CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies ODT.pdf

Gemeenteraad 15 juli 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 11: Voorstel inzake aanvragen (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen realiseren vleesvarkensstal Voortsweg 4-4a Saasveld35.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

bij uitbreiding kan worden volstaan met toepassing van BBT zolang de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg ammoniak per jaar;

bedraagt de ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg ammoniak per jaar, dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd (strenger dan BBT); de hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie en de beschikbaarheid van verdergaande technieken in de betreffende diercategorie;

bedraagt de ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 10.000 kg ammoniak per jaar, dan dient voor het deel boven de 10.000 kg een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd (veel strenger dan BBT).

Hierbij geldt dat indien in de vergunde situatie de ammoniakemissie bij toepassing van BBT al meer dan 5.000 kg ammoniak per jaar bedraagt, de strengere emissie-eisen pas vanaf die hogere ammoniakemissie worden toegepast. Op grond van de Beleidslijn IPPC dient een veehouderij die valt onder de werkingssfeer van RIE en het aantal dieren binnen een diercategorie uitbreidt een extra reductie ten opzichte van BBT te realiseren wanneer de ammoniakemissie bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg per jaar bedraagt. De aanvraag heeft betrekking op een uitbreiding van het aantal te houden dieren. Als gevolg van deze uitbreiding neemt, ondanks de toepassing van verdergaande ammoniakemissie reducerende technieken, de ammoniakemissie van de inrichting toe Z2023-ODT-012123

Pagina 13 van 40

(vergund 6.904,0 kg/jaar, aangevraagd 7.263,0 kg/jaar). Het emissieniveau van de inrichting in relatie tot de in de omgeving van de inrichting liggende kwetsbare natuurgebieden is aanleiding voor het stellen van strengere emissiegrenswaarde dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit huisvesting (= het niveau van BBTtechnieken). In alle varkensstallen worden emissiereducerende technieken toegepast die verder gaan dan de eis van minimaal het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT). Deze technieken kunnen op basis van de 'beleidslijn IPPComgevingstoetsing ammoniak en veehouderij' d.d. 25 juni 2007 (een uitgave van het Ministerie van VROM) worden aangemerkt als strenger dan BBT (>BBT) of veel strenger dan BBT (>>BBT). De toepassing van deze technieken voldoet aan de kaders die in deze beleidslijn zijn vastgesteld. Voor welke huisvestingssystemen in de onderhavige situatie een strengere emissiegrenswaarde wordt vastgesteld, volgt uit de uitwerking van de stappen 5 en 6 in onderstaande rekenkundige benadering. Rekenkundige benadering 'beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij' In de volgende acht stappen is de rekenkundige benadering uitgewerkt: 1. Bepaal vergund BBT, op basis van het niveau van de maximale emissiewaarde van het Besluit huisvesting, (5.115 vleesvarkens * 1,6); 8.184,0 kg NH3/jaar 2.

Bepaal aangevraagd BBT, op basis van het niveau van de maximale emissiewaarde van het Besluit huisvesting, zie tabel 4; 10.904,0 kg NH3/jaar 3. Bepaal het verschil hiertussen in kg; 2.720,0 kg NH3/jaar 4. Verdeel het verschil over de drie categorieën (categorieën op basis van het totale emissieniveau in de aangevraagde situatie berekend volgens stap 2: 0-5.000 kg / 5.000-10.000 kg / > 10.000 kg); Verschil van 1.816,0 kg valt in categorie 5.000-10.000 kg Verschil van 904,0 kg valt in categorie > 10.000 kg 5. Bepaal het aantal dieren per categorie door kg te delen door factor BBT, op basis van het niveau van de maximale emissiewaarde van het Besluit huisvesting; 1.816,0 : 1,1 (BBT vleesvarkens nieuwe stal) = 1.650,9 vleesvarkens 904,0 : 1,1 (BBT vleesvarkens nieuwe stal) = 821,8 vleesvarkens 6. Vermenigvuldig aantal dieren per categorie met de bijbehorende emissiewaarde BBT / strengere emissiewaarde (>BBT) / veel strengere emissiewaarde (>>BBT); Strengere emissiewaarde (>BBT) 1.650,9 * 0,45 = 742,9 kg NH3 per jaar Strengere emissiewaarde (>>BBT) 821,8 * 0,3 = 246,5 kg NH 3 per jaar 7. Tel kg 1. en 6. bij elkaar op; 8,184,0 + 989,4 = 9.173,4 kg NH3 per jaar 8. Aangevraagd ammoniakemissie, zie tabel 2, mag niet meer bedragen dan uitkomst onder 7. Aangevraagde ammoniakemissie bedraagt 2.673,05 kg NH3/jaar, dit is lager dan het ammoniakplafond op basis van de beleidslijn IPPC.

Z2023-ODT-012123

Pagina 14 van 40

Conclusies: De technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting of de plaatselijke milieuomstandigheden geven aanleiding voor het stellen van een strengere emissiegrenswaarde voor deze IPPC-installatie.. Omdat bij toepassing van de Beleidslijn IPPC het uitgangspunt is dat een vervolgvergunning altijd moet voortbouwen op de voorgaande vergunning, betekent dit dat naast het voldoen aan de eis van BBT, - 1.651 vleesvarkens conform BBT+ moeten worden gehuisvest. Voor deze dieren geldt de maximale emissiewaarde van 0,53 kg NH 3 per jaar. - 822 vleesvarkens conform BBT++ moeten worden gehuisvest. Voor deze dieren geldt de maximale emissiewaarde van 0,30 kg NH 3 per jaar. De aanvraag is in overeenstemming met de 'Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing .

Besluit emissiearme huisvesting Toetsingskader Voor zover het de toepassing van de Beste Beschikbare Technieken in de dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan het Besluit emissiearme huisvesting (Beh) en de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Toetsing In het Beh zijn voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen, maximale emissiewaarden opgenomen. Dit besluit is op 1 augustus 2015 in werking getreden ter vervanging van het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting). In het Besluit huisvesting waren uitsluitend maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen. Het Beh regelt in bepaalde gevallen ook de emissie van zwevende deeltjes (fijn stof). Het Beh geldt voor meer diercategorieën dan het Besluit huisvesting. De eisen in het Beh zijn tot stand gekomen door rekening te houden met gegevens die het bevoegd gezag op grond van artikel 5.4 van het Besluit omgevingsrecht bij het vaststellen van BBT moet betrekken. Het Beh beperkt zich tot inrichtingen met huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren die behoren tot een diercategorie die is vermeld in bijlage 1 of bijlage 2 van het besluit, en die worden gehouden voor de productie van vlees, melk of eieren. Wat betreft de emissie van ammoniak zijn de maximale emissiewaarden opgenomen in bijlage 1 bij het Beh.

Deze emissiewaarden dienen in acht te worden genomen bij bestaande dierenverblijven en bij nieuwbouw en aanpassing van huisvestingssystemen. In de Wav is bepaald dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften van het Beh moet voldoen. Het merendeel van de maximale emissiewaarden voor ammoniak, zoals deze waren opgenomen in het Besluit huisvesting, is aangescherpt, omdat er in de loop der jaren nieuwe technieken zijn ontwikkeld waardoor de emissie vanwege het huisvesten van vee kan worden verminderd. Het gaat om technieken die algemeen beschikbaar en toepasbaar zijn. De verscherpte normen gelden voor alle stallen die na 1 juli 2015 zijn of worden gebouwd. De nieuwe normen gelden echter niet voor stallen waarvoor reeds op 1 juli 2015 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen onherroepelijk is, mits de Z2023-ODT-012123

Pagina 15 van 40

stal vervolgens uiterlijk op 1 oktober 2016 is opgericht. Ook gelden zij niet voor stallen waar op 1 juli 2015 nog geen sprake was van een onherroepelijke vergunning, maar waarvoor wel vóór die datum een aanvraag was ingediend. Dergelijke stallen moeten evenwel binnen vijftien maanden ná het onherroepelijk worden van de bouwvergunning worden opgericht, anders gelden de nieuwe, strengere normen. Het Beh geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Dit is bevestigd in de 'Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij' (een uitgave van het Ministerie van IenM). Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Beh gestelde eisen is dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek. Wanneer in bijlage 1 van het besluit geen maximale emissiewaarde is opgenomen moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de beste beschikbare techniek. Aangezien in deze inrichting landbouwhuisdieren worden gehuisvest in huisvestingssystemen die behoren tot een diercategorie die is vermeld in bijlage 1 of bijlage 2 van het Beh, is dit besluit op deze inrichting van toepassing. In bijlage 3 behorende bij deze overwegingen naast de emissiefactor van het aangevraagde huisvestingssysteem gezet.

Met betrekking tot alle varkensstallen overschrijdt de emissiefactor van het aangevraagde huisvestingssysteem de maximale emissiewaarde niet. De uitvoering van alle stallen voldoet aan de eis van het toepassen van de BBT. Voor het terugdringen van de ammoniakemissie uit de nieuwe varkensstallen kiest de aanvrager voor het toepassen van 2 luchtwassers. Deze luchtwassystemen zijn niet beschreven als beste beschikbare techniek in het Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Pigs and Poultry (BREF-document voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij). De redenen daarvoor zijn de stijging van het energieverbruik en het produceren van afvalwater. Door toepassing van deze luchtwassystemen wordt een vergaande reductie van de ammoniakemissie, geuremissie en fijn stofemissie bereikt. Voor ammoniak gaat deze reductie, verder dan de maximale emissiewaarde die voor de betreffende diercategorie in het Beh is opgenomen. De negatieve milieueffecten wegen niet op tegen deze positieve effecten. De aangevraagde luchtwassystemen zijn algemeen gebruikte en geaccepteerde systemen in de intensieve veehouderij. Ondanks de negatieve milieueffecten, zoals het energie- en waterverbruik, gaat het om systemen die kunnen worden aangemerkt als de best beschikbare techniek. Conclusie Alle dierenverblijven voldoen aan de eisen van het Beh.

Er is geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.

5. Geurhinder Toetsingskader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet schrijft voor op welke wijze geurhinder vanwege dierenverblijven moet worden beoordeeld bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van veehouderijen. De Wgv biedt de mogelijkheid om gebiedsgericht beleid vast te stellen.

Z2023-ODT-012123

Pagina 16 van 40

In de gemeente Dinkelland is een geurverordening vastgesteld. Deze is geurverordening is niet van toepassing op onderhavige aanvraag. Toetsing geurhinder De geurhinder, die afkomstig is vanuit de dierverblijven binnen de inrichting, is getoetst aan de normen voor de geurbelasting en de afstandseisen uit de Wgv. Wanneer in de gevraagde situatie aan de normen voor de geurbelasting en/of afstandseisen wordt voldaan, dan vormt geurhinder uit dierenverblijven geen weigeringsgrond voor de aanvraag. Binnen de inrichting worden alleen dieren van diercategorieën gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. De inrichting en de nabijgelegen geurgevoelige objecten zijn gelegen buiten de bebouwde kom. De inrichting is gelegen in een concentratiegebied zoals bedoeld in de meststoffenwet. Beoordeling dieren met geuremissiefactoren Bij diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de geurregeling, moet met behulp van het verspreidingsmodel 'V-stacks vergunning' de geurbelasting op het geurgevoelige object worden bepaald. De maximale geurbelasting (norm) op een geurgevoelig object is vastgelegd in artikel 3 lid 1 van de Wgv. Een vergunning voor een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied:  

binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht; buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht.

Een berekening van de geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-stacks vergunning' is bij de aanvraag gevoegd (Bijlage 4 Geur beoogde opzet_20230­720.pdf). Er is een omgevingsvergunning verleend voor het verplaatsen van de woning Voortsweg 6. Dit betreft ten opzichte van het vleesvarkensbedrijf een afwaartse verplaatsing. Zowel de bestaande woning Voortsweg 6 is meegenomen in de geurberekening als de locatie van de nieuw te realiseren woning Voortsweg 6. De geurbelasting afkomstig van de inrichting op nabij gelegen geurgevoelige objecten, met uitzondering van woningen behorend bij een veehouderij, bedraagt:          

13,6 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Voortsweg 6 (bestaand, punt C); 11,5 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Voortsweg 6 (nieuw, punt B); 7,3 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Voortsweg 1; 7,4 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Postweg 10; 7,1 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Postweg 6; 7,2 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Postweg 8; 4,6 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Holscherdijk 10; 3,9 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Langedijk 16a; 4,2 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Postweg 12; 3,7 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Langedijk 14;

Z2023-ODT-012123

Pagina 17 van 40

     

3,4 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Langedijk 9; 3,0 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Kloppersblokweg 3; 2,7 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Zomerdijk 3a; 2,3 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Kloppersblokweg 2; 2,0 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Postweg 4; 0,6 odour units per kubieke meter lucht op de woning aan de Hoflaan 16.

Uit bovenstaande blijkt dat de normen voor de geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken niet worden overschreden. In de vergunde situatie is sprake van een geur overbelaste situatie m.b.t. de woning aan de Voortsweg 6. In de aangevraagde situatie wordt door toepassing van geur reducerende maatregelen de geurbelasting op nabijgelegen woningen verlaagd. In de aangevraagde situatie zal op de Voortsweg 6 niet langer meer sprake zijn van een overschrijding van geurnorm van 14,0 odour units per kubiek meter lucht. Een berekening van de vergunde geurbelasting met het verspreidingsmodel 'V-stacks vergunning' is bij de aanvraag gevoegd (Bijlage 4 Geur vergunde opzet_20230713.pdf). Tabel 1: Wijziging geurbelasting op de Voortsweg 6 bestaande en nieuwe locatie. Voortsweg 6 bestaande Geurbelasting Geurbelasting Verschil situatie, punt vergund 2006 aangevraagde situatie (odour units

(odour units per kubieke meter)

(odour units per kubieke meter)

per kubieke meter)

Punt A Punt B Punt C Punt D Punt E Punt F Punt G Punt H Voortsweg 6 nieuwe situatie, punt

17,7 18,3 18,9 18,1 17,4 17,0 16,5 17,1

13,0 13,3 13,6 13,2 12,9 12,6 12,4 12,7

- 4,7 - 5,0 - 5,3 - 4,9 - 4,5 - 4,4 - 4,1 - 4,4

Punt A Punt B Punt C Punt D

15,1 15,8 14,4 13,9

11,1 11,5 10,8 10,5

- 4,0 - 4,3 - 3,6 - 3,4

Woningen behorend bij een andere veehouderij Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij geldt een uitzondering op het algemene beschermingsniveau. Dit geldt ook voor geurgevoelige objecten die op of na 19 maart 2000 opgehouden hebben deel uit te maken van een andere veehouderij. De afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf met dieren met een geuremissiefactor en een geurgevoelig object dat deel uit maakt van een andere veehouderij buiten de bebouwde kom, moet ten minste 50 meter bedragen. De dichtstbijgelegen woningen behorend bij een veehouderij zijn gelegen op meer dan 50 van het emissiepunt van een varkensstal. Algemene afstanden voor alle dierenverblijven| De minimale afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van Z2023-ODT-012123

Pagina 18 van 40

een voor geurgevoelig object dient op grond van artikel 5 lid 1 Wgv te bedragen:  50 meter binnen de bebouwde kom;  25 meter buiten de bebouwde kom. De inrichting is gelegen buiten de bebouwde kom. Binnen 25 meter vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf is geen geurgevoelig object gelegen. Conclusie Het aspect geur vanuit dierverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.

6. Ammoniakemissie uit dierverblijven Toetsingskader Voor zover het de ammoniakemissie uit dierenverblijven betreft, is de aanvraag getoetst aan de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). De Wav beoogt de zeer kwetsbare gebieden te beschermen tegen de effecten van ammoniakdepositie. Toetsing De dierenverblijven van de inrichting liggen niet binnen een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Voor deze inrichting geldt op grond van de Wav geen beperking met betrekking tot het ammoniakplafond. Aan het gestelde in de Wav wordt voldaan. Conclusie ammoniakemissie uit dierenverblijven De ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven vormt geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.

7. Energie relevante inrichting In aansluiting op de criteria voor inrichtingen die onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen, worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten en/of een jaarlijks verbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit als energierelevant bestempeld. Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting (volgens de aanvraag 10.000 m 3 aardgasequivalenten/jaar en maximaal 200.000 kWh/jaar elektriciteit). Naar verwachting wijzigt in de beoogde opzet het gasverbruik door toepassing van efficiëntere cv-ketels en vervanging van de bestaande. Toelichting: Naar aanleiding van ons verzoek om aanvullingen is de Overzicht uitgevoerde energiebesparende maatregelen nav lijst informatieplicht energiebespari. aanvraag gevoegd. Hierin is aangegeven dat het elektriciteitsverbruik na realisatie maximaal wordt ingeschat op 200.000 kWh/jaar en het aardgasverbruik op 10.000 m3 per jaar. I _ -08- . 3 toegelicht dat het oorspronkelijk aangegeven energieverbruik een te hoge inschatting was. Er is geen compleet overzicht van de mogelijke maatregelen met een terugverdientijd kleiner dan vijf jaar bij de aanvraag gevoegd.

Aan de vergunning zijn daarom voorschriften verbonden waarin van de aanvrager wordt verlangd dat deze een energieonderzoek uitvoert en de resultaten hiervan bij ons indient.

Z2023-ODT-012123

Pagina 19 van 40

Vanaf het moment waarop de vergunning van kracht wordt moet binnen zes maanden en vervolgens om de vier jaar een rapportage van het energieonderzoek worden ingediend met het bijbehorende energie uitvoeringsplan. In het vergunningvoorschrift is omschreven welke elementen de rapportage van het energieonderzoek moet bevatten. Vergunninghouder kan gebruik maken van delen van een (eventueel) aanwezige energie audit. Ontbrekende elementen moeten worden aangevuld. Wanneer uit (de actualisatie van) het energieonderzoek blijkt dat er geen maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder zijn te treffen, vervalt de verplichting om een energie uitvoeringsplan op te stellen. Waterbesparing (leiding- en grondwater) Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met water. De relevantie van waterbesparing is sterk afhankelijk is van de lokale situatie. Per situatie zal beoordeeld moeten worden of maatregelen voor het aspect water relevant zijn of niet. Het vigerende lokale beleid is dan richtinggevend. Omdat door het bevoegd gezag geen specifiek beleid is vastgesteld wordt vooralsnog, in overeenstemming met de 'oude' 8.40 , minste 5.000 m 3 per jaar als ondergrens gehanteerd. Waterbesparing wordt in belangrijke mate gerealiseerd door toepassing van de stand der techniek.

Waterbesparende voorzieningen zijn in ruime mate beschikbaar en nauwelijks duurder dan de klassieke niet-waterbesparende alternatieven. Bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie dienen dan ook altijd de waterbesparende voorzieningen, conform de stand der techniek, te worden toegepast. _ -08-22. toegelicht. Leidingwater wordt alleen gebruikt voor de beide bedrijfswoningen gebruikt. Dit is circa 500 m 3 per jaar. Er wordt veel vloeibare bijproducten gebruikt. Er wordt nu ca 4.500 m 3 grondwater gebruikt. Het toekomstig grondwaterverbruik wordt ingeschat op 9.500 m 3. Het wat wordt gebruikt voor het laten functioneren van de luchtwassers, voor schoonmaakdoeleinden en drinkwater van de dieren. Bij het reinigingsproces in de luchtwassers komen afvalstoffen vrij die ophopen in het waswater. Om dit reinigingsproces niet te verstoren moet regelmatig waswater worden gespuid. Om het reinigingsproces in elke luchtwasser optimaal te laten verlopen gelden minimale debieten voor de hoeveelheid spuiwater die in acht moeten worden genomen. Daarnaast verdampt er ook water in de luchtwassers. Conform de bij de aanvraag gevoegde 4 dimensioneringsplannen bedraagt het watergebruik van de beide luchtwassers circa 3.369 m 3/jaar. Grondwater wordt gebruikt voor drinkwater van voor de varkens. Om te kunnen leven en produceren hebben de dieren een minimale hoeveelheid drinkwater nodig.

De vochtbehoefte voor een vleesvarkens bedraagt circa tussen de 5 en 15 l/dag, afhankelijk van de leeftijd van het varken en van de buitentemperatuur. Doordat de varkens vloeibare bijproducten gevoerd krijgen is het drinkwaterverbruik relatief laag. Wanneer het drinkwater voor de varkens en het watergebruik voor de luchtwassers beschouwing worden gelaten bedraagt het waterverbruik minder dan 5.000 m 3 per jaar. Het in de vergunning voorschrijven van een waterbesparingsonderzoek is daarom niet

Z2023-ODT-012123

Pagina 20 van 40

noodzakelijk. In de vergunning is alleen een voorschrift opgenomen dat het waterverbruik moet worden geregistreerd. De stand der techniek is dat automatisch maatregelen worden getroffen om het morsen en verspillen van water te voorkomen. Extra waterverbruik geeft meer mest of meer afvalwater dat op verantwoorde wijze moet worden afgevoerd. Afvalpreventie Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect afvalpreventie. Afvalpreventie is in ieder geval relevant bij bedrijven waarbij de hoeveelheid gevaarlijk afval boven de 2,5 ton per jaar ligt óf de hoeveelheid bedrijfsafval boven de 25 ton per jaar ligt. Tot het bedrijfsafval worden alle, al dan niet afzonderlijk, vrijkomende afvalstromen gerekend die niet als gevaarlijk afval kunnen worden aangemerkt. Het betreft een totaal van de afvalstromen onafhankelijk van het feit of ze al dan niet gescheiden worden ingezameld. Ook het afval dat voor recycling wordt aangeboden, wordt hier in meegenomen. In het aanvraagformulier is in tabel 14 binnen de inrichting vrijkomen. In de aanvraag is niet aangegeven welke maatregelen en voorzieningen zijn getroffen ten aanzien van afvalpreventie. De hoeveelheid gevaarlijk afval bedraagt ruimschoots minder dan 2,5 ton per jaar. Bij het houden van dieren treedt uitval op in de vorm van sterfte.

De dode dieren worden als kadavers opgehaald door het destructiebedrijf en vervolgens op milieuverantwoorde wijze verwerkt. Enige mate van uitval komt altijd voor, de hoogte is onder andere afhankelijk van het optreden van gezondheidsproblemen. Het voorschrijven van besparingsmaatregelen gericht op het voorkomen van kadavers is niet nodig. De hoeveelheid kadavers is inherent aan de bedrijfsvoering en het optreden van gezondheidsproblemen. Spuiwater is een restproduct van de chemische luchtwassers en is als zodanig nodig om een goede werking van de luchtwassers te waarborgen. Afzet van het spuiwater vindt plaats via de daarvoor toegestane weg. De hoeveelheid bedrijfsafval bedraagt (inclusief kadavers en spuiwater) minder dan 25 ton per jaar. Het in de vergunning voorschrijven van een afvalpreventieonderzoek is niet noodzakelijk. Verkeer en vervoer Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect verkeer en vervoer. Bij meer dan 100 werknemers of meer dan 500 bezoekers per dag of meer dan 2 miljoen transportkilometers per jaar voor verladers en uitbesteed vervoer of meer dan 1 miljoen transportkilometers per jaar voor eigen vervoerders worden voorschriften ten aanzien van verkeer en vervoer relevant geacht. In de onderhavige situatie worden deze grenzen niet overschreden. Een verdere toetsing op dit onderdeel is niet nodig.

8. Geluid Algemeen

Z2023-ODT-012123

Pagina 21 van 40

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door vervoersbewegingen, laden en lossen en mechanisch ventileren. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Geurts Technische adviseurs d.d. 29 augustus 2023 nr. 8.5635. Het rapport maakt onderscheidt tussen de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt) en de incidentele bedrijfssituatie (de geluidsemissie die ten hoogste 12 dagen per jaar wordt veroorzaakt). Beoordeeld worden de equivalente geluidsbelastingen (LAr,LT), de maximale geluidsniveaus (LAmax) en de indirecte hinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998". In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor dag-, avond- en nachtperiode. De berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus bedragen ten hoogste 45, 42 en 37 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode en beoordeeld op 50 meter van de inrichtingsgrens. De inrichting ligt in de gemeente Dinkelland.

Dinkelland heeft het beleid voor industrielawaai vastgelegd in de nota Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Dinkelland d.d. 5 mei 2008. In het beleid wordt voor ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningplichtige bedrijven aangesloten bij het beoordelingskader van veehouderijen die onder het Activiteitenbesluit in werking zijn. De geluidsbelasting is aan deze nota getoetst. Op 50 meter van de inrichtingsgrens wordt niet overal aan de ambitiewaarde voor de avond- en nachtperiode voldaan. De bovengrens wordt in die etmaalperioden niet overschreden. Een overschrijding is toelaatbaar op grond van een bestuurlijke afweging waarbij mag meespelen dat het hier een bestaande inrichting betreft. Ook mag mee worden gewogen dat bij de omliggende woningen wordt voldaan aan de normen uit het beoordelingskader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten. De geluidimmissie voor de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van deze punten is overeenkomstig de benodigde geluidsruimte. Maximaal geluidsniveau (LAmax) Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen.

De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Aan deze grenswaarden wordt voldaan. De maximale geluidsniveaus zijn in een voorschrift vastgelegd. Ten aanzien van het laden en lossen van varkens tussen 19:00 en 22:00 uur, 22:00 en 06:00 uur en 06:00 en 07:00 uur wordt opgemerkt dat de berekende maximale geluidbelastingen het laden en lossen van varkens niet toelaten in deze tijdvakken. Z2023-ODT-012123

Pagina 22 van 40

Indirecte Hinder Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) (etmaalwaarde). De berekende geluidsbelasting bij de woning Voortsweg 3A langs de oprit naar de varkenshouderij blijft beperkt tot respectievelijk 42, 29 en 25 dB(A) in de dag-, avonden nachtperiode. Aan de voorkeursgrenswaarde wordt dus voldaan. Bijzondere situaties Voor incidentele bedrijfssituaties, dat zijn situaties die maximaal 12 maal per jaar optreden, kunnen op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening ruimere grenswaarden worden gesteld. Incidentele bedrijfssituaties De vergunninghouder vraagt toestemming voor het inkuilen van voeders gedurende 4 dagen per jaar in de dag- en avondperiode. Hierdoor neemt de geluidsproductie toe. Gelet op de hierbij optredende geluidsbelastingen en het feit dat het om een incidentele bedrijfssituatie gaat, kan dit worden toegestaan. De effecten van deze activiteit worden is een apart voorschrift geregeld. Conclusies Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de situatie milieu hygiënisch aanvaardbaar.

Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten gelegen 50 meter van de inrichtingsgrens. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte. Het laden en lossen van varkens is alleen toegestaan tussen 07:00 en 19:00 uur. Buiten dat tijdvak worden de geluidnormen voor de piekgeluiden overschreden. Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. De voorschriften houden rekening met de positieve effecten van die maatregelen en voorzieningen.

9. Bodem Afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit is van toepassing op de gehele inrichting omdat de inrichting een IPPC-installatie is. Doordat de betreffende artikelen een rechtstreekse werking hebben worden geen bodemvoorschriften in de vergunning opgenomen.

10. Lucht Luchtkwaliteit ,

.

W

W

. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor agrarische inrichtingen hebben betrekking op stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De stof NO2 komt voornamelijk vrij bij Z2023-ODT-012123

Pagina 23 van 40

verbrandingsprocessen. Gezien de activiteiten van de inrichting kan worden gesteld dat nauwelijks NO2 wordt uitgestoten. Aan de grenswaarden, die voor overige stoffen zijn vastgesteld, is niet getoetst. Gezien de aard van de inrichting (veehouderij) zullen deze niet worden overschreden. In de Wm is de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) in de lucht gesteld op 40 µg/m 3. De dagnorm voor PM10 bedraagt 50 µg/m 3. De dagnorm mag niet meer dan 35 keer per jaar worden overschreden. De beoordelingspunten liggen conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (RBL) op plaatsen buiten de inrichtingsgrens waar het publiek toegang heeft en waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt (het zgn. blootstellingscriterium). Het gaat om blootstelling gedurende een periode, die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde (jaar, etmaal, uur) significant is. Een plaats met significante blootstelling is bijvoorbeeld een woning, een school of een sportterrein. In arti

, R luchtkwaliteitseisen, (Regeling NIBM)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatig bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Voor agrarische activiteiten, met uitzondering van o.a. akker- tuin- en glastuinbouwbedrijven, zijn geen grenzen vastgesteld. . deze handreiking worden richtlijnen gegeven wanneer een uitbreiding of oprichting van een agrarisch bedrijf als NIBM kan worden beschouwd. Op grond van artikel 2, lid 2 van het Besluit NIBM kunnen gebieden en bronnen worden aangewezen die geen gebruik kunnen maken van NIBM. Het bedrijf waarvoor vergunning wordt gevraagd ligt niet in een aangewezen gebied en/of is niet aangewezen als bron. Met behulp van emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij, vastgesteld door de minister van IenM is voor het bedrijf bepaald in hoeverre er sprake is van een toe- of afname van de fijn stofemissie. De totale fijn stofemissie op basis van het vergund recht bedraagt 782.595,0 gram/jaar. Op basis van de aanvraag bedraagt de emissie 386.584,0 gram/jaar. Dit betekent dat er sprake is van een afname van de fijn stofemissie van 396.011,0 gram/jaar. Aangezien er sprake is van een aanzienlijke afname van de fijn stofemissie afkomstig van het bedrijf, is er geen reden de vergunning te weigeren.

Het voornemen is tevens getoetst aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer. Voor de beoordeling van de immissieconcentraties van fijn stof op de beoordelingspunten (woningen van derden) is gebruik gemaakt van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij, vastgesteld door de minister van IenM zijn vastgesteld en het verspreidingsmodel ISL3a, dat in opdracht van het Ministerie van VROM door KEMA is ontwikkeld. Bij de bepaling van de grootschalige concentratiegegevens fijn stof (GCN-kaart PM10) is de bijdrage van de intensieve veehouderij aan de concentraties fijn stof meegenomen. Indien de bijdrage van een individueel bedrijf aan de fijn stof concentraties wordt berekend en deze wordt opgeteld bij de grootschalige

Z2023-ODT-012123

Pagina 24 van 40

concentratiegegevens fijn stof, treedt daarmee een dubbeltelling op. Hiervoor kan een correctie worden toegepast. In dit geval zijn de totale uitstootgegevens van fijn stof uit de stallen op basis van het voornemen in de berekening meegenomen en is in de uitgevoerde berekening, die i . , . Op de waarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) van 40 µg/m 3 en het aantal dagen dat de dagnorm van 50 µg/m 3 (de grenswaarde) mag worden , -correctie1 . jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM 10) is voor de gemeente Losser vastgesteld op 1 µg/m 3. Om de waarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) vast te stellen, dient de berekende waarde die tot stand is gekomen met het verspreidingsmodel ISL3a dan ook met 1 te worden verminderd. De voor zeezout gecorrigeerde dagnorm van 50 µg/m 3 (de grenswaarde) mag maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De zeezoutaftrek voor het aantal overschrijdingsdagen is voor de provincie Overijssel vastgesteld op 2. Dit betekent dat op het berekend aantal dagen dat de grenswaarde van 50 µg/m 3 wordt overschreden 2 dagen in mindering mogen worden gebracht.

Uit de berekening blijkt dat de niet voor zeezout gecorrigeerde jaargemiddelde PM 10 concentratie op de beoordelingspunten op basis van de aanvraag aanzienlijk lager is dan 50 µg/m 3 (berekend 16,7 µg/m 3) en het niet voor zeezout gecorrigeerde aantal dagen dat de dagnorm wordt overschreden lager dan 35 (berekend 6,1). In de ISL3aberekening is verder geen gebruik gemaakt van de correctie in verband met dubbeltelling van uitstootgegevens van het bedrijf. De werkelijke waarden kunnen hiermee nog op een lager niveau liggen, dan uit de berekening blijkt. Uit de berekening blijkt dat wordt voldaan aan grenswaarde die gesteld is voor PM 10. Tabel 2: fijnstofbelasting vergund en aangevraagd. Te beschermen objecten

Concentratie vergunde situatie

Overschrijding vergunde situatie

Concentratie Aangevraagde situatie

(microgram

(dagen)

(microgram

/m 3)

Overschrijding Aangevraagde situatie

Verschil (microgram

Verschil (dagen)

/m3)

(dagen)

/m 3)

Voortsweg 3a

15,23

6,2

13,69

6,0

- 0,2

- 0,2

Voortsweg 6

14,64

6,0

13,50

6,0

- 1,1

0,0

Holscherdijk 3

15,03

6,1

13,61

6,0

- 1,4

-0,1

Holscherdijk 4

14,93

6,1

13,57

6,1

- 1,4

0,0

Holscherdijk 6

14,95

6,2

13,59

6,2

- 1,4

0,0

1

Het toepassen van de zeezoutaftrek is vastgelegd in de Wet milieubeheer (artikel 5.19, vierde lid). De hoogte van de zeezoutaftrek is vastgelegd in de ministeriële 'Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007' (zie artikel 35, lid 6 en bijlage 5 van de Rbl 2007). Z2023-ODT-012123

Pagina 25 van 40

Holscherdijk 8

14,95

6,2

13,61

6,2

- 1,3

0,0

Postweg 10

14,95

6,0

13,3

6,0

- 1,7

0,0

Postweg 6

14.51

6,0

13,25

6,0

- 1,3

0,0

Voortsweg 1

14,90

6,0

13,55

6,0

- 1,4

0,0

De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM 2,5 in de lucht is vastgesteld op 25 µg/m 3. De concentraties PM10 en PM2,5 hangen nauw samen. De fractie PM2,5 maakt tenslotte deel uit van de fractie PM 10. Uit de praktijk blijkt dat voor veehouderijen geldt dat, indien wordt voldaan aan de grenswaarden voor PM 10, ook wordt voldaan aan de grenswaarde die gesteld is voor PM2,5. In de jaren 2009 en 2010 is in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) onderzoek gedaan naar bedrijven die overschrijdingen van de grenswaarden voor fijn stof op te beschermen objecten tot gevolg hadden. Op grond van dit onderzoek is een zgn. lijst van prioritaire bedrijven samengesteld die deze overschrijdingen veroorzaakten en waarvoor maatregelen zijn voorbereid en uitgevoerd. Dit bedrijf staat niet op de lijst van prioritaire bedrijven. Wijziging Regeling beoordeling luchtkwaliteit Met betrekking tot de cumulatiebeoordeling van het fijn stofaspect is op 1 januari 2019 de gewijzigde Regeling beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden. De wijziging gaat over het verplicht uitvoeren van een gedetailleerde berekening bij de toetsing van fijnstof. Het doel van deze gedetailleerde berekening is het beter in beeld brengen van het effect van meerdere veehouderijen bij elkaar.

De gewijzigde regeling is alleen verplicht voor aanvragen bij veehouderij met een totale emissie van fijn stof van meer dan: - 500 kilogram per jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m 3; - 800 kilogram per jaar ongeacht de achtergrondconcentratie. De inrichting van de aanvrager ligt in een gebied met een achtergrondconcentratie van minder dan 18 µg/m 3 (bron: RIVM, Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). Dit is lager dan de drempelwaarde van 27 µg/m 3. De berekende fijn stofemissie van deze inrichting bedraagt in de aangevraagde situatie circa 386,6 kg/jaar. Dit is lager dan de drempelwaarde van 800 kg/jaar. Er is geen gedetailleerde cumulatieberekening vereist. Conclusie Er is sprake is van een aanzienlijke afname van de fijn stofemissie afkomstig van het bedrijf t.o.v. de vergunde situatie. Er wordt voldaan aan de normen. Er wordt voldaan de advieswaarde van de Wereldgezondheidsraad (de advieswaarde van de Wereldgezondheidsraad bedraagt 20 ug per m3). Als de fijnstofconcentratie onder deze advieswaarde ligt word . worden gevreesd voor g . De fijn stofemissie afkomstig van het bedrijf is er geen reden de gevraagde vergunning te weigeren. Volksgezondheid. Z2023-ODT-012123

Pagina 26 van 40

Het houden van landbouwhuisdieren kan gevaar opleveren voor de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Het gaat dan met name om de uitstoot van fijnstof en endotoxinen, maar ook om ammoniak vanwege de vorming van secundair fijn stof. Geur vormt indirect een risico voor de volksgezondheid. Daarnaast zijn er risico's vanwege besmettelijke dierziekten die van dier op mens kunnen worden overgedragen (zoönosen). Voor de verschillende milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid zoals geur, fijnstof, geluid en ammoniak zijn wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders gevormd op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Niet is gebleken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om en. Voor de uitstoot van endotoxinen is nog geen landelijk toetsingskader beschikbaar. Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën. Als deze organismen afsterven komen de endotoxinen vrij. De endotoxinen binden zich aan bacterieresten, stofdeeltjes of waterdeeltjes. In deze toestand kunnen ze zich gemakkelijk in de omgeving verspreiden. Inademing van endotoxinen kan leiden tot ontstekingen van de luchtwegen. In stallucht komen hoge concentraties stofdeeltjes voor. Deze fijnstofdeeltjes deeltjes bevatten ook endotoxinen en micro-organismen. De stallucht uit veehouderijen vormt de belangrijkste emissiebron van endotoxinen.

Om het bevoegd gezag te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in king Veehouderij en . De handreiking concentreert zich op juridische omwonenden te beperken. Onderzoek veehouderijen en gezondheid omwonenden De afgelopen jaren is het onderzoek naar relaties tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden op gang gekomen. Grootschalige Nederlandse onderzoeken zijn het IVG-onderzoek (Intensieve Veehouderij en Gezondheid) en daarna het VGO-onderzoek (Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden). Het VGO-onderzoek heeft veel nieuwe inzichten opgeleverd, maar er blijven ook vragen bestaan en er zijn nieuwe vragen bijgekomen. Ook in het buitenland zijn onderzoeken uitgevoerd. De Gezondheidsraad heeft in 2012 en in 2018 de onderzoeksresultaten geëvalueerd. Aanwijzingen Het VGO-onderzoek richtte zich op de relaties tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden, met name de luchtwegen. In reactie op dit onderzoek concludeert de Gezondheidsraad in 2018 dat mensen die in de buurt van veehouderijen wonen vaker bepaalde luchtwegproblemen hebben. Meerdere onderzoekgegevens geven meer of minder sterke aanwijzingen daarvoor. Het is nog onvoldoende duidelijk of de gevonden verbanden oorzakelijk zijn en er is nog geen sprake van algemene aanvaarde wetenschappelijke inzichten. Daarvoor is de gegevensbasis nog te smal, volgens de Gezondheidsraad.

Pluimvee en geiten worden sinds 2007 specifiek in verband gebracht met longontsteking. Geiten- en pluimveehouderijen droegen over de jaren 2009-2013 gezamenlijk bij aan ongeveer 12,6% van alle gevallen van longontsteking in het VGO-onderzoeksgebied (pluimvee 7,2% en geiten 5,4%). Over de jaren 2014-2016 is het verband voor geitenhouderijen bevestigd. Voor pluimveebedrijven is de relatie met Z2023-ODT-012123

Pagina 27 van 40

longontsteking in 2015 en 2016 niet meer zichtbaar. B

z

’ ,

maar bevat ook nog veel onzekerheden en gaten. Dit beeld wordt bevestigd door kennisberichten van het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid en het vervolgadvies over gezondheidsrisico's rond veehouderijen van de Gezondheidsraad. De relaties met gezondheid zijn vooral gevonden rondom bedrijven met pluimvee, geiten en in gebieden met veel veehouderijen bij elkaar. Het bevoegd gezag kan besluiten in situaties: 

binnen een gebied met veel veehouderijen, bijvoorbeeld 15 of meer veehouderijen binnen 1 kilometer van omwonenden, of

waarbij de afstand tussen een geitenhouderij en omwonenden kleiner is dan 2 kilometer, of

waarbij de afstand tussen een pluimveehouderij en omwonenden kleiner is dan 1 kilometer.

Het bevoegd gezag moet zelf afwegen aanvaardbaar vindt. En ook: zijn er maatregelen nodig en mogelijk? En zo ja, wat zijn dan redelijke maatregelen? Bij de afweging spelen ook de belangen van de veehouder . de afweging. Endotoxine kader De Gezondheidsraad adviseert voor endotoxinen een gezondheidskundige advieswaarde van 30 EU/m 3 voor de algemene bevolking. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3435, Bernheze) blijkt dat de adviesnorm van 30 EU/m 3 mag worden toegepast, mits goed gemotiveerd. Omdat een landelijk toetsingskader voor endotoxinen ontbreekt, heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie NoordBrabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) vooruitlopend op de on Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader . . De systematiek voor het beoordelen van de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten: het endotoxine onderzoek (Ogink, 2016). In dit rapport is de endotoxineblootstelling beoordeeld op basis van:  stalemissiemetingen van stof en endotoxine; 

modellering van de verspreiding van stof en endotoxine naar de omgeving met een speciaal voor dit doel ontwikkelde versie van Stacks.

Z2023-ODT-012123

Pagina 28 van 40

De uitkomsten van dit endotoxineonderzoek zijn uitgewerkt in een aanvullend ; (Erbrink, 2016), waarvan gebruik is gemaakt voor het Endotoxine toetsingskader 1.0 (Erbrink, 2016). Met als resultaat dat op basis van de fijnstofemissie (bronsterkte) van een individuele veehouderij de aan te houden afstand tot gevoelige bestemmingen is te bepalen om een te hoge blootstelling aan endotoxine te voorkomen. Dit vertaalt zich in een afstandsgrafiek: een trendlijn door 8 punten en de daarbij behorende formule waarmee voor ieder specifiek geval de afstand is te bepalen. Op deze wijze is – op basis van de huidige kennis en inzichten – locatie specifiek voor iedere individuele varkens- of pluimveehouderij te beoordelen of de endotoxineblootstelling naar de omgeving te hoog is of niet. Te hoog betekent in deze dat de berekende blootstelling hoger is dan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m 3 van de Gezondheidsraad. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan in dit geval niet worden gegarandeerd. De systematiek is voor geheel Nederland toepasbaar. Beoordeling z ’ Binnen een gebied van omwonenden rond onderhavige inrichting zijn minder dan 15 veehouderijen gelegen. Ook heeft de voorgenomen situatie heeft geen betrekking op het houden van geiten of van pluimvee. De veestapel veroorzaakt in de voorgenomen situatie een fijnstofemissie van circa 386,6 kg/jaar.

Om de minimale afstand tot, op basis van de endotoxine adviesgrenswaarde van de Gezondheidsraad te kunnen berekenen, dient voor varkens de volgende formule te worden toegepast (voor paarden is niet aangegeven welke formule moet worden gebruikt). Vleesvarkens (constante emissie): p1= 60,0608184; p2= 231,712643; formule: y=p1*ln(x)-p2 (y=afstand (m); x = PM10 emissie (kg/jaar) Berekenen afstand y=(60,0608184*ln(386,6))-231,712643 y=126,1 m y=p1*ln (x)-P2 De afstand tussen de dichtstbijgelegen woning van derden (Voortsweg 3a) en het dichtstbij gelegen emissiepunt van een vleesvarkensstal bedraagt circa 137 meter. Het gaat hierbij om de woning (Voortsweg 3a). Hierbij is uit voorzorg alle fijnstofemissie aan het meest nabije emissiepunt toegerekend om onderschatting van endotoxinen tegen te gaan. De berekende minimale afstand op basis van de adviesgrenswaarde van de Gezondheidsraad bedraagt 126,1 meter. Aan deze adviesafstand wordt voldaan. Maatregelen en voorzieningen De varkens binnen de inrichting worden inpandig gehouden. Verder gelden binnen de inrichting strikte hygiënemaatregelen. De bestrijding van besmettelijke dierziekten is primair geregeld in andere wetgeving, zoals de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Z2023-ODT-012123

Pagina 29 van 40

Conclusie Voor geur, fijnstof, geluid en ammoniak zijn voldoende wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders van toepassing. Niet is gebleken dat deze toetsingskaders niet dat in de voorgenomen situatie niet aan deze toetsingskaders kan worden voldaan. Binnen een gebied van 1 km rond omwonenden, van onderhavige inrichting, zijn minder dan 15 veehouderijen zijn gelegen. De voorgenomen situatie heeft geen betrekking op het houden van geiten of van pluimvee. In de aangevraagde situatie is ten opzichte van de vergunde situatie sprake van zowel een afname van de geur- en de fijnstofemissie als ook van de geur- en fijnstof immissie op de te beschermen objecten (de nabij gelegen woningen van derden). Op grond van volksgezondheid is er geen reden de gevraagde vergunning te weigeren.

11. Afvalwater Het toetsingskader Het lozen van afvalwater vanuit de inrichting op de riolering valt onder de reikwijdte van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Voor een aantal lozingen gelden algemene regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gevolgen van de aangevraagde activiteiten Binnen de inrichting komen de volgende afvalwaterstromen vrij: - Huishoudelijk afvalwater; - Spuiwater bij het wassen van ventilatielucht in gecombineerde luchtwassers; - Spoelwater/reinigingswater vanwege:  het reinigen van de stallen;  het reinigen van veewagens;  gebruik hygiënesluis, douche en wc; - Hemelwater (dakoppervlak en terreinverharding) - Spoelwater van de ontijzeringsinstallatie - Afvalwater afkomstig van reinigingswater brijvoerkeuken Maatregelen en voorzieningen De maatregelen en voorzieningen voor de volgende lozingen zijn niet beoordeeld omdat hiervoor in het Activiteitenbesluit milieubeheer in de aangegeven artikelen eisen zijn gesteld: - het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening paragraaf 3.1.3 - het behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie paragraaf 3.1.4 - het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het uitwendig wassen van motorvoertuigen en werktuigen, paragraaf 3.3.2 (artikelen 3.23a tot en met 3.25); - het lozen van spoelwater dat vrijkomt bij de ontijzering van grondwater, artikel

3.91; - het lozen van het spuiwater uit een luchtwassysteem, artikel 3.126; - het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen van dierenverblijven, artikel 3.127. - Het vrijkomende afvalwater bij het schoonmaken van veewagens (inwendig reinigen) mag niet worden geloosd in de bodem en/of het oppervlaktewater en/of op de riolering. Z2023-ODT-012123

Pagina 30 van 40

Het afvalwater afkomstig van de wasplaats wordt geloosd in een mestkelder. Het niet verontreinigde hemelwater wordt geloosd op het bedrijfshemelwaterriool en afgevoerd naar de wadi/retentievijver. - Het afvalwater van huishoudelijke aard wordt geloosd op het gemeentelijk vuilwaterriool. - Het niet verontreinigde hemelwater infiltreert momenteel deels in de bodem en wordt deels afgevoerd naar het oppervlaktewater in de perceelsloten. Met de plannen neemt het bebouwde oppervlak buiten het bouwblok toe met 5.276 m 2. Daarnaast wordt de erfverharding vergroot met ca 400 m 2. Doelstelling is dat het regenwater daar vandaan zo veel mogelijk infiltreert. Rekening houdend met de norm van het waterschap Vechtstromen (55mm) moet de infiltratie voorziening een capaciteit hebben van minimaal 312 kuub. Concreet vloeit het hemelwater afkomstig van de daken uit de regenpijpen over de aangrenzende landerijen (in eigendom van aanvrager) en indirect in de omringende perceelsloten. In overleg met het Waterschap is besloten om aan deze bergingscapaciteit te voldoen door een retentievijver aan te leggen met voldoende bergingscapaciteit. Deze retentievijver is opgenomen in het plan voor de landschappelijke inpassing dat bij de ruimtelijk onderbouwing hoort (laatst aangevuld 22 augustus 2022). - Het spuiwater afkomstig van stal 3 en 4 wordt separaat opgevangen.

Bij beide stallen wordt een kunststof silo voor de opvang van spuiwater met een inhoud van 50 m 3 (S, blauw aangeduid, achter de stallen 3 en 4). Het spuiwater van de gecombineerde luchtwassers op stal 8 wordt afgevoerd naar de 2 spuiwateropslagen (S, groen aangeduid) onder deze varkensstal. De spuiwateropslagen hebben een inhoud van 200 m³. Voor de opslag van dit spuiwater bij inrichtingen type C gelden geen eisen uit het Activiteitenbesluit. Aan een opslag van spuiwater in een ondergrondse kelder hoeven, naast voorschriften voor de bescherming van de bodem, geen specifieke voorschriften te worden gesteld. Omdat de inrichting een IPPC-installatie is gelden de bodemvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Op jaarbasis ontstaat circa 3.369 m 3 spuiwater. Het spuiwater wordt afgevoerd naar een erkende inzamelaar en mag worden gebruikt als kunstmest. - Het overig bedrijfsafvalwater wat ontstaat (reinigingswater, spoelwater dat vrijkomt bij de ontijzering van grondwater, e.d.) wordt afgevoerd naar de mestkelders en wordt beschouwd als zijnde organische mest. Beoordeling en conclusie Voor de afvalwaterstromen gelden de eisen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Doordat de aangegeven artikelen een rechtstreekse werking hebben worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen.

12. Opslag en verwerking van bijvoedermiddelen (restproducten) Op het bedrijf zal brijvoedering worden toegepast, zie de bijlage behorend bij de _ . . Verschillende bijproducten afkomstig uit de levensmiddelenindustrie worden tezamen met CCM en een aanvullend krachtvoer op het bedrijf samengevoegd tot een optimaal voermengsel.

Z2023-ODT-012123

Pagina 31 van 40

Binnen de inrichting zijn opslagen voor plantaardige bijvoedermiddelen en dierlijke bijproducten aanwezig. Het gaat om de opslag van:  60 ton (geschat 75 m³) niet verpompbare plantaardige bijvoedermiddelen , (geschat jaarlijks verbruik: 651 ton);  60 ton (geschat 60 m³) verpompbare plantaardige bijvoedermiddelen (tarwegistconcentraat), opslag in een silo van 60 ton (geschat jaarlijks verbruik: 560 ton);  120 ton (geschat 150 m³) niet verpompbare plantaardige bijvoedermiddelen , s van 60 ton (geschat jaarlijks verbruik: 944 ton);  150 ton (geschat 225 m³) niet verpompbare plantaardige bijvoedermiddelen , (geschat jaarlijks verbruik: 567 ton);  120 ton (circa 120 m³) verpompbare dierlijke , van 60 ton (geschat jaarlijks verbruik: 1.889 ton). Jaarlijks wordt binnen de inrichting circa 2.722 ton aan plantaardige bijvoedermiddelen verwerkt. Omdat dierlijke bijproducten worden opgeslagen is op deze opslag het Activiteitenbesluit niet van toepassing. Voor de opslag van dierlijke bijproducten zijn in deze vergunning voorschriften gesteld. Deze voorschriften zijn afgeleid van paragraaf 3.4.7 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 3.4.7 van de Activiteitenregeling. Binnen de inrichting worden dierlijke bijproducten verwerkt waardoor het Activiteitenbesluit niet van toepassing is op deze verwerking.

Voor de verwerking van dierlijke bijproducten zijn in deze vergunning voorschriften gesteld. Deze voorschriften zijn afgeleid van paragraaf 3.5.9 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 3.5.7 van de Activiteitenregeling. Op de opslag en verwerking van afvalstoffen is ook het beleid uit het Landelijk Afvalbeheerplan (Lap) van toepassing. Dit komt aan de orde in het hoofdstuk doelmatig beheer van afvalstoffen. De Europese Verordening dierlijke bijproducten (Verordening (EG) nr. 1069/2009) regelt het veilig afvoeren, transporteren, verwerken en hanteren van dierlijk materiaal (dierlijke bijproducten). Het gaat daarbij om dierlijk materiaal dat niet is bestemd voor humane consumptie. De verordening regelt dit om te voorkomen dat deze producten een risico worden voor de gezondheid van mens en dier. In de Nederlandse wetgeving zijn de Europese verordening voor dierlijke bijproducten (EG) nr. 1069/2009 en uitvoeringsverordening (EU) nr. 142/2011 uitgewerkt in de Wet dieren, het Besluit dierlijke bijproducten en de Regeling dierlijke bijproducten.

13. Doelmatig beheer van afvalstoffen Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van , . W . rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 20172029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de ë . W opgenomen: a. preventie;

Z2023-ODT-012123

Pagina 32 van 40

b. c. d. e.

voorbereiding voor hergebruik; recycling; andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; veilige verwijdering.

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten Uitsluitend opslaan van afvalstoffen In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:   

Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval; Dierlijke bijproducten (mest, kadavers, bloed); Brandbaar afval in afwachting van verwerking in een AVI.

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur . de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker. Uit de aanvraag (bijlage: 220818_Informatie toepassing brijvoedering.pdf) blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting worden opgeslagen:  afval van de bereiding en verwerking van o.a. granen en groente, niet elders genoemd; tarwegistconcentraat, tarwezetmeel, aardappelstoomschillen, patat; Euralcode 02 03 99;  afval van de zuivelindustrie, niet elders genoemd afval, wei, Euralcode 02 05 99; Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen. De opslag van tarwegistconcentraat, tarwezetmeel, aardappelstoomschillen, patat minder dan 1.000 m 3 valt onder het activiteitenbesluit. Hiervoor is geen vergunning vereist. Voor het opslaan van wei kan een vergunning worden verleend omdat deze afvalstroom niet behoort tot de in het LAP genoemde uitzonderingen.

Acceptatie en bewerking In de onderhavige situatie is sprake van de opslag en verwerking van reststoffen uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie. Deze producten worden verwerkt tot veevoer.

Z2023-ODT-012123

Pagina 33 van 40

In de aanvraag is duidelijk aangegeven welke producten worden opgeslagen en verwerkt. Het opstellen van een acceptatie- en verwerkingsbeleid is gelet op de aard en omvang van deze verwerking niet nodig. Wel dient een registratie te worden gevoerd van de producten die binnen de inrichting worden aangevoerd. De kwaliteit en de veiligheid van alle bijproducten worden gewaarborgd door het certificeringsysteem GMP: Good Manufacturing Practice. Leveranciers van bijproducten worden streng gecontroleerd door de overheidsinstanties. Middels de GPM-erkenning kan een leverancier van bijproducten aan de afnemer aantonen dat er door hem op een juiste manier wordt gewerkt en dat de producten veilig zijn. De agrariër is verplicht om enkel van GMP-erkende bedrijven af te nemen. Doet hij dit niet, dan kunnen de varkens niet worden geleverd voor de slacht. Afvalstoffen waarvoor geen GMP-verklaring kan worden afgegeven worden NIET geaccepteerd. Bij het afleveren van de producten laat de leverancier een bon achter met hierop de geleverde hoeveelheid product en het nummer van de opslag waarin het product gelost is. Later krijgen initiatiefnemers een factuur van het geleverde product. Hierop staat elke geleverde vracht (datum, bonnummer, soort product, hoeveelheid) weergegeven. Afleverbonnen en facturen worden zeker vijf jaar bewaard.

Toetsen aan de minimumstandaard De aangevraagde activiteit betreft het nuttig toepassen van afvalstoffen. Binnen nuttige toepassing wordt onderscheid gemaakt tussen producthergebruik, materiaalhergebruik en inzet als brandstof. Het geschikt maken van afvalstromen ten behoeve van veevoer betreft een nuttige toepassing als producthergebruik. Het betreffen afvalstromen die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie, maar wel voor inzet als veevoer. Toetsing aan de specifieke bepalingen Op de in de aanvraag vernoemde afvalstromen is het sectorplan procesafhankelijk industrieel afval van het LAP van toepassing. De minimumstandaard voor deze afvalstroom is nuttige toepassing, tenzij nuttige toepassing niet mogelijk is op grond van de aard en samenstelling van de afvalstof of de meerkosten van nuttige toepassing substantieel hoger liggen dan de kosten voor verwijdering van de afvalstof. De aangevraagde activiteit, het verwerken van reststoffen uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie tot veevoer, betreft een nuttige toepassing van deze afvalstroom. Dit voldoet aan de minimumstandaard die voor deze afvalstroom geldt. Conclusie Gelet op voorgaande toetsingen is de voorgestelde wijze van verwerking van de afvalstoffen in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 10.4, 10.5 en 10.14 van de Wet milieubeheer. De gevraagde vergunning kan worden verleend voor onbepaalde tijd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/838/documents/22207