2026-70 beantwoording schriftelijke BBB fractie mbt kamerbrief landbouw, natuur en stikstof
Tekst van het document
Aan de gemeenteraad van Dinkelland Zaaknummer 1534921 Bijlagen 1 Onderwerp Raadsbrief nr. 2026-70 Schriftelijke vragen BBB Dinkelland m.b.t. Kamerbrief 26 juni 2026 over landbouw, natuur en stikstof Verzenddatum 18 augustus 2026 Geachte raads- en commissieleden, Waarover gaat deze brief? Deze brief gaat over de schriftelijke vragen die gesteld zijn door de fractie BBB Dinkelland, met betrekking tot de Kamerbrief van 26 juni 2026 over landbouw, natuur en stikstof. Ons besluit In onze vergadering hebben wij besloten de schriftelijke vragen middels deze raadsbrief te beantwoorden. Toelichting Hieronder vindt u de beantwoording van de vragen: Vraag 1: Kan het college per Natura 2000-gebied binnen de gemeente Dinkelland inzichtelijk maken op basis van welke nulmeting of referentiesituatie wordt vastgesteld of de natuurkwaliteit is verslechterd, gelijk is gebleven of is verbeterd? Wij verzoeken daarbij aan te geven in welk jaar deze nulmeting of referentiesituatie is vastgesteld, welke habitattypen en instandhoudingsdoelen daarbij zijn beoordeeld, welke monitoringsgegevens en beoordelingsmethoden sindsdien zijn gebruikt, welke ontwikkeling per habitattype is vastgesteld en op basis van welke objectieve onderzoeken, meetgegevens en rapportages wordt geconcludeerd dat sprake is van een verslechtering of verbetering van de natuurkwaliteit.
Antwoord 1: De gemeente beschikt niet over een eigen monitoringssystematiek waarmee per habitattype de ontwikkeling sinds de aanwijzing kan worden vastgesteld. Deze gegevens worden verzameld en beoordeeld door onder andere de provincie Overijssel, terrein beherende organisaties en kennisinstellingen. De beoordeling van de natuurkwaliteit binnen Natura 2000-gebieden vindt plaats op basis van de instandhoudingsdoelen die zijn vastgesteld in de aanwijzingsbesluiten van de betreffende Natura 2000-gebieden. De verantwoordelijkheid voor het vaststellen, monitoren en beoordelen van de staat van instandhouding ligt primair bij het Rijk en de provincie Overijssel als bevoegd gezag voor het natuurbeleid en de uitvoering van de Natura 2000 - beheerplannen. De gemeente beschikt daarom niet over de gevraagde gegevens per Natura 2000 -gebied en per habitattype en kan op basis van de eigen gemeentelijke informatie geen zelfstandig oordeel geven over verbetering of verslechtering van de natuurkwaliteit. De relevante referentiesituaties, monitoringsgegevens en beoordelingen zijn onder meer opgenomen in de aanwijzingsbesluiten, Natura 2000-beheerplannen, natuurdoelanalyses en provinciale monitoringsrapportages.
Vraag 2: Kan het college per Natura 2000-gebied en per habitattype binnen de gemeente Dinkelland inzichtelijk maken hoeveel hectare stikstofgevoelige natuur aanwezig is, welke instandhoudingsdoelen gelden, wat de huidige staat van instandhouding is en welke doelen nog niet zijn behaald?
Antwoord 2: De gemeente beschikt niet over een eigen databron waarin de oppervlakte, de instandhoudingsdoelen en de actuele staat van instandhouding per habitattype zijn samengebracht. Binnen de gemeente Dinkelland liggen (gedeeltelijk) meerdere Natura 2000-gebieden. Het betreft onder andere: · Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek; · Bergvennen & Brecklenkampse Veld; · Lemselermaten; · Springendal & Dal van de Mosbeek; · Dinkeldal; · Lonnekermeer. De aanwezigheid van stikstofgevoelige habitattypen en de mate waarin instandhoudingsdoelen worden gehaald, worden vastgesteld in de Natura 2000-beheerplannen en de daarbij behorende gebiedsanalyses. Daarbij merkt het college op dat het behalen van Natura 2000-doelen niet uitsluitend afhankelijk is van stikstofdepositie. Ook factoren zoals hydrologie, waterkwaliteit, beheer, inrichting en klimaatontwikkeling spelen een belangrijke rol bij de staat van instandhouding. De gemeente kan op basis van de eigen gegevens dan ook geen volledig overzicht geven van het aantal hectares stikstofgevoelige natuur, de actuele staat van instandhouding en de nog niet behaalde doelen per habitattype. Voor deze gebiedsspecifieke gegevens verwijst het college naar de meest recente provinciale rapportages en monitors.
Zie: https://www.overijssel.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/natura-2000-n2000 Vraag 3: Kan het college per Natura 2000-gebied (Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek, Bergvennen & Brecklenkampse Veld, Lemselermaten, Springendal & Dal van de Mosbeek, Dinkeldal en Lonnekermeer) met kaartmateriaal en een cijfermatige onderbouwing aangeven hoeveel hectare landbouwgrond, hoeveel agrarische bedrijfscentra, hoeveel fruitteeltbedrijven en hoeveel overige bedrijven in het buitengebied zich bevinden binnen 500 meter, 1 kilometer en 2 kilometer van deze Natura 2000-gebieden en de grondwaterbeschermingsgebieden binnen de gemeente Dinkelland? Antwoord 3 Een dergelijke gedetailleerde analyse maakt geen onderdeel uit van de reguliere gemeentelijke monitoring en is daarom niet direct beschikbaar in de gevraagde vorm. In de komende periode volgt het college de verdere besluitvorming op de voet, is het proactief in gesprek met de provincie en andere gebiedspartners en werken wij aan het in kaart brengen van de bedrijven binnen de momenteel beoogde zonering. Zodra voldoende duidelijkheid bestaat over de definitieve zonering, kan worden bepaald welke aanvullende analyse nodig en mogelijk is.
Vraag 4: Kan het college per Natura 2000-gebied inzichtelijk maken in welke mate het niet behalen van natuurdoelen aantoonbaar is toe te schrijven aan stikstofdepositie, verdroging, waterkwaliteit, versnippering, achterstallig beheer en overige oorzaken, inclusief de onderliggende onderzoeken, meetgegevens en rapportages? Antwoord 4: Voor de Natura 2000-gebieden binnen Dinkelland geldt dat de provincie Overijssel het bevoegd gezag is en dus verantwoordelijk is voor de uitwerking van de gebiedsanalyses en de beoordeling van de belangrijkste knelpunten. Voor een gebiedsspecifieke beoordeling van de afzonderlijke oorzaken en de bijbehorende onderzoeken, meetgegevens en rapportages verwijst het college naar de geldende Natura 2000 - beheerplannen, natuurdoelanalyses en provinciale gebiedsanalyses. Het college beschikt niet over eigen onderzoeksgegevens waarmee per Natura 2000 -gebied een exacte, cijfermatige verdeling kan worden gemaakt tussen stikstofdepositie, verdroging, waterkwaliteit, versnippering, achterstallig beheer en overige oorzaken. Een dergelijke verdeling is bovendien ecologisch niet altijd eenduidig te maken, omdat de verschillende factoren elkaar kunnen beïnvloeden. In zijn algemeenheid kan het college wel het volgende zeggen.
De oorzaken voor het niet volledig behalen van Natura 2000-instandhoudingsdoelen verschillen per gebied en zijn afhankelijk van de specifieke ecologische omstandigheden. Uit de beschikbare gebiedsanalyses en Natura 2000-beheerplannen blijkt dat de kwaliteit van natuurgebieden doorgaans wordt beïnvloed door een combinatie van factoren. Stikstofdepositie is één van de factoren die in veel Natura 2000-gebieden een rol speelt, met name bij stikstofgevoelige habitattypen. Daarnaast zijn hydrologische omstandigheden, zoals verdroging, veranderingen in grondwaterstanden en beïnvloeding van de waterkwaliteit, in veel gebieden bepalende factoren voor de ontwikkeling van natuurwaarden. Vraag 5: Kan het college per Natura 2000-gebied en grondwaterbeschermingsgebied aangeven welke natuur-, beheer- en hydrologische maatregelen sinds de vaststelling van de beheerplannen zijn uitgevoerd, welke maatregelen nog niet zijn uitgevoerd, wat de geraamde kosten daarvan zijn, welk aantoonbaar effect de reeds uitgevoerde maatregelen hebben gehad op de instandhoudingsdoelen en binnen welke termijn de nog openstaande maatregelen worden uitgevoerd? Antwoord 5: Het college beschikt niet zelfstandig over een volledig overzicht van alle uitgevoerde en nog uit te voeren maatregelen, de bijbehorende kosten, de gemeten effecten en de uitvoeringstermijnen.
Zoals eerder benoemd, is de provincie Overijssel hiervoor als bevoegd gezag de eerstverantwoordelijke partij. Per Natura 2000-gebied is het college vertegenwoordigd in een bestuurlijke adviescommissie. Ook is de gemeente ambtelijk vertegenwoordigd in de per gebied ingerichte projectorganisatie. In deze overlegstructuren nemen ook vertegenwoordigers van betrokken bedrijven en inwoners deel. De exacte voortgang, kosten en effecten worden bijgehouden binnen de provinciale uitvoeringsprogramma’s en gebiedsgerichte aanpakken. Vraag 6: Kan het college inzichtelijk maken hoeveel agrarische bedrijven, fruitteeltbedrijven, overige bedrijven in het buitengebied en daarmee samenhangende ketenbedrijven in de gemeente Dinkelland mogelijk direct of indirect worden geraakt door de in de Kamerbrief aangekondigde maatregelen, uitgesplitst naar bedrijfssector, inclusief een inschatting van de gevolgen voor werkgelegenheid, economische activiteiten en de leefbaarheid van het buitengebied? Antwoord 6: De landbouwsector is van grote betekenis voor de gemeente Dinkelland. Agrarische bedrijven vormen niet alleen een economische sector, maar dragen ook bij aan het landschap, de sociale structuur en de leefbaarheid van het buitengebied.
De gemeente beschikt over algemene gegevens over de omvang van de agrarische sector, maar niet over een volledige analyse waarin per bedrijfstype wordt vastgesteld welke agrarische bedrijven en daarmee samenhangende ketenbedrijven direct of indirect geraakt worden door de aangekondigde maatregelen. Op dit moment is onvoldoende duidelijk welke maatregelen definitief worden vastgesteld, welke instrumenten beschikbaar komen en hoe deze doorwerken in provinciale regelgeving. Daarnaast zal de impact van de nog te bepalen maatregelen verschillend zijn per bedrijf. In deze fase richt het college zich daarom op de definitieve besluitvorming en op de mogelijkheden om deze besluitvorming te beïnvloeden vanuit de gebiedsspecifieke problematiek van Noordoost Twente. Het college verwacht dat de mogelijke gevolgen vooral afhankelijk zullen zijn van: · de ligging van bedrijven ten opzichte van kwetsbare natuur; · de aard van de bedrijfsvoering en de emissiesituatie; · de beschikbaarheid van ondersteuningsregelingen en vrijwillige beëindigingsregelingen; · de mogelijkheden voor innovatie en bedrijfsontwikkeling; · de beschikbaarheid en inzet van grond. Het college vindt het van belang dat de economische en maatschappelijke effecten van beleidsmaatregelen zorgvuldig worden meegewogen.
Daarbij is het voor het college van belang dat niet alleen gekeken wordt naar natuurdoelen, maar ook naar het toekomstperspectief van agrarische familiebedrijven, de lokale economie en de leefbaarheid van het buitengebied. De gemeente blijft hierover in gesprek met provincie Overijssel, belangenorganisaties en gebiedspartners. Zodra de maatregelen en de bijbehorende zonering nader zijn uitgewerkt, kan beter worden beoordeeld hoeveel bedrijven mogelijk worden geraakt en welke gevolgen dit kan hebben voor de werkgelegenheid, de lokale economie en de leefbaarheid. Vraag 7: Kan het college aangeven welke gevolgen de in de Kamerbrief aangekondigde maatregelen naar verwachting hebben voor vergunningverlening, bedrijfsontwikkeling, bedrijfsopvolging, investeringsbereidheid en de toekomstbestendigheid van agrarische familiebedrij ven binnen de gemeente Dinkelland? Antwoord 7: De gevolgen van de maatregelen uit de Kamerbrief voor vergunningverlening en bedrijfsontwikkeling zijn op dit moment nog niet vast te stellen. De Kamerbrief bevat beleidsvoornemens en maatregelen waarvan de verdere uitwerking nog moet plaatsvinden door het Rijk en de provincie. Het pakket van maatregelen heeft in algemene zin tot doel de vergunningverlening weer op gang te brengen.
Of en wanneer dit doel wordt bereikt en welke gevolgen dit voor afzonderlijke bedrijven heeft, kan op dit moment nog niet worde n vastgesteld. Het college heeft aandacht voor de positie van agrarische familiebedrijven in Dinkelland. Deze bedrijven zijn belangrijk voor de economische structuur, het landschap en de sociale samenhang van het buitengebied. Onzekerheid over toekomstige regelgeving kan gevolgen hebben voor investeringsbeslissingen en bedrijfsopvolging. Voor de gemeentelijke aanpak verwijst het college tevens naar de brief aan de agrarische ondernemers in de gemeente van 11 augustus 2026. Vraag 8: Kan het college op basis van beschikbare onderzoeken en praktijkvoorbeelden een vergelijking maken tussen de kosten en effectiviteit van bedrijfsbeëindiging enerzijds en actief natuurbeheer, waterherstel en hydrologische maatregelen anderzijds, en daarbij aangeven welke aanpak naar verwachting het meest doelmatig is voor het behalen van de natuurdoelen binnen Dinkelland? Antwoord 8: Het college beschikt niet over een eigen, gebiedsspecifieke kosten-effectiviteitsanalyse waarmee bedrijfsbeëindiging rechtstreeks kan worden vergeleken met actief natuurbeheer, waterherstel en hydrologische maatregelen. Daardoor kan het college niet onderbouwd vaststellen welke maatregel of combinatie van maatregelen voor ieder Natura 2000-gebied het meest doelmatig is.
De provincie Overijssel is het bevoegd gezag voor de gebiedsgerichte uitwerking en uitvoering van de maatregelen. Deze maatregelen zijn vastgelegd in de daarvoor geldende provinciale plannen en besluiten. Uit beschikbare onderzoeken blijkt dat het behalen van natuurdoelen afhankelijk is van meerdere factoren en dat de meest effectieve aanpak per gebied kan verschillen. Bedrijfsbeëindiging kan in bepaalde situaties bijdragen aan het verminderen van emissies en daarmee aan het verbeteren van de omstandigheden voor kwetsbare natuur. De effectiviteit daarvan is echter afhankelijk van de locatie van het bedrijf, de omvang van de emissiereductie en de specifieke ecologische situatie. Daarnaast blijkt uit gebiedsanalyses dat hydrologische omstandigheden in veel Natura 2000 -gebieden een belangrijke rol spelen. Maatregelen gericht op waterherstel, verbetering van grondwaterstanden, natuurbeheer en inrichting kunnen noodzakelijk zijn om natuurwaarden duurzaam te herstellen. Het college is ook voor de toekomstige aanpak van mening dat een integrale, gebiedsgerichte aanpak nodig is, waarbij per gebied wordt gekeken naar de meest effectieve combinatie van maatregelen. Daarbij moet worden beoordeeld welke combinatie van maatregelen ecologisch effectief, juridisch houdbaar en maatschappelijk uitvoerbaar is.
Naast de ecologische doelen moeten ook de economische en sociaal - maatschappelijke gevolgen worden meegewogen. Vraag 9: Heeft het college naar aanleiding van de Kamerbrief inmiddels overleg gevoerd met de provincie Overijssel, het ministerie van LVVN en andere betrokken partijen? Zo ja, welke gevolgen worden daarbij voorzien voor Dinkelland, welke afspraken zijn gemaakt en welke vervolgstappen worden voorbereid? Antwoord 9: De Kamerbrief van 26 juni 2026 betreft een landelijke ontwikkeling waarvan de besluitvorming nog niet is afgerond en waarvan de verdere uitwerking nog moet plaatsvinden. De provincie Overijssel heeft hierin een grote rol en onderzoekt op dit moment hoe zij dit proces samen met gemeenten en gebiedspartners kan vormgeven. De gemeenten zullen daarbij worden betrokken. Vooruitlopend hierop heeft het college de provincie al een aantal vragen gesteld over het proces. Daarnaast wordt de Kamerbrief geagendeerd voor de bestuurlijke Gebiedstafel Noordoost Twente, waarin gemeenten, gebiedspartners en belangenorganisaties vertegenwoordigd zijn. Er zijn op dit moment nog geen concrete afspraken gemaakt over maatregelen voor Dinkelland. Zodra meer duidelijkheid ontstaat over de provinciale uitwerking van de aangekondigde maatregelen, de mogelijke gevolgen voor Dinkelland en de te n emen vervolgstappen, informeert het college de gemeenteraad hierover.
Vraag 10: Kan het college, samen met de provincie Overijssel en gebiedspartners, de mogelijkheden in beeld brengen voor een alternatief gebiedsplan waarbij landbouw onderdeel is van de oplossing, actief natuurbeheer en waterherstel centraal staan, economische en maatschappelijke gevolgen worden meegewogen en de gemeenteraad hierover informeren? Antwoord 10: Het college onderschrijft het belang van een integrale gebiedsgerichte aanpak waarin landbouw, natuur, water en leefbaarheid in samenhang worden bekeken. De optie van alternatieve gebiedsplannen wordt in de kamerbrief genoemd en vragen een zogenaamd omkeerbesluit. Een eerste beoordeling van de Kamerbrief en bijlagen leert dat dit in de praktijk een complexe aanpak zal zijn omdat de minister duidelijk heeft aangegeven dat die plannen juridisch geborgd moeten zijn, aan de gestelde rijksdoelen, -kaders en voorwaarden moeten voldoen en uiterlijk 1 januari 2028 klaar moeten zijn. De gemeente zal de ontwikkelingen rondom de landelijke maatregelen en de provinciale uitwerking daarvan blijven volgen, bespreken en waar mogelijk beïnvloeden. Hierbij volgen we de lijn van de afgelopen jaren met verwijzing naar het Position Paper Toekomst Landelijk Gebied Noordoost-Twente d.d. 8 november 2024.
De unieke gebiedskenmerken van ons landschap zorgen voor een complexe stapeling van (natuur)opgaven waardoor maatwerk en een gebiedsgerichte aanpak noodzakelijk zijn. Uiteraard zal het college de gemeenteraad blijven informeren over relevante vervolgstappen en mogelijkheden voor Dinkelland. Het college onderzoekt samen met de provincie en de gebiedspartners welke mogelijkheden binnen de landelijke en provinciale kaders voor Noordoost-Twente en Dinkelland bestaan. Daarbij wordt gekeken hoe landbouw onderdeel kan zijn van de oplossing en hoe natuurbeheer, waterherstel en economische en maatschappelijke gevolgen in samenhang kunnen worden meegewogen. Uiteraard zal het college de gemeenteraad blijven informeren over relevante vervolgstappen en mogelijkheden voor Dinkelland. Waarom deze raadsbrief? Op basis van artikel 35 van het Reglement van Orde kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college. Schriftelijke vragen worden door het college beantwoord middels een raadsbrief. Wij stellen u voor deze raadsbrief voor kennisgeving aan te nemen. Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met de raadsgriffier. Deze zal uw vragen aan ons college kenbaar maken. Burgemeester en wethouders van Dinkelland, de secretaris de burgemeester Drs. C.H.A.A. Luttikhuis J.G.J. Joosten