CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

B_B_ontwerp_1_Toelichting.PDF

Commissie Omgeving & Economie 7 december 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 8: Voorstel inzake ontwerp provinciaal inpassingsplan Bergvennen en Brecklenkampse Veld24.914 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

beleid, gemeente Dinkelland

De gemeente Dinkelland beschikt over een Erfgoedverordening met regels ten aanzien van bebouwing en archeologie (24 februari 2012). In hoofdstuk 6 van de verordening is het onderdeel 'instandhouding van archeologische terreinen' geregeld. De erfgoedverordening is een uitwerking is van de verplichting om, bij het vaststellen van ruimtelijke plannen, rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en verwachtingen. De erfgoedverordening is op dit punt van kracht tot in het

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

47

bestemmingsplan een regeling is opgenomen die in overeenstemming is met de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) of Erfgoedwet. De Erfgoedverordening is vastgesteld na het vigerende bestemmingsplan Buitengebied, waarin al dubbelbestemmingen voor het beschermen van mogelijk voorkomende archeologische waarden zijn opgenomen.

4.5.3 Archeologie en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld''

Er is een Archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in en rond het Natura 2000-gebied Bergvennen en Brecklenkampse Veld in Dinkelland, zie bijlage 2 bij de toelichting. Het bureauonderzoek heeft tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. In het plangebied komt een aantal dekzandruggen en -welvingen voor. Op de hogere delen heeft zich vermoedelijk een haarpodzolbodem gevormd. Op de wat lagere en vochtigere gronden is een veldpodzolbodem ontstaan. Her en der komen vennetjes voor. In historische tijden is het plangebied aldoor onontgonnen geweest. Vanaf ongeveer 1940 werden delen van het plangebied in cultuur gebracht. In het plangebied worden met name resten uit de steentijd (mesolithicum –neolithicum) verwacht: de diverse dekzandruggen in het plangebied en de aanwezige vennen (en pingo-ruïnes) maakten dit gebied tot biotopisch gevarieerd gebied, wat met name aantrekkelijk moet zijn geweest voor jagers/verzamelaars. Ook nederzettingen van vroege landbouwers kunnen op de grotere dekzandopduikingen niet worden uitgesloten. In het neolithicum was zeer kleinschalige landbouw een van de methoden waarin in voedsel werd voorzien, naast veeteelt en jagen/verzamelen.

Resten uit andere perioden worden niet verwacht. Het gebied was gezien de drassigheid in grote delen van het plangebied en de relatief kleine dekzandruggen waarschijnlijk weinig aantrekkelijk voor latere landbouwers, met name omdat ten westen ervan grotere en hogere opduikingen voorkomen. De geplande werkzaamheden waarbij sprake is van enige bodemverstoring kunnen deze resten aantasten. Om deze reden wordt geadviseerd vervolgonderzoek uit te voeren op de locaties waar bodemverstorende ingrepen dieper dan 40 cm –mv zijn voorzien en waar sprake is van een hoge of middelhoge archeologische verwachting en in de vennen/pingo-ruïnes, voor zover daar opschoning plaatsvindt. Volgens het archeologiebeleid van de gemeente Dinkelland geldt vrijstelling van archeologisch onderzoek als de bodemverstorende werkzaamheden niet dieper dan 40 cm –mv reiken en een oppervlakte van maximaal 2.500 m 2 (in gebieden met een hoge verwachtingswaarde), of 5.000 m 2 (in gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde) niet overschrijden. In dit deel van Nederland bevinden archeologische resten zich dicht onder het maaiveld en waarschijnlijk zijn er in de loop van de tijd geen of weinig bodemverstorende werkzaamheden geweest, waardoor archeologische resten ook vanaf het maaiveld tot 40 cm onder het maaiveld intact aanwezig kunnen zijn.

Het advies is om, in afwijking van het hiervoor beschreven gemeentelijke beleid, het vervolgonderzoek uit te breiden tot kansrijke gebieden bij ingrepen tot 40 cm mv. Deze gebieden zijn aangegeven op de Advieskaart Vervolgonderzoek die onderdeel uitmaakt van het bureauonderzoek. Dit advies is overgenomen door de regioarcheoloog en de gemeente volgt dit advies. Mochten bij graafwerkzaamheden buiten de adviesgebieden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld

48

Figuur 4-7 Archeologische gebieden en verwachtingen in het plangebied Conclusie Voorafgaand aan de feitelijke uitvoering wordt vervolgonderzoek uitgevoerd op locaties: waar de bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 40 cm –mv reiken én een oppervlakte van maximaal 2.500 m 2 (in gebieden met een hoge verwachtingswaarde), of 5.000 m 2 (in gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde) wordt overschreden; én in afwijking van het voorgaande, op locaties in kansrijke gebieden, ook als de bodem daar minder diep dan 40 cm -mv wordt geroerd.

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

49

4.6

Cultuurhistorie en landschap

4.6.1 Wettelijk kader

Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een beschrijving hoort van de cultuurhistorische waarden in het plangebied. Cultuurhistorische waarden zijn alle structuren, elementen en gebieden die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het landschap is een belangrijke drager van de cultuurhistorie. Aan veel landschapselementen (essen, reliëf, houtwallen, bosjes) en de verkaveling en de wegen- en waterlopenstructuur is de ontstaans- en ontginningsgeschiedenis nog af te lezen.

4.6.2 Beleidskader

Provinciaal beleid De Omgevingsvisie bevat drie leidende principes of 'rode draden'. Eén daarvan is ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald op basis van vier lagen: de natuurlijke laag, de laag van de agrarische cultuurlandschappen, een stedelijke laag en een laag van de beleving. Nieuwe ruimtelijke opgaven dienen verbonden te worden met bestaande gebiedskenmerken. Die spelen namelijk een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Gebiedskenmerken zijn de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Terugkerende elementen zijn beleefbaarheid, toegankelijkheid, zichtbaarheid, bruikbaarheid, en cultuurhistorische waarden van landschap en bebouwing (structuren). Een catalogus met gebiedskenmerken is als onderdeel bij de Omgevingsverordening opgenomen. De aanwezige gebiedskenmerken in zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving zijn onderscheiden in vier lagen: Natuurlijke laag (in en op de bodem); Laag van het agrarisch cultuurlandschap (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem); oude hoevenlandschap; Stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur); Laag van de beleving (beleving, toerisme, cultuurhistorie en landgoederen). Per laag onderscheidt de Catalogus verschillende gebiedstypen.

De gebiedskenmerken zijn sturend voor de vraag hoe een ontwikkeling invulling krijgt. In nieuwe ruimtelijke plannen moet onderbouwd worden dat de nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Gemeentelijk

beleid

De vele cultuurhistorische waarden geven in het buitengebied van Dinkelland de identiteit en het karakter van het gebied aan. De waarden zijn vertaald in het bestemmingsplan ”Buitengebied” van de gemeente Dinkelland.

4.6.3 Cultuurhistorie en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld'

Er is een cultuurhistorische inventarisatie en waardering uitgevoerd voor het plangebied, in verband met de voorgenomen landschappelijke ingrepen in het gebied, zie bijlage 3 bij de toelichting. Inventarisatie Het natuurlijke landschap – tot 800 n. Chr. (Fase 1) Binnen het Natura 2000-gebied Bergvennen en het Brecklenkampse Veld zijn drie belangrijke

P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld

50

aardkundige eenheden te onderscheiden: Oeroude paleogeulen uit het Midden-Weichselien (Laat-Pleniglaciaal) van het Oerdinkelsysteem; Hoog opgestoven dekzandruggen uit het Laat-Weichselien, en; dezelfde afgesnoerde paleogeulen en vennetjes die gedurende het Laat-Weichselien en het Holoceen met veen gevuld zijn geraakt. Door een geleidelijke vernatting zal er ook veenvorming plaats hebben gevonden buiten de vennen en oude paleogeulen. Ongetwijfeld heeft deze vernatting een effect gehad op de bewoning in het gebied. Tot in de bronstijd zijn er in en rondom het Natura 2000-gebied vondsten gedaan. Daarvan is in de directe navolgende periode geen sprake meer. In dit natte gebied zullen de hoog opgestoven dekzandruggen altijd een grote aantrekkingskracht hebben gehad. De kans bestaat dat, indien het bodemprofiel nog intact is, er nog archeologische vondsten en bewoningssporen in de ondergrond aanwezig zijn. Daarom zijn deze hoge dekzandruggen aangewezen als ‘terrein van hoge archeologische verwachting’. Middeleeuwse dorpslandschappen – 800 tot 1850 (Fase 2) De Bergvennen en het Brecklenkampse Veld hebben eeuwenlang in een soort niemandsland gelegen tussen Lattrop – Breklenkamp – Nordhorn en Frenswegen. Het was een extensief gebruiksgebied waar eeuwenlang de markegrenzen van meer betekenis zal zijn geweest dan de rijksgrens.

Waar de oudste historische kaarten een monotoon landschapsbeeld tonen zal de werkelijkheid afwisselender zijn geweest. Uiteenlopende veldnamen wijzen op een rijk geschakeerd landschap met hoogveenmoerassen, moerassige slenken met plukjes broekbos, natte heidevegetaties, natte hooilanden, droge heidevegetaties en schrale graslanden. Dit gevarieerde geheel werd in zijn geheel aangeduid met het toponiem–veld. Het veld werd door de Breklenkampse en Lattropse boeren gebruikt om er vee te weiden, voor turfwinning, het snijden van rijshout of om op de hoge zandkoppen heideplaggen te steken. De markegrens was in dit gebruikslandschap van eminent belang: tot hier mochten de schapen van een specifieke marke hun schapen weiden. Bij grenspaal 52 staat nog altijd de laaksteen die de scheiding vormde tussen de marken van Lattrop, Breklenkamp en Frenswegen. En de markegrens tussen Breklenkamp en Lattrop is in de Bergvennen nog deels als een fysieke greppel aanwezig. Andere belangrijke cultuurhistorische elementen hangen nauw samen met de grensfunctie van het gebied of met de belangrijke internationale handelsroute die direct langs het gebied voerder. Aan de oostkant van het Natura 2000-gebied zijn vele rijksgrenspalen, of zelfs oudere grensmarkeringen aanwezig. De twee kruiskuilen vormen hier hoogstwaarschijnlijk een prachtig voorbeeld van.

Aan de zuidkant van de Bergvennen liggen diep ingesleten karrensporen die beschouwd mogen worden als holle wegen. Het zijn relicten van de oude handelsroute die onderdeel uitmaakte van het Hanzesysteem en waarover duizenden slachtossen zijn vervoerd. Grote kuddes ossen werden vanuit Denemarken en SleeswijkHolstein naar Nederland gedreven om hier vetgemest te worden. Als laatste liggen er in het gebied nog kluunplaatsen: kleine kuilen waarin turfbagger werd geworpen en waarvan turfjes werden gestoken zodra de bagger was ingedroogd en samen gestampt. Recente landschappen – 1850 tot het heden (Fase 3) De laatste twee eeuwen hebben in Nederland voor een ware landschappelijke transformatie gezorgd.Eerst waren er de agrarische ontginningen nadat de gemeenschappelijke markegronden in het zandlandschap werden verdeeld. In 1871 is de akte opgemaakt van de verdeling van de gemeenschappelijke markegronden van Breklenkamp. De marke van Lattrop-Tilligte was al eerder verdeeld, ergens rond 1850. In de daarop volgende periode, tussen 1850 en 1900, zijn in de Bergvennen drie nieuwe keuterboerderijen gesticht (nabij het Rietven en het Pluzenven). Stukken heide werden ontgonnen en omgezet tot kleinschalige akker- en weilanden. De contouren van deze ontginningen zijn gedeeltelijk nog terug te vinden in het huidige landschap.

De belangrijkste ingrepen tussen 1900 – 1945 hebben te maken met de afwatering. Er werd een lange afwateringssloot (waterleiding) gegraven die begon in Duitsland, door het Lattropsche Veen (De Patatzak), de Bergvennen en op de markegrens tussen Lattrop en Breklenkamp om in westelijke richting uit te wateren in de Geele Beek. De van nature voedselarme en geïsoleerd liggende vennen werden nu met elkaar verbonden. Op deze manier veranderde de zure hoogveenvennetjes in een zwak gebufferde systemen waar onder andere de bijzondere waterlobelia zich goed in thuis voelde. Gedurende de na-oorlogse periode en tijdens de grootschalige ruilverkavelingen is er in de randzone van de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld nieuw cultuurland gecreëerd. De oorspronkelijke ‘velden’ werden steeds kleiner en kwamen op den duur geheel geïsoleerd te liggen. Tot in de oorlog was er sprake van een geleidelijke extensivering van de gebruiksgronden vanaf de dorpskernen richting de rijksgrens. Na de ruilverkavelingen vormde de grens van het

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

51

natuurgebied in feite de grens tussen intensief en extensief gebruikt gronden. Wetenschappelijke

waardering van cultuurhistorische

elementen

De cultuurhistorische elementen binnen het Natura 2000-gebied zijn aangemerkt met een lage, gemiddelde, hoge of zeer hoge cultuurhistorische waardering. Zeer hoog scoren een drietal uitgesproken karrenspoorbundels (waaronder de ossenroute) en de daarbij horende kruiskuilen. Uiteraard zijn ook de oude markegrens en de bijbehorende laaksteen als zeer hoog aangeduid. Hetzelfde geldt voor de kluunplaatsen en enkele nog goed zichtbare wallen rondom één van de heideontginningen. Enkele greppels die rondom de vennen, kleinere karrenspoorbundels en de rijksgrenspalen kennen een hoge waardering. Vrij jonge waterleidingen, sloten en wandelpaden zijn als gemiddeld gewaardeerd. Als laatste zijn er de hoge dekzandruggen die een ‘hoge archeologische’ verwachting kennen. Voor de middelhoge dekzandruggen geldt een ‘archeologische verwachting’. Kansencatalogus

en onderzoeksaanbevelingen

Voor elk van de drie tijdsperioden blijken er in het gebied kansen te liggen. Zo kan er wat betreft het natuurlijke landschap onderzoek worden verricht in het Krakenven. Aan de hand van de nog intacte veenlaag kan een groot deel van de Holocene landschapsgeschiedenis van de Bergvennen in kaart kan worden gebracht. Ook biedt de landschappelijke driedeling aanknopingspunten voor het ontwerp. Uit de periode van het middeleeuwse dorpslandschap zijn er relicten bewaard gebleven als karrensporen, markegrenzen, kruiskuilen en belangrijke internationale handelswegen die nog steeds waarneembaar zijn in het gebied. Dergelijke cultuurhistorische elementen kunnen beter zichtbaar worden gemaakt om zodoende het verhaal van het gebied te vertellen. Ook uit de laag van het recente landschap zijn elementen bewaard gebleven die het verhaal van het gebied vertellen. Bijvoorbeeld de keuterontginningen of de vele verhalen die spelen omtrent de rijksgrens tussen Nederland en Duitsland.

4.6.4 Landschap en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld'

Gebiedsscan

Bergvennen en Brecklenkampse

Veld

De provincie Overijssel heeft een 'Gebiedsscan ruimtelijke kwaliteit ' opgesteld die randvoorwaarden en inspiratie geeft voor de ontwikkelopgave in het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" (2015), zie bijlage 7 bij de toelichting. De gebiedsscan vormt geen nieuw beleid, maar kan gezien worden als een samenvatting van de Catalogus Gebiedskenmerken. Het maakt inzichtelijk wat de ruimtelijke kwaliteit van een gebied is en hoe dit behouden dan wel versterkt kan worden. Het geeft bovendien aan wat de (on)mogelijkheden, opgaven en kansen zijn. De Gebiedsscan beschrijft de belangrijkste landschappelijke waarden, de kwaliteitsambities en de sturing daarop. De aanbevelingen uit de gebiedsscan zijn - kort weergegeven - de volgende; Vergroot de leesbaarheid van het cultuurlandschap: respecteer de grillige randen van de gebieden, evenals de wegen die als zandpaden doodlopen in de huidige natuurgebieden, en de bestaande kavelsloten (ook na verondieping); Grensgebied: onderzoek samenhang recreatie in Nederland en Duitsland, benadruk de Rijksgrens, onderzoek hydrologische maatregelen in Duitsland; Respecteer de natuurlijke hoogteverschillen; Kijk naar mogelijkheden om camping Bergvennen bij de ontwikkelingen te betrekken; Maak het gebied toegankelijker. Bij het maken van het Inrichtingsplan is zo veel mogelijk rekening gehouden met de aanbevelingen uit de gebiedsscan.

Dit PIP maakt de uitvoering van het Inrichtingsplan planologisch mogelijk.

P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld

52

4.6.5 Conclusie

Bij de inrichting van het gebied is en wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit in de zin van landschap en cultuurhistorie. Er wordt voldaan aan het uitgangspunt dat de bestaande landschappelijke kwaliteit wordt gehandhaafd en daar waar mogelijk versterkt. Het inpassingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft het aspect cultuurhistorie en landschap.

4.7

Explosieven

4.7.1 Beleidskader

Op meerdere plaatsen in Nederland liggen nog bommen en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog in de grond. Blindgangers en achtergebleven explosieven vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. Daarnaast kunnen weersomstandigheden en grondwater van invloed zijn op de toestand waarin de explosieven zich bevinden. In geval van grondverzet of vergelijkbare ontwikkelingen kan dat risico's voor werknemers of omwonenden met zich meebrengen. Daarnaast vormen deze vondsten een zware belasting voor het milieu. Als een gebied verdacht is voor niet-gesprongen explosieven, zal het nader onderzocht moeten worden.

4.7.2 Explosieven en het PIP 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld'

Ten behoeve van de graafwerkzaamheden voortvloeiend uit het Inrichtingsplan is een 'vooronderzoek naar conventionele explosieven' uitgevoerd. Dit vooronderzoek is bijgevoegd in bijlage 4 bij de toelichting. In onderstaande afbeelding zijn de belangrijkste bevindingen van dit onderzoek weergegeven. In het gebied zijn verschillende locaties waar de aanwezigheid van explosieven in de bodem niet kan worden uitgesloten. Er zijn verschillende kraters van gedetoneerde bommen (Bergvennenweg, Frensdorferweg en Dennenweg) aanwezig, een voormalig militair oefenterrein (noord van de Frensdorferweg, tussen de Kommiezendijk en de Bergvennenweg) en twee wapenopstellingen nabij het perceel Dennenweg 14. De explosieven kunnen de vorm hebben van klein kaliber munitie, hand- en geweergranaten en afwerpmunitie.

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

53

Figuur 4-8 Kaart verdachte gebieden (bron: Vooronderzoek in bijlage 4 bij de toelichting) Voor de verdachte gebieden geldt het volgende. Uit oogpunt van veiligheid is het van essentieel belang dat het verdachte gebied wordt onderzocht op de aanwezigheid van explosieven en deze onschadelijk worden gemaakt, voordat (water)bodemroerende werkzaamheden worden uitgevoerd is.

P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld

54

4.7.3 Conclusie

Op grond van het vooronderzoek is het nodig om nader onderzoek naar explosieven uit te voeren in de verdachte gebieden, voordat graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. Ten behoeve hiervan is in dit bestemmingsplan ter plekke van die locaties een algemene aanduidingsregel opgenomen.

4.8

Sociaal economische effecten

4.8.1 Wettelijk kader en beleidskader

De Wet natuurbescherming schrijft voor dat bij de plannen voor Natura 2000 gebieden ook aandacht geschonken moet worden aan de sociaal economische aspecten. In 2013 heeft het Ministerie vaSociaan Economische Zaken aan LEI Wageningen UR de opdracht gegeven om een studie uit te voeren naar de sociaal economische aspecten van de toenmalige PAS opgave. Aanvullend hierop heeft de provincie Overijssel de sociaal economische consequenties van de PAS voor Overijssel in beeld gebracht. Ondanks dat de PAS niet meer bestaat, zijn deze studies nog steeds relevant. De Provincie heeft naast de Ontwikkelopgave Natura 2000 meerdere programma's en projecten die hier aandacht aan besteden. Denk aan het Programma Leefbaar Platteland, Gebiedsgerichte Aanpak (stikstof), Agro&Food, Sociale kwaliteit, etc. Daarnaast is de Provincie bezig met het opstellen van een nieuwe Omgevingsvisie waarin hier ook aandacht wordt besteed.

4.8.2 Sociaal economische aspecten en het platteland

De in het inpassingsplan mogelijk gemaakte maatregelen hebben effect op de sociaal economische aspecten in een gebied. Hier mee wordt met name de leefbaarheid van een gebied bedoeld. Onder het thema leefbaarheid vallen diverse onderwerpen zoals werkgelegenheid, toegankelijkheid, woonklimaat (incl. voorzieningen) en recreatie. Leefbaarheid is onderhevig aan verschillende ontwikkelingen in Nederland, zoals klimaatopgaven, de stikstofopgave, schaalvergrotingen in het buitengebied, maar ook demografische ontwikkelingen zoals bevolkingskrimp in bepaalde gebieden. De grootste effecten op de leefbaarheid ontstaat door dat laatste. Keuzes voor het wel of niet open houden van voorzieningen, het voortbestaan van bijvoorbeeld sportclubs, en ook woningbouw zijn hiervan afhankelijk. Veranderende milieuwet- en regelgeving hebben ook een effect op de leefbaarheid. De keuzes van ondernemers om hun bedrijven voort te zetten en/of uit te breiden hangen hier vaak mee samen. De Natura 2000 herstelmaatregelen kunnen ook wel een effect hebben op de veranderingen van de leefbaarheid, maar die is gering. Deze zijn hieronder beschreven: Werkgelegenheid Door de uitvoering van de Natura 2000 maatregelen in dit gebied, is de natuur beter bestand tegen de uitstoot van stikstof.

Naast het verlagen van de stikstofuitstoot door bronmaatregelen door het Rijk leidt dit op termijn tot meer ontwikkelingsmogelijkheden voor bijvoorbeeld bedrijven en woningbouw. Op zeer lokaal niveau kunnen de maatregelen wel negatieve effecten hebben op de werkgelegenheid. De effecten kunnen nadelige gevolgen hebben voor de huidige bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Hiervoor is in het gebiedsproces continue aandacht. Een gevolg kan zijn dat bedrijven stoppen of verplaatsen. De maatregelen kunnen ook leiden tot omvorming van de bedrijfsvoering die gericht is op de (veranderende) milieuwetgeving, waardoor er een duurzamere

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

55

en toekomstbestendige bedrijfsvoering ontstaat. Sommige maatregelen kunnen ook leiden tot verbetering, bijvoorbeeld doordat droge gronden natter worden. Waar het wel leidt tot negatieve gevolgen wordt in het gebiedsproces gezocht naar oplossingen die leiden tot het behalen van de Natura 2000-doelen en met zo min mogelijk negatieve effecten op de omliggende bedrijven. Eigenaren van gronden die niet meer geschikt zijn voor agrarisch gebruik hebben de mogelijkheid om gronden tegen marktconforme prijs te verkopen. Daarnaast wordt er gezocht naar ruilgronden of gekeken of de gronden op een andere wijze in de bedrijfsvoering kunnen worden opgenomen (bijvoorbeeld natuurbeheer). Agrariërs die schade aan productiepercelen of erven en gebouwen ondervinden door hydrologische maatregelen komen in aanmerking voor een schaderegeling. Een uitgebreidere beschrijving van dit proces is opgenomen in hoofdstuk 1. Als tijdelijk effect op de werkgelegenheid is dat er lokale aannemers worden ingeschakeld bij de uitvoering van de maatregelen. Toegankelijkheid De maatregelen kunnen ook effecten hebben op wegen, bijvoorbeeld door vernatting of schade tijdens de uitvoering. Waar mogelijk worden er mitigerende maatregelen getroffen om de effecten te voorkomen of zo klein mogelijk te laten zijn. Schade tijdens de uitvoering wordt gerepareerd.

Het plan leidt niet tot het verdwijnen van wegen, waardoor de toegankelijkheid van het gebied niet veranderd. Waar mogelijk en/of gewenst wordt ook in de plannen bekeken of de toegankelijkheid van de natuurgebieden verbeterd kan worden, zodat mensen ook beter kunnen genieten van de natuur. Recreatie Mooiere en robuustere natuurgebieden kunnen in theorie leiden tot vergroting van de recreatieve sector van het gebied. Dit kan kansen bieden voor de leefbaarheid van een gebied. Kansen voor recreatieve meekoppelkansen worden waar mogelijk benut, maar zijn geen doel op zich in deze plannen. Per gebied wordt bekeken wat mogelijk en/of gewenst is. Tijdens de uitvoeringsfase kunnen er negatieve effecten optreden voor de recreatie, maar deze zijn van tijdelijke aard. Het gaat hierbij om actieve machines in het gebied, tijdelijke opslag van bouwmaterialen (duikers, ed.) en tijdelijke opslag van grond of organisch materiaal. Tijdens de uitvoering wordt er gecommuniceerd over het eventueel afsluiten of omleggen van recreatieve routes.

4.8.3 Conclusie

De sociaal economische aspecten in een gebied (met name de leefbaarheid) is met name afhankelijk van demografische ontwikkelingen. Negatieve effecten hierop door de natuurmaatregelen is beperkt. Waar negatieve effecten ontstaan is bekeken of deze gemitigeerd of gecompenseerd kunnen worden. Daarnaast wordt er bij het beschikbaar krijgen van de gronden ook gezocht naar een passende oplossing in de vorm van aankoop, ruiling, omvorming of schadevergoeding. Het inpassingsplan is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft de sociaal economische aspecten.

P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld

56

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planopzet

Plansystematiek inpassingsplan algemeen

In het inpassingsplan wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de vigerende gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als een bestemmingswijziging nodig is, om maatregelen mogelijk te maken of te borgen, worden overige (nog relevante) vigerende dubbelbestemmingen en aanduidingen uit de gemeentelijke plannen overgenomen. Op deze manier is voor een perceel slechts een ruimtelijk plan vigerend, wat de gebruiksvriendelijkheid bevordert. In alle bestemmingsbeschrijvingen in het inpassingsplan is bepaald dat de bestemmingen mede dienen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Daarom is in iedere regel een koppeling gelegd met de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" en met (de maatregelenkaart bij) het Inrichtingsplan. Op deze manier wordt gewaarborgd dat alle ontwikkelingen die zich binnen het plangebied voordoen, geen belemmeringen met zich mee brengen voor de natuurdoelstellingen.

5.2

Standaarden en opbouw

Het inpassingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Aan alle gronden worden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen toegewezen. Aan deze bestemmingen worden regels gekoppeld omtrent het gebruik van de gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de (enkel)bestemmingen kunnen ook dubbelbestemmingen voorkomen. Deze overlappen de 'gewone' bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen. De eventuele (dubbel)bestemmingen en de aanduidingen staan ook op de verbeelding. SVBP 2012 Het inpassingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan en voldoet aan de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). In deze standaard staan normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding. Het Besluit ruimtelijke ordening stelt de SVBP verplicht als standaard systematiek. Op deze manier is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen gewaarborgd. De SVBP heeft geen betrekking op de toelichting van het plan en ook niet op de inhoud. Naast een digitale versie kan er ook een papieren versie van het inpassingsplan gebruikt worden.

Als er verschillen zijn tussen de digitale en analoge versie is de digitale versie leidend. Opbouw regels De regels kennen een vaste volgorde en indeling. Hoofdstuk 1 Inleidende regels - Begrippen - Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels - Bestemmingen - Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3 Algemene regels - Anti-dubbeltelregel - Algemene gebruiksregels - Algemene aanduidingsregels

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

57

- Algemene afwijkingsregels - Algemene wijzigingsregels - Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels - Overgangsrecht - Slotregel Vervolgens kennen de bestemmingsregels ook een vaste opbouw: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid.

5.3

Toelichting op de artikelen

De regels van het inpassingsplan 'Bergvennen en Brecklenkampse Veld' zijn hieronder kort toegelicht. Artikel 1 en 2 Begrippen en wijze van meten Voor de begripsomschrijvingen en wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012 en grotendeels overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Dinkelland. Deze begrippen zijn aangevuld met voor het inpassingsplan relevante begrippen, in afstemming met het provinciale beleid. Artikel 3 Agrarisch - 3 Deze bestemming is toegekend aan gronden die agrarisch in gebruik zijn. Dit heeft betrekking op diverse soorten agrarisch gebruik, waarbij met behulp van aanduidingen onderscheid in soort gebruik wordt gemaakt. Artikel 4 Natuur Deze bestemming is toegekend aan gronden, waarop natuurontwikkeling zal plaatsvinden en die dus aan het agrarisch gebruik worden onttrokken dan wel waar de bestaande natuurbestemming aangepast moet worden. Bemesting is uitsluitend toegestaan behorend bij het natuurpakket voor een specifiek perceel dan wel behorende bij het natuurtype dat zich op het betreffende perceel kan ontwikkelen. Verder is ontwatering verboden. In het plangebied zijn met name hydrologische maatregelen aan de orde. Aangezien de bodem op een aantal plekken binnen deze bestemming niet geroerd is, geldt hier een hoge archeologische verwachtingswaarde, waarbij een ondermaat geldt van 2500m2.

Aangezien er enkel beperkte bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan binnen deze bestemming is er geen potentieel effect door het realiseren van bouwwerken. Ten aanzien van het uitvoeren van werken en werkzaamheden is een regeling opgenomen in de vorm van een omgevingsvergunningstelsel. Artikel 5 Natuur - Agrarisch Voorlopig Deze bestemming geldt voor de gronden die binnen 5 jaar na inwerking treding van dit bestemmingsplan agrarisch gebruikt mogen worden. Na deze 5 jaar mogen deze gronden uitsluitend als natuur gebruikt worden en gelden de regels behorend bij artikel 4 Natuur. Aangezien deze gronden wel geroerd zijn in de afgelopen jaren geldt hier echter geen archeologische verwachtingswaarde. Artikel 6 Verkeer Deze bestemming geldt voor de bestaande - openbare - wegen in het plangebied, die gehandhaafd blijven. Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In het Besluit ruimtelijke ordening staat een standaardbepaling die verplicht is voor alle inpassingsplannen. Het doel van de anti-dubbeltelbepaling is te voorkomen dat door het herhaaldelijk gebruik van dezelfde oppervlakte van gronden als berekeningsgrondslag voor de oppervlaktebepaling van met name gebouwen, er op het betreffende of het aangrenzende perceel een situatie ontstaat die in strijd is met het inpassingsplan.

Door het 'overhevelen' van gronden tussen percelen, via al of niet tijdelijke huurcontracten of eigendomsoverdrachten, zou op een van

P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld

58

de percelen of op alle betrokken percelen uiteindelijk een bebouwde oppervlakte kunnen ontstaan, die groter is dan het bestemmingsplan blijkens de regels beoogt toe te staan. Artikel Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Er is een algemene aanduidingsregel opgenomen ter plekke van de gronden die op basis van het uitgevoerde onderzoek naar Conventionele Explosieven een hoge verwachtingswaarde hebben op het aantreffen van niet gesprongen Conventionele Explosieven. Ter plekke van deze zone is het niet toegestaan te bouwen of werken of werkzaamheden uit te voeren, zonder dat duidelijk is dat er geen explosieven gelegen zijn of dat deze werkzaamheden onder deskundige begeleiding worden uitgevoerd. Daarnaast is een aanduidingsregeling opgenomen die het mogelijk maakt om de bestaande Poolweg enkele meters richting het zuiden te verleggen ter hoogte van de grens tussen Nederland en Duitsland. Met het gebruik maken van deze wijzigingsbevoegdheid wordt ervoor gezorgd dat de Poolweg min or meer rechtdoor loopt. Artikel 10 Algemene bouwregels In dit artikel is een verbod op ondergronds bouwen opgenomen. Artikel 11 Algemene gebruiksregels Het verbod om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met het inpassingsplan is opgenomen in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

In deze bepaling is dan ook enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit inpassingsplan moet worden aangemerkt. Artikel 12 Overige regels In dit artikel is geregeld dat, als de werkzaamheden uit het Inrichtingsplan volgens een ecologisch werkprotocol moeten worden uitgevoerd, dit ook nodig is. Er is een verwijzing naar de natuurtoets toegevoegd. Het is een algemeen artikel, omdat de werkzaamheden binnen verschillende bestemmingen kunnen plaatsvinden. In dit artikel is ook geregeld wanneer en onder welke voorwaarden de gemeenteraad van Dinkelland bevoegd is bestemmingsplannen voor de gronden in het inpassingsplan vast te stellen. Artikel 13 Overgangsrecht Uitgangspunt in een nieuw inpassingsplan is dat bestaande bouwwerken en gebruiksvormen in principe positief worden bestemd, dus als zodanig als recht zijn toegestaan. De overgangsrechtelijke regels dienen om te waarborgen dat een bestaand bouwwerk of een bestaand gebruik dat niet in overeenstemming is met het nieuwe plan en waarvan sloop respectievelijk beëindiging wordt beoogd, als zodanig voorlopig kan blijven voortbestaan. Het bouwwerk of gebruik wordt dan als zodanig gedoogd totdat in de loop van de planperiode de sloop respectievelijk beëindiging plaatsvindt.

Bouwwerken en gebruiksvormen die al strijd zijn met het vorige ruimtelijk plan worden expliciet uitgesloten van het overgangsrecht van het nieuwe plan. Ze worden niet gedoogd onder het nieuwe plan, maar blijven in strijd daarmee. Handhaving door sloop respectievelijk gebruiksbeëindiging blijft daardoor een optie. Uitgangspunt is dat overgangsrechtelijke situaties, zowel voor bouwen als voor gebruik, uitzonderingen zijn. Die situaties worden tijdelijk gedoogd. De regels van het overgangsrecht zijn voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regels zijn zodoende overgenomen. In dit inpassingsplan is verder de volgende regeling opgenomen: Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van het ten tijde van de inwerkingtreding van een inpassingsplan bestaand gebruik. Bovenstaande houdt in dat de standaardbepalingen voor het overgangsrecht niet onverkort kunnen worden toegepast, als uit de Wet natuurbescherming gebruiksbeperkingen voortvloeien. In dat geval gaat de ‘hogere regelgeving’ boven het overgangsrecht.

In de planregels is een specifieke bepaling opgenomen dat de overgangsregels gedurende twee jaar na inwerkingtreding van het PIP niet van toepassing zijn. Artikel 14 Slotregel Bij deze regel is vermeld hoe het plan kan worden aangehaald.

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

59

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Juridische uitvoerbaarheid

6.1.1 Provinciale coördinatieverordening

Voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 moeten per gebied diverse besluiten worden genomen door verschillende bevoegde gezagen. Ten behoeve van het vergunningentraject heeft de provincie Overijssel een coördinatieverordening vastgesteld d.d. 9 november 2016. Alle benodigde besluiten voor de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura 2000 zullen per gebied zoveel mogelijk gelijktijdig of geclusterd voorbereid worden. De gecoördineerde besluiten doorlopen dezelfde voorbereidingsprocedure en liggen tegelijk ter inzage bij één loket. Desgewenst kan met één zienswijze gereageerd worden op diverse ontwerpbesluiten. Hierdoor hoeft niet voor elk besluit een aparte procedure en rechtsgang doorlopen te worden. Dit zorgt voor meer overzichtelijkheid van de procedures. In dit geval lopen er geen andere besluiten gecoordineerd mee met de PIP prcedure. Wel loopt de beheerplanprocedure parallel aan de PIP procedure. De ontgrondingenvergunning zal separaat aangevraagd worden.

6.1.2 Vaststellen beheerplan

De maatregelen voor het behalen van de Natura 2000-doelen staan normaal gesproken. beschreven in de Natura 2000-beheerplannen. In dit geval was er voor dit gebied nog geen beheerplan vastgesteld. Daarom is besproken om het beheerplan gelijktijdig met het inrichtingsplan en het PIP op te stellen. In het inrichtingsplan staat de maatregelen beschreven om de doelen uit het Aanwijzigingsbesluit te halen. Deze maatregelen zijn vertaald in het beheerplan en het PIP. Vaststelling van het beheerplan zal plaatsvinden voor de vaststelling van het PIP.

6.1.3 Wijziging begrenzing provinciale Omgevingsverordening en -visie

Wanneer bepaalde percelen niet ingezet hoeven te worden voor het bereiken van de Natura 2000-doelen, dan wordt de begrenzing van het uitwerkingsgebied Ontwikkelopgave Natura 2000 in het voorkomende geval aangepast conform Hoofdstuk 10.3 van de Omgevingsvisie. Percelen waar geen maatregelen getroffen worden of waar na uitvoering van de maatregelen de functie landbouw gehandhaafd kan blijven, worden uit het NNN gehaald. Dit zal na in werking treding van dit inpassingsplan worden aangepast in de verordening.

P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld

60

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Provinciale sturingsfilosofie

De provincie Overijssel past voor haar rol in het ruimtelijk domein een bestuursfilosofie toe die er naar streeft om maatschappelijke resultaten te boeken waar inwoners van Overijssel belang aan hechten. De sturingsfilosofie van de provincie Overijssel is kort samen te vatten als ‘resultaat door partnerschap’. De provincie vormt vitale coalities met de partners en netwerken waarin verschillende partners gezamenlijk in actie komen om maatschappelijk resultaat te boeken. Hoofdlijnen van deze sturingsfilosofie zijn: Complexe maatschappelijke uitdagingen integraal en samen met publieke, private en maatschappelijke partners in vitale coalities aanpakken; Ruimte voor bestuurlijke partners om op het meest geëigende schaalniveau op eigen gezag te handelen; Eenvoudige en heldere regels. Gebiedsprocessen In het kader van deze sturingsfilosofie is Samen Werkt Beter in het leven geroepen. In hoofdstuk 1 is ingegaan op Samen Werkt Beter en het bijbehorende proces. Tevens is in hoofdstuk 1 het gebiedsproces beschreven van het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld". Keuze ruimtelijk instrument In de provinciale sturingsfilosofie is ook beschreven op welke momenten de provincie Overijssel (selectief) gebruik maakt van het ruimtelijke instrument ‘inpassingsplan’.

Dit instrument kan de provincie Overijssel in de volgende situaties inzetten: Als er sprake is van provinciaal belang, en; Als er uit overleg blijkt dat de gemeente niet bereid is om een bestemmingsplan vast te stellen of hiertoe niet (tijdig) overgaat, of; Als de gemeente aan de provincie vraagt om een inpassingsplan vast te stellen. De te nemen maatregelen in het kader van de Ontwikkelopgave Natura 2000 passen in veel gevallen niet binnen de nu geldende bestemmingsplannen. Dit zorgt ervoor dat een groot aantal ruimtelijke procedures noodzakelijk is om deze maatregelen mogelijk te maken. Vanwege de benodigde proceduretijd ligt de ruimtelijke planvorming op het kritieke tijdpad van de planning van de Ontwikkelopgave Natura 2000. Het is daarom van groot belang om de ruimtelijke planvorming zo efficiënt mogelijk in te richten. Essentieel onderdeel hierbij is de vraag of een bestemmingsplan of een inpassingsplan opgesteld gaat worden om de benodigde maatregelen planologisch-juridisch mogelijk te maken. Eén van de grote voordelen van een provinciaal inpassingsplan is dat de beroepstermijn aanzienlijk (circa 1 jaar) korter is dan bij een bestemmingsplan. Een provinciaal inpassingsplan valt namelijk onder de Crisis- en herstelwet waardoor de Raad van State binnen een half jaar een uitspraak moet doen op ingestelde beroepen.

Deze verplichting geldt niet bij beroep tegen een bestemmingsplan. Daardoor is de doorlooptijd van een bestemmingsplan bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State circa een jaar langer. Om bovenstaande redenen heeft de provincie Overijssel de betrokken gemeenten door middel van een brief (maart 2016) gevraagd om een voorkeur uit te spreken over de inzet van het ruimtelijk instrument: een bestemmingsplan of een inpassingsplan. De gemeente Dinkelland heeft de provincie te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen het opstellen van een provinciaal inpassingsplan. Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben hierom besloten om voor het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" een inpassingsplan voor te gaan bereiden.

6.2.2 Procedure inpassingsplan

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

61

6.2.3 Voorontwerpfase

Het voorliggende inpassingsplan doorloopt de procedure zoals die in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening geregeld is. Hierbij is gekozen om ook te werken met een voorontwerpfase. Het voorontwerp PIP heeft, samen met een voorontwerp beheerplan en Notitie Reikwijdte en Detailniveau digitaal ter inzage gelegen van 8 september tot en met 19 oktober 2020 en fysiek in het gemeentehuis van Dinkelland en het provinciehuis van de Provincie Overijssel. In deze periode zijn de Bro partners om advies gevraagd. Gedurende deze termijn zijn er 69 inspraakreacties ontvangen (57 reacties waren identiek, waarvan 1 individueel en 56 collectief) en is 1 vooroverlegreactie ontvangen. De meeste reacties waren niet specifiek gericht op het Beheerplan, het PIP of de NRD. Van de reacties hebben er 3 (+56) tot aanpassing van het ontwerp-Beheerplan, 4 (+56) geleid tot aanpassing van het ontwerp PIP. Op 23 september 2020 heeft een inloopbijeenkomst op afspraak plaatsgevonden voor alle geïnteresseerden. In bijlage 10 is een Reactienota opgenomen, waarin de inspraakreacties zijn samengevat en van een reactie voorzien.

6.2.4 Ontwerpfase

Het ontwerp-inpassingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door een ieder. Tevens zal de gemeenteraad van de betreffende gemeenten worden gehoord over het inpassingsplan en commisie m.e.r. over het MER. De ontvangen zienswijzen, de adviezen en de reactie van de gemeenteraad worden beantwoord in een zienswijzennota en verwerkt in een definitief inpassingsplan, definitief MER, definitief beheerplan en definitieve ontgrondingenvergunning.

6.2.5 Vervolgprocedure

Het definitieve beheerplan zal ter vaststelling worden voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. De ontgrondingenvergunning zal via mandaat, door Gedeputeerde Staten worden verleend. En het definitieve inpassingsplan zal ter vaststelling worden aangeboden aan de Provinciale Staten. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld en krijgen voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan de mogelijkheid om te reageren op de beantwoording van hun zienswijze. Na vaststelling van het definitieve inpassingsplan zal het plan, samen met het beheerplan en de ontgrondingenvergunning, voor zes weken ter inzage liggen. In deze periode kan beroep en/of een voorlopige voorziening bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ingediend worden. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zal vervolgens een uitspraak doen op het beroep en/of de voorlopige voorziening.

6.3

Economische uitvoerbaarheid

6.3.1 Grondexploitatie

De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 6.12 dat samen met het inpassingsplan ook een exploitatieplan vastgesteld moet worden. Dat hoeft niet als er geen sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld

62

In dit inpassingsplan is geen sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Een exploitatieplan is derhalve niet vereist.

6.3.2 Grondverwerving

De Natura 2000-beheerplannen hebben grote invloed op het provinciale grondbeleid. Het maatregelenpakket om de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden te realiseren kan tot gevolg hebben dat de functie van de gronden verandert. De Nota Grondbeleid van de provincie Overijssel bevat de interventieladder. Dit is de verwervingsstrategie voor de Ontwikkelopgave Natura 2000. Kort samengevat gaat de ladder uit van zelfrealisatie door grondeigenaren tot inzet van ruilgronden of aankoop van gronden en als laatste stap onteigening. Voor het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" wordt de interventieladder doorlopen om de maatregelen uit te kunnen voeren. Een uitgebreidere toelichting van dit proces is beschreven in hoofdstuk 1.

6.3.3 Financiering

Provinciale Staten van Overijssel hebben 23 april 2014 (nr. PS/2014/62) budget ter hoogte van €785 miljoen beschikbaar gesteld voor de Ontwikkelopgave Natura 2000. De financiële haalbaarheid is onderbouwd in het statenvoorstel. Uit deze onderbouwing blijkt dat de opgaven haalbaar zijn met de begrote budgetten. In de programma-administratie zal per gebied en per deelgebied het begrote budget worden aangegeven. Daarnaast zijn in het statenvoorstel spelregels opgenomen om een verantwoorde besteding van het geld te garanderen. Tevens kunnen Gedeputeerde Staten flexibel omgaan met budgetten - zoals het verevenen van de gebieden - zo lang zij binnen het totale budget blijven.

6.3.4 Monitoring, toezicht en handhaving

Dit inpassingsplan richt zich op het herstel, behoud en ontwikkeling van het Natura 2000-gebied en de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. Echter, de ontwikkeling van natuur is grillig en afhankelijk van (veranderende) situaties ter plaatse. Met monitoring wordt gevolgd of de instandhoudingsmaatregelen het gewenste resultaat opleveren en of veranderingen in het gebied of het gebruik in en om het gebied effect hebben op het realiseren van de doelen. Monitoring Er zijn verschillende meetnetten die de benodigde informatie leveren. Voor de KRW en (beleids)doelen van de Waterschappen worden de waterkwaliteit en -kwantiteit gemonitord. De grondwaterkwaliteit en -kwantiteit worden gemonitord onder regie van de provincie (het Meetnet Verdroging). Daarnaast zijn er nog twee voor Natura 2000 belangrijke meetnetten over natuurkwaliteit: het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) en de monitoring in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). De meetnetten zijn zo vormgegeven dat deze informatie opleveren die gebruikt kan worden voor het beantwoorden van verschillende vragen en ten behoeve van verschillende monitoringsvereisten. De uit de monitoring volgende informatie wordt gebruikt bij het opstellen van het Natura 2000-beheerplan voor de daaropvolgende beheerplanperiode en voor de door het rijk aan de Europese Commissie te leveren natuurrapportage.

De informatie is ook van belang voor vergunningverlening, handhaving en beheer van het Natura 2000-gebied. De provincie Overijssel is verantwoordelijk voor de monitoring van de natuur binnen de Natura 2000-gebieden. De provincie maakt hiervoor afspraken met betrokken partijen over de uitvoering van de monitoring. De provincie maakt met betrokken partijen afspraken over de uitvoering van de monitoring. De uitvoering van de aspecten vegetatie, typische soorten en structuur zal veelal uitgevoerd worden door de terreinbeheerders. Waterschappen voeren veelal de monitoring van de waterkwaliteit en -kwantiteit uit. De provincie bewaakt de uitvoering van de afspraken. De uitkomsten van de verschillende monitoring zullen met de betrokken partijen gedeeld worden. SNL-monitoring Over de manier waarop de monitoring wordt uitgevoerd zijn landelijke afspraken gemaakt. De belangrijkste is dat de Natura 2000-monitoring integraal is opgenomen in de 'Werkwijze

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

63

Natuurmonitoring en -beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS' (hierna: werkwijze SNL-monitoring). In deze werkwijze wordt gedetailleerd beschreven hoe de kwaliteit van natuur moet worden gemonitord. De beschreven monitoringsmethodiek is onafhankelijk van het Natura 2000-gebied: eenzelfde habitattype wordt overal op dezelfde manier gemonitord. Deze werkwijze is te vinden op het portaal Natuur en Landschap. Aanvullend op deze werkwijze dienen nog enkele zaken te worden meegenomen: Natuurmonitoring specifiek voor stikstof Per gebied wordt jaarlijks een gebiedsrapportage opgesteld met als doel de ontwikkeling van de stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten en de voortgang van de uitvoering van de herstelmaatregelen in beeld te brengen. De gebiedsrapportage bevat een presentatie van de stand van zaken van de natuurontwikkeling en de uitvoering van de herstelmaatregelen op gebiedsniveau, inclusief o.a.: Geactualiseerde informatie over omvang en kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten; Verslagen van de jaarlijkse veldbezoeken (toets of de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten zich ontwikkelen volgens verwachting); Proces(meet)indicatoren en de informatie die hieruit voorkomt.

Procesindicatoren worden gebruikt om de voortgang van het herstelproces als gevolg van het uitvoeren van bepaalde herstelmaatregelen te volgen. Ondanks de uitspraak van de Raad van State over het PAS, wordt deze monitoring wel uitgevoerd. Gebiedsspecifieke natuurmonitoring De monitoring t.b.v. het PAS of de SNL zal zich, naar verwachting, beperken tot periodieke herhaalde vegetatiekarteringen, de monitoring van de populaties van de VHR-soorten (Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten) en de monitoring van stikstofemissie. Dit houdt in dat voor gebiedsspecifieke monitoring een aparte monitoring geregeld moet worden. Voor het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" staat dit beschreven in hoofdstuk 8.3 van het beheerplan. Toezicht en handhaving De Wet natuurbescherming biedt het kader voor toezicht en handhaving in relatie tot de Natura 2000-beheerplannen (gebiedscontrole, naleving vergunningen etc.). Adequaat toezicht en handhaving zijn nodig voor een goede naleving en dus voor een goede uitvoering van de Wet natuurbescherming. Toezicht en handhaving zien toe op de controle op de naleving van vergunningen en op het opsporen van en optreden (in het veld) tegen overtredingen van een aantal artikelen van de Wet natuurbescherming.

De Wet natuurbescherming biedt het bevoegd gezag ook de mogelijkheid maatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Zo kan het bevoegd gezag verleende vergunningen intrekken of wijzigen als de situatie daartoe noopt. Het bevoegd gezag kan als dat nodig is ook besluiten de toegang tot een beschermd gebied te beperken. Op basis van de landelijk ontwikkelde en vastgestelde 'Handreiking handhavingsplan Natura 2000' (IPO, 2013xiv) worden toezicht en handhaving nader uitgewerkt in toezichts- en handhavingsplannen voor de Natura 2000-beheerplannen en handhavingsuitvoeringsprogramma's. Bij het opstellen van het handhavingsplan wordt samengewerkt met de partijen die een taak hebben op dit gebied (zoals de terreinbeherende organisaties). Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat met behulp van monitoring, toezicht en handhaving de natuurdoelen van het Natura 2000-gebied "Bergvennen en Brecklenkampse Veld" zullen worden gehaald.

P I P Bergvennen en Brecklenkampse Veld

64

NL.IMRO.9923.ipBergvennenBV-on02

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/502/documents/16732