B_B_ontwerp_1_Toelichting.PDF
Tekst van het document
2.6.2 Waterbeheerplan
Waterschappen hebben speciale taken voor water, namelijk het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, het zorgen voor een functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater. In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven en komen in hoofdlijnen de hiervoor benodigde maatregelen aan de orde. De (toenmalige) waterschappen Vechtstromen, Reest en Wieden, Groot Salland en Rijn en IJssel hebben gezamenlijk het Waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Hierin staat dat de waterschappen voor de Natura 2000-gebieden de GGOR-maatregelen bepalen, als onderdeel van het door de
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
23
provincies geregisseerde gebiedsproces. GGOR staat voor Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime. GGOR-maatregelen zijn hydrologische maatregelen op inrichtingsniveau, die zich richten op de inrichting van de waterhuishouding in een gebied, mede rekening houdend met de eisen die de ecologie aan een oppervlaktewater stelt. Hierbij zijn uiteraard de omliggende landbouw gebieden nauw betrokken, want voor een optimale landbouw zijn goede watercondities nodig. Tevens is aandacht besteed aan de verdroging van natuurgebieden. In de afgelopen periode hebben de waterschappen voor de Natura 2000-gebieden de GGOR-maatregelen bepaald voor het opstellen van de Inrichtingsplannen. De uitvoering van deze maatregelen vindt de komende jaren plaats, onder de voorwaarden dat: het provinciale beheerplan voor het betreffende gebied definitief is vastgesteld; er geen obstakels zijn in de grondverwerving en ruimtelijke procedures; er afspraken zijn tussen provincie en het waterschap over de financiering van de maatregelen.
2.6.3 Keur
Waterschappen stellen een Keur vast. Dit is een verordening met regels voor waterkeringen, watergangen en waterstaatswerken. Voor (bouw)werkzaamheden in de nabijheid van een oppervlaktewater of een dijk is een keurvergunning of keurontheffing van het waterschap nodig. Het waterschap onderzoekt hoe en wat de nadelige gevolgen zijn voor het water of voor de dijken. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning of ontheffing afgegeven. Voor sommige werkzaamheden zijn algemene regels beschikbaar. Als aan deze regels wordt voldaan, is er geen vergunning of ontheffing nodig, waarbij de werkzaamheden wel bij het waterschap moeten worden gemeld. In het gebied waar de waterbeheerder de (bestaande) natuurdoelen ondersteunt ligt de verantwoordelijkheid van het watersysteem bij het waterschap en is vastgelegd in de Keur.
2.6.4 Conclusie
Het Inrichtingsplan (zie bijlage 2 bij de regels) voor het Natura 2000-deelgebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" is in afstemming met het Waterschap Vechtstromen opgesteld. Het Inrichtingsplan voldoet aan het Waterschapsbeleid.
2.7
Gemeentelijk beleid
In het gemeentelijk ruimtelijk beleid zijn met name structuurvisies, beheersverordeningen en bestemmingsplannen belangrijke instrumenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het in lijn brengen van hun bestemmingsplannen en structuurvisies met de geldende wetgeving en beleid. Het Natura 2000-gebied “Bergvennen en Brecklenkampse Veld" ligt binnen de gemeente Dinkelland. Daarom is in deze paragraaf met name het beleid van de gemeente Dinkelland kort toegelicht. Daarnaast is het ruimtelijke beleid ook via het bestemmingsplan vastgelegd. De geldende bestemmingsplannen komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.
2.7.1 Gebiedsvisie Noordoost-Twente
Deze Gebiedsvisie 2012-2020 is een document van de provinciale en gemeentelijke overheid en het waterschap en is een richtinggevend basisdocument voor het ruimtelijke-fysiek domein op strategisch niveau. De visie bevat bouwstenen die richtinggevend zijn voor toekomstige beleidskeuzes. Deze gebiedsvisie heeft weliswaar geen formeel juridische status in het kader van de Wet ruimtelijke ordening, maar geeft, zoals aangegeven, mede richting aan de invulling van de natuurdoelstellingen in het landelijke gebied. Het landschap in Noordoost-Twente is een unieke combinatie van de geologische basis en ”mensenwerk”. De overheid heeft volop in het gebied geïnvesteerd om deze unieke kwaliteiten te bewaren. Het gaat daarbij niet alleen om het bijzondere en kleinschalige landschap met beken en bronnen, maar ook om de belangrijke cultuurhistorische elementen, zoals boerenerven, watermolens en natuurwaarden. De bijzondere waarde van het gebied is ook Europees erkend
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
24
door de aanwijzing als Natura 2000-gebied. In het verlengde hiervan ligt er voor dit gebied een bijzondere opgave namelijk: het duurzaam verbinden van economie, water, landschap en natuur (in brede zin). Dit is een van de hoofduitdagingen voor de gebiedsontwikkeling. In de afgelopen decennia is er echter spanning ontstaan tussen economische ontwikkeling en natuur en landschap. Vooral de stikstofproblematiek speelt hierbij een rol. Het gebied kent een relatief groot aantal Natura 2000- gebieden die zeker voor wat betreft stikstofdepositie binnen elkaars beïnvloedingsgebied liggen. Dat maakt de problematiek in dit gebied extra complex. Het duurzaam verbinden van economie, bewoners, landschap en natuur (in brede zin) is een van de hoofduitdagingen voor Noordoost-Twente.
2.7.2 Landschapsontwikkelingsvisie en Landschapsontwikkelingsplan
De gemeenten Dinkelland, Tubbergen, Oldenzaal, Losser en Twenterand hebben in 2007 gezamenlijk de Landschapsontwikkelingsvisie opgesteld voor het gebied Noordoost-Twente/Twenterand. Per gemeente is de visie uitgewerkt in een landschapsontwikkelingsplan (LOP). De gemeente Dinkelland heeft in 2008 het LOP vastgesteld. In het LOP staan onder meer de specifieke kenmerken en mogelijkheden van de aanwezige landschappen benoemd. Het LOP geldt onder meer als landschappelijk afwegingskader voor nieuwe ontwikkelingen (basis voor bestemmingsplan Buitengebied) en biedt een stimulans aan de vormgeving van een landschap waarin ruimte is voor economische ontwikkeling. Het LOP dient als toetsinstrument voor de landschappelijke inpassing van nieuwe ontwikkelingen en dient daarnaast als objectief afwegingskader voor het verlenen van vergunningen. De landschapsontwikkelingsvisie is opgesteld aan de hand van een verdeling van het gehele gebied in een aantal deelgebieden met eigen landschappelijke kenmerken. Per deelgebied is een opgave gesteld omtrent het behoud en beheer van de aanwezige kenmerken. Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied 'Grensgebied'. Voor dit gebied heeft het behoud en herstel van de landschappelijke waarden de prioriteit. Deze waarden kenmerken zich vooral door een kleinschalige afwisseling in het (agrarisch) grondgebruik binnen het aanwezige reliëf.
2.7.3 Casco-benadering in Noordoost-Twente
De beleidsnota Casco-benadering in Noordoost-Twente is in samenwerking tussen de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Dinkelland, Losser en Oldenzaal opgesteld en bestaat uit een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de casco-benadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. Voor de gemeenten is de casco-benadering een duidelijk instrument om vooraf duidelijkheid te geven aan initiatiefnemers in plaats van bij elke aanvraag maatwerk te verrichten met een onzekere uitkomst. De casco-benadering leidt tot een landschap waarin de afzonderlijke landschapstypen beter van elkaar te onderscheiden zijn. Hierdoor wordt de variatie van landschappen in Noordoost Twente beter beleefbaar en geeft ook richting aan toekomstige initiatieven. Voor elk landschapstype worden in de casco-benadering spelregels gehanteerd die richting geven aan toekomstige ontwikkelingen.
2.7.4 Omgevingsvisie gemeente Dinkelland
De Omgevingsvisie gemeente Dinkelland is op 30 maart 2021 vastgesteld. Medio 2022 wordt de nieuwe Omgevingswet ingevoerd. De Omgevingswet betreft 1 wet voor de fysieke leefomgeving. Ter voorbereiding daarop heeft de gemeente Dinkelland 'MijnOmgevingsvisie' vastgesteld. MijnOmgevingsvisie is ontwikkeld in samenspraak met de betrokkenen zoals inwoners, ondernemers, organisaties en ketenpartners. In MijnOmgevingsvisie is uitgewerkt wat 'wij als samenleving' en gemeente belangrijk vinden en waar zij gezamenlijk naartoe willen in de komende jaren. Het gaat hierbij dus over de koers voor de lange termijn met de fysieke leefomgeving. Deze koers is onmisbaar bij het verder uitwerken van een meer integrale benadering en het samenlevingsgericht werken in de gemeente.
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
25
In MijnOmgevingsvisie staan 4 kernprincipes centraal: we doen het samen; we geven het goede voorbeeld; we wentelen niet af op volgende generaties; we combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.
Ten aanzien van onderhavig plangebied wordt gesteld dat het grotendeels gaat om waardevolle landschappen die door te tijd heen in stand zijn gebleven en waar gestuurd wordt op het behouden en versterken van die waarden in combinatie met Natura 2000 gebieden. Bij een combinatie met een lage dynamiek is het landschap nog zeer herkenbaar ten opzichte van 100 jaar geleden. De doelstellingen waar in deze gebieden op ingespeeld moeten worden, zijn: de oorspronkelijke schaal van het landschap; het versterken van natuurwaarden; behoud van cultuurhistorie en erfkarakteristieken; het vasthouden van water; het verbeteren van biodiversiteit; natuurinclusieve bouwwijze; inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is; belevingswaarde gericht op natuur en cultuurhistorie.
2.7.5 Erfgoedverordening
In mei 2008 heeft de gemeenteraad de nota Archeologiebeleid gemeente Dinkelland vastgesteld. Dit beleid bestaat onder meer uit een archeologische verwachtings- en advieskaart en geeft voor het grondgebied van de gemeente de verwachtingswaarde voor archeologische resten aan. Aan die waarden zijn vervolgens weer beleidsadviezen gekoppeld. De kaart is gebaseerd op de opbouw van het landschap en bevat de landschappelijke eenheden met een archeologische betekenis. De archeologische verwachtings- en advieskaart is vervolgens opgenomen in de gemeentelijke erfgoedverordening die op 24 februari 2012 in werking is gereden. Op grond van deze verordening is het, onder meer en in zijn algemeenheid verboden, zonder vergunning van het college in een gebied met archeologische waarde en in een archeologisch verwachtingsgebied, als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en advieskaart, de bodem dieper dan 40 cm onder de oppervlakte en over een oppervlakte van meer dan 100 m2 te verstoren (artikel 17 Erfgoedverordening). Er zijn ook uitzonderingen op deze hoofdregel geformuleerd.
2.7.6 Conclusie
Met het opstellen van dit inpassingsplan voor het Natura 2000-gebied “Bergvennen en Brecklenkampse Veld" wordt invulling gegeven aan onder meer het gemeentelijke natuur- en landschapsbeleid. De te treffen maatregelen zoals concreet weergegeven in het Inrichtingsplan (bijlage 2 van de regels) zijn in overeenstemming met de erfgoedverordening.
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
26
Hoofdstuk 3 Gebied en planbeschrijving
3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt in eerste instantie ingegaan op het ontstaan en de huidige (planologische) situatie van het plangebied. Vervolgens wordt op basis van geldende wetgeving en beleid de opgave voor het plangebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" bepaald. Vervolgens wordt in dit hoofdstuk beschreven hoe deze opgave verder is uitgewerkt en welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied te behalen. In onderstaande tekst is onder andere gebruik gemaakt van het Inrichtingsplan met bijbehorende onderbouwende rapporten en de gebiedsanalyse.
3.2
Ontstaan en huidige situatie van het plangebied
Korte omschrijving van het plangebied Het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld ligt in de gemeente Dinkelland en omvat de deelgebieden Brecklenkampse Veld en Bergvennen met inbegrip van de tussenliggende cultuurgronden, de zogenaamde 'landbouwenclave'. Het gebied ligt ten oosten van de Kommiezendijk en ten westen van de grens met Duitsland. Het gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 137 ha. Landschappelijke
kenmerken
Algemeen De Bergvennen is een heidegebied op dekzandruggen met daarin een aantal grote zeer zwakgebufferde vennen met waterlobelia. De waterkwaliteit van deze vennen wordt op kunstmatige wijze op orde gehouden: in de winter wordt grondwater opgepompt om de benodigde buffering te kunnen leveren. Langs de vennen liggen smalle gordels met overgangen van natte naar droge heide. Langs één van de vennen groeit gagelstruweel. De Bergvennen bestaat uit de zuidelijke vennen 1 en 2, het Rietven, Ronde Ven, Eilandven en Pluzenven (met ten noordwesten een naamloos ven). Het Brecklenkampse Veld ligt direct ten noorden van de Bergvennen en is een geaccidenteerd landschap met dekzandruggen, waarin rijke gradiënten van heide naar schraallanden en laagten met oeverkruidbegroeiingen optreden. Ook komen hier vochtige eiken-berkenbossen voor. Hier zijn recentelijk succesvolle herstelmaatregelen uitgevoerd. Op de flanken van de ruggen ligt heischraalgrasland en blauwgrasland. Deze zone wordt gevoed door basenrijke kwel en wordt niet of kortstondig geïnundeerd. Het gebied is een zwak glooiend dekzandlandschap dat in hoogte afloopt van zuidoost naar noordwest. De Bergvennen en het Brecklenkampse Veld maken onderdeel uit van hetzelfde hydrologische systeem, dat ook zuidoost-noordwest georiënteerd is.
De twee gebieden functioneren echter verschillend: Bergvennen is een infiltratiegebied waar regenwater in de bodem wegzijgt; het Brecklenkampse Veld is een kwelgebied waar grondwater als kwel omhoog komt.
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
27
Figuur 3-1 Overzicht plangebied met vennen (bron: inrichtingsplan Bergvennen en Brecklenkampse Veld)
3.3
Planologische situatie
3.3.1 Vigerend bestemmingsplan Buitengebied
Het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld", ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 van de gemeente Dinkelland. Dit bestemmingsplan is op 18 februari 2010 vastgesteld.
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
28
Figuur 3-2 Fragment verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' gemeente Dinkelland (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Voor het plangebied zijn op basis van het geldende bestemmingsplan de volgende bestemmingen van belang: Agrarisch - 1 (enkelbestemming) Gronden met de bestemming Agrarisch - 1 hebben de hoofdfunctie agrarisch en het gebruik is gericht op het bieden van mogelijkheden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. Onderdeel van de bestemmingsbeschrijving is ook het behoud, herstel en de ontwikkeling van landschappelijke waarden, Voor een aantal werken en werkzaamheden is een vergunningstelsel opgenomen om bepaalde ingrepen in het landschap, die in beginsel binnen de bestemming passen, nader af te kunnen wegen. Bos en natuur (enkelbestemming) Gronden met de bestemming ‘Bos en natuur’ zijn aangewezen voor natuur, bosbouw en houtproductie en het behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van deze gebieden. Binnen deze bestemming ligt het grootste deel van het aangewezen Natura 2000-gebied. Dit is ook nader gespecificeerd door de functie-aanduiding 'specifieke vorm van natuur - natura 2000'. Waarde Ecologie (dubbelbestemming)
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
29
Het gehele plangebied heeft de dubbelbestemming Waarde - Ecologie, waarmee is aangegeven dat de gronden mede bestemd zijn voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de instandhouding en realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (nu: NatuurNetwerk Nederland).
3.3.2 Bestemmingsplan De Bergvennen (12-1989)
Ter plaatse van de bestaande camping is op dit moment het vigerende bestemmingsplan De Bergvennen (vastgesteld 14 december 1989) van kracht.
In dit bestemmingsplan zijn voor de gronden die in onderhavig plangebied zijn opgenomen de bestemmingen 'water', 'bos', 'kampeerterrein' van toepassing.
3.4
Gebiedsopgave
3.4.1 Beheerplan
Zoals al eerder is aangegeven wordt het Natura 2000-beheerplan "Bergvennen e Brecklenkampse Veld" parallel aan dit Provinciaal Inpassingsplan opgesteld en vóór het vaststellen van het PIP vastgsteld. In het beheerplan zijn de maatregelen die in het Inrichtingsplan zijn uitgewerkt opgenomen. Voor het plangebied zijn in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" de volgende opgaven geformuleerd:
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
30
3.5
Omschrijving Inrichtingsplan
Voor de maatregelen in (of maatregelen daarbuiten met invloed op) het Natura 2000-deelgebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" is een Inrichtingsplan opgesteld met daarin inrichtingsmaatregelen en een beheerstrategie (zie bijlage 2 bij de regels ). Doel van het inrichtingsplan is om alle wettelijke opgaven voor het gebied, voortvloeiend uit Natura 2000 uit te werken tot maatregelen. Het Inrichtingsplan is de basis voor: het ruimtelijk plan en de invulling en onderbouwing van het ruimtelijk ordeningsproces; overleg met de grondeigenaren over afspraken over grondverwerving of over beperkende voorwaarden op landbouwpercelen; verdere detaillering naar een technisch ontwerp om te komen tot uitvoering en realisatie van de maatregelen; het beheer- en onderhoudsplan; het monitoringsplan; de vergunningencheck; de aanbesteding. Het Inrichtingsplan bestaat uit een rapport met bijlagen. Onderstaande afbeelding geeft inzicht in de te nemen maatregel. Het inrichtingsplan met bijbehorende kaarten is ook als bijlage 2 bij de regels opgenomen.
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
31
Figuur 3-3 Maatregelenkaart Inrichtingsplan (zie ook bijlage 1 bij de regels) In het inrichtingsplan zijn de externe en interne natuurherstelmaatregelen opgenomen die in de eerste beheerplanperiode worden uitgevoerd. De externe maatregelen zijn alle voor instandhouding van de habitattypen benodigde maatregelen op of buiten de Natura 2000-begrenzing, aan percelen en watergangen èn binnen de begrenzing op percelen die momenteel geen natuur zijn (de landbouwenclave). Het betreft onder meer het verwijderen van buisdrainage, dempen en verondiepen van sloten en leggerwatergangen. In het Lattropse veen wordt een slenk aangelegd, waardoor gebufferd grondwater in de slenk aan het oppervlak komt en vervolgens kan worden doorgevoerd naar de zuidelijke vennen om de kwetsbare vennen te voeden met kwalitatief goed water. Ook op percelen in Duitsland worden maatregelen getroffen. Ook wanneer geen maatregelen
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
32
getroffen zouden worden in Duitsland, moeten de maatregelen in Nederland wel uitgevoerd worden. Interne maatregelen zijn alle maatregelen binnen de Natura 2000-begrenzing en binnen bestaande natuur. Het gaat hier met name om herstel van heide door het bekalken met steenmeel, plaggen van vergraste heide en het kappen van dennen die grondwater onttrekken. In de eerdergenoemde landbouwenclave worden maatregelen getroffen voor de zogenaamde uitbreidingsdoelen uit het beheerplan.
3.5.1 Tijdelijk agrarisch gebruik Lattropse Veen
In het Inrichtingsplan is het Lattropse Veen, gelegen in het zuidoosten van dit plangebied, opgenomen als nieuwe natuur. In afstemming met de huidige gebruikers van dit gebied is afgesproken dat deze gronden in de eerste 5 jaar na in werking treden van dit bestemmingsplan agrarisch gebruikt mogen worden, met uitzondering van de in het Inrichtingsplan opgenomen slenk die al eerder gerealiseerd wordt dan 5 jaar na in werking treding en die na aanleg niet meer agrarisch in gebruik zal zijn. Hierbij mogen deze gronden enkel in gebruik zijn als grasland en mag er, met uitzondering van uitmijnen, geen bemesting plaatsvinden. Na deze 5 jaar wordt het gebruik van deze gronden overeenkomstig de bestemming Natuur. Om dit planologisch juridisch goed te verankeren is de voorlopige bestemming 'Natuur- Agrarisch Voorlopig' opgenomen.
3.5.2 Maatregelen in Duitsland
In het inrichtingsplan zijn ook maatregelen in Duitsland opgenomen. Deze maatregelen zijn ook nodig om de Natura 2000 doelen in Nederland te halen. Omdat een PIP de landsgrenzen niet kan overschrijden, zijn deze maatregelen niet in dit PIP opgenomen. Voor de uitvoering van deze maatregelen in Duitsland vindt afstemming plaats met de grondeigenaren en de betreffende overheden. Ook wanneer geen maatregelen getroffen zouden worden in Duitsland, moeten de maatregelen in Nederland wel uitgevoerd worden.
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
33
Hoofdstuk 4 Overige beleid- en onderzoeksaspecten
4.1
Inleiding
Bij de voorbereiding van een inpassingsplan moet worden nagegaan of dat plan uitvoerbaar is, onder andere gelet op omgevingsaspecten zoals milieu, water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie en landschap en explosieven. Voor deze onderwerpen is specifiek beleid en regelgeving vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt het beschreven plan uit het vorige hoofdstuk getoetst aan deze aspecten. Ten behoeve van de inrichtingsmaatregelen zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken zijn als bijlagen bij dit inpassingsplan gevoegd.
4.2
Milieu
4.2.1 MER
Voor alle uit te voeren activiteiten in een gebied moet worden getoetst of deze activiteiten significante negatieve effecten kunnen hebben op het milieu en of daarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Wettelijk kader In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is de m.e.r.-procedure geregeld. In paragraaf 7.2 staat beschreven voor welke plannen en besluiten het maken van een milieueffectrapport (MER) verplicht is. In artikel 7.2 Wm staat beschreven dat bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit m.e.r.) activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor geldt een m.e.r.-plicht; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Hiervoor geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. De m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten zijn opgenomen in bijlagen C en D van het Besluit m.e.r.. Hierbij zijn drempelwaarden genoemd, waaraan getoetst moet worden om te beoordelen of er sprake is van een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Onderstaande afbeelding geeft dit weer.
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
34
Figuur 4-1 Overzicht om te komen tot een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.-beoordeling (Bron: www.infomil.nl) Naast artikel 7.2 (beschreven activiteiten) moet op grond van artikel 7.2a Wm ook een m.e.r.-procedure doorlopen worden bij de voorbereiding van een plan waarvoor op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming (Wnb) een passende beoordeling moet worden gemaakt. Dat is het geval wanneer activiteiten die in het plan zijn opgenomen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, kunnen leiden tot significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Artikel 2.7 Wnb maakt ook duidelijk dat er geen verplichting geldt om een passende beoordeling te maken, wanneer het gaat om plannen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied. Op grond van artikel 7.6 Wm kunnen in een provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen worden die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn. Dit is niet gebeurd in de provinciale milieuverordening (onderdeel van de Provinciale Omgevingsverordening). Om deze reden wordt hier niet verder op ingegaan in deze paragraaf. M.e.r.
en de Ontwikkelopgave Natura 2000 In sommige gebieden van de Ontwikkelopgave Natura 2000 worden, naast Natura 2000-maatregelen ook meekoppelkansen meegenomen, die verwerkt worden in de provinciale inpassingsplannen. Als dit het geval is, moet een passende beoordeling worden opgesteld en op grond van artikel 7.2a Wm ook een planMER worden opgesteld. Deze toetsing vindt per gebied plaats. In de bijlagen C en D van de Wm staat een aantal activiteiten genoemd die onderdeel kunnen zijn van de Ontwikkelopgave Natura 2000. Het gaat hierbij om de volgende activiteiten: (C16.1) De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld in categorie 16.2 of 16.4 van onderdeel C van deze bijlage met een oppervlakte van meer dan 25 ha; (D9) Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan, waarbij het een functiewijziging betreft met een oppervlakte van 125 ha of meer van water, natuur, recreatie of landbouw; (D16) De ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem, anders dan bedoeld onder D16.2 met een oppervlakte van meer dan 12,5 ha; (D27) De eerste bebossing of de ontbossing dan wel de wijziging of uitbreiding
daarvan met het oog op een andere ruimtelijke functie van de grond op gronden met de agrarische bestemming en een oppervlakte van 100 ha of meer, of op gronden met een andere dan een agrarische bestemming en een oppervlakte van 10 ha of meer. Als de activiteiten voldoen aan de genoemde drempelwaarde waarden geldt een m.e.r.(beoordelings)plicht. Als de drempelwaarden niet worden overschreden, is volgens het Besluit m.e.r. nog wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. M.e.r en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse
Veld': toetsing
Artikel 7.2a Wet milieubeheer en artikel 2.7 Wet natuurbescherming De maatregelen die in dit PIP mogelijk worden gemaakt, houden alleen verband met of zijn nodig voor het beheer van het Natura 2000-gebied. Hiervoor is geen passende beoordeling nodig. Besluit milieueffectrapportage: ontgrondingen en functiewijziging gronden
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
35
In het kader van de herinrichting van delen van het gebied (landbouwenclave, slenk Lattropse Veld) wordt meer dan 12,5 ha grond ontgraven. Het uitvoeren van een secundaire ontgronding (niet gericht op het winnen van delfstoffen) is ingevolge categorie D16.1 van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.(beoordelings)-plichtig, als deze plaatsvindt op een grotere oppervlakte dan 12,5 ha. Als voor deze activiteit een plan (inpassingsplan) nodig is, moet voor dit plan een MER voor plannen worden gemaakt. Verder vindt een functiewijziging plaats van een deel van de gronden, van agrarisch naar natuur. De oppervlakte van deze functiewijziging blijft ruim onder de drempelwaarde van 125 ha in categorie D9, maar wordt in het MER meegenomen. Voor dit PIP is dus een MER gemaakt, welke vooraf is gegaan door een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). De MER is in bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Conclusie De conclusie die in de MER wordt getrokken is dat de in het beheerplan en het PIP opgenomen maatregelen zorgen voor een voldoende positief effect op de habitattypen in Bergvennen & Brecklenkampse Veld. De kwel, als belangrijkste criterium voor de habitattypen, neemt toe. De duur van de hoge waterstanden neemt eveneens toe en de gemiddelde grondwaterstanden stijgen.
Negatieve effecten op het hydrologisch systeem als gevolg van het afgraven van gronden in de Landbouwenclave en het Lattropse veen zijn verzacht. De volledige MER is opgenomen in bijlage 9 bij de toelichting. Een verdere toelichting op de conclusies is daarin ook opgenomen.
4.2.2 Bodemkwaliteit
Wettelijk kader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij functiewijziging te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie. De Wet bodembescherming is daarbij het toetsingskader. Beleidskader Binnen de Regio Twente hebben de gemeente Dinkelland, Tubbergen en Losser gezamenlijk de kwaliteit van hun bodem in kaart gebracht. Deze samenwerking heeft geleid tot een op elkaar afgestemd grondverzetbeleid onder de naam “Twents beleid veur oale groond 2.0”. Dit uit zich onder andere in één gezamenlijke bodemkwaliteitskaart en regionale dezelfde bodemkwaliteitswaarden. De belangrijkste redenen hiervan zijn het behoud van de goede bodemkwaliteit en maximaal grondverzet tegen zo laag mogelijke kosten binnen en tussen de gemeenten. De deelnemende gemeenten gebruiken op elkaar afgestemde lokale maximale waarden. Deze lokale maximale waarden geven de kwaliteit van de bodem in een gebied van de gemeente aan. Ze zijn onderverdeeld in de klassen ‘AW2000’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Grond uit de gebieden met klasse ‘AW2000’ is vrij toepasbaar binnen het hele bodembeheergebied. Voor de overige twee klassen geldt dat de kwaliteit van de bodem van deze klassen minder is dan die van de klasse ‘AW2000’ maar dat enkele licht verhoogde of matige verhoogde gehalten te verwachten en toegestaan zijn.
De gemeenten hebben het beleid voor grondverzet en de toepassing van grond aangepast. Bodemkwaliteit en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse
Veld'
Bij de voorbereiding van het Inrichtingsplan in een historisch bodemonderzoek (NEN 5725) uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 1 bij deze toelichting. De conclusies en de aanbevelingen worden in onderstaande tekst genoemd. Het doel van het vooronderzoek is het op basis van beschikbare bodemrelevante informatie bepalen of sprake is van (ten aanzien van de bodemkwaliteit) risicovolle locaties en of de locatie (al dan niet gedeeltelijk) verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. In het rapport wordt het volgende geconcludeerd: Uit het vooronderzoek blijkt dat van het gebied geen bodemkwaliteitsgegevens bekend zijn; Op de bodemkwaliteitskaart is de locatie ingedeeld in de kwaliteitsklasse achtergrondwaarde; Gebiedskenners hebben aangegeven dat in het verleden een woning aanwezig is geweest, die al lange tijd geleden is gesloopt. Het gaat om een locatie op circa 190 meter ten oosten van de
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
36
huidige bebouwing behorend tot de locatie Bergvennenweg 25. Betreffende locatie vormt momenteel onderdeel van een agrarisch perceel (weide); In het noordwestelijk deel van het gebied groeit de Japanse Duizendknoop. Verdere verspreiding hiervan is ongewenst'; Er zijn geen gegevens over eventuele aanwezige bodemverontreinigingen en ook is niet bekend met welke materialen in het verleden vennen zijn gedempt. Voor zover bekend hebben zich in het gebied geen calamiteiten voorgedaan die tot bodemverontreiniging geleid kunnen hebben; In het verleden hebben met name binnen het agrarische deel van het gebied diverse verkavelingen plaatsgevonden en is bekend dat het agrarische deel van het gebied in het verleden is opgehoogd met grond. De herkomst van deze grond is niet bekend. Op basis van de beschikbare gegevens bestaat er geen directe aanleiding om te verwachten dat de toegepaste grond verontreinigd is; Uit voorgaande bodemonderzoeken in de (directe) omgeving van het gebied blijkt dat in het grondwater licht verhoogde concentraties aan zware metalen aanwezig zijn. Plaatselijk werden enkele parameters ook in de (boven)grond licht verhoogd gemeten. Sterke verontreinigingen en/of overige bijzonderheden zijn niet aangetoond. Op basis van de bekende gegevens wordt niet verwacht dat er ter plaatse van de werklocaties risico's door bodemverontreiniging aanwezig zijn.
In het gebied bevinden zich echter diverse locaties waar in het verleden grond is toegepast, zoals dempingen, opgehoogde terreindelen en voormalige natuurgebieden die momenteel in agrarisch gebruik zijn. Hoewel geen directe verwachting bestaat dat opgebrachte grond verontreinigd is of dempingen hebben plaatsgevonden met afvalmateriaal, wordt geadviseerd hier tijdens werkzaamheden zintuiglijk wel aandacht aan te (blijven) besteden. Voor alle werkzaamheden wordt overigens geadviseerd om altijd attent te blijven op een eventuele bodemverontreiniging. Daarnaast is binnen het gebied in het verleden een woning gesloopt. Niet bekend is hoe deze sloop is uitgevoerd en of er slooppuin (gedeeltelijk) al of niet met asbest in de bodem terecht is gekomen. Op de locatie van de voormalige woningen zijn geen werkzaamheden voorzien. Als dit anders is of wordt zal alsnog bodemonderzoek (en asbest) moeten worden uitgevoerd. Verder wordt geadviseerd rekening te houden met de aanwezigheid van de Japanse Duizendknoop in het gebied, omdat deze schade kan veroorzaken aan bouwwerken en/of infrastructuur. Verspreiding van deze plant moet worden voorkomen. Geadviseerd wordt daarom om eventueel vrijkomende grond uit gebieden waar zich de Japanse Duizendknoop bevindt niet te mengen met grond uit het overige gebied en/of deze in het gebied toe te passen.
Geadviseerd wordt om de grond met (sporen van) de Japanse Duizendknoop separaat af te voeren naar een daarvoor geschikte locatie. Als tijdens de uitvoering van de (graaf)werkzaamheden het vermoeden bestaat dat sprake kan zijn van een bodemverontreiniging wordt geadviseerd om de werkzaamheden op dat terreindeel direct te staken en bodemonderzoek uit te laten voeren. Mochten werkzaamheden aan/door (halfverharde) wegen en/of inritten plaatsvinden dan wordt geadviseerd om daarbij extra attent te zijn op een eventuele verontreiniging met asbest in het verhardingsmateriaal en/of het fundatiemateriaal. Mocht asbestverdacht materiaal worden aangetroffen (ook buiten eventueel (halfverharde) wegen) dan wordt eveneens geadviseerd om de werkzaamheden direct te staken en onderzoek te laten verrichten. Op basis van het uitgevoerde (bodem)onderzoek kunnen dan eventuele vervolgstappen worden bepaald. Geadviseerd wordt om bij toekomstig grondverzet zoveel mogelijk te werken met een gesloten grondbalans. Op basis van de bodemkwaliteitskaart mag vrijkomende grond uit het gebied in principe binnen ditzelfde gebied vrij worden toegepast. Hierbij gelden twee kanttekeningen: Er moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de Japanse Duizendknoop; Er moet inzicht bestaan in de eventuele aanwezigheid van de stoffengroep PFAS.
Op dit moment maakt PFAS nog geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Zolang de bodemkwaliteitskaart niet is aangepast, kan vrijkomende grond worden opgebulkt en voorafgaand aan herschikking met een partijkeuring op minimaal de stoffengroep PFAS worden onderzocht. Op basis van de resultaten van dat onderzoek en/of op basis van de bodemkwaliteitskaart kan bepaald worden of en waar de grond herschikt kan worden en of ook de kwaliteit van de ontvangende bodem op deze stoffen moet worden onderzocht. ten aanzien van PFAS vast te stellen. Wanneer grondverzet actueel wordt, wordt geadviseerd na te gaan of PFAS op dat moment onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart. Op basis hiervan kunnen eventuele hergebruiksmogelijkheden worden bepaald. Dit kan tot gevolg hebben dat geen onderzoek naar PFAS noodzakelijk is. Conclusie Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
37
te veronderstellen dat er bodemverontreiniging in gebied aanwezig is. Wel moet rekening worden gehouden met een aantal zaken: de aanwezigheid van de Japanse Duizendknoop, de eventuele aanwezigheid van stoffen van de PFAS-groep en het feit dat er puinresten in de bodem aanwezig kunnen zijn op de locatie van de voormalige woning in het gebied. In beginsel is op dit moment geen verder onderzoek nodig om het PIP te kunnen vaststellen.
4.2.3 Geluid
Wettelijk kader Op grond van de Wet geluidhinder is een geluidszone van kracht rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/u en rond spoorwegen. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones is akoestisch onderzoek nodig om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Het gaat daarbij om geluidsgevoelige bestemmingen als woningen, scholen en ziekenhuizen. Een andere wet waarin de beperking van geluidhinder een rol speelt is de Luchtvaartwet. Deze wet regelt de vaststelling van grenswaarden voor luchthavens. Binnen het plangebied komen geen vliegvelden voor. Geluid en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld' In dit inpassingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen en nieuwe geluidproducerende bestemmingen zoals bedrijven en hoofdinfrastructuur mogelijk gemaakt. Het aspect geluid hoeft dan ook niet te worden onderzocht. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan.
4.2.4 Externe veiligheid
Wettelijk kader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De wetgeving over ‘externe veiligheid’ zorgt ervoor dat de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot wordt gesteld. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). De normen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. De grenswaarde is 10-6 per jaar. Dit betekent dat de overlijdenskans niet groter mag zijn dan één op de miljoen per jaar. Binnen de zogenaamde PR 10-6-contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde.
Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden. De verantwoording bevat de volgende elementen: de personendichtheid; de hoogte van het groepsrisico; maatregelen ter beperking van het groepsrisico; de voor- en nadelen van alternatieve locaties; de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid van calamiteiten moet de veiligheidsregio om advies worden
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
38
gevraagd. Externe veiligheid het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse
Veld'
Figuur 4-2 Risicokaart met in de rode cirkel globaal het plangebied van het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld' Bron: www.risicokaart.nl) Risicovolle inrichtingen Het voorliggende plan voorziet niet in de realisatie van kwetsbare objecten. Ook ligt het plangebied niet binnen de invloedssfeer van risicovolle inrichtingen waardoor geen beperkingen aanwezig zijn voor de realisatie van het plan. Transport gevaarlijke stoffen Het Basisnet bestaat uit drie kaarten: vervoer over de weg, de binnenwateren en het spoor. In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Buisleidingen In het plangebied liggen geen relevante buisleidingen van nationaal of regionaal belang. Hoogspanningsleidingen Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft een kaart gemaakt van de in Nederland voorkomende hoogspanningsleidingen.
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
39
Figuur 4-3 uitsnede netkaart van RIVM Binnen het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling wordt niet beïnvloed door hoogspanningsleidingen. Conclusie Het voorliggende plan levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan gelet op het aspect externe veiligheid.
4.2.5 Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Voor het aspect luchtkwaliteit geldt hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Hierin staan de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit. Voor de ruimtelijke ordening zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) belang. Projecten die in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn onder andere de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m²; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 ìg/m³. Luchtkwaliteit en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld' De in het inpassingsplan mogelijk gemaakte maatregelen zijn perceelsgebonden en zullen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toevoegen, dat daardoor grenswaarden worden overschreden. Voor wat betreft de in en rond het plangebied optredende emissie, kan opgemerkt worden dat de in het inpassingsplan voorgestane maatregelen geen zodanige nieuwe luchtverontreiniging toe zullen voegen dat daardoor grenswaarden zouden kunnen worden overschreden.
Het besluit en de regeling 'niet in betekende mate' is op dit inpassingsplan zodoende van toepassing. Ook kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied, met het oog op het aspect luchtkwaliteit, en voor zo ver
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
40
relevant sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, hebben geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit in het gebied. Er hoeft tevens geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
4.2.6 Wet ammoniak en veehouderij
Wettelijk kader De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is bedoeld om de ammoniakuitstoot in heel Nederland terug te dringen. Binnen zeer kwetsbare gebieden en in een zone van 250 meter daaromheen gelden aanvullende ammoniakregels om de ammoniakdepositie op die gebieden te verminderen. Vestiging van nieuwe veehouderijen is hier niet meer mogelijk. Bestaande veehouderijen hebben slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden tot een voor deze veehouderijen vastgelegd emissieplafond. Wav en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse
Veld'
Onderstaande afbeelding geeft de zeer kwetsbare gebieden weer in en rondom het Natura 2000-gebied “Bergvennen en Brecklenkampse Veld". De kwetsbare gebieden zijn binnen het kader in groen weergegeven.
Figuur 4-4 Wav gebieden, in groen, in en in de omgeving van het plangebied van het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld' (Bron: www.atlasvanoverijssel.nl) Conclusie De in dit plan mogelijk gemaakte maatregelen ten behoeve van de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan zijn beschreven, dragen bij aan de bescherming van de zeer kwetsbare gebieden en geven die gebieden de mogelijkheid zich te herstellen.
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
41
4.2.7 Overige aspecten
In het plangebied kunnen functies voorkomen die relevant zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om de overige omgevingsaspecten, zoals laagvliegroutes, radarposten, zandwinning en kabels en leidingen. In deze subparagraaf wordt kort op deze functies ingegaan. Militaire laagvliegroutes Militaire laagvliegroutes zijn ongeveer 4 kilometer breed en worden gebruikt om te oefenen in het laag boven de grond vliegen. Laagvliegen kan hinder veroorzaken voor mensen die onder of in de buurt van de routes wonen. Militaire laagvliegroutes en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld' Het Natura 2000-gebied “Bergvennen en Brecklenkampse Veld" ligt op zeer ruime afstand ten oosten van de militaire laagvliegroute 10. Route 10 komt in de buurt van Eibergen Nederland binnen en gaat noordelijk via Almelo richting Slagharen, om daarna af te buigen naar rechts, richting Musselkanaal. Vanaf daar loopt de route naar Duitsland. Conclusie De maatregelen in dit plan voor het Natura 2000-gebied “Bergvennen en Brecklenkampse Veld" richten zich op het behoud en het versterken van natuurdoelstellingen. Deze doelstellingen zijn, mede gelet op de afstand tot de laagvliegroute, niet gevoelig voor effecten van de laagvliegroute. De maatregelen zelf hebben ook geen invloed op de militaire laagvliegroute. Luchthavenbesluit
Twente Airport
In maart 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel een luchthavenbesluit voor de luchthaven Twente Airport vastgesteld. Het luchthavenbesluit is een onderdeel van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. In het besluit zijn verschillende beperkingengebieden aangewezen: voor externe veiligheid, geluidbelasting, veiligheid, vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik, laserstralen, hoogtebeperkingen, enz. Op kaarten bij het besluit is aangegeven welke beperkingen waar gelden, zoals bijvoorbeeld een maximale bouwhoogte voor obstakels.
Figuur 4-5 Kaart behorend bij Luchtvaartbesluit Twente Airport
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
42
Het plangebied ligt niet binnen het 'gebied met hoogtebeperkingen, in verband met de vliegveiligheid' (zie bovenstaande figuur). Er gelden geen beperkingen aan de hoogte van bouwwerken. De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering in de zin van het Luchthavenbesluit. Conclusie Het voorliggende plan vormt geen belemmering voor de aanwezigheid en werking van de beperkingengebieden, zoals vastgelegd in het Luchthavenbesluit Twente Airport. No-fly zones De regels die van toepassing zijn staan in de Wet luchtvaart (artikel 5.3) en Regeling modelvliegen. Enkele voorbeelden uit de regeling zijn: alleen bij daglicht en tot een maximale hoogte van 120 meter; niet boven mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing, wegen, spoorlijnen, industrie- en havengebieden; drones verlenen voorrang aan vliegtuigen, helikopters, zweeftoestellen, vrije ballonnen en luchtschepen; binnen laagvlieggebieden moet er iemand meekijken om u te waarschuwen voor luchtvaartuigen. In het algemeen geldt dat het verboden is op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dat daardoor personen of zaken in gevaar (kunnen) worden gebracht. Er kan altijd sprake zijn van tijdelijke verboden/beperkte gebieden in verband met bijvoorbeeld een evenement (zie "Temporary Airspace Restriction" op www.lvnl-ohd.nl).
Voor ongecontroleerde luchthavens geldt dat vluchten binnen een afstand van 3 km zijn toegestaan, mits geen bezwaar bestaat bij de exploitant van de luchthaven. Ook kan sprake zijn van gebieden die tijdelijk en uitzonderlijk worden gebruikt voor de start en landing van luchtvaartuigen; vliegen binnen een afstand van 3 km is toegestaan mits er geen bezwaar is bij de exploitant van dat terrein. In Natura 2000-gebieden kunnen beperkingen gelden voor het vliegen met drones. Deze beperkingen kunnen per gebied verschillend zijn en worden opgenomen in een beheerplan en/of toegangsbeperkend besluit dat doorgaans door de provincie waar het gebied in ligt wordt vastgesteld.
Figuur 4-6: No-fly zones
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
43
In het plangebied zelf geldt geen directe beperking, omdat de zones niet over het plangebied liggen. In het provinciaal beleid is geregeld dat voor het landen en opstijgen in een Natura 2000-gebied (en de NNN) geen ontheffing wordt verleend. Overige infrastructuur Transport van informatie, energie en water vindt plaats met kabels en leidingen. De infrastructuur hiervoor is zowel bovengronds (hoogspanningsleidingen) als ondergronds (bijvoorbeeld gasleidingen) aanwezig. Om te voorkomen dat er activiteiten gebeuren die strijdig zijn met deze vorm van infrastructuur, dient doorgaans een minimale afstand of maximale hoogte in acht te worden genomen. Overige infrastructuur en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld' Om de kabels en leidingen in de ondergrond in kaart te brengen, is een KLIC- melding gedaan binnen de grenzen van het interessegebied. Aan de hand van de verkregen data is er, specifiek in de gebieden waar inrichtingsmaatregelen worden getroffen, geïnventariseerd of kabels en leidingen de percelen doorkruisen op de locatie van de inrichtingsmaatregelen. Conclusie Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de kabels en leidingen.
4.2.8 Conclusie
Het voorliggende inpassingsplan levert geen knelpunten op met betrekking tot de diverse aspecten op het gebied van het milieu.
4.3
Water
4.3.1 Wettelijk kader
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in een inpassingsplan een beschrijving opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Dit betekent dat effecten van nieuwe ontwikkelingen op de waterhuishouding inzichtelijk moeten worden gemaakt. Daarnaast is sinds 2003 de Watertoets wettelijk verplicht om op te nemen in ruimtelijke plannen. De watertoets heeft als doel om negatieve effecten (zoals bijvoorbeeld wateroverlast, achteruit gaande waterkwaliteit, verdroging van natuurgebieden, e.d.) te voorkomen en mogelijke kansen voor watersystemen te benutten. Deze waterparagraaf is de watertoets voor onderhavig inpassingsplan. Het relevante waterbeleid is beschreven in hoofdstuk 2 en wordt daarom hieronder niet herhaald.
4.3.2 Watertoetsproces
Het waterschap Vechtstromen is intensief betrokken geweest in het gebiedsproces bij het uitwerken van de benodigde maatregelen. De maatregelen zijn beschreven in hoofdstuk 3 van dit inpassingsplan. Dit inpassingsplan zal tijdens ter inzage legging ter beoordeling worden voorgelegd aan het waterschap. De reacties van het waterschap zullen in deze paragraaf worden verwerkt. In het voorstadium heeft het waterschap al gereageerd op een concept versie van dit inpassingsplan. Het waterschap is trekker voor het opstellen van het Inrichtingsplan, dat de basis vormt voor het inpassingsplan. Volgens het Inrichtingsplan worden met de voorgestelde maatregelen doelen behaald voor zowel N2000, de KRW en het bestuursakkoord Dinkel-2000 (overstromingen). Het waterschap heeft aangegeven dat de doelen en de bijbehorende maatregelen in hoofdlijnen beschreven moeten zijn in de waterparagraaf (4.3).
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
44
4.3.3 Water en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld'
In deze waterparagraaf zijn de keuzes die zijn gemaakt ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd. Binnen het inpassingsplan wordt geen nieuwe verharding gerealiseerd. Er is geen sprake van toename van het verharde oppervlak. Om de effecten van de maatregelen op de habitattypen in het Natura 2000-gebied Bergvennen & Brecklenkampse Veld en andere functies in het gebied te bepalen, zijn hydrologische berekeningen uitgevoerd. Met behulp van een grondwatermodel, de input vanuit de systeemanalyse en gebiedskennis van experts, zijn negen maatregelenscenario’s in verschillende iteratieve stappen doorgerekend. Het doel van dit iteratieve proces was te komen tot een breed gedragen eindscenario dat voorziet in het stoppen van de achteruitgang van de kwaliteit van de habitattypen met zo min mogelijk negatieve effecten op andere functies dan natuur in het gebied (wonen, werken). Het eindscenario is een combinatie van 'scenario 9', zie bijlage 5 en 'scenario 10', zie bijlage 6. In dit laatste scenario zijn ook de uitbreidingsdoelen in de landbouwenclave en de maatregelen in het Lattropseveld meegenomen. Om de effectiviteit van de maatregelen op de habitattypen te kunnen beoordelen, is gekeken naar vier sturende factoren voor grondwaterkwaliteit en –kwantiteit.
Van hoogste naar laagste prioriteit zijn dat kwel/wegzijging, duurlijnen (hoe lang per jaar een bepaalde waterstand voorkomt) , gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) en Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG). Uit het onderzoek blijkt dat de definitieve maatregelen een positief effect op de habitattypen heeft en een beperkt effect op de omgeving. De kwel, als belangrijkste criterium voor de habitattypen, neemt toe. De duur van de hoge waterstanden neemt eveneens toe als tweede belangrijke criterium. Ook de GVG en GLG stijgen, met als gevolg dat het doelgat dat er eerder was voor de GLG, wordt gedicht. Ten aanzien van de watertoets is het met name van belang dat de waterbelangen op een juiste manier meegenomen zijn in de besluitvorming. Uit de digitale watertoets blijkt dat het vooral van belang is hoe omgegaan wordt met een eventuele toename van het verharde oppervlak en of bestaande waterbelangen (oppervlaktewater, grondwater) niet worden geschaad. Dit inpassingsplan stelt geen toename van het verharde oppervlak voor en zorgt er door middel van maatregelen voor dat de hydrologische omstandigheden in het gebied worden verbeterd.
4.3.4 Conclusie
Ten aanzien van het aspect water wordt geconcludeerd dat met het voorliggende plan en de daarin opgenomen maatregelen voor de realisatie van de natuurdoelstellingen, zoals in dit plan is beschreven, geen nadelige effecten ontstaan. Het Inrichtingsplan stelt maatregelen voor om het watersysteem beter te laten functioneren.
4.4
Ecologie
4.4.1 Wettelijk en beleidskader
Dit inpassingsplan voorziet in de planologisch-juridische regeling om maatregelen in het kader van de ambities en verplichtingen in het natuurbeleid mogelijk te maken. Ecologie is daarmee een zeer zwaar meewegend omgevingsaspect en moet goed onderzocht worden. Voor de geldende wet- en regelgeving omtrent het aspect natuur wordt verwezen naar hoofdstuk 2 van dit inpassingsplan.
NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02
45
4.4.2 Ecologie en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld'
Ten behoeve van de opgave voor dit Natura 2000-gebied is een onderzoek uitgevoerd naar de maatregelen in relatie tot de Wet natuurbescherming. Het rapport is bijgevoegd in bijlage 8 bij de toelichting. In het rapport zijn de geplande maatregelen getoetst aan de instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld". Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlage. Er zijn concrete plannen voor herstel en versterking van de natuur- en landschappelijke waarden van het Natura2000-gebied. Deze maatregelen zijn gericht op duurzaam behoud en/of versterking van Habitattypen en Habitatsoorten waarvoor een instandhoudingdoelstelling is vastgesteld. Er worden maatregelen voorgesteld die tot doel hebben negatieve effecten uit het verleden weg te nemen (verdroging, verzuring, vermesting), bepaalde Habitattypen in omvang toe te laten nemen (zoals rooien van bos) en om het gebied robuuster te maken (zoals maatregelen t.b.v. waterhuishouding en uitbreiding areaal natuur). Als gevolg van de uitvoering van de maatregelen worden waarschijnlijk beschermde dier- en plantensoorten negatief beïnvloed.
Als beschermde dier- of plantensoorten, als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden negatief beinvloed worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen, zoals verwoord in de Wet natuurbescherming (onderdeel soortenbescherming) omdat de werkzaamheden uitgevoerd worden in het kader van een herstelplan. Als gevolg van de spoedwet Aanpak stikstof, hoeft geen 'Natura2000-vergunning' aangevraagd te worden voor voorgenomen activiteiten. Wel geldt de zorgplicht. Om invulling te geven aan de zorgplicht, moeten de voorgestelde maatregelen in detail beoordeeld worden op een mogelijk negatief effect op planten en dieren (ongeacht of ze beschermd zijn). Er is geen vergunningplicht voor het uitvoeren van inrichting- en herstelmaatregelen die verband houden met of nodig zijn voor het beheer van het Natura2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld". Er zijn geen voorwaarden gesteld aan het gebruik van deze generieke vrijstelling. Ook is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist voor activiteiten die een negatief effect hebben op beschermde soorten. Verder geldt een vrijstelling voor de herplantplicht van bos dat verdwijnt en geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen voor beschermde dier- en plantensoorten omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een herstelplan voor het Natura2000-gebied.
Ondanks de vrijstelling in het kader van de spoedwet Aanpak Stikstof, geldt de zorgplicht. Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld wanneer alle te nemen maatregelen tot in detail bekend zijn.
4.4.3 Conclusie
De maatregelen, uitgewerkt in het Inrichtingsplan, dragen in belangrijke mate bij aan het realiseren van de Natura 2000-opgaven ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen. Bovendien draagt het bij aan het behoud van standplaatsen en leefgebied van gebiedskarakteristieke beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Ook draagt het bij aan de bescherming van soorten van de Rode lijst, waarvoor de zorgplicht geldt. Het plan draagt bij aan het realiseren van de beleidsdoelen in het kader van Natuur Netwerk Nederland (NNN). Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin voor alle beschermde en/of rode lijst soorten en voor beschermde gebieden is aangegeven wat de juiste manier en beste periode van werken is om negatieve effecten te voorkomen.
P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld
46
4.5
Archeologie
4.5.1 Wettelijk kader
In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland. Doelstelling van dit verdrag is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed. Dit moet met name gestalte krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. Concreet heeft dit tot gevolg dat bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen en/of inpassingsplannen) meer aandacht moet worden besteed aan de aanwezigheid van archeologische waarden en dat in het ruimtelijke plan een beschermende regeling moet worden opgenomen ten aanzien van archeologische waarden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed, namelijk Monumentenwet 1988; Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit; Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen. In de Erfgoedwet staat beschreven hoe er met ons erfgoed omgegaan moet worden, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe daar toezicht op gehouden moet worden. Voor archeologie geldt dat gestreefd moet worden naar behoud 'in situ' (in de bodem) van de archeologische waarden.
In het geval het behoud niet mogelijk is, moet de historische (= archeologische) informatie door middel van verantwoord archeologisch onderzoek de in de bodem aanwezige waarden worden veilig gesteld. Tevens is er een certificeringsstelsel ingevoerd. Dat moet garanderen dat opgravingen volgens de wettelijke norm op professionele wijze worden uitgevoerd.
4.5.2 Beleidskader
Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel staat de ambitie op het gebied van archeologie verwoord: “Behouden van intrinsieke bodemeigenschappen en aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk beschermen.” De hoofdlijn van het beleid bestaat uit: het beschermen van de kenmerken, kwaliteiten en waarden van de ondergrond; waar mogelijk kwaliteiten verbinden om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van gebieden te versterken; het behouden en beleven van aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden. Bij planvorming moeten aardkundige en archeologische waarden onderdeel zijn van integrale gebiedsontwikkeling. Overijssel kent grote regionale variatie aan karakteristieke aardkundige waarden. Door dit te behouden en te benutten in de ruimtelijke planvorming wordt de verscheidenheid en het contrast tussen de verschillende delen van Overijssel versterkt. Archeologisch erfgoed wordt zoveel mogelijk ter plekke bewaard (in situ). Als het niet mogelijk is om vondsten ter plaatse te behouden, moet het materiaal van een archeologische vindplaats door opgraving veilig gesteld worden. Gemeentelijk