CConstaterende datDinkelland
Koppel je AI →
Document · PDF

Advies ODT.pdf

Commissie Omgeving & Economie 2 juli 2024, gemeente DinkellandBij agendapunt: 8: Voorstel inzake aanvragen (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen realiseren vleesvarkensstal Voortsweg 4-4a Saasveld35.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

14. Externe veiligheid Opslag dieselolie in een bovengrondse tank De 2.500 liter dieselolie wordt opgeslagen in een daarvoor bestemde bovengrondse tank. Deze tank is geplaatst naast stal 4 (aan de zijkant naast stal 5). In paragraaf 3.4.9 van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden eisen gesteld aan de opslag van Z2023-ODT-012123

Pagina 34 van 40

gasolie in een bovengrondse tank. Doordat deze paragraaf een rechtstreekse werking heeft worden geen voorschriften in de vergunning opgenomen. Opslag gassen Binnen de inrichting wordt één CO2 gasfles met een inhoud van 15 liter opgeslagen. Deze gasfles is geplaatst in de werkplaats in gebouw 5. Aan de opslag en gebruik van deze gasflessen zijn uit veiligheidsoverweging voorschriften gesteld. Opslag ontsmettings- en reinigingsmiddelen In de aanvraag in tabel 11 is aangegeven dat 100 kg reinigingsmiddel en 100 kg desinfectiemiddelen in de inrichting aanwezig zijn. De opslag moet voldoen aan de gestelde vergunningsvoorschriften die zijn overgenomen uit paragraaf 4.1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en paragraaf 4.1.1 van de bijbehorende ministeriële regeling (Activiteitenregeling milieubeheer). Deze voorschriften worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten, deze zijn afgeleid van de PGS 15. Opslag motorolie In de werktuigenberging gebouw 5 wordt 200 liter motorolie (ADR klasse 3) in vaten opgeslagen in/boven een lekbak. De opslag moet voldoen aan de gestelde vergunningsvoorschriften die zijn overgenomen uit paragraaf 4.1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en paragraaf 4.1.1 van de bijbehorende ministeriële regeling (Activiteitenregeling milieubeheer).

Deze voorschriften worden beschouwd als de meest recente milieutechnische inzichten, deze zijn afgeleid van de PGS 15. Opslag bestrijdingsmiddelen De 7 kg/l bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen in een kast in de werkplaats/voerkeuken. De opslag moet voldoen aan de algemene zorgplichtbepaling uit de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (artikel 18). Opslag spuiwater in een opslagkelder Het spuiwater afkomstig van de combiwasser van stal 3 en st 4 wordt opgeslagen in een twee aparte spuiwateropslagen van 50 m 3 achter de stallen 3 en 4. Het spuiwater afkomstig van de combiwasser van stal 8 wordt opgeslagen in een aparte kelder 200 m 3 onder stal 8. Drijfmest én spuiwater samen in een mestbassin opslaan, mag niet. De Meststoffenwet staat niet toe dat spuiwater uit een luchtwasser wordt gemengd met dierlijke mest. Het spuiwater mag daarom ook niet worden afgevoerd naar een mestkelder waarin dierlijke mest aanwezig is. Het spuiwater van een biologische luchtwassers bevat een lage concentratie stikstof. De concentratie stikstof is zeer laag en verspreiding over de bodem als meststof is de gebruikelijke toepassing. Daarom is het geen bodembedreigende stof.

Overige aspecten Noodstroomaggregaat Binnen de inrichting is een noodstroomaggregaat aanwezig welke is voorzien van een ingebouwde tank voor de opslag van 300 liter dieselolie aanwezig. In paragraaf 3.4.9

Z2023-ODT-012123

Pagina 35 van 40

van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden eisen gesteld aan de opslag van gasolie in een bovengrondse tank. Deze voorschriften gelden echter niet voor tanks die onderdeel uitmaken van installaties, zoals bijvoorbeeld een noodstroomaggregaat. Op een noodstroomaggregaat is paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit ten dele van toepassing. Het betreft artikel 3.10o. Dit artikel heeft het beschermen van de bodem tot doel. Op de aangevraagde noodstroomaggregaat zijn geen voorschriften met betrekking tot externe veiligheid van toepassing. Andere regels en wetten Het verlenen van deze vergunning houdt niet in dat hiermee is voldaan aan de bepalingen die in andere wetten en regels (zoals een besluit op basis van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren) zijn gesteld dan wel op grond hiervan worden voorgeschreven.

Conclusie Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op een revisievergunning Milieu zijn er ten aanzien van de aangevraagde activiteit geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.

Z2023-ODT-012123

Pagina 36 van 40

Bijlage 1: Berekening ammoniak-, geur- en fijnstofemissie vergunde dieren (revisievergunning d.d. 18 april 2006) Rav-code Stal Diercategorie / huisvestingssysteem

D 3.2.7.1.1

D 3.2.7.1.1

D 3.2.7.2.1

Aantal dieren

Emissiefac tor ammoniak (in kg/jaar per dierplaats)

Emissiefactor geur (in ouE/sec per dierplaats)

Emissiefactor fijnstof (in g/jaar per dierplaats)

1

Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer; mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand; met metalen driekantroosters op het mestkanaal; emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m2 per varken (BB97.07.056/A97.11.059)

1.152

1

23*

153

2

Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer; mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand; met metalen driekantroosters op het mestkanaal; emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m2 per varken (BB97.07.056/A97.11.059)

385

1

23*

153

1.789

1,5

17,9

153

1.789

1,5

17,9

153

3

Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer; mestkelders met (water- en) mestkanaal; met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m 2 per varken (BWL 2004.05.V5)

D 3.2.7.2.1

4

Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer; mestkelders met (water- en) mestkanaal; met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m 2 per varken (BWL 2004.05.V5)

6.904,0 kg/jaar

99.397,2 782.595 ouE/sec g/jaar *)In de aanmeldnotitie (tevens onderdeel van de aanvraag) is geurfactor voor de stallen 1 en 2 , . . , , . . , ouE/sec per dierplaats.

Totaal ammoniak, geur en fijn stof

Z2023-ODT-012123

Pagina 37 van 40

Bijlage 2: Berekening ammoniak-, geur- en fijnstofemissie aangevraagde dieren Rav-code

D 3.2.7.1.1

D 3.2.7.1.1

D 3.2.7.2.1 + D 3.2.15.4

Stal Diercategorie / huisvestingssysteem

Aantal Emissiedieren factor ammoniak (in kg/jaar per dierplaats)

Emissiefactor geur (in ouE/ sec per dierplaats)

Emissiefactor fijnstof (in g/jaar per dierplaats)

1

Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer; mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand; met metalen driekantroosters op het mestkanaal; emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m 2 per varken (BWL 2004.03.V2)

1.152

1

17,9 (*1)

153

2

Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, - gedeeltelijk roostervloer; mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand; met metalen driekantroosters op het mestkanaal; emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m 2 per varken (BWL2004.03)

50 zb (*1)

1

17,9 (*2)

153

3

Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer; mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand; met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal; emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m 2 per varken BWL 2004.05.V5 gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser BWL 2009.12.V5

0,225

17,9 + 12,7  gezamenlijke factor 9,8

31

Z2023-ODT-012123

1.789

Pagina 38 van 40

Bijlage 2: Berekening ammoniak-, geur- en fijnstofemissie aangevraagde dieren vervolg Rav-code

Stal

D 3.2.7.2.1 4 + D 3.2.15.4

D3.2.7.2.1+ D 3.2.15.4

8

Diercategorie / huisvestingssysteem

Aantal Emissiedieren factor ammonia k (in kg/jaar per dierplaats )

Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking gedeeltelijk roostervloer; mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand; met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal; emitterend mestoppervlak 1.789 maximaal 0,18 m2 per varken. BWL2004.05.V5 gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser BWL 2009.12.V5 Varkens; vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking gedeeltelijk roostervloer; mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand; met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal; emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m2 per varken. BWL2004.05.V5 + gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)

1.360 (links)

Emissiefactor geur (in ouE/sec per dierplaats)

Emissiefactor fijnstof (in g/jaar per dierplaats )

0,225

17,9 + 12,7  gezamenlijke factor 9,8

31

0,225

17,9 + 12,7  gezamenlijke factor 9,8

31

17,9 + 12,7  31 gezamenlijke factor 9,8 Totaal ammoniak, geur en fijn stof 2.673,05 85.588,2 386.584 kg/jaar ouE/sec g/jaar *1) In de aanmeldnotitie is aangegeven dat de aanvraag in de beoogde situatie ziet op het huisvesten van 200 vleesvarkens in stal 2. Dit is later gewijzigd in 50 vleesvarkens in de ziekenboeg. *2) In de aanmeldnotitie is voor de stallen 1 en 2 het Groenlabelsysteem BB 97.07.056 aangegeven met een foutieve geurfactor 17,9 i.p.v. 23. Conform de aanvrager is het systeem BWL 2004.03.V2 feitelijk aanwezig in de stal, dit systeem wordt dan ook aangevraagd. De geurfactor voor dit systeem is 17,9 en is daarmee in overeenstemming met de aanmeldnotitie.

Z2023-ODT-012123

1.600 (rechts 0,225 )

Pagina 39 van 40

Bijlage 3: Toetsing voorgenomen situatie aan het Besluit emissiearme huisvesting Rav-code

Stal

D 3.2.7.1.1

1

D 3.2.7.1.1

2

D 3.2.7.2.1 + D 3.2.15.4

3

D 3.2.7.2.1 + D 3.2.15.4 D3.2.7.2.1+ D 3.2.15.4

4

Diercategorie / huisvestingssystee m

Aantal dieren

vleesvarkens

1152

Vleesvarkens Vleesvarkens Vleesvarkens

Emissiefactor ammoniak (in kg/jaar per dierplaats)

Maximale emissiewaarde (in kg/jaar per dierplaats)

1

1,6

50

1

1,6

1.789

0,225 (*)

1,6

1.789

0,225 (*)

1,6

2.960

0,225 (*)

1,1

2.673,05 kg/jaar

10.904,00 kg/jaar

Vleesvarkens 8

Totaal ammoniak * efc=0,01 *(100 -RPI)*efa efc=emissiefactor van de combinatie rfL=reductiefactor van de luchtwasser (85%) efa=emissiefactor andere emissiearme systeem (1,5) efc=0,01 *(100 -85)*1,5 efc=0,225

(reductiepercentage van het andere emissiearme systeem is lager dan 70%)

Z2023-ODT-012123

Pagina 40 van 40

Bijlage 2 Voorschriften milieu

Inhoud 1

Algemeen................................................................................................................... 2

2.

Afvalstoffen ................................................................................................................ 3

3.

Energie en vervoersmanagement ............................................................................. 4

4.

Water ......................................................................................................................... 7

5.

Reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens ................................................ 7

6.

Hygiënemaatregelen dierenverblijven....................................................................... 7

7.

Gezondheid ............................................................................................................... 7

8.

Geurbeheersplan ....................................................................................................... 7

9.

Geluid ........................................................................................................................ 8

10.

Agrarisch afvalwater ................................................................................................ 11

11.

Het houden van dieren ............................................................................................ 12

12.

Behandeling en bewaring van verpompbare dierlijke mest, algemeen.................. 13

13.

Opslag dierlijke bijproducten ................................................................................... 14

14.

Brijvoerinstallatie (i.v.m. toepassing dierlijke bijproducten) .................................... 14

15.

Geuronderzoek opslag en gebruik dierlijke bijproducten ....................................... 15

16.

Activiteiten met betrekking tot motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten ...................................................................................... 15

17.

Afleverinstallatie voor motorbrandstof kleinschalig afleveren van vloeibare brandstoffen ............................................................................................................. 15

18.

Activiteiten met betrekking tot metaal ..................................................................... 15

19.

Opslag gevaarlijke stoffen ....................................................................................... 16

OD Twente Haven Zuidzijde 30 7607 EW Almelo Postbus 499 7600 AL Almelo KVK 71101241 BTW NL858579509B01 IBAN NL48 BNGH 028 5175 416 BIC BNGHNL2G

1 Algemeen 1.1. De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. 1.2. Alle binnen de inrichting aanwezige machines, installaties en voorzieningen moeten overzichtelijk zijn opgesteld en altijd goed bereikbaar zijn. 1.3. Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. 1.4. De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is. 1.5. Installaties of onderdelen van installaties welke buiten bedrijf zijn gesteld, moeten zijn verwijderd tenzij deze in een goede staat van onderhoud verkeren. 1.6. In geval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 6 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving worden afgevoerd. 1.7.

Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste 7 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld. 1.8. Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd. 1.9. Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld. 1.10. In de inrichting moet een centraal registratiesysteem aanwezig zijn waarin informatie omtrent onderhoud, metingen, keuringen, controles en gegevens van relevante milieuonderzoeken worden bijgehouden.

In het registratiesysteem moet ten minste de volgende informatie zijn opgenomen: - De schriftelijke instructies voor het personeel; - De resultaten van in de inrichting uitgevoerde milieucontroles, keuringen, inspecties, metingen, registraties en onderzoeken (zoals keuringen van brandblusmiddelen, visuele inspectie van bodembeschermende voorzieningen, bodemonderzoek, energiebesparingsonderzoek, akoestisch onderzoek, (periodieke) keuringen van tanks, keuringen van stookinstallaties, etc); - Meldingen van ongewone voorvallen, die van invloed zijn op het milieu, met vermelding van datum, tijdstip en de genomen maatregelen; - Registratie van het energie- en waterverbruik; - Registratie incidentele bedrijfssituaties - Het energie uitvoeringsplan; - Het bedrijfsnoodplan; - Metingen en storingen nageschakelde technieken; Z2023-ODT-021123

Pagina 2 van 18

- Het energie uitvoeringsplan en de voortgang m.b.t. de uitvoering van het energie uitvoeringsplan; - Registratie van klachten van derden omtrent milieuaspecten en daarop ondernomen acties. - Advies van de brandweercommandant ten aanzien van aan te brengen blusmiddelen en brandwerende voorzieningen. 1.11. De in het vorig voorschrift bedoelde informatie moet in ieder geval tot aan het beschikbaar zijn van de resultaten van de eerst volgende meting, keuring, controle of analyse, maar ten minste gedurende 10 jaar in de inrichting worden bewaard en ter inzage gehouden voor de daartoe bevoegde ambtenaren. 1.12. Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de te beëindigen activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze en in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd. 1.13. Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindiging van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld.

Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd, tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden. 2. Afvalstoffen 2.1. Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: - de verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen, onderling en van andere afvalstoffen; - asbest; - papier en karton; - kadavers; - elektrische en elektronische apparatuur - kunststoffolie; - overig bedrijfsafval. 2.2. Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen. 2.3. De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. 2.4.

De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat: - niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen;

Z2023-ODT-021123

Pagina 3 van 18

- het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; - deze tegen normale behandeling bestand is; - deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen. 2.5. Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken. 2.6. In de inrichting mag niet meer dan 25 kg/l gevaarlijke afvalstoffen worden bewaard. 2.7. Het bewaren van afvalstoffen moet op ordelijke en nette wijze plaatsvinden. Van de afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden. 2.8. Het vervoer van het afval van de plaats van ontstaan/verzamelen in de inrichting naar de afvalcontainer(s) moet zodanig plaatsvinden, dat zich geen afval in de omgeving kan verspreiden. 2.9. Gemorste vaste gevaarlijke afvalstoffen moeten direct worden opgeruimd en opgeslagen in een daarvoor bestemde container van doelmatig materiaal of in daarvoor bestemde doelmatige emballage. 2.10.

In de inrichting moet nabij de opslag van (vloeibaar) gevaarlijk afval, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste gevaarlijke afvalstoffen moeten zonodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven in het hoofdstuk gevaarlijke stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de aard van de stof geschikte, gesloten emballage. Toelichting: Als absorberend materiaal kan worden gebruikt perlite of vermiculite. 3. Energie en vervoersmanagement 3.1. Degene die de inrichting drijft neemt alle maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik met een terugverdientijd van vijf jaar of minder, waarbij onder maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik worden verstaan: a. energiebesparende maatregelen; b. maatregelen voor het jaarlijks produceren van hernieuwbare energie in de inrichting tot ten hoogste het jaarlijkse energiegebruik van de energiedrager waarvoor jaarlijks hernieuwbare energie geproduceerd wordt; en c. maatregelen voor het vervangen van een energiedrager die leiden tot een lagere emissie van kooldioxide. Energie onderzoek, energie uitvoeringsplan, uitvoering en actualisatie 3.2.

Binnen 6 maanden nadat de vergunning in werking is getreden, moet de vergunninghouder de rapportage van een energie onderzoek of erkende maatregelenlijst agrarische sector aan het bevoegd gezag aanbieden. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energieefficiënte maatregelen te identificeren. Het energie efficiëntie plan moet de volgende elementen bevatten: Z2023-ODT-021123

Pagina 4 van 18

a.

een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (eventueel per bedrijfsonderdeel); b. een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van het totale object met een toedeling van ten minste 90% van het totale energiegebruik aan individuele installaties en (deel)processen en waarin ook de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus, zijn weergegeven; c. per maatregel (techniek/voorziening): 1. de jaarlijkse energiebesparing; 2. de (meer) investeringskosten; 3. de verwachte economische levensduur; 4. de jaarlijkse besparing op de energiekosten op basis van de energietarieven die tijdens het onderzoek gelden; 5. een schatting van eventuele bijkomende kosten en baten anders dan samenhangende met energiebesparing; 6. de onderbouwing en de conclusie dat de maatregel rendabel of niet rendabel is. d. een overzicht van mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good house keeping maatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing. e. een energie uitvoeringsplan voor de energiebesparende maatregelen. In het energie uitvoeringsplan is ten minste voor alle rendabele maatregelen (technieken en voorzieningen) aangegeven wanneer die zullen worden getroffen. Als er rendabele maatregelen zijn die niet zullen worden uitgevoerd, dan wordt dat in het plan gemotiveerd.

Het energie onderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het energie onderzoek worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift. 3.3. Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie van de inrichting door de rendabele maatregelen uit het energie uitvoeringsplan uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het energie uitvoeringsplan is aangegeven. 3.4. Vergunninghouder mag een maatregel uit energie uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de vervangen maatregel (bijvoorbeeld maatregelenlijst agrarische sector). 3.5. Vergunninghouder moet eenmaal per vier jaar het energie onderzoek actualiseren en ter beoordeling zenden aan het bevoegd gezag. In geval de installaties niet zijn gewijzigd, kan volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c, d, en e uit het energie onderzoek. Het geactualiseerde energie onderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag.

Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het energieonderzoek worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift. 3.6. Vergunninghouder mag een maatregel vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag

Z2023-ODT-021123

Pagina 5 van 18

of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Toelichting: Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel energie bespaart en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de vervangende maatregel. 3.7. Eenmaal per vier jaar moet het energieonderzoek zoals bedoeld in voorschrift 3.2 worden geactualiseerd. Hierin moet, naast de in dat voorschrift genoemde elementen, ook het volgende worden opgenomen: 1. De energieverbruiken van de voorgaande vier jaar, uitgesplitst per energiedrager en jaartal; 2. Een overzicht van de maatregelen die in het kader van het vorige energieplan zijn genomen, inclusief: a. eventuele wijzigingen in de tijdsplanning van de maatregelen, vergezeld van motivering; b. eventuele vervanging van maatregelen door gelijkwaardige energiebesparende maatregelen; c. maatregelen die niet zijn uitgevoerd, dit ook vergezeld van motivering; 3. Energie relevante investeringsbeslissingen. Het geactualiseerde energieonderzoek moet ter goedkeuring bij het bevoegd gezag worden ingediend. Maatregelen 3.8. Vergunninghouder mag een in het uitvoeringsplan opgenomen maatregel vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat het bevoegd gezag hiermee vooraf schriftelijk heeft ingestemd.

Toelichting: onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel energie bespaart en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de vervangende maatregel. 3.9. Indien het bevoegd gezag na het moment van in werking treden van deze omgevingsvergunning constateert dat een energiebesparende maatregel beschikbaar is die niet is opgenomen in het energie-onderzoek neemt vergunninghouder deze maatregel(en) mee in het eerstvolgende energieonderzoek. 3.10. Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieplan zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of minder terug te verdienen is en de alternatieve maatregel minstens evenveel energie bespaart en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de oorspronkelijke maatregel dan moet voor dat alternatief gekozen worden. Monitoring 3.11. Vergunninghouder past een energieregistratie- en monitoringssysteem toe, toegespitst op de aanwezige gebouwen, processen installaties en interne voertuigen binnen de inrichting. Dit monitoringssysteem moet minimaal het verbruik per energiedrager per half uur vastleggen.

Daarnaast bevat dit monitoringssysteem elektriciteit- en gas- en/of warmte-meters die op afstand kunnen worden uitgelezen (de zogenaamde slimme meters met een uitlees- en analyse applicatie). De gegevens uit het monitoringssysteem moeten worden geanalyseerd om te identificeren of er kansen zijn om energie te besparen door het beter inregelen van installaties of het aanpassen van gedrag. De resultaten van deze analyse worden teruggekoppeld aan het management. Op verzoek zijn de monitoringsgegevens en

Z2023-ODT-021123

Pagina 6 van 18

de analyse daarvan beschikbaar voor het bevoegd gezag. 3.12. Het bevoegd gezag kan tussentijds een monitoringsrapportage opvragen. 4. Water 4.1. Vergunninghouder moet de jaarrekening van het waterverbruik binnen de inrichting bewaren. De gegevens moeten naar herkomst (drinkwater, grondwater en oppervlaktewater) worden geregistreerd (in m 3). 5. Reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens 5.1. Het inwendig reinigen van veewagens moet plaatsvinden op een reinigingsontsmettingsplaats die vloeistofkerend is en afwaterend is aangelegd naar een of meer opslagputten. Het reinigen en ontsmetten van voertuigen moet op zodanige wijze plaatsvinden dat het verontreinigde water wordt opgevangen (opstaande randen aan een drietal zijden dan wel een gelijkwaardige voorziening) zodat het reinigingswater en ontsmettingsvloeistoffen niet in de bodem terecht kunnen komen. 5.2. Een reinigings- en ontsmettingsplaats moet bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigings- en/of ontsmettingsmiddel. 5.3. De reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens moet zodanig zijn gelegen dat ten gevolge van aan- en afvoerbeweging, verwaaiing van waswater etc. geen hinder voor derden optreedt. 5.4. Waswater moet, alvorens het wordt geloosd op (een) daarvoor bestemde put(ten), door een slibvangput worden geleidt.

De slibvangput moet, zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is, worden gereinigd. Behoudens tijdens het wassen van veewagens, mag een daarvoor bestemde afsluiter worden omgezet om lozing van niet verontreinigd hemelwater op het oppervlaktewater mogelijk te maken. 6. Hygiënemaatregelen dierenverblijven 6.1 De vergunninghouder instrueert en informeert bezoekers en (tijdelijk) werkzame personen over de maatregelen en voorzieningen met betrekking tot het toepassen van de diersector-specifieke hygiëne- en preventiemaatregelen (o.a. met aandacht voor reiniging en desinfectie, mestafvoer, plaagdierenbestrijding, etc.). 7. Gezondheid 7.1. De in het document 231128_fijnstofberekening irt gezondheid.p aanvraag aangegeven getroffen maatregelen ter voorkoming dierziekten, moeten blijvend en doelmatig binnen de inrichting zijn toegepast. Van daarvoor vereiste inspecties, registraties en deskundigheid, moeten bewijsstukken binnen de inrichting aanwezig zijn. 8. Geurbeheersplan 8.1. De in het geurbeheersplan beschreven maatregelen en acties, over hoe wordt omgegaan met geurklachten en hoe wordt gereageerd op geconstateerde geurhinder, moeten blijvend en doelmatig binnen de inrichting zijn toegepast. Het geurbeheersplan is als bijlage met de bestandsnaam 230720_Geur­beheersplan Munsterhuis.pdf vr onderdeel uit van de vergunning.

Z2023-ODT-021123

gg v

g en maakt

Pagina 7 van 18

8.2. De toepassing van deze maatregelen en acties moet jaarlijks worden geëvalueerd. Bij deze evaluatie dienen ook de omwonende te worden betrokken. De verslaglegging van deze evaluatie dient binnen 1 maand na de evaluatie bij het bevoegd gezag te worden aangeleverd. Indien de evaluatie, of het beschikbaar zijn van nieuwe inzichten en technieken hiertoe aanleiding geven, moet het protocol binnen 1 maand worden herzien. Het aangepaste protocol moet binnen 1 maand na het opstellen worden aangeleverd bij het bevoegd gezag. Dit aangepaste protocol treedt dan in de plaats van het in vorige voorschriftgenoemde document. 8.3. Uiterlijk zes maanden na het in werking treden van de vergunning, of na ingebruikname van de betreffende stal, moet met een geurrendementsmeting het geurverwijderingsrendement van de luchtwassers van stal 8 worden aangetoond. Deze meting moet onder representatieve bedrijfscondities plaatsvinden. 8.4. Een afschrift van de geurrendementsmeting met vermelding van de bedrijfscondities moet binnen een maand na de meting aan het bevoegd gezag worden getoond. Tot de gegevens van de bedrijfscondities behoren onder meer het ventilatiedebiet, het aantal aanwezige dieren in de betreffende stal en de geregistreerde parameters in de elektronische monitoring van de luchtwasser, 8.5. De geurrendementsmeting moet om de 2 jaar worden herhaald. 8.6.

De geurrendementsmeting bestaat uit een meting van de geurconcentratie in zowel de ventilatielucht voor de als de ventilatielucht na de wasser (het verschil over deze twee concentraties bepaalt het rendement). De meting van de geurconcentratie moet worden uitgevoerd met een methode waarvan bewezen is dat deze geschikt is voor het meten van de geurconcentratie in lucht uit dierenverblijven. 8.7. Wanneer met deze geurrendementsmeting een lager geurverwijderingsrendement wordt aangetoond dan is opgenomen in de systeembeschrijving van het betreffende luchtwassysteem moet de werking van deze luchtwasser worden gecontroleerd en aangepast. Deze aanpassing moet erop zijn gericht om de goede werking van de luchtwasser te waarborgen (dat de luchtwasser wel minimaal een geurverwijdering levert zoals dat in de systeembeschrijving van het betreffende luchtwassysteem is opgenomen). 9. Geluid Algemeen 9.1. Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

Z2023-ODT-021123

Pagina 8 van 18

Representatieve bedrijfssituatie 9.2. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten 50 meter van de inrichtingsgrens niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en

Rijksdriehoek-

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

omschrijving

coördinaten

LAr,LT in dB(A) Dag

Avond

Nacht

06:00 -19:00

19:00 -22:00

22:00 -06:00

uur

uur

uur

10. 50 meter noord

253947 - 483328

37

37

32

11. 50 meter noord

253888 – 483302

39

39

34

12. 50 meter noord

253830 – 483272

38

39

34

13. 50 m noordwest

253790 – 483237

36

38

33

14. 50 meter west

253810 – 483160

38

41

36

15. 50 meter west

253809 – 483060

38

38

33

16. 50 meter zuid

253940 – 483018

43

40

35

17. 50 meter zuid

253994 – 483041

44

42

37

18. 50 meter zuid

254067 – 483057

42

42

37

19. 50 meter oost

254114 – 483179

44

42

37

20. 50 meter oost

254086 – 483227

45

41

36

21. 50 meter oost 254055 – 483281 40 39 34 De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in het akoestisch onderzoek, alsmede het advies bij de beoordeling van het akoestisch onderzoek. De beoordelingshoogte voor de dagperiode en avond/nachtperiode is respectievelijk 1,5 / 5 meter.

9.3. Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en

Rijksdriehoek-

Maximaal beoordelingsniveau LAmax in

omschrijving

coördinaten

dB(A) Dag

Avond

Nacht

06:00 -19:00

19:00 -22:00

22:00 -06:00

uur

uur

uur

10. 50 meter noord

253947 - 483328

59

37

34

11. 50 meter noord

253888 – 483302

55

39

32

12. 50 meter noord

253830 – 483272

53

39

26

13. 50 m noordwest

253790 – 483237

51

38

26

14. 50 meter west

253810 – 483160

52

41

29

15. 50 meter west

253809 – 483060

59

38

25

16. 50 meter zuid

253940 – 483018

65

40

26

17. 50 meter zuid

253994 – 483041

64

42

29

18. 50 meter zuid

254067 – 483057

59

42

30

19. 50 meter oost

254114 – 483179

60

42

39

20. 50 meter oost

254086 – 483227

65

44

44

Z2023-ODT-021123

Pagina 9 van 18

21. 50 meter oost 254055 – 483281 58 41 41 De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in het akoestisch onderzoek, alsmede het advies bij de beoordeling van het akoestisch onderzoek. De beoordelingshoogte voor de dagperiode en avond/nachtperiode is respectievelijk 1,5 / 5 meter.

Incidentele bedrijfssituaties 9.4. In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 9.2 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, inclusief het inkuilen van ruwvoeders, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en

Rijksdriehoek-

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

omschrijving

coördinaten

LAr,LT in dB(A) Dag

Avond

Nacht

06:00 -19:00

19:00 -22:00

22:00 -06:00

uur

uur

uur

10. 50 meter noord

253947 - 483328

39

40

n.v.t.

11. 50 meter noord

253888 – 483302

39

40

n.v.t.

12. 50 meter noord

253830 – 483272

40

41

n.v.t.

13. 50 m noordwest

253790 – 483237

37

39

n.v.t.

14. 50 meter west

253810 – 483160

38

42

n.v.t.

15. 50 meter west

253809 – 483060

40

39

n.v.t.

16. 50 meter zuid

253940 – 483018

47

48

n.v.t.

17. 50 meter zuid

253994 – 483041

48

50

n.v.t.

18. 50 meter zuid

254067 – 483057

46

48

n.v.t.

19. 50 meter oost

254114 – 483179

50

52

n.v.t.

20. 50 meter oost

254086 – 483227

49

51

n.v.t.

21. 50 meter oost 254055 – 483281 44 45 n.v.t. De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in het akoestisch onderzoek, alsmede het advies bij de beoordeling van het akoestisch onderzoek. De beoordelingshoogte voor de dagperiode en avond/nachtperiode is respectievelijk 1,5 / 5 meter.

Z2023-ODT-021123

Pagina 10 van 18

9.5. In afwijking van wat is gesteld in voorschrift 9.3 mag het maximale geluidsniveau L Amax veroorzaakt door reguliere activiteiten samen met het incidenteel inkuilen van ruwvoeders op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt en

Rijksdriehoek-

Maximaal beoordelingsniveau LAmax in

omschrijving

coördinaten

dB(A) Dag

Avond

Nacht

06:00 -19:00

19:00 -22:00

22:00 -06:00

uur

uur

uur

10. 50 meter noord

253947 - 483328

59

40

n.v.t.

11. 50 meter noord

253888 – 483302

55

38

n.v.t.

12. 50 meter noord

253830 – 483272

53

43

n.v.t.

13. 50 m noordwest

253790 – 483237

51

34

n.v.t.

14. 50 meter west

253810 – 483160

52

34

n.v.t.

15. 50 meter west

253809 – 483060

59

40

n.v.t.

16. 50 meter zuid

253940 – 483018

65

52

n.v.t.

17. 50 meter zuid

253994 – 483041

64

52

n.v.t.

18. 50 meter zuid

254067 – 483057

59

53

n.v.t.

19. 50 meter oost

254114 – 483179

60

57

n.v.t.

20. 50 meter oost

254086 – 483227

65

55

n.v.t.

21. 50 meter oost 254055 – 483281 58 50 n.v.t. De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in het akoestisch onderzoek, alsmede het advies bij de beoordeling van het akoestisch onderzoek. De beoordelingshoogte voor de dagperiode en avond/nachtperiode is respectievelijk 1,5 / 5 meter.

9.6. De in voorschrift 9.4 en 9.5 genoemde activiteit(en) mogen per jaar maximaal 4 keer plaatsvinden, waarbij de activiteit(en) maximaal 2,5 uur per keer in de avondperiode mogen duren. Specifieke voorschriften 9.7. Het laden en lossen van varkens mag uitsluitend plaatsvinden in de periode tussen 07:00 en 19:00 uur. 9.8. Het laden en lossen van goederen mag uitsluitend plaatsvinden op het terrein van de inrichting. 9.9. Veevoer mag niet worden in- en uitgekuild tussen 22:00 en 06:00 uur. 10. Agrarisch afvalwater 10.1. Het waterverbruik moet worden beperkt. Hiertoe moet, tenzij dit om technische of organisatorische redenen niet mogelijk is, gebruik worden gemaakt van een hogedrukreiniger. 10.2. Veewagens, die op het terrein inwendig worden gereinigd, moeten worden gereinigd op een speciaal daarvoor ingerichte reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens. 10.3. De reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens moet zodanig zijn gelegen dat ten gevolge van aan- en afvoerbeweging, verwaaiing van waswater etc. geen hinder voor derden optreedt.

Z2023-ODT-021123

Pagina 11 van 18

10.4. Afvalwater afkomstig van het schoonmaken van wasplaats mag niet in de riolering worden gebracht. Ook het rechtstreeks lozen van het opgevangen (verontreinigd) afvalwater op of in de bodem (puntlozing) of op het oppervlaktewater is niet toegestaan. 10.5. Afvalwater afkomstig van het schoonspuiten van de wasplaats moet worden afgevoerd naar de mestkelder. Het verontreinigd spoel- en schrobwater moet via een gesloten leiding kunnen afwateren naar een niet van overstort voorziene opslagruimte. De leiding en de vloer en wanden van de opslagvoorziening moeten vloeistofkerend zijn en bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigingsmiddel. 10.6. Nadat veevervoermiddelen inwendig gereinigd en ontsmet zijn, moeten de wasplaats en slibvangput worden gereinigd, alvorens de afsluiter omgezet mag worden voor de lozing van niet verontreinigd hemelwater op het bedrijfshemelwaterriool en op de wadi/retentievijver. 10.7. De opvanggoot (slibvangput) in de wasplaats moet na elke reiniging (van een veewagen, werktuig of dergelijke) worden ontdaan van (vaste) mestdelen, zaagsel etc. 11. Het houden van dieren Algemeen 11.1. In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren aanwezig zijn: Stal 1

2

3

Diercategorie/huisvestingssysteem Vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand , met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m 2 per varken (BWL2004.03.V2) Vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m 2 per varken (BWL2004.03.V2) Vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking,

Aantal Rav code dieren D 3.2.7.1.1 1.152

D 3.2.7.1.1 50

D 3.2.7.2.1 + D 3.2.15.4

- gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m 2 per varken (BWL 2004.05.V5) - luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL2009.12.V5)

Z2023-ODT-021123

1.789

Pagina 12 van 18

4

Vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, - gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m2 per varken (BWL 2004.05.V5)

D 3.2.7.2.1 + D3.2.15.4

1.789

-luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL2009.12.V5) 8 links Vleesvarkens opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, - gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m2 per varken (BWL 2004.05.V5)

D 3.2.7.2.1 + D 3.2.15.4

1.360

- luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL2009.12.V5) 8 rechts Vleesvarkens opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, - gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met roosters anders dan metalen driekant op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak maximaal 0,18 m 2 per varken (BWL 2004.05.V5)

D 3.2.7.2.1 + D 3.2.15.4

1.600

- luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL2009.12.V5)

11.2. Op het terrein van de inrichting mag geen mest worden verbrand. 11.3. Ramen en deuren van varkensstallen moeten gesloten worden gehouden voor zover ze geen functie hebben voor luchtinlaat of het doorlaten van personen, dieren, vaste mest of goederen. 11.4. Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste een keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaren bewaard. 12. Behandeling en bewaring van verpompbare dierlijke mest, algemeen 12.1. Het brengen van mest in de opslagruimte moet geschieden met een gesloten aanvoerleiding die zo dicht mogelijk bij de bodem van de opslagruimte uitmondt. 12.2.

De afvoerpunten van de opslagruimte moeten door middel van goed sluitende deksels gesloten worden gehouden, behoudens tijdens het leegmaken ervan.

12.3.

De opslagruimte mag niet zijn voorzien van een overstort (noodoverloop).

12.4.

Het terrein van de inrichting mag niet worden bevloeid of op andere wijze van een laag mest of gier worden voorzien, behoudens bij het bemesten van grond volgens de normale bemestingspraktijk.

Z2023-ODT-021123

Pagina 13 van 18

12.5.

Transport van verpompbare dierlijke mest moet plaatsvinden in volledig gesloten tankwagens.

12.6.

Bij het aan- en afvoeren van verpompbare dierlijke mest mag de omgeving niet worden verontreinigd.

13. Opslag dierlijke bijproducten 13.1. Binnen de inrichting mag maximaal 120 m³ (of maximaal 120 ton) aan dierlijke bijproducten (wei) ’ worden opgeslagen ten behoeve van de verwerking tot veevoer. 13.2. De stijfheid en sterkte van de tanks moeten voldoende zijn om schadelijke vervorming als gevolg van overdruk bij vulling of overvulling te voorkomen. De dichtheid moet onder alle omstandigheden zijn verzekerd. 13.3. Indien een vulstandaanwijzer of peilinrichting aanwezig is, moet deze zodanig zijn ingericht dat het uitstromen van vloei- of grondstof uit de tank, ook door verkeerde werking of door breuk, wordt voorkomen. 13.4. In elke aansluiting op de tank beneden het hoogste vloeistofniveau moet zo dicht mogelijk bij de tankwand een metalen afsluiter zijn geplaatst. Deze moet zodanig zijn uitgevoerd dat duidelijk te zien is of de afsluiter is geopend dan wel is gesloten. 13.5. Het uitwendige van de tank en de leidingen moet deugdelijk tegen corrosie zijn beschermd. 13.6. Het uitwendige van de tank en de leidingen moet deugdelijk tegen corrosie zijn beschermd. 13.7. Bij het vullen van of het aftappen uit de tank moet morsen worden voorkomen. 13.8. De tank mag slechts voor 95% worden gevuld. 13.9. Onmiddellijk nadat de grondstof in de tank is overgebracht en de losslang is afgekoppeld, moet de vulstomp of vulleiding met een goed sluitende dop of afsluiter worden afgesloten.

14. Brijvoerinstallatie (i.v.m. toepassing dierlijke bijproducten) 14.1. Voedermengkuipen c.q. -bassins en leidingen moeten vloeistofdicht worden uitgevoerd. 14.2. De vloer onder de brijvoederinstallatie moet vloeistofdicht zijn uitgevoerd. 14.3. Eventueel gemorste producten moeten direct worden verwijderd. 14.4. Voederrondpompleidingen, aftapleidingen e.d., met uitzondering van flexibele leidingen aan een aftapinrichting, moeten zijn vervaardigd van materiaal van voldoende mechanische sterkte. 14.5. Eventuele ondergrondse leidingen moeten zo nodig tegen corrosie worden beschermd. 14.6. De voederaanmaakruimten moeten schoon worden gehouden. Voor zover de Z2023-ODT-021123

Pagina 14 van 18

voederopslagtanks buiten zijn gelegen, moet de omgeving van de tanks vrij van begroeiing worden gehouden. 14.7. Het bij het spoelen van de brijvoederinstallatie ontstane spoelwater moet worden opgevangen in een vloeistofdichte put (afzonderlijke of gierkelder) zonder overstort of via aansluiting op de gemeentelijke riolering. 15. Geuronderzoek opslag en gebruik bijproducten 15.1. Indien klachten hiertoe aanleiding geven en het bevoegd gezag hierom verzoekt, moet binnen een termijn van 3 maanden na dagtekening van een zodanig verzoek, aan het bevoegd gezag een geurrapport ter goedkeuring worden gezonden waarin een overzicht wordt gegeven van bronnen, emissies, mogelijke maatregelen, kosten en afschrijvingstermijnen. Het onderzoek wordt, met een maximum van eenmaal per 3 jaar, alleen opgelegd als de geurhinder van de opslag van bijproducten en het gebruik van de brijvoederinstallatie een aanvaardbaar niveau overschrijdt. 16. Activiteiten met betrekking tot motoren, motorvoertuigen en andere gemotoriseerde apparaten 16.1. In de inrichting mag alleen onderhoud worden gepleegd aan bedrijfseigen materieel en materiaal. 16.2.

Het is verboden in de inrichting: werkzaamheden te verrichten, waarbij vuur wordt gebruikt in de onmiddellijke nabijheid van een brandstofreservoir en andere delen van een motorvoertuig of werktuig, die brandstof bevatten of kunnen bevatten; aan een tankwagen werkzaamheden te verrichten alvorens de zekerheid is verkregen dat geen gevaarlijke stoffen of brandbare vloeistoffen in de opslagtank aanwezig zijn: motorvoertuigen, werktuigen of onderdelen schoon te branden; motorvoertuigen of werktuigen te pletten of te stapelen; buiten het bebouwde deel herstelwerkzaamheden uit te voeren; uitdeukwerkzaamheden te verrichten; afvalstoffen, zoals gebruikte poetsdoeken en lege verfblikken, anders te bewaren dan in gesloten bussen, vaten of bakken van onbrandbaar materiaal. 16.3. Het schoonmaken van onderdelen of spuitapparatuur met behulp van organische oplosmiddelen, moet plaatsvinden in een afsluitbare bak of in een afsluitbaar vat, dan wel in een speciaal reinigingssysteem, waarbij de vloeistof wordt gerecirculeerd en in een gesloten vat wordt bewaard. Een deksel van een dergelijke bak of vat mag alleen worden geopend voor het vullen of leeghalen van de reinigingsvloeistof of voor het in- en uithalen van de te reinigen materialen. 16.4.

Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht moeten afgezogen dampen en gassen, van ruimten waarin verbrandingsmotoren worden proefgedraaid, bovendaks worden afgevoerd. 17. Afleverinstallatie voor motorbrandstof kleinschalig afleveren van vloeibare brandstoffen 17.1. Een mobiele afleverinstallatie voldoet bij het afleveren van gasolie aan bijlage D PGS 3 . 18. Activiteiten met betrekking tot metaal 18.1. Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, moet voor zover het afgezogen lasrook vanwege het lassen met metalen betreft,

Z2023-ODT-021123

Pagina 15 van 18

die naar de buitenlucht wordt afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht worden afgevoerd. 18.2.

Laskabelisolaties moeten regelmatig, doch ten minste eenmaal per maand, worden gecontroleerd op slijtage. Defecte laskabels moeten worden vervangen of worden gerepareerd.

18.3.

Ter voorkoming van lichthinder buiten de inrichting moet de plaats waar laswerkzaamheden plaatsvinden, worden afgeschermd met bijvoorbeeld schotten, schermen of gordijnen.

18.4.

Binnen een straal van 10 m van las- en snijwerkzaamheden mogen zich geen licht ontvlambare (vloei)stoffen of brandgevaarlijke stoffen bevinden.

19. Opslag gevaarlijke stoffen Gasflessen 19.1. Indien de uitwendige toestand van een gasfles zodanig is dat aan de deugdelijkheid moet worden getwijfeld, moet de gasfles ter herkeuring worden aangeboden aan een door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen keuringsinstelling. 19.2. Beschadigde of lekke gasflessen moeten onmiddellijk in de buitenlucht worden gebracht en worden gemerkt met het woord 'DEFECT', respectievelijk 'LEK'. Ook moeten direct maatregelen worden getroffen om brand-, explosie-, verstikkings- of vergiftigingsgevaar te voorkomen. De desbetreffende gasflessen moeten aan de leverancier worden teruggezonden. 19.3. Gasflessen mogen niet in de nabijheid van vuur en van brandgevaarlijke stoffen staan. 19.4. Gasflessen moeten steeds bereikbaar zijn en er moeten voorzieningen zijn getroffen dat ze niet kunnen omvallen. 19.5. In de inrichting mogen maximaal de volgende gassen in gasflessen aanwezig zijn: - 1 gasfles CO2 van 15 liter. 19.6. Lege gasflessen moeten worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften voor volle gasflessen van deze vergunning. Opslag van vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking 19.7. Vloeibare bodembedreigende stoffen in een verpakking moet worden bewaard in goed gesloten verpakking. 19.8. Lege, niet gereinigde verpakking moet worden behandeld als volle.

Toelichting: Voor de bepaling van de opvangcapaciteit van een vloeistofdichte bak hoeft de opslagcapaciteit van de niet gereinigde verpakking niet meegerekend te worden. 19.9. In de inrichting moet nabij de opslag van vloeistoffen in verpakking, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste vloeistoffen moeten zonodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven onder het hoofdstuk gevaarlijke Z2023-ODT-021123

Pagina 16 van 18

stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de aard van de stof geschikte, gesloten verpakking. Toelichting: Als absorberend materiaal kan worden gebruikt perlite of vermiculite. Opslag verpakte gevaarlijke stoffen, kernvoorschriften 19.10. In de inrichting mogen maximaal de volgende verpakte gevaarlijke stoffen aanwezig zijn (excl. verpakte gevaarlijke stoffen elders genoemd in dit voorschriftenpakket): - 100 kg desinfectiemiddelen; - 100 kg ontsmettingsmiddelen; - 7 kg bestrijdingsmiddelen; - 200 liter motorolie. H

3

PGS 5

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die vallen onder de ADR-klassen, <<vul aan CMR-stoffen, gev. afval, gewasbesch.middel, biociden, etc>> zoals genoemd PGS 5 aal daarvoor bestemde opslagruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 15: 3.1.1 tot en met 3.1.5; Onderstaand de bouwkundige eisen, selecteer de juiste voorschriften met betrekking tot het soort opslagvoorziening (inpandig, uitpandig). PGS-voorschrift 3.2.6 alleen opnemen in geval sprake is van meerdere naast elkaar gelegen opslagvoorzieningen (geschakelde opslagvoorzieningen) en/of situaties waarbij de opslagvoorziening grenst aan een ander brandcompartiment. 3.2.1 tot en met 3.2.13; Onderstaand de eisen voor brandveiligheidsopslagkasten 3.3.1 tot en met 3.3.4; Onderstaand de eisen voor activiteiten in de opslagvoorziening 3.4.1 tot en met 3.4.7; 3.4.8; 3.4.9 tot en met 3.4.11; Onderstaand de eis voor productopvang 3.6.1; Onderstaande de eisen met betrekking tot stellingen en pallets 3.7.1 tot en met 3.7.8; Onderstaande de eis voor verontreinigd hemelwater 19.11. De binnen de inrichting aanwezige verpakte gevaarlijke stoffen dienen te worden

Z2023-ODT-021123

Pagina 17 van 18

opgeslagen overeenkomstig paragrafen 3.1, 3.3, 3.4, 3.9, 3.11 t/m 3.15, 3.23 van de PGS 15:2016. 19.12. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de in tabel 1.2 van de PGS 15:2011 genoemde hoeveelheden niet worden overschreden. Voorzieningen, opslag verpakte gevaarlijke stoffen 19.13. Een brandveiligheidsopslagkast dient te voldoen aan de eisen uit paragraaf 3.10 van de PGS 15:2016 en te worden opgesteld, ingericht en gebruikt overeenkomstig bijlage E van de PGS 15:2016. 19.14. Een inpandige opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen moet zijn geconstrueerd, uitgevoerd en worden gebruikt overeenkomstig paragrafen 3.2 en 3.21 van de PGS 15:2016. 19.15. Een uitpandige opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen moet zijn geconstrueerd, uitgevoerd en worden gebruikt overeenkomstig paragrafen 3.2, 3.8, 3.20 en 3.21 van de PGS 15:2011. 19.16. Lege, ongereinigde verpakkingen van gevaarlijke stoffen moeten worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften voor volle verpakkingen van gevaarlijke stoffen van deze vergunning.

Z2023-ODT-021123

Pagina 18 van 18

Bijlage 3 Overwegingen intern salderen Inhoud 1

ALGEMEEN .............................................................................................................. 2 1.1

Inleiding ............................................................................................................ 2

1.2

Wettelijk kader .................................................................................................. 2

2

REFERENTIESITUATIE ........................................................................................... 2

3

AANGEVRAAGDE SITUATIE.................................................................................. 8

4

EFFECTEN.............................................................................................................. 12 4.1

Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ............................................... 12

4.2 Significante negatieve gevolgen op voorhand uitgesloten ondanks toepassing emissiearme huisvestingsystemen .................................................... 13

5

4.3

Conclusie m.b.t. stikstofdepositie ............................................................... 15

4.4

Overige effecten ............................................................................................. 16

4.5

Effecten op Natura 2000-gebieden buiten Nederland................................ 16

EINDCONCLUSIE................................................................................................... 16

OD Twente Haven Zuidzijde 30 7607 EW Almelo Postbus 499 7600 AL Almelo KVK 71101241 BTW NL858579509B01 IBAN NL48 BNGH 028 5175 416 BIC BNGHNL2G

1 ALGEMEEN 1.1 Inleiding Het bedrijf vraagt een omgevingsvergunning aan, waarbij de aanvrager uitgaat van intern salderen voor het onderdeel Natura-2000 gebieden. De aanvraag heeft betrekking op het agrarisch bedrijf gevestigd aan de Voortsweg 4 in Saasveld. Er is sprake van het veranderen van de inrichting (type C-IPPC inrichting). Aan de Omgevingsdienst Twente is gevraagd om het stikstofdepositie-onderzoek te beoordelen en om aan te geven of er sprake is van intern salderen of dat een omgevingsvergunning natuur is vereist. Het bedrijf heeft door de uitstoot van ammoniak invloed op verschillende Natura 2000gebieden, waarvan het Natura 2000 dichtst bij het bedrijf ligt (gelegen op circa 2,5 km). Tabel: referentiesituatie op grond van de Wet natuurbescherming. Referentiesituatie op grond van de Wet natuurbescherming.

datum

Vergunning op grond van de Wet natuurbescherming

26-08-2020

1.2 Wettelijk kader Beoordeling of een omgevingsvergunning natuur noodzakelijk is Voor de activiteit geldt mogelijk de vergunningplicht in het kader van art. 2.7, tweede lid Wnb. De aangevraagde OBM is daarom beoordeeld op mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Met de inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak stikstof per 1 januari 2020 is de natuurvergunningplicht in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb gewijzigd. Sindsdien is alleen nog een natuurvergunning nodig voor activiteiten die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben. Als een bestaand project (of wijziging of uitbreiding daarvan) niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiedatum (intern salderen) is op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat die wijziging significante gevolgen heeft. Sinds 1 januari 2020 geldt dan geen vergunningplicht meer.1 In dat geval is ook geen Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) meer vereist. Wanneer hier sprake van is haakt de Wnb niet meer aan bij de omgevingsvergunning. 2 Uit de toetsing moet blijken of sprake is van intern salderen of dat een omgevingsvergunning (VVGB) nodig is. 2 REFERENTIESITUATIE Algemeen Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning natuur noodzakelijk is wordt de beoogde situatie afgezet tegen de referentiesituatie. Dit is hieronder uitgewerkt.

Referentiesituatie in het kader van de beoordeling of een omgevingsvergunning natuur noodzakelijk is Het is vaste jurisprudentie dat voor de vraag of de wijziging of uitbreiding van een bestaand project significante gevolgen kan hebben, een vergelijking wordt gemaakt van de gevolgen van het bestaande project in de referentiesituatie en de gevolgen van het project na wijziging of uitbreiding. De referentiesituatie wordt ontleend aan de geldende natuurvergunning of, bij het ontbreken daarvan, aan de milieutoestemming 1 2

ABRvS 20 januari 2021 zaaknummer 201907146/1/R2 Artikel 2.1 eerste lid, onder i Wabo in combinatie met artikel 2.2aa sub a en 6.10a Besluit omgevingsrecht

Z2023-ODT-012123

Pagina 2 van 17

die gold op de referentiedatum (dat is het moment waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd voor het betrokken Natura 2000-gebied). Een uitzondering hierop is als nadien een milieutoestemming is verleend voor een activiteit met minder nadelige gevolgen. Dan geldt die toestemming als referentiesituatie. Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of is ingetrokken. Voor het bedrijf is op 26 augustus 2020 een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming, met kenmerk 2020/0238425 verleend. Deze inmiddels onherroepelijke vergunning is de referentiesituatie op grond van de Wet natuurbescherming (zie tabel 1). Naast de vergunde situatie voor het houden van dieren zijn tevens overige emissies van stikstof op de referentiesituatie van toepassing. Deze worden hieronder uitgewerkt. Tabel 1: Referentiesituatie op grond van de op 26-08-2020 verleende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming met kenmerk 2020/0238425 Stal nr.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dinkelland.nl/api/v1/meetings/836/documents/22143