CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies ODT.pdf

Commissie Omgeving & Economie 2 juli 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 8: Voorstel inzake aanvragen (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen realiseren vleesvarkensstal Voortsweg 4-4a Saasveld35.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

7 alinea's met “gecombineerde”: 108 109 112 113 138 343 347

ADVIES TEAM VERGUNNINGEN Gegevens opdrachtgever Opdrachtgever Adres advies Zaaknummer ODT OLO nummer Datum advies

: : : : :

Gemeente Dinkelland Voortsweg 4-4a, Saasveld Z2023-ODT-012123 6356541 11 december 2023, gewijzigd 20-02-2024

Onderwerp Op 8 november 2021 is een meervoudige uitgebreide omgevingsvergunning gevraagd voor een varkensbedrijf gevestigd op de locatie Voortsweg 4-4a te Saasveld. De aanvraag is ingediend voor:  het bouwen van een bouwwerk, (artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo);  handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, (artikel 2.1 lid 1 onder c Wabo);  het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting (milieu; revisie), (artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo).  handelen in strijd met gevolgen voor beschermde natuurgebieden (artikel 2.27 Wabo, artikel 6.10a Bor). Op 2 februari 2023 is voor de onderhavige aanvraag door de Omgevingsdienst Twente eerder een advies afgegeven onder zaaknummer Z2022-ODT-011431. Naar aanleiding van een buurtconsultatie heeft de Maatschap Munsterhuis echter besloten om de aanvraag aan te passen. Op 24 juli 2023 is de aanvraag gewijzigd ingediend in OLO. De gewijzigde aanvraag is beoordeeld op ontvankelijkheid. Naar aanleiding van deze beoordeling is de aanvraag op 5 en 11 september 2023 en op 8 en 28 november 2023 aangevuld en geactualiseerd met betrekking tot het stikstofonderzoek. Onderhavig advies ziet op de gewijzigde aanvraag en heeft alleen betrekking op het onderdeel het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting (milieu; revisie).

Op verzoek van de gemeente Dinkelland is een beoordeling intern salderen uitgevoerd. D z 3 O . Het adviesverzoek is bij ons geregistreerd onder zaaknummer Z2023-ODT-012123. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vigerende situatie wordt voor dit onderdeel wordt gevraagd in verband met:  In stal 1 is het stalsysteem BWL 2004.03 gerealiseerd i.p.v. BB 97.07.056/ A97.11059V2. Beide systemen vallen onder de Rav code D 3.2.7.1.1 (de geuremissiefactor van BWL 2004.03(17,9 odour units/sec per dier) is lager dan die van het systeem BB 97.07.056/ A97.11059V2 (23 odour units/sec per dier). OD Twente Haven Zuidzijde 30 7607 EW Almelo Postbus 499 7600 AL Almelo KVK 71101241 BTW NL858579509B01 IBAN NL48 BNGH 028 5175 416 BIC BNGHNL2G

  

Eén afdeling van stal 2 wordt in gebruik genomen als ziekenboeg waar maximaal 50 vleesvarkens liggen. De overige ruimte is in gebruik als voerkeuken. In stal 2 is (net als in stal 1) het stalsysteem BWL 2004.03 gerealiseerd i.p.v. BB 97.07.056/ A97.11059V2. In stal 3 en 4 Stallen 3 en 4 worden voorzien van een combiluchtwasser. In deze stallen worden 2 emissiearme stalsystemen toegepast, namelijk een combiluchtwasser naast het bestaande ICV systeem; Er wordt een nieuwe vleesvarkensstal (stal 8) gerealiseerd voor 2.960 vleesvarkens. In deze stal worden 2 emissiearme stalsystemen toegepast, namelijk een combiluchtwasser en ICV-systeem; Het mestbassin komt te vervallen.

De aanvraag heeft betrekking op het perceel kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie W, nummers 834 en 835. Omschrijving product Advies omgevingsvergunning activiteit milieu (revisie). Documenten behorend bij het ontwerpbesluit Zie de bijlage 4 O z behorend bij dit advies. De documenten zijn aangegeven in de tabel onder S . Bijlagen bij advies  Bijlage 1 Procedurele en inhoudelijk overwegingen milieu  Bijlage 2 Voorschriften  Bijlage 3 Overwegingen intern salderen  Bijlage 4 Overzicht documenten  Bijlage 5 - AERIUS_projectberekening_20240129163300_ BeoogdeopzetRwithAMapy1G  Bijlage 6 - AERIUS_randeffect_projectberekening_20240129163300_ BeoogdeopzetRwithAMapy1G Conclusie De gevraagde omgevingsvergunning kan voor de activiteit milieu (revisie) in ontwerp worden verleend. Op een deel van de activiteiten binnen de inrichting is het Activiteitenbesluit van toepassing. De aanvraag voor een omgevingsvergunning kan voor deze activiteiten aangemerkt als de melding op grond van het Activiteitenbesluit. O

H heeft aangevraagd kan de aanvraag in principe niet eerder worden verleend, dan nadat Gedeputeerde Staten van Overijssel een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) heeft afgegeven of nadat Gedeputeerde Staten van Overijssel heeft aangegeven dat sprake is van intern salderen en dat daarom geen VVGB wordt verleend.

Z2023-ODT-012123

Omgevingsdienst Twente

Pagina 2 van 9

Echter a

H e aanvrager wordt ingetrokken. Kan de procedure ook worden voortgezet zonder vvgb, waarbij ten aanzien van de overwegingen met betrekking tot mogelijke effecten van stikstofemissie als gevolg van dit project kan worden verwezen naar bijlage 3 Overwegingen intern salderen. Hierbij wordt u geadviseerd om onderstaande Disclaimer in het besluit op de omgevingsvergunning op te nemen. Disclaimer Dit besluit bevat een beoordeling of er op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb sprake is van een vergunningplicht. Deze beoordeling is uitgevoerd op basis van het beoogde project en het huidige recht (de huidige wet- en regelgeving). Indien het beoogde project in vorm of omvang verandert of het recht, het beleid of de berekeningsmethodiek wijzigen, kan dat tot gevolg hebben dat aan dit besluit (de beoordeling of er sprake is van een vergunningplicht op grond van de artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb) geen rechten meer kunnen worden ontleend. Voorgaande betekent dat wanneer het recht of het beleid verandert of wanneer er een nieuwe berekeningsmethodiek (een nieuwe AERIUS versie) is vóórdat de bouw-voorbereidende werkzaamheden aanvangen u opnieuw zult moeten toetsen of er een vergunningplicht is op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.

Opmerking Op 6 juni 2023 heeft Gedeputeerde Staten besloten om de vergunningverlening voor emissiearme stalsystemen op te schorten tot 1 maart 2024. Dit geldt ook voor lopende procedures zonder vergunningplicht. Tot 1 maart 2024 zullen ook geen positieve weigeringen worden afgegeven voor emissiearme stalsystemen. Gezien de geschetste noodzaak voor nader kwantitatief onderzoek en de grote twijfels over het systeem is het denkbaar dat deze termijn nogmaals verlengd moet worden. In beginsel volgt de Omgevingsdienst Twente bovenstaand uitgangspunt, echter in deze zaak is al eerder advies over intern salderen afgegeven. De gewijzigde aanvraag geeft echter geen aanleiding om inhoudelijk af te wijken van het eerder afgegeven advies. Wel is een nadere onderbouwing toegevoegd.

Z2023-ODT-012123

Omgevingsdienst Twente

Pagina 3 van 9

Bijlage 1 Procedurele overwegingen milieu Vergunningplicht De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing: Categorie 28.10

Omschrijving Verwerking dierlijke bijproducten (wei)

Op grond van bovenstaande categorieën is sprake van een vergunningplichtige activiteit. Daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 6.6b, Intensieve varkenshouderij met meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg) van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting. Vergunning situatie Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend dan wel meldingen geaccepteerd voor het onderdeel Milieu: Soort Revisievergunning Wet milieubeheer Melding artikel 8.19 Wet milieubeheer

Datum 18 april 2006

Kenmerk nr. 2005068486

Onderwerp Gehele inrichting

30 mei 2006

Nr. 2006075674

Veranderingsvergunning Wet milieubeheer Melding besluit Mestbassins

13 januari 2009

Nr.2008107210

30 september 2009

Nr. 2010147327

De vleesstieren zullen niet gehouden gaan worden en daarom met deze melding niet meer binnen de inrichting aanwezig zijn. Uitbreiding met voorziening voor de opslag van voorgebakken patat Mestbassin 1.055 m3

Samenhang met overige wet- en regelgeving Coördinatie met de Waterwet Vanuit de inrichting wordt niet verontreinigd hemelwater afkomstig van daken en erfverhardingen afgevoerd naar het oppervlaktewater. Op grond van artikel 6.2 van de Waterwet zijn directe lozingen in het oppervlaktewater vanuit IPPC-inrichtingen in beginsel vergunningplichtig. Voor diverse directe lozingen in het oppervlaktewater is de vergunningplicht vanaf 1 januari 2013 echter opgeheven. Dit geldt volgens artikel 1.6 van het Activiteitenbesluit ook voor bovengenoemde lozing. Omdat het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van bodembeschermende voorzieningen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt (paragraaf 3.1.3), is geen vergunning op grond van de Waterwet vereist. De coördinatieplicht uit paragraaf 3.5 van de Wabo is daarom niet van toepassing.

Z2023-ODT-012123

Omgevingsdienst Twente

Pagina 4 van 9

Activiteitenbesluit milieubeheer De inrichting is op basis van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een inrichting type C. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling rechtstreeks van toepassing zijn. In de vergunning zijn alleen voorschriften voor aspecten en activiteiten opgenomen die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling. Binnen de inrichting vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:  het in werking hebben van stookinstallaties;  het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;  het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen;  opslag van ;  opslag van dieselolie in een bovengrondse tank;  het bereiden van brijvoer met plantaardige bijvoedermiddelen;  opslag van bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn  het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven;  toepassing van emissiearme (huisvestings)systemen;  Het opslaan van tarwegistconcentraat;  het bereiden van brijvoer (< 4.000 per jaar).

Voor deze inrichting houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling:  paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie;  paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen;  paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen;  paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;  paragraaf 3.4.7. Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen  paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank;  paragraaf 3.4.7 Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen;  paragraaf 3.5.8 Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven, met uitzondering van de artikelen 3.113 tot en met 3.121;  paragraaf 3.5.9.

Bereiden van brijvoer voor eigen landbouwhuisdieren;  hoofdstuk 1, afdelingen 2.1 tot en met 2.3 en 2.10 van hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 (uitgezonderd artikel 3.113 - 3.121) en hoofdstuk 6 (overgangsbepalingen), voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, zoals voornoemd opgenomen en afdeling 2.4 met betrekking tot de gehele inrichting. De aanvraag voor een omgevingsvergunning is voor deze activiteiten aangemerkt als de melding op grond van het Activiteitenbesluit. In het bijgevoegd beoordelingsverslag

Z2023-ODT-012123

Omgevingsdienst Twente

Pagina 5 van 9

aanvraag omgevingsvergunning, onderdeel inrichting, is nader ingegaan op de concrete inhoud van de paragrafen uit het Activiteitenbesluit die van toepassing zijn. Milieueffectrapportage De aangevraagde vergunning heeft betrekking op het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van: 

2.960 vleesvarkens (in de nieuwe vleesvarkensstal, stal 8).

In de voorgenomen bedrijfssituatie is geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarde van onderdeel C14 van de bijlage van het Besluit m.e.r. voor 3.000 vleesvarkens. De drempelwaarden van onderdeel D14 van de bijlage van het Besluit m.e.r. voor 2.000 vleesvarkens wordt wel overschreden. Dit betekent dat voor de aangevraagde activiteit een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd.

M.e.r.-beoordeling De voorgenomen activiteit valt onder categorie 14 van de D-lijst van het Besluit m.e.r. waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Op grond van artikel 7.16 van de Wm heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 6 december 2019 bij ons gemeld. Daarop hebben wij op 20 maart 2020 in een (vormvrij) m.e.r beoordelingsbesluit besloten dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Van dit besluit is door de gemeente Dinkelland kennis gegeven conform artikel 12 van de Bekendmakingswet, middels publicatie in het gemeentenieuws. Het besluit is als bijlage bij de aanvraag gevoegd en maakt onderdeel uit van de aanvraag om onderhavige omgevingsvergunning. Bij de beoordeling van de aanvraag is gebleken dat in het genomen m.e.r. beoordelingsbesluit er onterecht vanuit is gegaan dat deze vormvrij was. De inhoudelijke beoordeling is voor de vormvrije mer beoordeling en voor de mer beoordeling zijn echter hetzelfde. Er is geen aanleiding voor het nemen van een nieuw besluit. Onderhavige aanvraag wijkt beperkt af van de beoogde opzet beschreven in het besluit op de aanmeldnotitie.

Het gaat om de volgende veranderingen: In stal 2 worden maximaal 50 vleesvarkens in een ziekenboeg gehouden in plaats van de oorspronkelijk beoogde 200; In stallen 3 en 4 wordt naast het ICV-systeem, een combiluchtwasser gerealiseerd; Stal 8 is opgedeeld in twee compartimenten, elk compartiment heeft een luchtwasser. De luchtwassers worden niet zoals oorspronkelijk was aangegeven in elkaars nabijheid geplaatst, maar beiden aan het noordelijke zijde van het compartiment. De wijzigingen worden niet aangemerkt als het oprichten of wijzigen van een nieuwe installatie als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. De wijzigingen geven ook geen aanleiding voor de noodzaak voor het opstellen van een nieuw merbeoordelingsbesluit. - Voor de afname van het aantal te houden dieren, met 150 vleesvarkens, is het niet nodig om een nieuw mer-beoordelingsbesluit te nemen. De milieugevolgen worden hierdoor verkleind; - Voor de toepassing van twee luchtwassers naast het ICV-systeem op de stallen 2 en

Z2023-ODT-012123

Omgevingsdienst Twente

Pagina 6 van 9

3 is het niet nodig om een nieuw mer-beoordelingsbesluit te nemen. De milieugevolgen worden door deze aanvullende techniek verkleind; - door de verplaatsing van het emissiepunt van stal 8 wordt de afstand van deze emissiepunt tot de geur overbelaste woning aan de Voortsweg 6 vergroot. De milieugevolgen worden voor de overbelaste woning verkleind; - De aangevraagde situatie veroorzaakt geen hogere depositie op een Natura-2000 dan de situatie conform het mer-beoordelingsbesluit. Bovengenoemde veranderingen worden niet aangemerkt als het oprichten of wijzigen van een nieuwe installatie als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft om die reden geen nieuw mer-beoordelingsbesluit te worden genomen. Doordat ook het aantal dieren afneemt ten opzichte van het aantal genoemd in het merbeoordelingsbesluit kan tevens worden geconcludeerd dat de milieugevolgen kleiner zijn dan beschreven in het besluit op de aanmeldingsnotitie. Gezien bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de milieugevolgen ten opzichte van het mer-beoordelingsbesluit niet groter zijn dan beschreven in het mer beoordelingsbesluit. Wij zien geen aanleiding voor een nieuw mer-beoordelingsbesluit. Wet natuurbescherming - gebiedsbescherming Voor onderhavige inrichting is op 26 augustus 2020 een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend met kenmerk 2020/0238425.

Deze vergunning is op 14 oktober 2020 onherroepelijk geworden. De omgevingsvergunning wijkt af van de vigerende Wnb vergunning. De belangrijkste wijzigingen zijn hieronder weergegeven: Mestsilo 5000 m3 De mestsilo met een berekende ammoniakemissie van 256, kg NH3 /jaar komt in de aangevraagde situatie te vervallen. Stal 2 - afname van het aantal te houden dieren met 150 vleesvarkens in stal 2 (incl. verkleining van deze stal); Stal 3 - toepassing gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (incl. wijzigingen m.b.t. emissiepunt). Stal 4 - toepassing gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (incl. wijzigingen m.b.t. emissiepunt). Stal 8 links, 1360 vleesvarkens) - verkleining uittreeddiameter (van 3,2 naar 1,9 m); - verhoging uittreedsnelheid (van 1,5 naar 4,0 m/s). Stal 8 rechts, 1600 vleesvarkens - verkleining uittreeddiameter (van 3,2 naar 2,1 m); - verhoging uittreedsnelheid (van 1,8 naar 4,0 m/s). (Op grond van de Regeling ammoniak en veehouderij zal de aangevraagde wijziging m.b.t. het houden van dieren een berekende afname van de ammoniakemissie met 4.711,95 kg NH3 per jaar tot gevolg hebben.)

Z2023-ODT-012123

Omgevingsdienst Twente

Pagina 7 van 9

In specifieke gevallen maken toestemmingen uit andere wetten dan de Wabo onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Dit komt onder andere voor als de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd ook moeten worden aangemerkt als het realiseren van een project of het verrichten van handelingen die schadelijk kunnen zijn voor natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied (art. 2.2aa, onder a Besluit omgevingsrecht). Indien hiervan sprake is dan haakt de Wet natuurbescherming aan bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. De aangevraagde verandering van de inrichting heeft geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Gelet hierop haakt de Wet natuurbescherming niet aan de bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. Overwegingen met betrekking tot mogelijke effecten van stikstofemissie als gevolg van dit project, staan omgeschreven in bijlage 3 Overwegingen behorend bij het besluit. Beschermde dier- en plantensoorten Ten behoeve van de wijziging van de inrichting vinden er bouwactiviteiten plaats. De nieuwbouw wordt gerealiseerd op gronden die thans in gebruik zijn als grasland. Deze gronden worden intensief bewerkt (bemest / beweid / gemaaid) waardoor het niet aannemelijk is dat zich hier beschermde soorten flora en fauna hebben ontwikkeld. Het plangebied is op 5 april 2022 onderzocht door Natuurbank Overijssel.

De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd bij de aanvraag als Bijlage 9 4256_QuickScan_ Voortsweg 4 te Saasveld.pdf bij de aangevraagde activiteit bijbehorend bouwwerk bouwen, Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening . Natuurbank Overijssel concludeert dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied niet een geschikte groeiplaats is voor beschermde plantensoorten. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten veldmuizen er ook een vast rust- of voortplantingsplaats. Er nestelen geen volgens en amfibieën en vleermuizen bezetten geen vast (winter)rust- of verblijfplaats. Het is evenmin een essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Uiteraard wordt met de bouw rekening gehouden met eventuele weidevogels en beschermde diersoorten. Er zullen geen activiteiten plaats vinden binnen het broedseizoen, en er worden geen beschermde diersoorten gedood. Beoordeling aanvraag Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid.

In verband met het ontbreken van een aantal gegevens is de aanvrager in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 9 mei 2022, 13 juni 2022, 4 en 25 augustus 2022, 4 oktober 2022, 21 september 2022, 4 oktober 2022 en op 24 november 2022, 22 december 2022 en op 3 en 30 januari 2023. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag getoetst op volledigheid. Wij hebben beoordeeld dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving.

Z2023-ODT-012123

Omgevingsdienst Twente

Pagina 8 van 9

De aanvraag is destijds ook in behandeling genomen en op 2 februari 2023 hebben wij een inhoudelijk advies afgegeven. Echter naar aanleiding van een buurconsultatie heeft de Maatschap Munsterhuis besloten om de aanvraag aan te passen. Op 24 juli 2023 op 5 en 11 september 2023 en op 8 en 28 november 2023 is de aanvraag gewijzigd ingediend. Na ontvangst van de gewijzigde stukken hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. Betrokken adviseurs In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag niet ter advies doorgezonden. Vervolg Graag ontvangen wij van u een afschrift van het door u verzonden (ontwerp)besluit. Almelo, 11 december 2023

Ir. Jan Willem Strebus Directeur Omgevingsdienst Twente (Gewijzigd op 20-02-2024 in verband met nieuwe bijlagen 5 en 6) Bijlagen - Bijlage 1 Inhoudelijke overwegingen Milieu - Bijlage 2 Voorschriften milieu - Bijlage 3 Overwegingen intern salderen - Bijlage 4 Overzicht documenten - Bijlage 5 - AERIUS_projectberekening_20240129163300_ BeoogdeopzetRwithAMapy1G - Bijlage 6 - AERIUS_randeffect_projectberekening_20240129163300_ BeoogdeopzetRwithAMapy1G

Z2023-ODT-012123

Omgevingsdienst Twente

Pagina 9 van 9

Bijlage 1 Inhoudelijke overwegingen Milieu

1.

ALGEMEEN .............................................................................................................. 2

2.

DE AANVRAAG ......................................................................................................... 2

3.

BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN ........................................................................... 4

4.

IPPC-INSTALLATIE ................................................................................................... 4

5.

GEURHINDER......................................................................................................... 16

6.

AMMONIAKEMISSIE UIT DIERVERBLIJVEN ................................................................ 19

7.

ENERGIE RELEVANTE INRICHTING .......................................................................... 19

8.

GELUID.................................................................................................................. 21

9.

BODEM .................................................................................................................. 23

10.

LUCHT ............................................................................................................... 23

11.

AFVALWATER ..................................................................................................... 30

12.

OPSLAG EN VERWERKING VAN BIJVOEDERMIDDELEN (RESTPRODUCTEN) ............ 31

13.

DOELMATIG BEHEER VAN AFVALSTOFFEN ........................................................... 32

14.

EXTERNE VEILIGHEID ......................................................................................... 34

BIJLAGE 1: BEREKENING AMMONIAK-, GEUR- EN FIJNSTOFEMISSIE VERGUNDE DIEREN (REVISIEVERGUNNING D.D. 18 APRIL 2006) .................................................................... 37 BIJLAGE 2: BEREKENING AMMONIAK-, GEUR- EN FIJNSTOFEMISSIE AANGEVRAAGDE DIEREN.......................................................................................................................... 38 BIJLAGE 3: TOETSING VOORGENOMEN SITUATIE AAN HET BESLUIT EMISSIEARME HUISVESTING ................................................................................................................. 40

OD Twente Haven Zuidzijde 30 7607 EW Almelo Postbus 499 7600 AL Almelo KVK 71101241 BTW NL858579509B01 IBAN NL48 BNGH 028 5175 416 BIC BNGHNL2G

1. Algemeen Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij:  de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder a van de Wabo betrokken;  met de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder b van de Wabo rekening gehouden;  de aspecten genoemd in artikel 2.14 eerste lid onder c van de Wabo in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

2. De aanvraag De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vigerende situatie zijn hierna benoemd:  In stal 1 is het stalsysteem BWL 2004.03 gerealiseerd i.p.v. BB 97.07.056/ A97.11059V2. Beide systemen vallen onder de Rav code D 3.2.7.1.1 (de geuremissiefactor van BWL 2004.03(17,9 odour units/sec per dier) is lager dan die van het systeem BB 97.07.056/ A97.11059V2 (23 odour units/sec per dier).  Eén afdeling van stal 2 wordt in gebruik genomen als ziekenboeg waar maximaal 50 vleesvarkens liggen. De overige ruimte is in gebruik als voerkeuken. In stal 2 is (net als in stal 1) het stalsysteem BWL 2004.03 gerealiseerd i.p.v. BB 97.07.056/ A97.11059V2.  In stal 3 en 4 Stallen 3 en 4 worden voorzien van een combiluchtwasser. In deze stallen worden 2 emissiearme stalsystemen toegepast, namelijk een combiluchtwasser naast het bestaande IC-V systeem (IC-V systemen zijn emissiearme systemen met een schuine putwand in de kelder,

waardoor het emitterend mestoppervlak wordt verkleind. IC staat voor Inter Continental. De naam van een Nederlands bedrijf die deze systemen heeft ontwikkeld. De V is geen afkorting, maar zegt mogelijk iets over de vorm die ontstaat door plaatsing van putwanden in de mestkelder).

Er wordt een nieuwe vleesvarkensstal (stal 8) gerealiseerd voor 2.960 vleesvarkens. In deze stal worden 2 emissiearme stalsystemen toegepast, namelijk een combiluchtwasser en ICV-systeem;

Het aantal dieren waarvoor vergunning wordt gevraagd, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de geuremissie (OUE/s) en de fijn stofemissie (gram PM10 per jaar) zijn in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. weergegeven. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Toepassing emissiearme (huisvestings)systemen Ter vermindering van de emissie worden in alle varkensstallen emissiearme (huisvestings)systemen toegepast. De uitvoering van de huisvestingssystemen in de varkensstallen is beoordeeld aan de hand van systeembeschrijvingen zoals vastgelegd in het betreffende leaflet van het (huisvestings)systeem. In artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit is opgenomen dat aan deze eisen moet worden voldaan. Doordat dit artikel een rechtstreekse werking heeft worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen.

Z2023-ODT-012123

Pagina 2 van 40

Beoordeling dimensioneringsplannen luchtwassystemen (BWL 2009.12.V5), stallen 3, 4 en 8) In de stallen 3 en stal 4 wordt een luchtwasser toegepast voor 1.789 vleesvarkens. In stal 8 worden 2 luchtwassers toepast. Een aan de linkerzijde (zuidzijde) van de stal voor 1.360 vleesvarkens en een aan de rechterzijde (noordzijde) van stal 8 voor 1.600 vleesvarkens. Het systeem dat in stal 3 en stal 4 en aan beide zijden van stal 8 wordt toegepast is Gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie met watergordijn en biologische met BWL 2009.12.V5. Het emissiearme systeem gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie met watergordijn en biologische wasser is niet meer onder het nummer BWL 2009.12.V4 opgenomen in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). De systeembeschrijving van dit stalsysteem is door nieuwe inzichten op 22 september 2022 geactualiseerd en is vervangen door de systeembeschrijving met het nummer BWL 2009.12.V5. Op de systeembeschrijving met dit nummer staat vermeld dat deze de beschrijving BWL 2009.12.V4 van juli 2018 vervangt. Voor wat betreft de emissiefactoren van dit systeem is aangesloten bij de emissiefactoren die voor dit systeem met het nieuwe nummer zijn vastgesteld. Bij de aanvraag zijn vier dimensioneringsplannen van de aangevraagde gecombineerd luchtwassystemen gevoegd.

Deze dimensioneringsplannen zijn inhoudelijk beoordeeld. Uit de technische beschrijving (leaflet) behorend bij het systeem blijkt dat de belasting van het luchtwassysteem maximaal 4.080 m 3 lucht per uur per m 2 aanstroomoppervlak van het filterpakket in de biologische wasser mag bedragen. Stal 3 - Luchtwasser t.b.v. 1.789 vleesvarkens  Uit het dimensioneringsplan blijkt dat hieraan wordt voldaan. (De capaciteit van de luchtwasser bedraagt maximaal 146.880 m 3 lucht per uur en de maximale belasting 143.120 m 3 lucht per uur). De spuihoeveelheid is afhankelijk van het stalsysteem, stalbelegging, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en biologische werking. Er is daarom op voorhand geen vaste waarde in het dimensioneringsplan aangegeven. Het spuien van het waswater uit de gecombineerde wasser moet worden aangestuurd door een automatische regeling op basis van geleidbaarheid. Conform het dimensioneringsplan bedraagt de spuiwaterhoeveelheid circa 922 m 3 per jaar. Stal 4 - Luchtwasser t.b.v. 1.789 vleesvarkens.  Uit het dimensioneringsplan blijkt dat hieraan wordt voldaan. (De capaciteit van de luchtwasser bedraagt maximaal 146.880 m 3 lucht per uur en de maximale belasting bedraagt 143.120 m 3 lucht per uur). De spuihoeveelheid is afhankelijk van het stalsysteem, stalbelegging, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en biologische werking.

Er is daarom op voorhand geen vaste waarde in het dimensioneringsplan aangegeven. Het spuien van het waswater uit de gecombineerde wasser moet worden aangestuurd door een automatische regeling op basis van geleidbaarheid. Conform het dimensioneringsplan bedraagt de spuiwaterhoeveelheid circa 922 m 3 per jaar. Stal 8 links (zuidzijde) - Luchtwasser t.b.v. 1.360 vleesvarkens Z2023-ODT-012123

Pagina 3 van 40

Uit het dimensioneringsplan blijkt dat hieraan wordt voldaan. (De capaciteit van de luchtwasser bedraagt maximaal 117.504 m 3 lucht per uur en de maximale belasting 108.800 m 3 lucht per uur). De spuihoeveelheid is afhankelijk van het stalsysteem, stalbelegging, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en biologische werking. Er is daarom op voorhand geen vaste waarde in het dimensioneringsplan aangegeven. Het spuien van het waswater uit de gecombineerde wasser moet worden aangestuurd door een automatische regeling op basis van geleidbaarheid. Conform het dimensioneringsplan bedraagt de spuiwaterhoeveelheid circa 701 m 3 per jaar.

Stal 8 rechts (noordzijde) - Luchtwasser t.b.v. 1600 vleesvarkens.  Uit het dimensioneringsplan blijkt dat hieraan wordt voldaan. (De capaciteit van de luchtwasser bedraagt maximaal 141.005 m 3 lucht per uur en de maximale belasting bedraagt 128.000 m 3 lucht per uur). De spuihoeveelheid is afhankelijk van het stalsysteem, stalbelegging, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en biologische werking. Er is daarom op voorhand geen vaste waarde in het dimensioneringsplan aangegeven. Het spuien van het waswater uit de gecombineerde wasser moet worden aangestuurd door een automatische regeling op basis van geleidbaarheid. Conform het dimensioneringsplan bedraagt de spuiwaterhoeveelheid circa 824 m 3 per jaar.

3. Beste beschikbare technieken Getoetst is aan de eis om de voor de inrichting in aanmerking komende Beste Beschikbare Technieken (BBT) toe te passen (artikel 2.14 lid 6 van de Wabo in samenhang met artikel 5.4 van het Besluit omgevingsrecht). Hierbij is rekening gehouden met de in bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht aangewezen BBTdocumenten. Door naleving van de aan deze vergunning verbonden voorschriften worden de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken voorkomen, of voor zover dat niet kan, ten minste in voldoende mate beperkt of ongedaan gemaakt.

4. IPPC-installatie De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, heeft betrekking op de realisatie van een bedrijf met 7.740 dierplaatsen voor vleesvarkens. Hiermee wordt de ondergrenswaarde van 2.000 dierplaatsen voor vleesvarkens overschreden waardoor de installatie moet worden aangemerkt als een IPPC-installatie. Het toetsingskader wordt gevormd door de betreffende artikelen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarin de Richtlijn industriële emissies (RIE) is geïmplementeerd. Bij het bepalen van de beste beschikbare technieken hebben wij rekening gehouden met het uitvoeringsbesluit (EU) 2017/302 van de Europese Commissie van 15 februari 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. BBT conclusies intensieve veehouderij en reikwijdte Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies voor intensieve veehouderij gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze BBTZ2023-ODT-012123

Pagina 4 van 40

conclusies hebben betrekking op activiteiten die vallen onder de IPPC-categorie 6.6 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU. Het gaat om de volgende categorieën:   

6.6a: veehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee; 6.6b: veehouderijen met meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg; 6.6c: veehouderij met meer dan 750 plaatsen voor zeugen.

De BBT-conclusies hebben betrekking op het aanhouden van voldoende afstand tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten, het gebruik van huisvestingssystemen, het optimaliseren van de wijze waarop afvoerlucht uit de stallen wordt verwijderd, het gebruik van luchtzuiveringssystemen en de opslag, het verwerken en het uitrijden van mest. In de BBT is ervoor gekozen de mestproblematiek integraal te benaderen, waardoor er ook aspecten worden behandeld (bijvoorbeeld het uitrijden van mest) die wel op het terrein van het bedrijf maar buiten de grenzen van de inrichting plaatsvinden. Alleen als er sprake is van een technische samenhang kunnen deze activiteiten onderdeel uitmaken van een installatie als bedoeld in de IPPC-richtlijn (art. 2, onderdeel 3, IPPC). Dit is doorgaans niet het geval. De publicatie van de BBT-conclusies brengt met zich mee dat het bevoegd gezag binnen een termijn van vier jaar na de publicatie voor de hoofdactiviteit van een IPPCinstallatie moet toetsen of de vergunningvoorschriften voldoen aan deze nieuwe BBTconclusies van het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie en, indien dit niet het geval is, de voorschriften zo nodig moet aanpassen. Ook moet de vergunninghouder de technieken binnen 4 jaar gebruiken. Is er sprake van verlening van een nieuwe omgevingsvergunning dan gelden de BBT-conclusies direct.

Verhouding met nationale wetgeving: Wabo, Bor, Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor) Wat betreft het beoordelingskader voor een aanvraag omgevingsvergunning milieu geldt als basis artikel 2.14, Wabo. Artikel 2.14, eerste lid onder c, sub 1, Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu in ieder geval in acht dient te nemen dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Het zesde lid van artikel 2.14 van de Wabo bepaalt dat bij of krachtens AMvB regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden bepaald. Daarbij kan worden aangegeven dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie. Een nadere regeling voor het bepalen van BBT is neergelegd in het Bor en in de Mor. Op basis van artikel 5.4 van het Bor en artikel 9.2 van de Mor moet het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende BBT rekening houden met BBT-conclusies en informatiedocumenten die zijn opgenomen in de Mor. Een inrichting moet de BBT toepassen.

Het kan echter zo zijn dat locatie specifieke omstandigheden vergen dat in het belang van de bescherming van het milieu verdergaande technieken dan de van toepassing zijnde BBT worden toegepast. De BBT dienen terug te komen in de emissiegrenswaarden die in een voorschrift bij de vergunning worden opgenomen. De aan de vergunning verbonden emissiegrenswaarden mogen niet hoger zijn dan de met de BBT geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de BBT-conclusies. Hierop bestaat een Z2023-ODT-012123

Pagina 5 van 40

uitzondering, namelijk als het halen van de emissiegrenswaarde, zoals die in de BBTconclusies staan, leidt tot buitensporig hoge kosten. Als hiervan sprake is kunnen minder strenge emissiegrenzen worden vastgesteld. Dit zal zelden het geval zijn, aangezien de maatregelen die in de BBT-conclusies staan ook kosteneffectief moeten zijn. Bij veehouderijen die onder de werkingssfeer van de IPPC-richtlijn vallen, dient naast de BBT-beoordeling ook het effect van de emissies op de omgeving te worden beoordeeld. Voor emissies waarvoor wettelijk vastgestelde kwaliteitsnormen gelden, moet worden beoordeeld of de inrichting een overschrijding van die normen veroorzaakt. Is dat het geval dan moet gekeken worden met welke maatregelen deze overschrijding kan worden voorkomen en moet in het uiterste geval, als overschrijding niet te voorkomen is, de vergunning worden geweigerd. Milieubeheersystemen (BBT 1) BBT is om een milieubeheerssysteem in te voeren en na te leven. De mate van gedetailleerdheid is afhankelijk van de aard, omvang en complexiteit van de veehouderij en het scala aan eventuele milieueffecten ervan. Een IPPC-veehouderij heeft al diverse, uitgebreide, verplichtingen op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet hoofdstuk VI, m.b.t. het registreren van veevoer en mest.

Deze administratie moet aan de Minister van Economische Zaken worden verstrekt en 5 jaar op het bedrijf worden bewaard. Deze administratie kan dienen als basis voor het milieubeheerssysteem en worden aangevuld met de administratie m.b.t. energieverbruik, waterverbruik en afvoer van afval. Onderhoud van installaties ten behoeve van het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen voor het milieu is al onderdeel van de zorgplicht, artikel 2.1 uit het Activiteitenbesluit. Voor specifiek het onderhouden van huisvestingssystemen voor het houden van dieren geeft artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit nadere invulling. Bij complexe activiteiten en installaties, zoals een vergistingsinstallatie of luchtwassers, is scholing en instructie van personeel van belang. De administratie moet dan aangevuld worden met een scholings- en instructieprogramma. Voor specifiek luchtwassers is dit al ingevuld via de verplichte gedragsvoorschriften van artikel 3.125 Activiteitenbesluit. Conclusie De registratieverplichting voor veevoer en mest, in combinatie met de registratie voor energie, water en afval en de zorgplicht en onderhoudsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit is voldoende om ook aan de eisen van de BBT-conclusie uit het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie te voldoen voor het houden van dieren.

Goede bedrijfspraktijken (BBT 2) BBT is om alle technieken die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese . standaard meegenomen. Alle technieken onder c vallen onder Titel 17.1 van de Wm . zorgplicht, artikel 2.1, uit het Activiteitenbesluit. Voor onderdeel e is paragraaf 3 van de Regeling dierlijke producten van toepassing. Conclusie Alle technieken uit de onderdelen a, c, d en e van paragraaf 1.2 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie vallen onder bestaande wet- en regelgeving. Onderdeel b, scholing en kennisgeving van personeel is standaard bedrijfspraktijk.

Z2023-ODT-012123

Pagina 6 van 40

Voedingsbeheer (BBT 3 t/m BBT 4) Het is BBT om stikstof- en fosfaatexcretie te beperken met voermanagement. Het is standaard landbouwpraktijk in Nederland om één van de genoemde technieken uit het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie toe te passen. Meerfasevoedering is veruit de meest gebruikte techniek, voor zowel de varkenshouderij als de pluimveehouderij. Monitoring vindt plaats met het landelijke NEMA-model (National Emission Model for Agriculture). . . jlage 2 de stikstof- en fosfaatexcretie uit de stal en de wei per diercategorie te vinden. Hieruit blijkt dat de normale landbouwpraktijk voldoet aan de BBT. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gebruikt de NEMA-resultaten in de berekening van de hoeveelheid mineralen in dierlijke mest die aan landbouwgronden wordt toegediend. De stikstofexcretie wordt hierbij gecorrigeerd voor gasvormige stikstofverliezen die optreden in de stal en in mestopslagen buiten de stal. Deze gegevens worden gebruikt voor beleidsevaluaties en worden aan de Europese Commissie gerapporteerd in het kader van de Nitraatrichtlijn. Conclusie Wat betreft voedingsbeheer wordt met een normale bedrijfspraktijk voldaan aan de BBT-conclusies van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. Monitoring vindt landelijk plaats met het NEMA-model en de jaarlijkse CBS-berekeningen.

Water: efficiënt gebruik van water, productie afvalwater en emissies via afvalwater (BBT 5 t/m BBT 7) Het is BBT om minimaal twee van de genoemde waterbesparende en twee van de drie productie van afvalwater beperkende technieken toe te passen. Onderhoud aan de drinkwatersystemen om lekken te voorkomen is al een verplichting via de zorgplicht van het Activiteitenbesluit (art. 2.1). De overige technieken zijn al onderdeel van een normale landbouwpraktijk. Voor het verminderen van emissies van afvalwater in het oppervlaktewater en het grondwater gelden regels op grond van het Activiteitenbesluit en de Waterwet. Z 230720_Formulier uitwerking bbtconclusies.pdf worden toegepast. Conclusie Via de zorgplicht van het Activiteitenbesluit, het toepassen van een normale landbouwpraktijk en het voldoen aan de regels van het Activiteitenbesluit wordt voldaan aan deze BBT-conclusies. Ook uit de onderbouwing getroffen maatregelen BBTconclusie wordt voldaan. Efficiënt gebruik van energie (BBT 8) Om efficiënt om te gaan met energie moeten minimaal twee van de technieken die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, worden toegepast of twee technieken die hieraan gelijkwaardig zijn. Op dit bedrijf worden minimaal twee van deze technieken toegepast.

Op het bedrijf worden hoogrenderende verwarmingsen ventilatiesystemen toegepast, ledverlichting, frequentieregelaars op de brijvoerpompen en ventilatiesystemen en isolatie van muren vloeren en/of plafonds van de stallen. Conclusie Met het voldoen aan minimaal twee van de technieken die genoemd zijn in paragraaf

Z2023-ODT-012123

Pagina 7 van 40

1.6 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie wordt voldaan aan de BBTconclusies. Geluidsbeheerplan, voorkomen geluidemissies (BBT 9 en BBT 10) Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven en om één of een combinatie van de technieken te gebruik om geluidemissies te voorkomen of beperken. Een geluidbeheersplan is alleen nodig wanneer geluidhinder wordt verwacht of is aangetoond. In de omgevingsvergunning moeten geluidnormen worden opgenomen passend voor de omgeving. Eventueel worden ook maatregelen opgenomen om te borgen dat aan de geluidnormen wordt voldaan. De normen en maatregelen zijn er op gericht om geluidhinder te voorkomen. Als kan worden onderbouwd dat geen geluidhinder wordt verwacht, is een geluidbeheersplan niet nodig. Als niet aan de normen wordt voldaan, kan handhavend worden opgetreden. Er is een akoestisch rapport bij de aanvraag gevoegd waardoor inzicht is verkregen in de geluidsbelasting. De rapportage van het geluidonderzoek betreft een geluidsbeheersplan. De maatregelen die in de rapportage van dat onderzoek zijn opgesomd – en die in alle redelijkheid van de inrichting kunnen worden verlangd – en benodigd zijn, zijn in het akoestisch rapport opgenomen. Er zijn geen geluidsklachten van de omgeving ten aanzien van de bedrijfsvoering. Het akoestisch onderzoek is correct uitgevoerd.

De uit berekening verkregen geluidsbelastingen overschrijden op de bij beleid vastgestelde toets punten de ambitiewaarde, doch overschrijden de bovengrenswaarde niet. De omgeving wordt naar verwachting vanwege de gewenste uitbreiding niet bovenmatig met geluid belast. Op grond van het beleid en het resultaat van het onderzoek op de optredende maximale geluidsbelastingen dient het laden en lossen van varkens beperkt blijven tot de periode tussen 07.00 en 19.00 uur. Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten gelegen 50 meter van de inrichtingsgrens. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte, behoudens het laden en lossen van varkens in de periode tussen 06.00 en 07.00 uur. Dat laatste is uitgesloten, zodat geen sprake is van overschrijding van de vergunde waarden. Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen. Conclusie Het maken van een geluidsbeheerplan is niet nodig. Stofemissies (inclusief fijn stof) voorkomen (BBT 11) Om de stofemissies uit elke stal te verminderen, moet één of een combinatie van de technieken worden gebruikt.

Er wordt geen onderscheid gemaakt in grof en fijn stof. Per stal moet worden beoordeeld of er maatregelen zijn genomen om emissie van grof en fijn stof te voorkomen. Als dit niet het geval is, moeten aanvullende technieken worden toegepast. Als een nieuwe stal voldoet aan de maximale emissiewaarde van Besluit emissiearme huisvesting dan wordt in ieder geval voldaan aan deze BBTconclusie.

Z2023-ODT-012123

Pagina 8 van 40

In alle stallen worden de vleesvarkens voornamelijk vervoerd met vochtig voer. Daarnaast worden de stallen 3, 4 en 8 voorzien van vier gecombineerde luchtwassystemen. Conclusie Omdat op dit bedrijf per stal minimaal een preventietechniek wordt toegepast of één reducerende of afvangende techniek voor grof of fijn stof wordt toegepast, die genoemd zijn in paragraaf 1.8 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie, wordt aan de BBT-conclusies voldaan. Geur, geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring, geuremissies voorkomen (BBT 12 en BBT 13) mestbassin/opslag brijvoer/emissiestallen Het is BBT om bij onaanvaardbare geurhinder op te beschermen geurgevoelige objecten een geurbeheersplan te maken, uit te voeren en te evalueren. Daarnaast moeten er minimaal twee van de technische maatregelen worden genomen, die genoemd zijn in het uitvoeringsbesluit van de Europese commissie. Het geurbeheersplan is alleen nodig wanneer geurhinder op te beschermen geurgevoelige objecten wordt verwacht. Dit is het geval als er sprake is van een klachtenpatroon of in situaties waarbij de geurnormen op te beschermen geurgevoelige objecten worden overschreden. In de vergunde situatie is sprake van een geuroverbelaste situatie.

De hoogste vergunde geurbelasting bedraagt 18,9 ouE/m 3 op de locatie Voortsweg 6 (de geurnorm bedraagt 14,0 ouE/m 3) De volgende geuremissie reducerende veranderingen in de bestaande stallen vinden plaats ten op zichtte van de vergunde situatie: - In stal 1 is het stalsysteem BWL 2004.03 gerealiseerd i.p.v. BB 97.07.056/ A97.11059V2. Beide systemen vallen onder de Rav code D 3.2.7.1.1 (de geuremissiefactor van BWL 2004.03( 17,9) is lager dan die van het systeem BB 97.07.056 (23); - Stal 2: 50 vleesvarkens in ziekenboeg i.p.v. beoogde 200 (in aanmeldingsnotitie en oorspronkelijk vergunde 385). Verder is in plaats van BB 97.07.056 stalsysteem BWL 2004.03 gerealiseerd. - Stal 3 en 4: worden naast het emissiearme ICV-systeem voorzien van een centraal emissiepunt met combiluchtwassers. In de aangevraagde situatie wordt daarnaast een nieuwe vleesvarkensstal (aangeduid met nummer 8) gerealiseerd voor 2.960 vleesvarkens. In deze stal worden 2 emissiearme stalsystemen toegepast, namelijk een combiluchtwasser en het ICVsysteem. In de aangevraagde situatie neemt de geurbelasting af ten opzichte van de vergunde situatie (grootste afname 5,3 ouE/m 3), en komt bij alle geurgevoelige objecten onder de geurnorm van 14,0. In de vergunde situatie is sprake van een geur overbelaste situatie m.b.t. de woning aan de Voortsweg 6.

In de aangevraagde situatie wordt door toepassing van geur reducerende maatregelen de geurbelasting op nabijgelegen woningen verlaagd. In de aangevraagde situatie zal op de Voortsweg 6 niet langer meer sprake zijn van een overschrijding van geurnorm van 14,0 odour units per kubiek meter lucht. Op alle geurgevoelige objecten wordt voldaan aan de normen de Wet geurhinder en veehouderij. Bij de aanvraag is desondanks een . . aangevuld 21 december 2022 en 20 juli 2023 (230720_Geurbeheersplan Munsterhuis.pdf ingediend op 24-7-2023). Z2023-ODT-012123

,

Pagina 9 van 40

BBT 13 geuremissies voorkomen schrijft de technieken voor die minimaal moeten worden gebruikt om geuremissie en/of geureffecten te voorkomen of te verminderen. Er moet een combinatie van technieken worden gebruik. De volgende geurreducerende maatregelen worden genomen: - Er wordt voldoende afstand in acht genomen tussen de boerderij en de gevoelige receptoren; - schoonhouden van dierplaatsen; - toepassing van emissiearme stalsystemen; - op de stallen 3, 4 en op de nieuwe stal 8 wordt daarnaast een luchtzuiveringssysteem toegepast; - drijfmest wordt opgeslagen in afgesloten kelders; - bij het uitrijden van mest wordt mestinjectie toegepast; ; - opslag CCM wordt met folie afgedekt; - buiten de stallen wordt op dit bedrijf geen mest opgeslagen. Aan de bijbehorende monitoring wordt voldaan door het toepassen van een geurberekening met V-stacks vergunningen met gebruikmaking van de emissiefactoren van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Conclusie Omdat op dit bedrijf minimaal twee van de technische maatregelen worden genomen, die genoemd zijn in paragraaf 1.9 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie, er van een klachtenpatroon geen sprake is, monitoring wordt toegepast door het toepassen van een geurberekening met V-stacks vergunningen en door het aangeleverde geurbeheersplan wordt aan deze BBT-conclusies voldaan.

Emissie uit de opslag van vaste mest (BBT 14 en BBT 15) Het is BBT om ammoniakemissie vanuit de opslag van vaste mest te voorkomen door het toepassen van 1 of meerdere van de genoemde technieken in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. Daarnaast moeten emissies naar bodem en water worden voorkomen door minimaal een combinatie van de genoemde technieken in dit uitvoeringsbesluit toe te passen. Op dit bedrijf vindt echter geen opslag van vaste mest buiten de stallen plaats. Conclusie Deze BBT-conclusie is op dit bedrijf niet van toepassing, omdat buiten de stallen geen vaste mest afkomstig van de varkens wordt opgeslagen. Emissies uit de opslag van drijfmest (BBT 16 t/m BBT 18) Het is BBT om emissie van ammoniak naar de lucht te voorkomen door het toepassen van een combinatie van de in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie opgenomen technieken. Deze BBT-conclusie geldt voor alle typen mestbassins. Lagunes zijn in Nederland niet toegestaan. Om emissies naar bodem en oppervlaktewater te voorkomen, dient daarnaast een combinatie van de genoemde technieken in dit besluit, of hieraan gelijkwaardige technieken te worden toegepast. De voorschriften uit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zien hierop toe. Hieronder valt bijv. een verplichte afdekking van het mestbassin.

Deze voorschriften uit het Activiteitenbesluit zijn ook van toepassing op IPPC-inrichtingen. Alleen bij grootschalige opslag van drijfmest moeten hierover in een vergunning voorschriften worden opgenomen. De vergunningvoorschriften dienen zodanig van aard te zijn dat ze een gelijkwaardig beschermingsniveau bewerkstelligen.

Z2023-ODT-012123

Pagina 10 van 40

De opslagcapaciteit van drijfmest is in Nederland voldoende geregeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Conclusie Onderhavige aanvraag heeft betrekking op een grootschalige opslag van drijfmest. De voorschriften verbonden aan deze vergunning zijn gebaseerd op de voorschriften van het Activiteitenbesluit die gelden voor mestbassin. Door te voldoen aan de voorschriften van de vergunning (gebaseerd op de eisen van hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit) en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wordt aan deze BBTconclusies voldaan. Verwerking van mest op de boerderij, toepassen mestverwerkingstechnieken (BBT 19) Als er mest wordt verwerkt op de boerderij, dat is bedoeld om de opslag en/of het uitrijden van mest te vergemakkelijken, is het BBT om één van de genoemde technieken in het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie te gebruiken. De technieken dienen om stikstof-, fosfor- en geuremissies en ziekteverwekkers naar lucht en bodem te verminderen. Een andere mest verwerkende techniek kan ook BBT zijn als rekening wordt gehouden met dezelfde emissies en emissieniveaus. Op dit bedrijf vindt echter geen verwerking van mest op de boerderij plaats. Conclusie Deze BBT-conclusie is op dit bedrijf niet van toepassing, omdat geen verwerking van mest op de boerderij plaatsvindt.

Mest uitrijden: voorkomen stikstof-, fosfor- en ammoniakemissie, onderwerken mest (BBT 20 t/m BBT 22) Deze BBT-conclusies uit het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie bevatten technieken om belasting van het milieu bij het uitrijden van mest te voorkomen. In Nederland zijn de regels voor het uitrijden van mest opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen op grond van de Wet bodembescherming. Door deze regels is de toepassing van BBT gewaarborgd. Het uitrijden van mest is echter een activiteit die buiten de inrichting plaatsvindt. Conclusie Het uitrijden van mest is een activiteit die buiten de inrichting plaatsvindt en is derhalve voor de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning niet van belang. Emissies uit het gehele productieproces, berekenen ammoniakemissie (BBT 23) Landelijk wordt de mineralenbalans jaarlijks door het CBS onderzocht en gepubliceerd. Op bedrijfsniveau is het verplicht een registratie bij te houden op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet m.b.t. de aanvoer van mineralen in veevoer en de afvoer hiervan via mest. Deze wordt jaarlijks geactualiseerd. Daarnaast zijn ammoniakemissiegegevens vanuit stallen per diercategorie opgenomen in de omgevingsvergunning. De veehouder heeft daarmee een goed beeld van de aanvoer en afvoer van mineralen.

Conclusie Met de verplichte registratie op grond van de meststoffenwet, de gegevens uit de (aanvraag) omgevingsvergunning wordt invulling gegeven aan deze BBT-conclusie. Monitoren van emissies en procesparameters (BBT 24 t/m BBT 29) BBT is om ammoniakemissies in de lucht te monitoren. Het systeem van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav), met vastgestelde emissiefactoren op basis van

Z2023-ODT-012123

Pagina 11 van 40

metingen is gelijk aan het systeem zoals genoemd is onder c van paragraaf 1.15 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. De Rav wordt circa 2 maal per jaar geüpdatet. Wanneer er nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten zijn, worden deze met de updates verwerkt in de Rav De veehouderij hoeft hier niet zelf jaarlijks een eigen beoordeling op doen. Conclusie Met het Nederlandse systeem van de Rav wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Monitoren van stofemissies (BBT 27) De BBT is om (fijn) stofemissies in de lucht te monitoren. Het systeem van de vastgestelde fijn stof lijst, vastgelegd op grond van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007, met vastgestelde emissiefactoren op basis van metingen is gelijk aan het systeem voor monitoring van stof genoemd onder b in paragraaf 1.15 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie. De fijn stof lijst wordt één keer per jaar geüpdatet. Wanneer er nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten zijn, worden deze met de updates verwerkt. De veehouderij hoeft hier niet zelf jaarlijks een eigen beoordeling op doen. Conclusie Met het Nederlandse systeem van de fijn stof lijst wordt aan deze BBT-conclusie voldaan.

Monitoren van ammoniak- en fijn stofemissies bij stallen met luchtzuiveringsinstallaties (BBT 30) Het is BBT om een luchtzuiveringsinstallatie te bemeten volgens een protocol en daarnaast de werking van het systeem te monitoren. Alle luchtzuiveringsinstallaties met een werking op ammoniak en fijn stof worden, voordat ze op de Rav- en fijn stoflijst worden geplaatst, gemeten volgens een meetprotocol. Voor ammoniak is dit meetprotocol vastgelegd in de Rav voor fijn stof wordt door technische beoordelaars advies gegeven of de metingen voldoende zijn uitgevoerd. In beide gevallen wordt daarbij gebruik gemaakt van toetsing aan ENstandaardmethoden. Door meerdere stallen met luchtzuiveringsinstallaties te bemeten en de bemeten luchtzuiveringsinstallatie gedetailleerd te beschrijven in de stalbeschrijving, zijn de metingen representatief voor andere stallen met luchtzuiveringsinstallaties. Voor luchtwassers zijn monitoringseisen opgenomen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Dit geldt ook voor IPPC-bedrijven. Daarnaast gelden voor alle luchtzuiveringsinstallaties, stalbeschrijvingen, waarin monitoringseisen zijn opgenomen om een goede werking van het systeem te garanderen.

Conclusie Met het Nederlandse systeem van de Rav- en de fijn stoflijst, de monitoringseisen in het Activiteitenbesluit voor luchtwassers en de monitoringseisen in stalbeschrijvingen wordt aan deze eis voldaan. Monitoren overige parameters Het is BBT om diverse parameters te registreren. Het registreren van de overige procesparameters genoemd in paragraaf 1.15 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie geschiedt als onderdeel van het milieubeheerssysteem, dat door het bedrijf wordt uitgevoerd. Conclusie Aangezien dit bedrijf een milieubeheerssysteem uitvoert dat aan de BBT-conclusies

Z2023-ODT-012123

Pagina 12 van 40

voldoet en deze overige parameters deel uitmaken van dit milieubeheerssysteem, wordt ook aan deze BBT-conclusie voldaan. BBT-conclusies voor de varkenshouderij Ammoniakemissie uit varkensstallen Het is BBT om de ammoniakemissie in de lucht van elke varkensstal te verminderen door één of een combinatie van de in paragraaf 2.1 van het uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie opgenomen technieken toe te passen. Door te voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting wordt invulling gegeven aan deze BBT-eis. Conclusie Aangezien het bedrijf voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting (Beh) wordt aan deze BBT-conclusie voldaan. Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij Dit toetsingskader houdt in dat alle dierenverblijven moeten voldoen aan de eis van het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT). Rekening houdend met de technische kenmerken en de geografische ligging van de inrichting en de plaatselijke milieuomstandigheden kan het nodig zijn om strengere emissiegrenswaarde dan de maximale emissiewaarde volgens het Besluit huisvesting (= het niveau van BBTtechnieken) op te nemen in de omgevingsvergunning. De `Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammo kan hiervoor als handleiding dienen.

. .

De Beleidslijn is opgenomen in de bijlage van de Mor en vormt hiermee een wettelijk toetsingskader. De Beleidslijn is alleen van toepassing indien het aantal te houden dieren van een diercategorie toeneemt. Dit is in de gevraagde vergunning aan de orde. De volgende uitgangspunten zijn opgenomen in de beleidslijn: 

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/836/documents/22143