CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

B_B_ontwerp_1_regels_Bijlage 2 Inrichtingsplan.PDF

Gemeenteraad 21 december 2021, gemeente DinkellandBij agendapunt: 13: Voorstel inzake ontwerp provinciaal inpassingsplan Bergvennen en Brecklenkampse Veld30.518 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

1 alinea's met “gecombineerde”: 315

Door gericht uitmijnen met een grasklavermengsel (met K-bemesting) of een productieve graszode (met N- en Kbemesting) zal vier keer zo snel de voor de natuur benodigde schrale conditie bereikt kunnen worden (P-afvoer: 40 kg/ha/jr.). Wanneer de fosfaatrijke Figuur 3.1 Locaties waar monsters zijn genomen voor fosfaatonderzoek op landbouwgronden, onderzoek in reeds bovengrond afgegraven wordt, wordt de verschalingsduur aanzienlijk bestaande natuur (grijze arceringen) en bepaling mate van verkort. In figuur 3.2 rechts is een ruimtelijk overzicht gegeven van deze externe eutrofiëring. gecombineerde maatregel.

Figuur 3.2 Links: overzicht van de ruimtelijke variatie in de verschralingsduur (in jaren) van de toplaag. De verschralingsduur is berekend voor een bodempakket van 25 cm en betreft de gemiddelde verschralingsduur bij een Olsen-P streefconcentratie van 300 en 500 μmol/l. Rechts: overzicht van de ruimtelijke variatie in het ontgrondingsadvies (in cm) voor het creëren van P-gelimiteerde omstandigheden met opties tot ontgrondingsadviezen waarbij beperkt aanvullend verschralingsbeheer is vereist om op korte termijn schrale natuurtypen te kunnen realiseren. Wanneer geen aanvullend verschralingsbeheer is aangegeven, is de bodem onder het geadviseerde ontgrondingsadvies te rijk om binnen een periode van 20 jaar te kunnen verschralen.

22

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

Een ontgronding dient te worden getoetst op de inpassing in het hydrologische systeem. Op basis van de mate van buffering, grondwaterstanden en ontgrondingsdiepten zijn de natuurbeheertypen genoemd, die in potentie tot ontwikkeling kunnen komen. Er is nog geen rekening gehouden met de toekomstige grondwaterstanden, omdat deze ten tijde van het hier weergegeven onderzoek nog niet bekend waren. De natuurpotentie is:  Op de landbouwpercelen ten noorden van het Brecklenkampse Veld: nat schraalland (blauwgrasland) en vochtige heide;  Op de ten zuiden van de Bergvennen gelegen landbouwpercelen: droog schraalland en droge heide;  In de landbouwenclave: alle bovengenoemde natuurbeheertypen. NB. Voor de gebieden die als nieuwe natuur in het inrichtingsplan zijn opgenomen heeft B-ware het advies aangescherpt op basis van de verwachte grondwaterstanden. Dit is opgenomen in paragraaf 4.3. 2. Onderzoek externe eutrofiering (grondwaterkwaliteit) Onderzocht is of er risico is op het uitspoelen van nutriënten vanuit landbouwgronden en bos richting de Bergvennen, de zuidelijke vennen en het Brecklenkampse Veld. Hiertoe is de grondwaterkwaliteit bemonsterd op een aantal locaties langs de randen van het N2000 gebied (rode locaties in figuur 3.1).

Uit het onderzoek blijkt dat het doorgemeten grondwater dat vanaf de aangrenzende landbouwgronden en bos naar het natuurgebied stroomt, lage concentraties aan nitraat, fosfor en ammonium bevat. Vanaf de zuidelijk gelegen landbouwgronden bevat het grondwater wel verhoogde concentraties aan sulfaat. 3. Onderzoek verbetering jeneverbesstruwelen Het voortbestaan van Jeneverbesstruwelen in Nederland wordt bedreigd, omdat er een chronisch tekort aan verjonging is. Ook in de Bergvennen zijn jeneverbesstruwelen aanwezig die niet meer verjongen, terwijl wel mannelijke en vrouwelijke exemplaren aanwezig zijn. Op een zevental locaties waar vrouwelijke struiken aanwezig waren zijn bodemprofielen bemonsterd. Hierbij zijn zowel de toplaag als ook de diepere bodemlagen bemonsterd. De locaties worden weergegeven in figuur 3.3. Het onderzoek toont aan dat de kwaliteit van de toplaag van de bodem op sommige locaties gunstig is, terwijl de diepere bodemlagen in het algemeen ongunstig lijken. De basenverzadiging van de toplaag (0-20cm) is op een tweetal locaties (locatie 3 en 4) zeer gunstig. Op de andere locaties (locatie 2, 5 en 6) is de basenverzadiging van de bodemtoplaag te Figuur 3.3 Locaties waar in de Bergvennen bodemmonsters zijn laag, m.n. veroorzaakt door een relatief lage beschikbaarheid aan genomen voor het onderzoek naar uitblijven van verjonging van jeneverbes calcium en magnesium.

De diepere bodemlagen zijn zeer arm aan magnesium. De data tonen dat er in de Bergvennen slechts één locatie voorkomt waar zowel de bodemtoplaag als diepere bodemlaag een goede basenverzadiging hebben (Locatie 4). De toplaag is hier echter wel rijk aan stikstof. Mogelijk speelt hier een beperkte kiemkans, door een te dichte begroeiing (moslaag) een rol in het niet tot ontwikkeling komen van kiemplanten. Natuurlijke verstoring van de bodem, bijvoorbeeld door windwerking of activiteit van dieren, kan open plekken creëren waar kieming mogelijk is. Op de andere bemonsterde locaties is de bodem tot op een diepte van 20-80 cm zeer arm aan mineralen en is de Al:Ca ratio ongunstig. Op deze locaties is de kwaliteit van de (dieper wortelende) moederplant waarschijnlijk ongunstig, wat minder vitale bessen tot gevolg heeft. Op een aantal locaties heeft de bodemtoplaag een ongunstige samenstelling voor ontwikkeling van kiemlingen. De data tonen volgens B-ware dat het zinvol is om de toplaag van de bodem te bekalken. Wanneer de invloed van de besvitaliteit (de kwaliteit van de diepere bodemlagen) een grotere rol blijkt te hebben bij de verjonging dan de overleving van de kiemling (de kwaliteit van de bodem toplaag) kan het zijn dat het nemen van deze maatregel onvoldoende soelaas biedt. Het diepkalken van de bodem kan dan een maatregel zijn.

23

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

4 Onderzoek verbetering kwaliteit heide en onderzoek op recreatiepark de Bergvennen In en rondom de (vochtige) heide van de Bergvennen zijn op vijfentwintig locaties bodemmonsters genomen van het strooisel en van onderliggende bodemlagen, om te onderzoeken of de bodem een gunstige mineralensamenstelling heeft, die ook op de langere termijn niet zal verzuren. De ligging van de bemonsterde locaties wordt gegeven in figuur 3.4. Op de bemonsterde locaties aan de randen van het grove dennenbos blijkt dat zich op deze locaties een met nutriënten verrijkte top-/strooisellaag heeft gevormd met een dikte van 310 cm. De ondergroei (o.a. braam, bochtige smele en pijpenstrootje) indiceert dat de bodem rijk is aan stikstof. De chemische bodemanalysen laten zien dat in de strooisellaag relatief veel basen aanwezig zijn, maar de basenrijkdom per liter bodem is te laag. De minerale ondergrond is overal te arm aan basen (Ca, Mg en K) voor ontwikkeling van soortenrijke heide. Het bodemcomplex is met name arm aan calcium (Ca-z). Hierdoor is ook vaak de Al:Ca ratio te hoog in de sterk verzuurde bodems, hetgeen toxisch werkt op de meer zeldzamere kruiden. De beschikbaarheid aan stikstof is veelal te hoog.

Voor ontwikkeling van soortenrijke heide moet de bodem rijker zijn aan basen en dient de hoeveelheid stikstof en andere Figuur 3.4 Locaties waar in de Bergvennen bodemmonsters genomen zijn zuren te worden teruggebracht. Het kappen van grove voor het onderzoek naar verbetering van de (vochtige) heide (1 t/m 21) en dennenbos zal leiden tot meer toestroom van basenhoudend, ten behoeve van onderzoek naar natuurpotenties op de camping (c1 t/mc4). lokaal grondwater richting natte laagten in het gebied. Experimenten met boskap in andere gebieden hebben aangetoond dat het verwijderen van de strooisellaag, in combinatie met oppervlakkig plaggen, voldoende is om binnen een periode van enkele jaren de stikstofverrijking van de bodem geheel op te heffen. Er vindt immers beperkt invang van atmosferisch stikstof plaats, er vindt geen aanrijking meer plaats met stikstof vanuit de strooisellaag, terwijl er wel stikstof (nitraat) uit de minerale toplaag uitspoelt met het regenwater (Lucassen et al., 2016). Naast verlaging van de stikstofbeschikbaarheid is het ook noodzakelijk de basenverzadiging te verhogen. Aangezien ook de kaliumbeschikbaarheid te laag is voor ontwikkeling van soortenrijke heide beveelt B-ware aan om naast bekalking (dolocal) ook een kalium-rijk steenmeel toe te dienen.

Op de geplagde locaties waar dolocal en steenmeel is toegediend adviseert B-ware tevens om kort na afgraven (<1 jaar) maaisel/plagsel op te brengen uit goed ontwikkelde referentielocaties om kolonisatie door doelsoorten te stimuleren. (Voormalig) grasland Locaties 16, C2, C3 en C4 zijn (voormalige) droge graslanden. Op locatie 16 (voormalige akker) ontwikkelt zich lokaal al droge heide. Locaties C2, C3 en C4 zijn twee ligweiden en een kampeerweide op recreatiepark ‘de Bergvennen’. Locatie C3 en C4 zijn tot een diepte van en minste 60 cm te voedselrijk voor ontwikkeling van soortenrijke droge heide. Door de P-rijkdom gaan soorten als Braam domineren. Deze locaties zijn beiden dus ongeschikt voor natuurontwikkeling. Op locatie C2 is de bodem toplaag P-armer en in voldoende mate gebufferd om onder de bouwvoor droge tot vochtige soortenrijke heide te ontwikkelen. Bekalking is noodzakelijk om de concentratie Ca, Mg en K te verhogen. Op locatie 16 is de bodem arm aan N en relatief sterk gebufferd, maar nog wel in onvoldoende mate (m.n. K en Mg) voor ontwikkeling van soortenrijke droge heide. Hier zou een lagere dosering van dolocal en vulkamin kunnen volstaan. Droge heide Op locatie 14, 15, 17 en 19 is droge heide aanwezig. Locatie 14 en 15 zijn arm aan stikstof, maar te basenarm voor ontwikkeling van soortenrijke droge heide.

Hier zal toedienen van dolocal en vulkamin toereikend zijn voor ontwikkeling van soortenrijke droge heide. Op locatie 17 en 19 was vuilboom aanwezig; op locatie 17 betrof dit een significante oppervlakte. De stikstofbeschikbaarheid is hier te hoog is en de basenverzadiging (Ca, Mg en K) te laag. Vochtige tot natte heide Op locatie 5, 7, 9, 10, 12, 13 en 18 komt natte heide voor. De concentratie van stikstof in de toplaag van de bodem is in het algemeen laag. De basenverzadiging voldoet echter niet overal. Meer toestroom van basenhoudend lokaal grondwater door kap van grove dennenbos, zal dit verbeteren. Locatie 5 is waarschijnlijk een voormalig ven geweest. Het bodemprofiel toont hier dat er onder de podsol (0-10 cm) een inspoellaag van ijzer is en organisch materiaal (10-20 cm). Hieronder komt geel zand voor. Door af te plaggen op de ijzerhoudende laag, in combinatie met het verwijderen van het omringende bos, kan het ven mogelijk hersteld worden.

24

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

3.4

Bodem, grondwater en bodemgeschiktheid landbouwpercelen

Dit door Aequator Groen & Ruimte uitgevoerde onderzoek is separaat gerapporteerd (rapport Bodem, grondwater en bodemgeschiktheid landbouwgebied Breklenkamp en Bergvennen, Van Essen et al, 20 mei 2019). De huidige bodem- en grondwatersituatie zijn in het veld in kaart gebracht en samengevat in een bodem- en grondwaterkaart. Op basis van de bodemsamenstelling en grondwaterstanden is de huidige bodemgeschiktheid voor landbouw bepaald. Door Tauw zijn de effecten van de maatregelen op het grondwater berekend. Deze modelmatige verandering van de grondwaterstanden is gebruikt om de toekomstige bodemgeschiktheid voor landbouw te berekenen. Zo zijn de effecten van de natuurherstelmaatregelen op de landbouw in beeld gebracht. De zogenaamde grondgebruikswaarde is naast bodemgeschiktheid uitgedrukt in opbrengsten van zowel grasland als maisland. Er is gebruik gemaakt van de WIB-C methode (bodemgeschiktheid) en de HELP-methode (opbrengsten). Huidige bodem en grondwatersituatie De bodemgesteldheid en hoogteligging hebben een sterke relatie met elkaar. Het gebied wordt gekenmerkt door zandgronden en/of late veldontginningen van heide. Met name aan de zuidkant (Lattropse Veen) komen droogtegevoelige zandgronden voor. Dit gedeelte ligt ook het hoogst.

In het middengebied (westkant Bergvennen en de landbouwenclave) komen ook lager gelegen zandgronden voor met hoge grondwaterstanden in het voorjaar. Deze gronden hebben een beperking in de draagkracht, maar zijn minder droogtegevoelig. Het noordelijke deel (ten noorden van het Brecklenkampse Veld) komen natte zandgronden voor, die lemiger zijn en waar in de ondergrond vaak restjes veen zijn aangetroffen. De ondergrond is veelal diep geroerd (en dus gemengd) om de doorlatendheid te verbeteren. Bodemgeschiktheid voor grasland/weidebouw In de huidige situatie vallen de droogste delen van het gebied in de laagste klasse voor grasland (lage of matige bruto grasproductie, weinig beweidingsverliezen, goed berijdbaar). Dit zijn sterk verdrogingsgevoelige gronden. In de iets lagere delen van het gebied kan langer worden geprofiteerd van capillaire opstijging waardoor deze gronden in een betere categorie vallen. Deze gronden zijn iets minder droogtegevoelig en komen het meeste voor in het gebied. Vooral in drogere perioden of droge jaren treden hier opbrengstdervingen op als gevolg van droogte. Direct aan de westkant van de Bergvennen komt een gedeelte voor dat goed geschikt is voor grasland. Een enkele plek is lager en natter; hier is met name in het voorjaar de draagkracht iets beperkt. Naar het noorden toe komen meerdere lagere delen voor die beter zijn qua vochtvoorziening.

Aan de noordkant zijn er, op enkele hogere delen na, vooral gronden die als gevolg van hogere grondwaterstanden een goede vochtvoorziening hebben, maar een beperktere draagkracht. Bodemgeschiktheid voor akkerbouw (maisteelt) De bodemgeschiktheidsklassen voor akkerbouw (of maisteelt) lijken op die voor weidebouw. Op zandgronden worden gewoonlijk zomergranen, aardappelen, suikerbieten en maïs verbouwd. In de huidige situatie vallen de droogste delen van het gebied (dekzandruggen) in de laagste klasse (zeer groot teeltrisico; groot vochttekort). Dit is met name aan de zuidkant van het gebied het geval, en enkele hogere koppen. In de iets lagere delen van het gebied kan langer worden geprofiteerd van capillaire opstijging waardoor deze gronden in een betere categorie vallen. De lagere delen kennen een groter teeltrisico als gevolg van een beperktere draagkracht. Dit is met name direct aan de westkant van de Bergvennen het geval en in enkele lagere delen in de landbouwenclave en aan de noordkant. De allerlaagste en natste delen vallen in de categorie met gronden met weinig mogelijkheden voor maisteelt. Dit is het geval voor het laagste gedeelten ten westen van de Bergvennen, de laagste delen in de landbouwenclave en de laagste delen in het noorden van het gebied. Nat- en droogteschade huidige situatie Nat- en/of droogteschade wordt berekend ten opzichte van een optimale situatie.

Reeds in de huidige situatie is er sprake van niet optimale omstandigheden. Met name aan de zuidkant komen gronden voor met opbrengstreducties van 20-30% als gevolg van droogte. De overige delen vallen in de categorie 10-20% droogteschade. Significante opbrengstreductie als gevolg van hoge grondwaterstanden treden alleen op in de lagere delen. In de laagste delen in de landbouwenclave, ten zuiden van de Brekkelerveldweg en in het noorden van het gebied komen natschades van 20-30% of soms meer voor. Voor maisland is te zien dat mais minder droogtegevoelig is en meer gevoelig is voor hoge grondwaterstanden (nattere omstandigheden). De meeste droogteschade in mais komt alleen op de hoogste, schrale gronden voor (20-30%). In de laagste delen komen de grootste natschades voor (20-30%).

25

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

3.5

Onderzoek invloed bemesting landbouwpercelen op natuur

Bemesting op landbouwpercelen kan door middel van grondwaterstroming en/of oppervlakkige afstroming een negatieve invloed hebben op de habitattypen. Om deze effecten inzichtelijk te maken is onderzoek uitgevoerd door Aequator Groen & Ruimte. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in paragraaf 3.5.1. Gezamenlijk met een ecoloog, landbouwkundige en hydroloog zijn eerst de landbouwpercelen afgebakend die mogelijk invloed hebben (onderzoeksgebied). Op basis van onderzoek naar stroombanen en isohypsenpatronen (door Tauw) is bepaald welke landbouwpercelen mogelijk via het grondwater invloed hebben op het natuurgebied. Op basis van de hoogtekaart is bepaald bij welke percelen er mogelijk risico is op oppervlakkige afspoeling richting de natuur. Met de bemestingsmaatregelenwijzer (BMW) zijn de effecten van landbouw op natuur, betreffende bemesting per perceel inzichtelijk gemaakt. Hierover is gerapporteerd per eigenaar. De BMW is een tool ontwikkeld in opdracht van de provincie om effecten van bemesting op natuur inzichtelijk te maken. Op basis van risico’s van stikstof en fosfaat zijn met de bemestingsmaatregelenwijzer per (huidig) agrarisch perceel of perceelgedeelte (binnen het invloedsgebied) benodigde maatregelen berekend. Hierbij is uitgegaan van de toekomstige hydrologische situatie (na uitvoering hydrologische maatregelen).

In de weergave van de resultaten is rekening gehouden met beoogde natuurinrichting van de landbouwenclave en Lattropse Veen (zie hoofdstuk 4, maatregelen). Voor een aantal percelen is de uitkomst van de berekening dat er geen bemestingsmaatregelen genomen hoeven worden. De bemestingsmaatregelenwijzer maakt geen onderscheid tussen periode van bemesting en bemestingsniveau en doet geen uitspraak over de hoogte van het bemestingsniveau. Aequator heeft in overleg met het deskundigenteam een nadere uitwerking van de bemestingsmaatregelen gemaakt naar bemestingsniveau. In haar rapportage wordt dan ook nog gerept over vijf klassen. Uit verdere analyse, in aanloop naar deze 7e versie van het plan, is echter gebleken dat de hoogte van de bemesting om twee redenen niet te borgen valt binnen het PIP. Enerzijds is er altijd de kans dat door weers- en gewasinvloeden er toch uitspoeling is. Anderzijds is een hoeveelheidsbeperking niet te handhaven. Om die reden zijn dan ook twee klassen komen te vervallen. Hieronder volgt een toelichting op de legenda van de bemestingsmaatregelenkaart, in volgorde van aanscherping. Elke opvolgende maatregel vult de bovenstaande aan. Dus als er sprake is van beperking van het periode van bemesting, dan is er al sprake van blijvend grasland: I. II. III. IV. V.

Blijvend grasland. Alleen in geval van achteruitgang van de grasmat kan graslandvernieuwing worden toegestaan (doorzaaien of scheuren); Beperken periode bemesting van 15 maart tot 1 augustus; Beperking van niveau van bemesting = VERVALLEN Evenwichtsbemesting na uitmijnen = VERVALLEN Stoppen met bemesting. Het risico op uitspoeling van fosfaat en nitraat is te groot Deze maatregel wordt altijd eerst voorgegaan door actief uitmijnen om tot de gewenste bemestingstoestand te komen. Toekomstig gebruik zal daarom geen landbouw, maar altijd natuur zijn. Beweiding kan in de toekomst alleen als er geen negatieve gevolgen zijn te verwachten.

Bemestingsmaatregelen III en IV die nog voorkwamen in versie 6 van het inrichtingsplan zijn dus komen te vervallen. Voor de leesbaarheid van de onderliggende onderzoeken en kaarten zijn de bemestingmaatregelen niet opnieuw genummerd. De resterende bemestingsmaatregelen zijn meegenomen in het inrichtingsplan. Hierbij zijn de bemestingsmaatregelen soms komen te vervallen, omdat de percelen een natuurbestemming krijgen (en daarmee niet meer bemest worden) of omdat er inrichtingsmaatregelen mogelijk waren waardoor het risico op uitspoelen van nutriënten van landbouwpercelen naar de natuur kan worden weggenomen. In par 4.3.4 worden de resterende bemestingsmaatregelen per perceel beschreven.

3.6 Recreatiepark Bergvennen: Onderzoek bodemopbouw ven en omgeving De invloed van het campingterrein, met name het campingven, was tot dusver nog maar beperkt onderzocht. Bosgroepen Oost-Nederland heeft hiertoe opdracht gekregen om het campingven en het direct aangrenzende terrein dat ooit onderdeel heeft gevormd van het oorspronkelijk Kralensnoer aan vennen nader te onderzoeken. Ook is de door Eurofins, als onderdeel van het onderzoek, de waterkwaliteit gemeten en heeft Metrica hoogtemetingen uitgevoerd. Doel van het onderzoek was met name om na te gaan wat de invloed is van het dieper gelegen campingven op de kwaliteit/het behoud van habitattypen. Hiervoor zijn de volgende 4 vragen aan hen gesteld en in het onderzoek beantwoord: 1. 2. 3.

Is de oorspronkelijke venbodem nog aanwezig? Zo ja, hoe ziet hij eruit en is hij bij het verdiepen aangetast? Levert het ven in de huidige staat een knelpunt op voor de vennen in de omgeving? Zijn er maatregelen nodig en mogelijk om het ven te herstellen, zo ja, welke? 26

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

4.

Welke kansen liggen er verder op het recreatiepark om het functioneren van het kralensnoer van vennen te optimaliseren?

In de bijlage van het inrichtingsplan is het resultaat van dit onderzoek opgenomen. De hieruit voortvloeiden maatregelen zijn in paragraaf 4.3.5. van dit rapport beschreven onder maatregel Am 5.

4.

Maatregelen

4.1

Inleiding

De systeemanalyse en de andere aanvullende onderzoeken, zoals beschreven in respectievelijk hoofdstuk 2 en 3, hebben voldoende inzicht gebracht om tot concrete en effectieve maatregelen te komen. Met behulp van het vernieuwde en verfijnde grondwatermodel zijn de maatregelen doorgerekend op hun effecten. Het scenario van korte termijn maatregelen voor de eerste Beheerplanperiode (scenario 1) bleek ontoereikend voor het stoppen van de negatieve trend van de habitattypen. Het maatregelenpakket van de Unie van Bosgroepen (scenario 2 t/m 4) (maatregelenpakket Bergvennen & Brecklenkampse Veld, Unie van Bosgroepen, 2 juni 2017) had een positiever effect op de natuur, maar onwenselijk negatief effect op de omgeving. In scenario 2 en 3 is onderzocht of en hoeveel maatregelen aan Duitse zijde bijdragen aan de doelstelling. Uiteindelijk bleek er nog een aantal verdiepingsslagen (iteratief proces) nodig om tot een door de projectgroep gedragen maatregelenpakket te komen. Scenario 9 werd uiteindelijk het definitieve maatregelenpakket, dat na toevoeging van mitigerende maatregelen, nog eenmaal doorgerekend is. Uitwerken van de uitbreidingsdoelstellingen en de kansen die zich hiervoor voordoen in de landbouwenclave hebben geleid tot een uitwerking tot het eindscenario 10. Hierin is tevens herinrichting van het Lattropse Veen voor systeemherstel van de zuidelijke Bergvennen meegenomen.

De maatregelen leiden hier tot een functieomvorming naar natuur. In dit hoofdstuk worden alle inrichtingsmaatregelen uit het definitieve maatregelenpakket beschreven (zonder mitigerende maatregelen, deze volgen in paragraaf 5.3). De meekoppelkansen zijn als laatste beschreven in paragraaf 4.3.7. Hierbij zijn zowel de interne maatregelen als de externe maatregelen als een samenhangend totaal maatregelenpakket meegenomen. Aangezien het pakket aan natuurherstelmaatregelen uit het concept Beheerplan als vertrekpunt wordt gehanteerd, worden deze maatregelen als eerste beschouwd. Aangegeven wordt of deze maatregel, met de aanvullende kennis, nog steeds relevant is en vervolgens is aangegeven hoe deze maatregel voor dit gebied uitgewerkt of verfijnd is. Hierna volgen eventuele aanvullende maatregelen die met de huidige kennis van het gebied als noodzakelijk worden geacht voor het behalen van de doelen. Dit hoofdstuk vormt de vertaling en uitwerking van het rapport: Bergvennen & Brecklenkampse Veld, onderbouwing scenariokeuze, 4 februari 2019.

4.2

Definitief maatregelenpakket

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de inrichtingsmaatregelen uit de Gebiedsanalyse en de onderbouwing of en op welke wijze deze zijn meegenomen in het definitieve maatregelenpakket. Natuurherstelmaatregelen uit de gebiedsanalyse

Definitief maatregelenpakket in inrichtingsplan

Onderbouwing

M1a Compenseren van vernatting of verwerven landbouwgronden ten noorden van Brecklenkampse Veld (natschade agv M2b)

Gewijzigd

Door wijziging van maatregel M2b is natschade beperkter dan eerder gedacht. Kavelsloten in het gebied worden verondiept. Verwerven is niet noodzakelijk.

M1b Verondiepen van watergang 33000003 ten westen Brecklenkampse veld

Vervalt

De grondwatermodellering laat zien dat deze watergang geen negatief effect heeft op de Natura 2000-natuurdoelen (mede vanwege het vervallen van de Vetpot in het aanwijzingsbesluit).

M1c verwijderen buisdrainages (afhankelijk van nader onderzoek) en vergoeden vernattingschade, verwerven en/of ophogen gebied ten westen van het Brecklenkampse veld

Vervalt

Door het vervallen van M1b treedt hier geen vernatting op.

M1h Dempen van waterloop 36000101 aan de rand van Natura 2000 gebied

Gewijzigd

Verondiepen tot 20 cm-mv gecombineerd met het dempen van kavelsloten (maatregel M1k) heeft voldoende gunstig effect op de habitattypen en minder effect op de omgeving. Ook loopt de maatregel minder ver door richting westen.

Gewijzigd

Verwijderen van alle detailontwatering tussen Bergvennenweg en nieuwe watergang (M1m). Ophogen landbouwgronden is een maatregel die in de realisatiefase met betreffende grondeigenaar wordt afgestemd en uitgewerkt. Bij ophoging moet goed gekeken worden wat de invloed op grondwaterstromen is. Bij te grote ophoging kan er namelijk grondwaterinvloed ontstaan op de westzijde van de Bergvennen.

M1k Verminderen ontwatering en ophogen landbouwgebied gebied ten westen van de Bergvennen

27

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

Gewijzigd

Waterloop wordt wel uitgevoerd maar deels op andere locatie. De andere ligging bleek een gunstiger effect te hebben op de omgeving.

Gewijzigd

Het verwijderen van detailontwatering is nodig voor hydrologisch herstel van de habitattypen. Natuurontwikkeling in de landbouwenclave is niet noodzakelijk voor hydrologisch herstel. Delen van de enclave worden echter te nat voor de landbouw. Dit, in combinatie met bemestingsbeperkende maatregelen, maakt dat voor de landbouwenclave natuurontwikkeling wordt ingezet om een goede uitgangsituatie te creëren voor uitbreiding van habitattypen.

Gewijzigd

Verlengen van het traject i.c.m. verondiepen in plaats van dempen heeft een gunstiger effect op de habitattypen in combinatie met minder effecten op de omgeving; het gedeelte van M2b binnen de landbouwenclave wordt wel gedempt.

M3a: verwerven, opnieuw inrichten en vernatting landbouwgebied ten zuidoosten van Bergvennen

Ongewijzigd

Detailontwatering wordt gedempt en er wordt een slenk gegraven t.b.v. herstel zuidelijke vennen. Door de aanleg van de slenk voor herstel van de zuidelijke vennen, moet het overgrote deel van het gebied de natuurbestemming krijgen; de voedselrijke bovenlaag moet worden verwijderd of actief worden uitgemijnd om uit-/afspoeling van nutriënten naar de slenk te voorkomen; alleen een smalle zone langs de Dennenweg heeft geen invloed omdat het aan de westzijde van de waterscheiding ligt: hier kan landbouwkundige gebruik, zij het met beperking, worden voortgezet.

M3b: dempen/verduikeren watergang 36000008 ten zuiden van gebied

Gewijzigd

Verondiepen tot 20 en 60 cm-mv in plaats van dempen gaf in het model een voldoende gunstig effect op de habitattypen in combinatie met zo min mogelijk effecten op de omgeving.

M3c: verminderen ontwatering en tegengaan natschade op camping

Ongewijzigd

Watergang ten zuiden van de camping wordt verondiept tot 20 en 60 cm-mv. Over vernatting en mitigerende maatregelen wordt met eigenaar overleg gepleegd.

M3d: vervangende afwatering camping en aangrenzende landbouwperceel

Ongewijzigd.

M3e: verminderen ontwatering en tegengaan natschade op landbouwperceel ten zuiden van de camping

Ongewijzigd, zie ook M3c.

M11a (handhaven) inlaat opgepompt grondwater

Ongewijzigd

M11b Optimaliseren afwatering vennen

Ongewijzigd

M12 Bekalken omgeving vennen

Gewijzigd

M14 Opschonen vennen

Ongewijzigd

M15 Plaggen (of strooisel verwijderen) (evt. in combinatie met bekalking (eenmalig))

Ongewijzigd

M16a Verwijderen opslag struiken en bomen ZO-hoek Bergvennen (1x/5-10jaar)

Ongewijzigd

M17 Begrazing bij H5130 (Jeneverbesstruwelen): uitrasteren jonge kiemplanten

Ongewijzigd

MN2 Herstellen van de afwatering tussen de Bergvennen onderling en afwatering op westelijke sloot 3600000101 of nieuwe waterloop ten westen

Ongewijzigd

M1m Graven nieuwe waterloop m.b.t. M1h

M2a: verwerven en natuurontwikkeling landbouwgebied (ten behoeve van herstel waterhuishouding). Als hier in het model nog ontwatering aanwezig is, dan kan deze verwijderd worden

M2b: dempen van waterleiding 3300204 (ten behoeve van herstel waterhuishouding)

Mn1 Kappen of dunnen van bos ten oosten van het Brecklenkampse veld

Gewijzigd.

Watergang ten zuiden van de camping wordt verondiept tot 20 en 60 cm-mv. Over natschade en mitigerende maatregelen wordt met eigenaar overleg gepleegd.

Het intrekgebied wordt eenmalig behandeld met steenmeel in plaats van kalk. Steenmeel bevat in tegenstelling tot kalk een veelzijdig palet aan mineralen en sporenelementen en brengt daardoor de bodem meer in balans.

In overleg met de terreinbeheerder in Duitsland, waaruit bleek dat omvorming bos bespreekbaar is. Loofbomen verdampen minder water dan naaldbomen. Omvorming is daarmee een wenselijk alternatief voor de boskap, dit in combinatie met het aanpassen van greppels zodat deze richting Nederland gaan afwateren.

Tabel 4.1 natuurherstelmaatregelen uit gebiedsanalyse en verwerking in definitieve maatregelenpakket in het inrichtingsplan; de maatregelen MN2 en Mn1 komen voort uit de verkenningsfase en zijn vastgelegd in de eindrapportage verkenning uit 2015.

28

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

4.2.1

Bijdrage maatregelen aan knelpunten

De Unie van Bosgroepen heeft de maatregelen uit de Gebiedsanalyse beoordeeld (Uitwerking Maatregelenpakket Bergvennen & Brecklenkampse Veld, Unie van Bosgroepen, 2 juni 2017 en Bergvennen & Brecklenkampse Veld, onderbouwing scenariokeuze maatregelen Gebiedsanalyse, 4 februari 2019). De maatregelen worden beschouwd vanuit de knelpunten. Knelpunt verdroging 

 

M1b, M1h, M3a, M3b, M3c, M3e, M2a, M2b: verondiepen/dempen van diverse watergangen. Deze maatregelen zijn belangrijk voor herstel van de hydrologie, omdat hiermee de grondwaterstanden hoger worden, er meer kwel optreedt en de versnelde afvoer van kwel wordt tegengegaan. Na het uitvoeren van de maatregelen moet via het Provinciaal Inpassingsplan worden geborgd dat de sloten niet opnieuw worden verdiept en/of worden aangelegd. Voor M1b (ten westen van het Brecklenkampse Veld) is uit de hydrologische modellering gebleken dat deze watergang geen invloed heeft op het Natura 2000-gebied; M3d en M1m: Aanleg nieuwe ontwateringen om vernatting van landbouwpercelen a.g.v. het verondiepen/dempen van watergangen (zie hierboven) te mitigeren. De ligging van M1m is aangepast, waarbij het effect op het natuurgebied hetzelfde zal zijn als de ligging in het Gebiedsanalyse-scenario, maar het effect op het landbouwgebied gunstiger is; Onderzoek naar effect sloten Duitsland (onderzoeksmaatregel M2y): het doorvoeren van maatregelen aan Duitse zijde in het grondwatermodel heeft aangetoond dat het verondiepen van enkele watergangen een positief effect heeft op hydrologie van de Bergvennen. Het gaat hier met name om het verondiepen van de ca.

130 cm diepe watergangen ten oosten van de Bergvennen; M16a kappen bos in het zuidoostelijk deel van de Bergvennen: deze maatregel heeft een positief effect op de kwelhellingen in het Brecklenkampse Veld, omdat onttrekking en verdamping van water wordt tegengegaan Mn1 Kappen bos ten oosten van Brecklenkampse veld heeft een positief effect op de lokale hydrologische systemen in de zandkoppen doordat er minder vocht onttrokken worden (en verdampt). Kappen is echter voor de Duitse terreinbeheerder niet wenselijk. Daarom is de maatregel aangepast in omvorming van naaldbos naar loofbos. Aangezien loofbomen minder verdampen dan naaldbomen is dit een acceptabel alternatief.

Knelpunt vermesting De hiervoor genoemde maatregelen om verdroging tegen te gaan hebben ook een positief effect op de interne eutrofiering als gevolg van deze verdroging. Daarnaast heeft de bemestingsmaatregelwijzer maatregelen aangewezen op percelen in de uitwerkingsgebieden die landbouwkundig in gebruik blijven. Knelpunt verzuring  

M1b, M1h, M3a, M3b, M3c, M3e, M2a, M2b: verondiepen/dempen van diverse watergangen leidt tot het tegengaan van (versnelde) afvoer van basenrijk kwel en vergroten van de kwelfluxen; M3a, aanleg/herstel van een slenk in het Lattropse Veen zorgt voor aanvoer van basenrijk water naar de verzuurde zuidelijke vennen; hierdoor wordt zowel de verdroging van deze vennen tegengegaan (langer en meer water in voorjaar) als de verzuring, waardoor deze vennen zich kunnen ontwikkelen naar (zeer) zwak gebufferde vennen; de haalbaarheid van deze maatregel is onderzocht met het verfijnde grondwatermodel; Maatregelen M12 en M15 zorgen voor het herstel van de bodembalans in verzuurde bodems door de inbreng van mineralen en sporenelementen (steenmeel toepassing).

Knelpunt te geringe peilfluctuaties M11a en MN2: herstellen doorstroomsysteem. Deze maatregelen zijn belangrijk om water te kunnen aflaten indien de zomerwaterstanden te hoog zijn, ten behoeve van het droogvallen van de oevers voor de waterlobelia. Daarnaast is het van belang, omdat er dan, indien nodig, grondwater door de vennen kan worden geleid (bij onvoldoende waterkwaliteit). Dat betekent dat het huidige, niet meer functionerende systeem wordt vervangen door een nieuw, robuust aflaatsysteem, waarbij het water tussen de vennen kan doorstromen en kan worden afgelaten naar de landbouwenclave (zie par 4.3.3./figuur 4.10). De aflaat van de zuidelijke vennen zal in westelijke richting plaatsvinden, via de (te verondiepen) watergangen ten zuiden van de camping.

29

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

Figuur 4.1 Externe maatregelen (zonder weergave van de bemestingsmaatregelen)

30

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

4.3

Inrichtingsplan

De maatregelen zijn vertaald in voorliggend inrichtingsplan. Hierbij zijn alle maatregelen, zowel interne als externe maatregelen, opgenomen. De maatregelen worden in deze paragraaf toegelicht en zijn tevens weergegeven in kaart (bijlage 1) en overzichtstabel (bijlage 2). Gebieden die eerder aangewezen waren als uitwerkingsgebied (zie paragraaf 2.1), maar waar geen maatregelen of bestemmingsbeperkingen gelden worden uit het NNN gehaald. Op het kaartbeeld is dit zichtbaar met een donkere kleur. De kaarten geven indicatief aan waar de maatregelen getroffen worden. Voorafgaand aan de uitvoering worden in het veld de exacte ligging en locatie bepaald.

4.3.1

Externe maatregelen ten behoeve van instandhoudingsdoelen

De externe maatregelen zijn alle voor instandhouding van de habitattypen benodigde maatregelen buiten de Natura 2000begrenzing, aan leggerwatergangen en binnen de begrenzing op percelen die momenteel geen natuur zijn (de landbouwenclave). In figuur 4.1 zijn de externe maatregelen weergegeven. De interne maatregelen worden beschreven in paragraaf 4.3.3. Externe maatregelen ten behoeve van uitbreidingsdoelen worden beschreven in paragraaf 4.3.2. Bemestingsmaatregelen worden beschreven in paragraaf 4.3.4.

M1a compenseren van vernatting of verwerven van landbouwgronden ten noorden van Brecklenkampse Veld

Figuur 4.2 uitsnede maatregelenkaart, externe maatregelen ten noorden van het Brecklenkampse Veld (zonder weergave van de bemestingsmaatregelen; legenda zie fig. 4.1)

Deze maatregel is vertaald naar maatregel ‘verondiepen watergangen landbouwgronden ten noorden van Brecklenkampse Veld’ en maatregel ‘dempen van de grenssloten tussen het Brecklenkampse Veld en de landbouwpercelen’. Als gevolg van maatregel M2b dempen (gewijzigd in deels verondiepen) leggerwatergang 33000204 vernatten de landbouwgronden direct ten noorden van het Brecklenkampse veld. Uit de doorrekening van maatregelen in het grondwatermodel (iteratieve proces) is gebleken dat, om de hydrologische situatie voor de habitattypen in het Brecklenkampse Veld te verbeteren, het nodig is watergangen in de landbouwgronden direct ten noorden van het Brecklenkampse Veld te verondiepen naar een diepte van 40 cm onder maaiveld. Daarnaast dienen de watergangen direct op de grens met het natuurgebied te worden gedempt. Dit betekent dat ook de landbouwgronden natter worden, maar dat agrarisch gebruik, zij het met beperking, mogelijk blijft. De watergang 33000204 wordt deels verondiept tot 40 cm. Op de overgang naar de huidige bodemdiepte van 80 cm is een hoogteverschil van 40 cm. Op dit punt is een bodembeschermende voorziening nodig, zodat de bodem niet verder/dieper uitslijt. Hier is gekozen voor een kleine stuw. In het Provinciaal Inpassingsplan behouden de percelen waarop deze maatregelen worden uitgevoerd een agrarische bestemming maar met een beperking (Agrarisch 3).

De waterfunctie mag niet worden aangepast.

31

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

M1h dempen waterloop 36000101

Figuur 4.3 uitsnede maatregelenkaart, externe maatregelen ten westen van de Bergvennen (zonder weergave van de bemestingsmaatregelen; legenda zie fig. 4.1)

De maatregel is in dit inrichtingsplan vertaald naar ‘verondiepen watergang 36000101’ De watergang wordt verondiept tot 20 cm onder maaiveld ten behoeven van oppervlakkig afvoer van regenwater. Uit de berekeningen met het grondwatermodel blijkt dat een verondieping tot 20 cm onder maaiveld tot dezelfde verbetering van de hydrologische situatie in de Bergvennen leidt als het volledig dempen van de watergang. Verondiepen heeft minder effect op de omgeving en zorgt ervoor dat regenwater in het gebied niet stagneert, maar oppervlakkig afgevoerd kan blijven worden. Het is tevens wenselijk dat water vanaf de Bergvennenweg afgevoerd kan worden. De drooglegging van de Bergvennenweg is een punt van aandacht. Mogelijk vraagt dit een mitigerende maatregel. Dit wordt in de realisatiefase onderzocht. De benodigde drooglegging is tevens afhankelijk van de functie die de weg in de toekomst heeft. Dit hangt samen met de nieuwe verkaveling en eigendommen van de aanliggende agrarische percelen. Ook dit is momenteel nog niet bekend. De aanpassing van deze watergang vraagt ook om verwijderen of aanpassen van duikers in deze watergang. In de realisatiefase wordt onderzocht of en zo ja hoeveel percelen vanaf de Bergvennenweg ontsloten worden en wordt deze maatregel nader uitgewerkt. De watergang gaat van de waterschapslegger.

Hiervoor in de plaats wordt de nieuwe landbouwontwateringssloot (maatregel M1m) aan de legger toegevoegd. In het Provinciaal Inpassingsplan behouden de percelen waarop deze maatregelen worden uitgevoerd een agrarische bestemming maar met een beperking (Agrarisch 3). De waterfunctie mag niet worden aangepast. M1k Verminderen ontwatering en ophogen percelen in landbouwgebied ten westen van de Bergvennen Deze maatregel is in dit inrichtingsplan opgenomen als maatregel ‘dempen van alle greppels en watergangen tussen de Bergvennenweg (te verondiepen waterloop 36000101) en de nieuwe landbouwontwateringssloot’. Uit de berekening met het grondwatermodel is gebleken dat het dempen van deze greppels en watergangen bijdraagt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de habitattypen in de Bergvennen (de wegzijging vermindert/vertraagt en de GVG en GLG stijgen. Ook de duur van de hoge grondwaterstanden neemt toe).

32

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

In het Provinciaal Inpassingsplan behouden de percelen waarop deze maatregelen worden uitgevoerd een agrarische bestemming maar met een beperking (Agrarisch 3). De waterfunctie mag niet worden aangepast. M1m aanleg vervangende leiding ten behoeve van herstel waterhuishouding Deze maatregel is opgenomen als ‘nieuwe landbouwontwateringssloot in landbouwgebied tussen de Kommiezendijk en de Bergvennenweg’, ter vervanging van de huidige watergang langs de Bergvennenweg (die verondiept wordt naar 20 cm onder maaiveld). De nieuwe watergang heeft in het landbouwgebied een diepte van maximaal 80 cm onder maaiveld. Dit is de maximale diepte die de watergang mag hebben om geen negatief effect te hebben op de habitattypen binnen de Bergvennen. De nieuwe waterloop watert af richting het noorden. Vanaf de kruising met de Kommiezendijk volgt de watergang een andere loop dan in de maatregelenkaart uit de Gebiedsanalyse. De watergang volgt niet de Bergvennenweg, maar sluit aan op de leggerwatergang op landbouwpercelen tussen de Bergvennenweg en de Brekkelerveldweg iets verder naar het noorden. Hiervoor moet een duiker worden aangelegd onder de kruising Bergvennenweg/Kommiezendijk en moet de perceelssloot ten westen van de Kommiezendijk verbreed en verdiept worden. Het is hierbij wenselijk de beplanting langs de Kommiezendijk te behouden (verbreding op het agrarische perceel).

Hierover vindt afstemming plaats met betreffende grondeigenaar. De watergang wordt vormgegeven als leggerwatergang en komt in beheer en onderhoud bij waterschap Vechtstromen. De watergang is getoetst aan het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en wordt opgenomen op de legger van het Waterschap. De ondergrond van de nieuwe watergang blijft in eigendom van de aanliggende eigenaar. De bodembreedte betreft minimaal 0,75 m, de taluds zijn 1:1,5. Het beheer door het waterschap vindt plaats vanaf aangrenzende landbouwpercelen (via recht van overgang). Om de bereikbaarheid voor onderhoud te garanderen moeten rasters binnen deze 3 meter zone eenvoudig te verwijderen zijn. Het ruimtebeslag is afhankelijk van de bodemdiepte en aangrenzende maaiveldhoogte. Er wordt een ruimtereservering van 3,5 meter aangehouden voor de aanleg van deze watergang. Het waterschap heeft een memo opgesteld waarin een aantal varianten zijn uitgewerkt (20191009_MemoRuimtebeslagWatergangBergvennen). Zo kan door verlaging van het aangrenzende maaiveld het ruimtebeslag kleiner worden. De ligging van de nieuwe landbouwontwateringssloot ten westen van de Bergvennenweg dient aan te sluiten op de (nieuwe) kavelgrenzen in het gebied en zal in de realisatiefase in overleg met perceeleigenaren/omwonenden en waterschap exact bepaald worden. Hierbij wordt ook het definitieve profiel bepaald.

In het Provinciaal Inpassingsplan behouden de percelen waarop deze maatregelen worden uitgevoerd een agrarische bestemming maar met een beperking (Agrarisch 3). De waterfunctie mag niet worden aangepast.

33

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

M2a Verwerven en natuurinrichting landbouwgebied binnen begrenzing (ten behoeve van herstel waterhuishouding)

Figuur 4.4 uitsnede maatregelenkaart, externe maatregelen landbouwenclave, Brecklenkampse Veld en Duitsland (zonder weergave van de bemestingsmaatregelen; legenda zie fig. 4.1)

Herstel van de waterhuishouding is een belangrijk doel en resulteert in het dempen van alle watergangen binnen dit landbouwgebied en het verwijderen van buisdrainage. Deze maatregel is in het inrichtingsplan vertaald als maatregel: ‘dempen van alle greppels/watergangen in de landbouwenclave’. Ten behoeve van enige drooglegging en afvoer van water vanaf de weg tussen de landbouwenclave en het Brecklenkampse Veld (een belangrijke route voor landbouwverkeer van en naar Duitsland) worden de greppels langs de weg verondiept i.p.v. gedempt. Voor de hydrologische maatregelen hoeven de gronden in principe niet verworven te worden. Deze maatregel heeft wel effect op het landbouwgebied: het wordt natter met name in het oostelijk deel. In combinatie met bemestingsbeperkende maatregelen, die noodzakelijk zijn om uitspoeling van nutriënten naar de natuur in de toekomst te voorkomen, is voortzetting van het huidige agrarisch gebruik op enkele percelen (met name aan de zuidoostzijde) niet mogelijk en op andere percelen worden de gebruiksmogelijkheden ernstig beperkt. Voor de habitattypen in de Bergvennen en Brecklenkampse Veld zijn er naast instandhouding ook uitbreidingsdoelen. Het landbouwgebied biedt goede kansen om enkele van deze uitbreidingsdoelen te realiseren. Bovengenoemde combinatie van factoren heeft ertoe geleid dat er gekozen is de landbouwenclave om te vormen naar natuur.

De inrichtingsmaatregelen hiervoor worden beschreven in paragraaf 4.3.2. M2b Dempen van watergang 3300204 (ten behoeve van herstel waterhuishouding) Deze maatregel is in dit inrichtingsplan vertaald als ‘verondiepen’. Alleen op de grens met de landbouwenclave wordt deze watergang gedempt. Binnen het Brecklenkampse Veld wordt deze watergang verondiept naar 20 cm onder maaiveld. Buiten het Brecklenkampse Veld richting het noorden wordt deze watergang verondiept naar 40 cm onder maaiveld. De maatregel heeft tot doel de huidige drainerende werking van de watergang tegen te gaan. Verlengen van de maatregel ten opzichte van de Gebiedsanalyse (in het landbouwgebied direct ten noorden van het Brecklenkampse veld) in combinatie met verondiepen in plaats van dempen levert een gunstiger effect op dan de maatregel uit de Gebiedsanalyse. Verondiepen, in plaats van dempen, zorgt ervoor dat er een ondiepe geul blijft die een teveel aan oppervlaktewater kan afvoeren en zo stagnatie van water voorkomt. Het is vergelijkbaar met een natuurlijke overloopdrempel. Doorstroming is van groot belang voor een duurzame instandhouding van de habitattypen. Verondieping tot 20 cm onder maaiveld is voldoende om de drainerende werking te laten verdwijnen. M2y Onderzoek naar effecten en mogelijke maatregelen Duitse waterlopen. Het grondwater stroomt vanuit het zuidoosten in noordwestelijke richting.

Berekeningen met het grondwatermodel en de isohypsenpatronen laten zien dat de diepe landbouwontwateringssloten aan Duitse zijde ‘trekken’ aan deze grondwaterstroming en water afvoeren wat anders ten goede was gekomen aan de habitattypen in de Bergvennen en Brecklenkampse Veld. De watergangen hebben daarmee een verdrogend en dus negatief effect op de natuur. De reikwijdte van

34

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

het effect van de watergangen aan Duitse zijde is onderzocht middels de verschillende scenario’s in het iteratieve proces (zie par. 5.1.2). De maatregel is opgenomen als ‘verondiepen’. De twee noord-zuid gerichte sloten het dichtst bij de grens worden verondiept naar 20 cm onder maaiveld, zodat oppervlakkige afvoer van regenwater mogelijk blijft. De sloot op de grens met het bosgebied in het noorden kan een maximale diepte van 40 cm houden. Iets zuidelijker ligt ten oosten van een bosje een watergang die in het zuiden loopt tot aan het grenspad. Ook deze watergang dient verondiept te worden naar 20 cm onder maaiveld. Maatregelen in Duitsland kunnen alleen met instemming van de eigenaar worden uitgevoerd.

M3a Opnieuw inrichten en vernatting landbouwgebied ten zuidoosten van de Bergvennen

Figuur 4.5 uitsnede maatregelenkaart, externe maatregelen ten zuiden en zuidoosten van de Bergvennen (zonder weergave van de bemestingsmaatregelen; legenda zie fig. 4.1)

Dit gebied ten zuidoosten van de Bergvennen wordt het Lattropse Veen genoemd. Deze maatregel is in het inrichtingsplan vertaald als maatregel ‘dempen van alle greppels en watergangen binnen landbouwgebied’. Inrichten is geen doel op zich. Het dempen van alle watergangen en verwijderen van alle buisdrainage is noodzakelijk voor herstel van de hydrologische situatie in de Bergvennen en hiermee behoud van de hier aanwezige habitattypen. Het gemaal aan de Frensdorferweg heeft hierdoor geen functie meer en wordt verwijderd. Het effect van deze maatregel is dat de grondwaterstanden in deze huidige landbouwpercelen zullen toenemen. Ook gelden er bemestingsbeperkende maatregelen op de gronden, om uitspoeling van nutriënten richting de natuur te voorkomen (zie par. 3.5.1 en 4.3.4). De mogelijkheden voor landbouw zijn daardoor in de toekomst beperkt tot de smalle zone tussen de waterscheiding en de Dennenweg. De aanleg van een slenk in het Lattropse Veen is een andere maatregel in dit gebied, bedoeld om de zuidelijke vennen binnen het Natura 2000-gebied te herstellen. Deze maatregel wordt nader omschreven bij M3x (Onderzoek naar hydrologische effecten en potenties voor natuurontwikkeling in gebied ten zuidoosten van de Bergvennen). M3b Dempen, verduikeren ontwateringssloot ten zuiden van de Bergvennen Deze maatregel is opgenomen als ‘verondiepen’.

Watergang 36000008 langs de Frensdorferweg wordt niet gedempt maar verondiept, zodat oppervlakkige afvoer van regenwater mogelijk blijft en stagnatie wordt voorkomen. In het iteratieve proces zijn verschillende scenario’s doorgerekend. Hieruit is gekomen dat verondieping tot 20 cm beperkt kan blijven tot het deel direct grenzend aan het natuurgebied. Tussen de grens van het Natura 2000-gebied en de Bergvennenweg volstaat een

35

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

verondieping tot 60 cm onder maaiveld. Hierdoor heeft de maatregel minder negatief extern effect dan de maatregel uit de Gebiedsanalyse, terwijl het effect op de natuur gelijk is. De greppel aan de noordzijde van de Frensdorferweg, op de grens met het natuurgebied, wordt ook verondiept tot 20 cm onder maaiveld. De overgang van 20 cm naar 60 cm vindt niet abrupt plaats, maar geleidelijk van de hoek van het Natura 2000-gebied tot de Dennenweg. Of de duiker onder de Dennenweg kan blijven liggen of moet worden aangepast wordt bij de voorbereiding van de realisatie beoordeeld. M3c Verminderen ontwatering en tegengaan vernatting op camping Deze maatregel is in dit inrichtingsplan vertaald als ‘verondiepen watergangen’. De watergang ten zuiden van camping de Bergvennen wordt verondiept tot 20 cm onder mv in het oostelijk in middelste deel en 60 cm in het westelijke deel. De maatregel heeft tot doel de negatieve effecten (verminderde opbolling van water in de zandrug van de camping en verdroging natuur) van deze watergang teniet te doen. Oppervlakkige afvoer blijft mogelijk waardoor stagnatie wordt voorkomen. De overgang van 20 naar 60 cm diepte betekent een bodemval van 40 cm. Op dit punt is een bodembeschermende voorziening nodig, zodat de bodem niet verder/dieper uitslijt.

M3d Vervangende afwatering camping en aangrenzend landbouwperceel Deze maatregel hangt samen met de maatregel M1h, aangezien de afwatering nu via leggerwatergang 36000101 (naar het noorden) gaat, maar deze watergang wordt gedempt. De maatregel is in het inrichtingsplan opgenomen als de aanleg van een nieuwe open watergang, met een diepte van maximaal 60 cm onder mv. Deze wordt niet gekoppeld aan de nieuwe landbouwontwateringssloot (die leggerwatergang 36000101 vervangt), maar wordt verbonden naar het zuiden, zodat afgewaterd kan worden via leggerwatergang 36000008. Deze nieuwe watergang ligt aan de westzijde van de Bergvennenweg en sluit aan op de sloten langs de Frensdorferweg. M3x Onderzoek naar hydrologische effecten en potenties voor natuurontwikkeling in gebied ten zuidoosten van de Bergvennen. Deze maatregel is in dit inrichtingsplan opgenomen als maatregel ‘aanleg slenk’ en wordt hieronder nader toegelicht. Herstel zuidelijke vennen De zuidelijke vennen van de Bergvennen zijn verzuurd. Er geldt hier een instandhoudingsplicht voor de habitattypen zeer zwak tot zwakgebufferde vennen (de habitattypen komen in mozaïek voor zie habitattypekaart figuur 2.5). Om de vennen te herstellen en in stand te houden is buffering met licht basenhoudend water, maar kooldioxide (CO2) arm water nodig.

De vennen moeten kunnen doorspoelen met water van de gewenste kwaliteit om de verzuring te doen afnemen en uiteindelijk het habitat duurzaam in stand te kunnen houden. Er zijn hiervoor twee mogelijke oplossingen onderzocht. Het eerste is het plaatsen van een pomp die grondwater oppompt bij het zuidelijkste ven, in combinatie met het herstel van een doorstroomsysteem tussen de vennen en een afvoer van het meest noordelijke ven van de zuidelijke vennen. Het alternatief is het graven van een slenk in het Lattropse Veen, waardoor gebufferd grondwater in de slenk aan het oppervlak komt en vervolgens kan worden doorgevoerd naar de zuidelijke vennen. Beide alternatieven zijn uitvoerbaar maar hebben zowel voor- als nadelen. Een pomp is redelijk eenvoudig te realiseren. Nadeel is echter dat dit een minder duurzame oplossing is aangezien het een technische voorziening betreft die het nodige onderhoud vraagt. Een ander, groter nadeel is dat de samenstelling van het opgepompte grondwater te sterk gebufferd is en daarom ongeschikt is om direct in de vennen toe te laten. Ervaring met oppompen van grondwater in het verleden laat zien dat hierbij veel rietgroei ontstaat wat ongewenst is omdat het kwetsbare habitatsoorten verdringt en bovendien het beheer bemoeilijkt.

Het graven van een slenk is een meer wenselijke oplossing om de zuidelijke vennen te herstellen en duurzaam in stand te kunnen houden, omdat dit aansluit bij hoe het vennensysteem vroeger functioneerde. Het opvangen van het water in de slenk biedt de kans om CO2 aan de lucht te laten ontsnappen en de kwaliteit van het water eerst te meten alvorens het in de vennen word ingelaten. Nadelen zijn dat er grote ingrepen nodig zijn in het Lattropse Veen die hoge kosten met zich meebrengen. Bovendien zal de huidige landbouwfunctie op een groot deel van de gronden plaats moeten maken voor de slenk en natuurranden. Vanuit bovengenoemde afweging tussen voor- en nadelen is gekozen voor het uitwerken van de slenkvariant, waarbij nader onderzocht is hoe kansrijk deze oplossing is voor herstel van de zuidelijke vennen. Tot de jaren 50 van de vorige eeuw lag er in het Lattropse Veen een kralensnoer van zwakgebufferde vennen. Hoewel de vennen als gevolg van verdere landbouwkundige inrichting van het gebied zijn verdwenen en het niet duidelijk is of deze venbodems in de diepere ondergrond (onder de 1,50 m min mv) nog aanwezig zijn, is het onderliggende systeem van grondwaterstromen nog aanwezig. Dit is aangetoond met het grondwatermodel, waarvan door alle gebiedspartijen bepaald is dat het een goede simulatie geeft van het hydrologische

36

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

systeem. Bovendien geeft het huidige landbouwkundige afwateringssysteem van diepe sloten en het gemaal aan de Frensdorferweg aan, dat hier (in de winter) een significante aanvoer van grondwater is. Er is berekend of de benodigde hoeveelheid water (ca. 200m3) in het voorjaar beschikbaar is. Gemiddeld (bezien over de laatste 25 jaar) is dit eind maart het geval. In jaren dat dit niet het geval is, kan het stuwpeil van de slenk (gesteld op 21,8 + NAP) tijdelijk verlaagd worden om toch water naar de zuidelijke vennen te kunnen laten stromen. Dit heeft geen negatieve effecten op de omgeving omdat de hoeveelheid water in de slenk ten opzichte van de totale waterbalans in het gebied maar zeer beperkt is. De slenk wordt grotendeels gevoed door grondwater, maar er zal ook water toestromen vanaf de flanken (zowel oppervlakkig als via ondiepe grondwaterstromen). Aangezien de percelen landbouwkundig in gebruik zijn (geweest) is het noodzakelijk om bemesting binnen het beïnvloedingsgebied te stoppen. De voedselrijke bouwvoor wordt enkele jaren actief uitgemijnd. Inrichting Het dempen van de sloten in het Lattropse Veen leidt tot een vernatting ten gunste van de natte en vochtige habitattypen in de Bergvennen. Daarnaast wordt een slenk uitgegraven om gebufferd oppervlaktewater door de zuidelijke vennen te laten stromen en deze daarmee te herstellen.

Het water uit de slenk mag pas doorgevoerd worden als uit metingen blijkt dat het water zeer zwak gebufferd, en dus geschikt, is. Om de slenk als bron van gebufferd water te laten functioneren voor de zuidelijke vennen is de volgende inrichting bepaald: 1. 2. 3. 4. 5.

Uitgraven van een slenk met een diepte tot 1,50 m en de aanleg van een beweegbare stuw met een stuwpeil van 21,8 m +NAP aan de Frensdorferweg; Het graven van een ondiepe greppel vanaf het stuwtje tot aan het eerste zuidelijke ven met een voorde of duiker in de Frensdorferweg. Het water kan vervolgens doorstromen naar het tweede zuidelijke ven. Er wordt een afvoer gerealiseerd (ondiepe greppel) naar de greppel ten zuiden van de camping; Het actief uitmijnen van de voedselrijke bovenlaag (fosfaatfront) tot 150 meter buiten de slenk; Schoon zand uit de slenk wordt tevens gebruikt om de oorspronkelijke dekzandrug aan de noordzijde, tegen de grens met Duitsland, te herstellen; Tot aan de waterscheiding in het westen moet bemesting stoppen; om afspoeling van voedingsstoffen vanaf het Duitse landbouwperceel en vanaf het zuidelijke perceel in de punt van het Lattropse Veen te voorkomen, is behoud van de hier aanwezige grondwallen (houtwallen) van belang.

Figuur 4.6 Inrichting Lattropse Veen met ontgravingsdieptes (zonder weergave van de bemestingsmaatregelen; legenda zie fig. 4.1)

De maatregelen die hier nodig zijn, worden genomen voor behoud en herstel van het habitattype zeer zwak gebufferde vennen in de Bergvennen. Het Lattropse Veen krijgt als gevolg van deze maatregelen echter wel grotendeels een natuurbestemming, met uitzondering van een smalle zone langs de Dennenweg (westelijk van de waterscheiding) dat de landbouwbestemming houdt. Bij oplevering van het project is het natuurbeheertype kruiden- en faunarijk grasland uitgangspunt. Zo is op basis van het huidige GLB-beleid bedrijfseconomische inpassing in de agrarische bedrijfsvoering mogelijk. Omdat na uitmijnen geen bemesting is toegestaan, is doorontwikkeling op termijn naar schralere natuurbeheertypes mogelijk. Een en ander hangt af van de visie die eigenaar en gebruikers hierop ontwikkelen in samenhang met toekomstig beleid voor landbouwinclusieve natuur.

37

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

De natste delen bij de slenk worden beheerd als zwakgebufferde natuurbeheertypen. Het betreft hier geen habitattypen maar beheerpakketten. Ten westen van de waterscheiding (de smalle strook langs de Dennenweg) is regulier landbouwkundig gebruik mogelijk, mits hier maatregelen getroffen worden die er voor zorgen dat er geen afspoeling over maaiveld richting de slenk is. Het meest zuidelijke perceel kent geen beperking omdat de afstand tot de slenk groot is en de hier aanwezige houtwal voorkomt dat er oppervlakkige afstroming van fosfaat verrijkt water richting de slenk kan plaatsvinden.

Figuur 4.7 Natuurpotenties Lattropse Veen (en slenk) (binnen stippellijn; buiten stippellijn is de topografische ondergrond (kadaster) weergegeven) (bron: Unie van Bosgroepen)

4.3.2

Externe maatregelen ten behoeve van uitbreidingsdoelen

Voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitattypen in de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld zijn maatregelen nodig in de landbouwenclave: het dempen of verondiepen van de watergangen en het stoppen of beperken van bemesting. Natuurontwikkeling is binnen de landbouwenclave geen doel op zich. Door de hydrologische maatregelen gaan de gemiddelde hoogste grondwaterstanden (GHG) in de landbouwenclave fors omhoog en komen deels boven maaiveld en voor een groter deel in de bouwvoor uit. Hierdoor worden draagkracht en gebruiksperiode sterk beperkt en neemt verruiging toe. In combinatie met bemestingsmaatregelen (beperking in bemesting) ontstaan er hierdoor grote landbouwkundige beperkingen. Binnen de Natura 2000-begrenzing is de landbouwenclave een geschikte locatie voor uitbreidingsdoelstellingen. Onderzoekscentrum B-Ware heeft op basis van de bodemchemie, nutriëntenvoorraad en toekomstige grondwaterstanden de potenties voor de natuurtypen in beeld gebracht. De uitkomst is dat hier diverse natuurtypen, die kwalificeren voor

38

Inrichtingsplan Bergvennen & Brecklenkampse Veld

habitattypen waarvoor uitbreidingsdoelen zijn opgenomen, te realiseren zijn: namelijk Heischrale graslanden (H6230), Blauwgrasland (H6410) en Zwak gebufferde vennen (H3130) (zie tabel 4.1). Figuur 4.8 Natuurpotenties landbouwenclave (binnen stippellijn; buiten stippellijn is de topografische ondergrond (kadaster) weergegeven) (bron: Unie van Bosgroepen) Natuurtype (B-WARE) droog heischraalgrasland, droog/vochtig heischraalgrasland en vochtig heischraalgrasland met kleine zeggen Blauwgrasland, kleine zeggenvegetatie met blauwgrasland

Habitattype Heischrale graslanden (H6230)

Zwakgebufferd ven met soorten oeverkruidklasse

Zwak gebufferde vennen (H3130

Blauwgrasland (H6410)

Tabel 4.2 Natuurtypen en habitattypen

Het fors beperken van landbouwkundige mogelijkheden in combinatie met de grote potentie voor het realiseren van uitbreidingsdoelen hebben geleid tot de keuze om de landbouwenclave om te vormen naar natuur. De mogelijkheid om hiermee de verbinding tussen de Bergvennen en het Brecklenkampse Veld en hiermee het natuurgebied als totaal robuuster te maken en een betere uitwisseling van soorten tussen beide deelgebieden mogelijk te maken hebben hierin meegespeeld. De hydrologische maatregelen in de landbouwenclave hebben een dusdanig effect op een groot aantal percelen binnen de enclave dat aanvullend niets doen ook geen wenselijke optie is. Vernatting in combinatie met de nutriëntrijke bovengrond zal leiden tot een explosieve groei van ruigte met massale vestiging van soorten als pitrus. Wanneer het gebied eenmaal vernat is, is uitvoering van aanvullende maatregelen in de toekomst vrijwel onmogelijk. Er is daarom voor dit gebied gekozen om instandhoudingsdoelen en uitbreidingsdoelen gelijktijdig te realiseren. Hiermee wordt ook aangesloten op de, al in de verkenning vastgestelde, wens van de gebiedspartijen om alle benodigde maatregelen nu uit te voeren en niet in de toekomst met aanvullende maatregelen uit de komende Beheerplanperioden naar het gebied terug te moeten komen. Het westelijk deel van de enclave ligt hoger ten opzichte van het ven en krijgt de natuurbestemming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/504/documents/16883