder(s) overbelast zijn of dreigen te geraken. Het college stelt in het individuele geval vast of daar sprake van is. Zie hoofdstuk 3 van de beleidsregels. Diverse kosten en verantwoordingsvrij bedrag Verder schrijft de verordening voor dat bepaalde kosten niet uit het pgb mogen worden betaald, zoals bemiddelingskosten. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag. Overlijden In geval van overlijden van de jeugdige hanteert het college geen eenmalige uitkering aan de derde die ondersteuning verleent. De zorgovereenkomst stopt ter stond en er kan worden gedeclareerd tot en met de sterfdag van de jeugdige. Specialistische jeugdhulp Bij een indicatie voor specialistische jeugdhulp (ondersteuningsbehoefte 3 en 4) is niet toegestaan om het pgb te besteden aan de ouder(s) en/of andere personen uit het sociaal netwerk. Dit los van de vraag of zij daartoe beroepshalve gekwalificeerd zijn. Voor specialistische jeugdhulp is de inzet van een daartoe gekwalificeerde beroepskracht aangewezen met voldoende professionele afstand om zo objectief en onafhankelijk te kunnen handelen.

Ouders en/of personen uit het sociaal netwerk hebben deze professionele afstand niet omdat zij vanuit hun hoedanigheid (te veel) betrokken zijn op de jeugdige. Besteding pgb sociaal netwerk Uit het verzoek om een pgb kan blijken dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wensen te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk. Het gaat om personen uit de huiselijke kring zoals: de ouder(s) van de jeugdige, een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt. De verordening bepaalt dat het pgb alleen hen mag worden besteed als dit naar oordeel van het college leidt tot aantoonbare betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger

Versie 2, 9 mei 2021

30

is. Het ligt op de weg van de jeugdige en/of zijn ouder(s) om dat aan te tonen. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het Budgetplan. Beoordeling aantoonbaar beter, effectiever en doelmatiger Uit de informatie die de jeugdige en/of zijn ouder(s) overleggen, moet duidelijk worden dat de besteding van het pgb aan de ouder(s) of een andere persoon uit het sociaal netwerk, eenvoudig gezegd, uiteindelijk tot een beter resultaat zal leiden. Dit ten opzichte van de inzet in natura. Dat kan het geval zijn als de persoon uit het sociaal netwerk, volgens een deskundige, de meest aangewezen persoon is om de jeugdhulp te bieden. Dit gelet op de problematiek van de jeugdige. Het kan ook te maken hebben met de aangewezen jeugdhulp, die:  niet goed vooraf is in te plannen,  op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden,  op verschillende locaties moet worden geleverd,  op afroep te organiseren moet zijn,  door de aard van de problematiek van de jeugdige alleen (of beter) door de betreffende persoon kan worden geboden,  door de jeugdige gemotiveerd wordt geaccepteerd. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Kortdurend Gaat het om het aanleren van activiteiten, dan is aannemelijk dat dit meer kans van slagen heeft als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de jeugdige staat.

Dat geldt vooral als de te verstrekken ondersteuning naar verwachting kortdurend zal zijn. Dit kan bijv. aan de orde zijn als de jeugdige leerbaar is. Het college kan zich dan op het standpunt stellen dat gecontracteerde professionele ondersteuning in natura in beginsel voor gaat op het toekennen van een pgb dat aan een persoon uit het sociaal netwerk wordt besteed. Onder een kortdurende periode wordt in ieder geval zes maanden verstaan (vergelijk ook CRVB:2011:BU3228). Kwaliteitseisen De hoofdregel is dat de kwaliteitseisen die gelden voor het gecontracteerde aanbod ook gelden voor de derde aan wie het pgb wordt besteed (artikel 5.4 van de verordening). Dat zou alleen anders kunnen zijn als door die eisen, die specifiek voor het gecontracteerde aanbod gelden, het pgb onbereikbaar wordt. Daarom gelden de toepasselijke opleidingseisen bijvoorbeeld niet voor personen uit het sociaal netwerk. De eis dat de in te kopen jeugdhulp moet voldoen aan kwaliteit, geldt wel onverkort. Besteding van het pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk mag alleen onder de voorwaarden van de verordening (zie hiervoor). De persoon uit het sociaal netwerk moet vanzelfsprekend in staat zijn veilige, doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte jeugdhulp te verstrekken, die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en/of zijn ouder(s).

Voor personen die behoren tot het gezin van de jeugdige, kan een uitzondering worden gemaakt voor de eis dat zij moeten beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Denk aan de situatie dat het college op basis van informatie geen aanleiding heeft om te twijfelen dat zij ondersteuning niet veilig kunnen bieden. In de praktijk zal het doorgaans om de ouder(s) gaan. Besteden binnen de termijn Verder bepaalt de verordening de termijn waarbinnen het pgb moet zijn besteed. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit.

Versie 2, 9 mei 2021

31

5.4 Budgetplan Artikel 4.3 van de verordening Voor de jeugdige of zijn ouder(s) die in aanmerking wenst te komen voor een pgb geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Het college draagt er zorgt voor dat het Budgetplan ook daadwerkelijk kan worden ingediend door een format van een Budgetplan beschikbaar te stellen. Beoordeling Een Budgetplan draagt er onder meer aan bij dat het college beter kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 8.1.1, tweede lid, van de wet en de eventuele overige bepalingen in de verordening. Denk in dit kader ook aan de voorwaarden die gelden als de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een persoon van het sociaal netwerk (art. 4.2, vijfde lid, van de verordening). 5.5 Voldoen aan voorwaarden Artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet Het college moet zich bij het toekennen van een pgb ervan overtuigen dat wordt voldaan aan de voorwaarden. Het spreekt voor zich dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of gegevens verschaft dan wel zijn medewerking verleent aan het onderzoek (art. 8.1.2, derde lid, van de wet en art. 6.2, eerste lid, van de verordening). De wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan.

5.6 Pgb-bekwaamheid Algemene beoordeling pgb-bekwaamheid Het college moet als eerste beoordelen of de jeugdige of zijn ouder(s) pgb-bekwaam is. Dat moet in ieder geval blijken uit: 1. Een goed overzicht van de eigen situatie kunnen houden. De jeugdige of zijn ouder(s) weet welke ondersteuning hij nodig heeft. De jeugdige of zijn ouder(s) moet dat zelf kunnen vertellen. 2. Weten welke regels er horen bij een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) kent de regels of weet waar die regels te vinden zijn en kan deze ook begrijpen. Het helpt als de jeugdige of zijn ouder(s) digitaal vaardig is. 3. Een overzichtelijke pgb-administratie kunnen bijhouden. De jeugdige of zijn ouder(s) weet bijvoorbeeld ook welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor de de jeugdige of zijn ouder(s) zelf, maar de administratie kan ook nodig zijn als het college daarom vraagt. 4. Communiceren met de gemeente, de Svb en ondersteuners. De jeugdige of zijn ouder(s) moet uit zichzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de gemeente of de Svb beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met ondersteuners. En als er iets verandert, moet de jeugdige of zijn ouder(s) dat zelf aangeven. 5. Zelfstandig handelen en zelf voor ondersteuners kiezen.

De jeugdige of zijn ouder(s) moet zelf ondersteuners uitzoeken en afspraken maken over de ondersteuning die ze (moeten) gaan geven. 6. Zelf afspraken maken, deze afspraken bijhouden en zich hier aan houden. De jeugdige of zijn ouder(s) moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de ondersteuner genoeg uren maakt (conform de overeenkomst). Omgekeerd moet de jeugdige of zijn ouder(s) kunnen laten zien dat ondersteuning wordt ingekocht waarvoor het pgb bestemd is. 7. Beoordelen of de ondersteuning uit het pgb past. En of de kwaliteit van de ondersteuning in orde is. Als de jeugdige of zijn ouder(s) de ondersteuning niet goed vindt, kan hij uitleggen waarom dat zo is. Als de ondersteuning niet volgens afspraak verloopt, moet de jeugdige of zijn ouder(s) zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de ondersteuner op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat. 8. Zelf de ondersteuning regelen met één of meer ondersteuners. En dat zo regelen dat er altijd ondersteuning is, ook als de (vaste) ondersteuner ziek is of op vakantie gaat. De jeugdige of zijn ouder(s) moet zelf ondersteuners kunnen kiezen die goed bij de situatie van de jeugdige passen. De jeugdige of zijn ouder(s)

Versie 2, 9 mei 2021

32

moet er zelf op toezien of zij hun werk goed doen. Als de ondersteuner ziek is, moet de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf vervanging kunnen regelen. 9. Zorgen dat de ondersteuners die voor de budgethouder werken weten wat ze moeten doen. De jeugdige of zijn ouder(s) durft een gesprek te beginnen als de ondersteuners hun werk niet goed doen. De jeugdige of zijn ouder(s) betaalt de ondersteuner en is zijn werkgever of opdrachtgever. De jeugdige of zijn ouder(s) moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen. 10. Weten wat de budgethouder moet doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner. Het is niet erg als de jeugdige of zijn ouder(s) sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een ondersteuner. Maar de jeugdige of zijn ouder(s) moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven. Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Overnemen van de bekwaamheid Is de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet pgb-bekwaam, dan kan iemand uit het sociale netwerk dan wel een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde dat overnemen. Het college beoordeelt dan of die persoon in staat is de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. Omdat gesloten jeugdhulp niet is uitgesloten van een pgb zou een gecertificeerde instelling de pgb-bekwaamheid over kunnen nemen.

Dat zal zich in de praktijk niet of nauwelijks voordoen. Jeugdige of ouder(s) budgethouder Bij jeugdigen onder de 16 jaar zijn het de ouders die over de pgb-bekwaamheid moeten beschikken om te voldoen aan de aan het pgb verbonden taken. Een jeugdige tussen de 16 en 18 jaar (met eventuele uitloop tot 23 jaar) kan budgethouder zijn. In dat geval is de jeugdige zelf degene die aan de voorwaarden van pgbbekwaamheid moet voldoen. Het college neemt daarbij in aanmerking dat ouders tot 21 jaar ook financieel verantwoordelijk zijn voor hun kinderen en ook verantwoordelijk kunnen zijn voor bepaalde schulden van hen. Conflicterende belangen professionele jeugdhulpverleners Er kunnen zich bij het beoordelen van deze voorwaarde mogelijk conflicterende belangen voordoen. Denk bijvoorbeeld aan de omstandigheid dat degene die de pgb-bekwaamheid van de jeugdige en/of ouders overneemt ook degene is aan wie het pgb zal worden besteed. Het kan ook gaan om medewerkers die bij deze derde in dienst zijn of op een andere wijze aan de derde zijn verbonden. Is die derde geen persoon uit het sociaal netwerk (niet beroepsmatig) van de jeugdige en/of ouders, dan weigert het college het pgb op de grond dat de verantwoorde uitvoering van de pgb-taken kan worden beïnvloed.

Immers kan deze derde niet zowel het belang van de jeugdige en/of ouders dienen als ook zijn eigen belang (vergelijk CRVB:2019:2803, RBGEL:2018:3911). Jeugdige budgethouder Is de jeugdige budgethouder en wenst hij het pgb te besteden aan zijn ouder(s), dan liggen conflicterende belangen voor de hand. De jeugdige moet in staat worden geacht om bijvoorbeeld degene die de ondersteuning biedt aan te sturen en zonodig bij te sturen. Dat is bij een kind-ouderrelatie tegennatuurlijk. Daarnaast kan een loyaliteitsconflict ontstaan omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s). Conflicterende belangen ouders De wet is er onder meer op gericht om te zorgen dat de jeugdige kan groeien naar zelfstandigheid. In het algemeen is het zo dat kinderen daarvoor ook ‘los’ moeten komen van hun ouder(s). Afhankelijk van de fase van de ontwikkeling van de jeugdige (en zijn beperkingen) kan daarvoor professionele deskundigheid nodig zijn. Dit om bijvoorbeeld de autonomie te bevorderen. Het college beoordeelt of besteding van het pgb aan de ouder(s) in de weg staat aan het groeien naar zelfstandigheid.

Versie 2, 9 mei 2021

33

Conflicterende belangen sociaal netwerk Het is nadrukkelijk niet gezegd dat bij de besteding van pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk (niet beroepsmatig) geen sprake kan zijn van conflicterende belangen! Dat wil zeggen dat ook bij personen uit het sociaal netwerk sprake kan zijn van (ongewenste) beïnvloeding van het pgb-beheer. Echter, van deze personen ligt de betrokkenheid op de jeugdige en/of zijn ouder(s) (diens belang) - gelet op de persoonlijke relatie - meer voor hand. Het college zal ook hier onderzoek moeten doen naar een mogelijke ongewenste belangenverstrengeling. Het college kan tot het oordeel komen dat de persoon uit het sociaal netwerk de ondersteuning niet cliëntgericht kan bieden omdat er sprake is van belangenverstrengeling. Het pgb kan voor degene die de ondersteuning biedt een (belangrijke) bron van inkomen vormen. Gegrond vermoeden Het kan ook voorkomen dat het college een (gegrond) vermoeden heeft dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb. Denk bijvoorbeeld aan:  schuldenproblematiek;  een gok- of drugsverslaving;  niet over een positief sociaal netwerk beschikken;  in een hoge mate beïnvloedbaar zijn. Er is geen limitatief overzicht beoogd.

Is er zowel bij de jeugdige en/of zijn ouders (budgethouder) als derde aan wie het pgb wordt besteed sprake van problematische schulden- en/of verslavingsproblematiek, dan wordt het pgb geweigerd.

5.7 Motivatie-eis De tweede voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb, gaat over de vraag of de jeugdige of zijn ouder(s) hun wens voor een pgb voldoende motiveren. Het gaat om de motivering van het standpunt dat de individuele voorziening in natura, voor hen niet passend is. Uit TK 2013/14, 33 684, nr. 11 blijken de volgende voorbeelden. Als:  de jeugdhulp niet goed vooraf is in te plannen,  de jeugdhulp op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden,  jeugdhulp op verschillende locaties moet worden geleverd,  het noodzakelijk is om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren, of  als de ondersteuning door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden. Oriënteren op natura aanbod Het college kan de jeugdige of zijn ouder(s) vragen om aan te tonen dat zij zich hebben georiënteerd op het door het college gecontracteerde aanbod 'in natura' en daarbij aan te geven waarom dat aanbod niet passend is c.q. zij deze niet passend achten. Het college mag daar geen eisen aan stellen. Dat wil zeggen als de jeugdige of zijn ouder(s) een motivering geven waaruit blijkt dat zij zich hebben georiënteerd op het gecontracteerde aanbod in natura, is dat in principe voldoende.

5.8 Kwaliteitseisen De verordening bepaalt dat degene aan wie het pgb wordt besteed, moet voldoen aan de eisen die gelden voor de jeugdhulpaanbieders die door het college zijn gecontracteerd. In principe gelden deze eisen onverkort als de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb besteed aan een professionele jeugdhulpverlener. Voor personen uit het sociaal netwerk kan dat anders liggen, als het pgb daardoor onbereikbaar wordt terwijl wel wordt voldaan aan de

Versie 2, 9 mei 2021

34

kwaliteitseisen die in het algemeen gesteld worden (passende jeugdhulp). Zo gelden voor hen niet de opleidingseisen en/of registratie eisen (bijv. SKJ). Reguliere werkweek Het aspect van veiligheid (in de zin van kwaliteit) heeft ook betrekking op de vraag of de ondersteuner de noodzakelijke omvang van de ondersteuning wel kan bieden. Deze vraag zal zich met name voordoen bij ZZP-ers en bij personen uit het sociaal netwerk. Een ZZP-er zal namelijk ook door andere ouder(s) of jeugdigen worden ingehuurd. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek (maximaal). Voor een persoon uit het sociaal netwerk kunnen betaalde werkzaamheden maar ook andere activiteiten een rol spelen. Specifiek wonen en verblijf Als het pgb wordt besteed aan de inkoop van wonen en verblijf, dan gelden specifieke criteria. Denk bijvoorbeeld aan het landelijk kwaliteitskader gezinshuizen, tenzij het pgb voor personen uit het sociaal netwerk (niet beroepshalve werkzaam) onbereikbaar wordt. Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat steeds sprake moet zijn van passende kwalitatieve jeugdhulp. Vaktherapeuten kunnen zich niet registeren bij het SKJ maar zij kunnen wel als niet-geregistreerd professional worden ingezet. Daarbij geldt de voorwaarde tot registratie bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB).

Ondersteuning door personen die behoren tot het sociaal netwerk Personen behorend tot het sociaal netwerk van de jeugdige en/of zijn ouder(s) worden niet als professionele ondersteuner aangemerkt, tenzij sprake is van een ZZP-er of een dienstverband bij een professionele organisatie. De jeugdige en/of zijn ouder(s) zal allereerst zijn keus om met het pgb iemand uit het sociale netwerk in te schakelen moeten motiveren. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: • De persoon uit het sociale netwerk mag op geen enkele wijze druk op de jeugdige en/of zijn ouder(s) hebben uitgeoefend bij zijn besluitvorming. Dat wil zeggen de jeugdige en/of zijn ouder(s) mag in dat kader niet door deze persoon worden beïnvloed. • Is de persoon uit het sociale netwerk in staat om de gevraagde ondersteuning te bieden? En zo ja, waar blijkt dat uit? • Is voldoende aannemelijk dat de persoon aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken? • Is de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende gewaarborgd? Opgemerkt wordt dat de verordening eisen stelt aan de ondersteuning als het pgb wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk. Bedenk ook dat de ouder(s) degenen kunnen zijn aan het wie het pgb wordt besteed. Het belang van de jeugdige en/of zijn ouder(s) die met een pgb eigen regie wil behouden staat altijd voorop.

Professionele distantie Bij gespecialiseerde jeugdhulp is het niet toegestaan het pgb te besteden aan een persoon uit het sociaal netwerk (art. 4.2, vierde lid, van de verordening). Dat laat onverlet dat het college ook in andere gevallen beoordeelt of er sprake is van voldoende professionele distantie tussen de derde aan wie het pgb wordt besteed en de jeugdige en/of zijn ouder(s). Dat wil onder meer zeggen dat het niet de bedoeling is dat de ‘betrokken partijen’ aan elkaar hechten. Afhankelijk van de mate van de beperkingen van de jeugdige kan deze professionele distantie een belangrijke rol spelen bij het behalen van het resultaat dat met de ondersteuning moet worden bereikt. Zo kan te veel emotionele betrokkenheid van de jeugdhulpverlener een negatief effect hebben op de relatie jeugdigejeugdhulpverlener. De jeugdige kan ook (te) afhankelijk worden van de jeugdhulpverlener. Het college beoordeelt of de jeugdhulpverlener handelt volgens de geldende professionele standaard die geldt in de beroepsgroep. Ook kan het voor komen dat de beoogde ondersteuner al (te) lang betrokken is bij de jeugdige

Versie 2, 9 mei 2021

35

en/of zijn gezinssysteem. Dat kan de professionele kijk op de jeugdige vertroebelen. Ook in die gevallen zal het college moeten beoordelen of nog gesproken kan worden van voldoende professionele distantie met het oog op de kwaliteit van de ondersteuning. De ouders vallen ook onder het sociaal netwerk. 5.9 Overige weigeringsgronden Naast de weigeringsgronden, besproken onder 5.2 (aanvraag pgb met terugwerkende kracht) en 5.6 (conflicterende belangen pgb), geldt nog een aantal situaties waarin het college een pgb kan weigeren. Artikel 8.1.1, vierde lid aanhef en onderdeel a, van de wet Het kan voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb wenst te besteden aan een duurdere individuele voorziening dan waar het college de hoogte van het pgb op heeft gebaseerd. In dat geval geldt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het meerdere van de kosten daarvan zelf moet betalen. Het meerdere dat aan de individuele voorziening wordt besteed wordt dan door het college geweigerd. Let wel ook in die gevallen gelden nog steeds de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld de kwaliteit. Dat wil zeggen dat het college de kwaliteit daarvan mag beoordelen maar ook bijvoorbeeld kan nagaan of de jeugdige en/of zijn ouder(s) wel in staat is om duurdere jeugdhulp te bekostigen.

Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet bereid is het meerdere zelf te betalen, kan het college overgaan tot het weigeren van het totale pgb. Dit met het oog op de bevoegdheid van het college om te beoordelen of aan de (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan. Bijstorten In artikel 8, zesde lid, van de Regeling Jeugdwet is de vrijwillige bijstorting door budgethouders uitgewerkt. Er kan geld worden bijgestort voor een concrete betaalopdracht om meer of duurdere jeugdhulp in te kopen. Als de budgethouder meer (uren) of een duurdere variant wil betrekken dan het toegekende pgb mogelijk maakt, kan de Svb betalingen verrichten uit bijgestorte gelden voor diensten die zijn omschreven in de overeenkomst op grond waarvan die diensten worden ingekocht en in aanvulling op hetgeen is toegekend op grond van de pgbbeschikking. Artikel 8.1.1, vierde lid aanhef en onderdeel b, van de wet Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) een pgb wenst, gaat het college na of een eerder pgb-besluit is ingetrokken onder toepassing van artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onderdeel a, d of e, van de wet. Denk aan: • het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing zou hebben geleid, • het niet voldoen aan de aan het pgb verbonden voorwaarden, of • het pgb is niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt.

Uitgangspunt Op grond van dit artikel kan het college als -onder meer- sprake is geweest van het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de jeugdige en/of zijn ouder(s) een aanvraag voor een pgb weigeren (schending inlichtingenplicht). Bij gebruikmaking van deze bevoegdheid hanteert het college een grens. De aanvraag voor een pgb wordt geweigerd als de schending van verplichtingen (tot maximaal) twee jaar voorafgaand aan de nieuwe aanvraag heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de datum van het herzienings- of intrekkingsbesluit. 5.10 Hoogte pgb Artikel 4.4 van de verordening De verordening bepaalt hoe de hoogte van het pgb van een voorziening voor jeugdhulp wordt vastgesteld. Daarbij gelden gedifferentieerde tarieven voor:  jeugdhulpverleners die in dienst zijn van een professionele organisatie en die als ZZP-er werkzaam zijn,

Versie 2, 9 mei 2021

36

 personen uit het sociaal netwerk,  personen die niet onder een van de genoemde categorieën vallen. Begripsbepalingen In de verordening zijn begripsbepalingen opgenomen van een professionele organisatie en een ZZP-er. Dat is van belang omdat de hoogte van het pgb daar op wordt gebaseerd. In principe moet zijn voldaan aan de begripsbepaling om in aanmerking te komen voor het van toepassing zijnde tarief. Opgemerkt wordt dat een persoon uit het sociaal netwerk ook bij een professionele organisatie of als ZZP-er werkzaam kan zijn. Sociaal netwerk Voor personen uit het sociaal netwerk geldt volgens de verordening ook dat altijd een lager tarief van toepassing is dan geldt voor jeugdhulpverleners in dienst bij een professionele organisatie of een ZZP-er. Gemeenten hebben deze bevoegdheid op grond van artikel 8.1.1, derde lid, van de wet. 5.11 Herindicatie en verzoek om pgb Na afloop van de indicatie kan de jeugdige en/of ouder(s) zich opnieuw melden bij het college met het oog op een verlenging van de indicatie voor jeugdhulp. Hebben zich in de voorafgaande periode van pgb-verstrekking geen onregelmatigheden voorgedaan en heeft het college ook anderszins geen reden om te twijfelen of (nog) wordt voldaan aan de voorwaarden (wet en verordening), dan kan het onredelijk zijn om met de jeugdigen en/of zijn ouder(s) de intensieve beoordeling van voorwaarden opnieuw te doorlopen.

Dit betekent dat het college slechts een lichte toetsing toepast. Wel geldt onverkort dat (opnieuw) een Budgetplan moet worden opgesteld.

Versie 2, 9 mei 2021

37

6

Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik

Hoofdstuk 5 van de verordening 6.1 Inleiding Algemeen De wet schrijft voor dat in de verordening regels moeten staan om misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen (hoofdstuk 5 van de verordening). Dat wil zeggen dat het college bevoegd is controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: de regels uit de wet, de regels uit de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Het gaat om controles op de rechtmatigheid en de kwaliteit van de jeugdhulp (tenzij de Inspectie daartoe bevoegd is) en/of ondersteuning door derden in geval van een pgb. Daarvoor hoeft het college geen specifieke aanleiding te hebben, de controles kunnen bijvoorbeeld thematisch worden uitgevoerd. De controles kunnen zowel door het college als door de toezichthoudende ambtenaar worden uitgevoerd. Op het college rust een voorlichtingsplicht om tijdens het onderzoek de jeugdige en/of zijn ouder(s) te informeren over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de verplichtingen omtrent het pgb, evenals de gevolgen bij nietnaleving daarvan, rusten in de eerste plaats bij de budgethouder.

Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder, maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen om daarover verantwoording af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Daarvoor kan aanleiding zijn als het college daar twijfels over heeft. Onder de derde wordt ook de ouder(s) van de jeugdige verstaan of een aan een derde gelieerde (rechts)persoon. 6.2 Onderzoeksbevoegdheid college Het college is op grond van artikel 5.1 van de verordening bevoegd om onderzoeken in te stellen die betrekking hebben op de naleving van regels uit de wet, de verordening en de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders. Deze onderzoeken hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als de kwaliteit van de geboden ondersteuning, tenzij de Inspectie Gezondsheidszorg en Jeugd daartoe bevoegd is. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van de inhoudelijke activiteiten met bijbehorende resultaatafspraken. De jeugdhulpaanbieder, budgethouder en/of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn desgevraagd verplicht om hun medewerking te verlenen aan de verantwoording hierover (art. 5.3 van de verordening).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/480/documents/15543