CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

VFL Dijk en Waard 2026 Eindversie

Gemeenteraad 17 februari 2026, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Wijzigingsverordening Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2025 (herstel strafbaarstelling)18.812 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Artikel 6.1.3 Instandhoudingplicht wateren en riolen 1. Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de wateren, riolen of putten of voor anderen. 2. Onder het in gevaar brengen voor de veiligheid op openbaar water wordt in ieder geval verstaan: a. Het plaatsen, aanbrengen of hebben van een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. b. het plaatsen of hebben van een vaartuigwrak in het openbaar water, aan de walkant of op de weg, dan wel het zodanig plaatsen van een vaartuigwrak dat dit vanaf een openbare plaats zichtbaar is dan wel hinder, gevaar of verontreiniging veroorzaakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de

Omgevingswet, de Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Dijk en Waard 2022. Artikel 6.1.4 Instandhoudingsplicht waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen en of gemeentelijke eigendommen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingswet of de Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Artikel 6.1.5 Verbod plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b.met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Deze aanplakborden zijn opgenomen in artikel 5 van het Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023, dan wel diens rechtsopvolger. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Afdeling 6.2 Gedoogplichten Artikel 6.2.1 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 6.2.2 Namen en nummerduidingen aanbrengen 1. De door het college toegekende namen, zoals vervat in artikel 2 van de Verordening naamgeving en nummering (adressering), worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2. Aan objecten, zoals aangegeven in artikel 3 van de Verordening naamgeving en nummering (adressering), waarvoor een nummer is vastgesteld moet dat nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht. 3. Het is eenieder die daartoe niet is bevoegd, verboden namen aan de openbare ruimte en woonplaatsen, wijken en buurten toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen.

4. Het is een ieder die daartoe niet is bevoegd, verboden aan een pand of verblijfsobject, stand- of ligplaats of afgebakend terrein nummers toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. Artikel 6.2.3 Gedoogplicht naamborden 1. Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een wijk- of buurtaanduiding, borden met namen van de openbare ruimte, naamverwijsborden, nummerborden, nummerverzamelborden en andere (verwijs)aanduidingen aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde borden vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Indien het college het noodzakelijk acht om een naambord, waarop de vervallen naam is doorgehaald, tijdelijk naast het naambord met de nieuwe naam te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten als daaraan door het college een termijn van niet langer dan 2 maanden is verbonden. 3. De rechthebbende zorgt er voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde borden vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. Artikel 6.2.4 Verplichting tot aanbrengen van nummerborden 1.

Tenzij het college anders heeft besloten, zorgt de rechthebbende van een object er voor dat de nummers, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) worden aangebracht op een wijze zoals krachtens artikel 7 van die verordening is bepaald. 2. De rechthebbende draagt er zorg voor dat de in het eerste lid genoemde nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college zijn aangebracht. 3. Indien een verblijfsobject, ligplaats, standplaats of afgebakend terrein nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na voltooiing aangebracht. 4. Indien het college heeft besloten om een nummerbord, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, naast het nummerbord met het nieuwe nummer te handhaven zal de rechthebbende dit toelaten of daar uitvoering aan geven als daaraan door het college een termijn van niet langer dan twee maanden is verbonden. 5. Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijn verlengen. Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen -gereserveerdHoofdstuk 8. Procesregels Afdeling 8.1 Voorbereiding van besluiten Paragraaf 8.1.1 Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel 8.1.1.1. Voornemen tot aanwijzing 1.

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.2.2.1 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 8.1.1.2 Voorbescherming

1. De bescherming van paragraaf 5.2.1 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 8.1.1.1 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel 8.1.1.3. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing als gemeentelijk erfgoed in het omgevingsplan Dijk en Waard dan wel diens rechtsopvolger, dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel 8.1.1.4. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Burgemeesters en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 8.1.1.5. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.

In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 8.3.1 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5. 3. Paragraaf 8.1.1 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 8.1.1.5 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 8.1.1.6. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 8.1.1 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.

Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Paragraaf 8.1.2 Beschermde stads- en dorpsgezichten Artikel 8.1.2.1 Aanwijzing beschermd stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 8.3.1, eerste lid. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 7. Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen. 8.

Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 8.1.2.2. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- of dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 8.1.2.1, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 8.1.2.1, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Afdeling 8.2 Vergunningen, ontheffingen en meldingen Artikel 8.2.1 Beslistermijn 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het tweede lid geldt, indien de aanvraag betrekking heeft op een ontheffing als bedoeld in artikel 5.6.3.1, tweede lid, een vergunning als bedoeld in artikel 5.7.1.3, of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet, de beslistermijn zoals bepaald in artikel 16.64 van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving. Artikel 8.2.2 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken zich slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 8.2.3 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 8.2.4 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. als de houder dit verzoekt. Artikel 8.2.5 Termijnen 1.

De vergunning of ontheffing geldt voor onbeperkte tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 8.2.6 Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Afdeling 8.3 Advies Paragraaf 8.3.1 Gemeentelijke Adviescommissie erfgoed Artikel 8.3.1.1 Advies gemeentelijke adviescommissie over het aanwijzen van gemeentelijke monumenten en beschermd stads- of dorpsgezichten 1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.2.2.1 advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en Verordening op de Gemeentelijke Adviescommissie Erfgoed Dijk en Waard 2023. 2.

De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

Artikel 8.3.1.2 Advies gemeentelijke adviescommissie over een omgevingsvergunning Rijksmonument Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet advies in bij de gemeentelijke adviescommissie, bedoeld in artikel 8.3.1, eerste lid. Artikel 8.3.1, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 8.3.1.3 Termijnen advies en vergunningverlening 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de Gemeentelijke Adviescommissie voor advies. 2. Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de Gemeentelijke Adviescommissie schriftelijk advies uit aan het college. Artikel 8.3.1.4 Vergunning voor beschermd monument 1. Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan de Gemeentelijke Adviescommissie. 2. De Gemeentelijke Adviescommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift. 3. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn, wordt de Gemeentelijke Adviescommissie geacht geadviseerd te hebben.

Paragraaf 8.3.2 Gemeentelijke Adviescommissie welstand Artikel 8.3.2.1 De advisering door de Commissie ruimtelijke kwaliteit 1. De advisering over redelijke eisen voor welstand is opgedragen aan de Stichting MOOI Noord-Holland adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit die uit haar midden personen voordraagt als lid van de Commissie ruimtelijke kwaliteit, hierna gezamenlijk te noemen: de Commissie ruimtelijke kwaliteit. 2. De Commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 3. De Commissie ruimtelijke kwaliteit baseert haar advies op de in de Nota ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 2022 of diens rechtsopvolger genoemde welstandscriteria. Artikel 8.3.2.2 Samenstelling van de Commissie ruimtelijke kwaliteit 1. De Commissie ruimtelijke kwaliteit bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden, waarvan ten minste één lid deskundig is op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2. Voor de voorzitter en leden kunnen bij structurele afwezigheid plaatsvervangers worden aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. 3. De Commissie ruimtelijke kwaliteit kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee leden aanwezig zijn die beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. 4.

De voorzitter en leden van de Commissie ruimtelijke kwaliteit zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. 5. De Commissie ruimtelijke kwaliteit wordt bijgestaan door een secretaris of diens plaatsvervanger. Artikel 8.3.2.3 Jaarlijkse verantwoording De Commissie ruimtelijke kwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: a. op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de Nota ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 2022 of diens rechtsopvolger; b. de werkwijze van de Commissie ruimtelijke kwaliteit; c. op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; d. de aard van de beoordeelde plannen;

e. de bijzondere projecten. De Commissie ruimtelijke kwaliteit kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de Nota ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 2022 of diens rechtsopvolger in het bijzonder. Artikel 8.3.2.4 Termijn van advisering 1. De Commissie ruimtelijke kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 2. De Commissie ruimtelijke kwaliteit brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de commissie ruimtelijke kwaliteit een langere termijn geven dan bedoeld in de voorgaande leden voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Indien de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag is verlengd op grond van artikel 16.64, tweede lid, van de Omgevingswet, kan deze termijn eveneens worden verlengd. Artikel 8.3.2.5 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1.

De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de Commissie ruimtelijke kwaliteit is openbaar. De agenda voor de vergadering van de Commissie ruimtelijke kwaliteit wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond artikel 5.1 van de Wet open overheid ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de Commissie ruimtelijke kwaliteit in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht.

Het reglement van orde van de Commissie ruimtelijke kwaliteit voorziet in een procedurele opzet. Artikel 8.3.2.6 Afdoening onder verantwoordelijkheid 1. De Commissie ruimtelijke kwaliteit kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden (inclusief de voorzitter). Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de Commissie ruimtelijke kwaliteit als bekend mag worden verondersteld. 2. In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Artikel 8.3.2.7 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1. De Commissie ruimtelijke kwaliteit adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Afdeling 8.4 Technische wijzigingen aan deze verordening

Artikel 8.4.1 Bevoegdheden overdragen aan college 1. Het college is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening indien het wijzigingen betreft die: a. van zuiver redactionele aard zijn; b. technisch van aard zijn en een noodzakelijk gevolg van zijn van nieuwe of gewijzigde wetof regelgeving. 2. Alvorens het college definitief besluit tot een wijziging, legt zij de voorgenomen wijziging voor aan de relevante raadscommissie of het forum. Deze kan adviseren de voorgenomen wijziging aan de gemeenteraad voor te leggen ter goedkeuring, welk advies in dat geval door het college wordt opgevolgd. Artikel 8.4.2 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk 9. Handhaving Artikel 9.1 Strafbepaling 1.

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 8.2.2 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a, onderdeel 3° van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.5.1.1, 5.5.1.2, 5.5.1.3, 5.5.1.4, 5.5.1.5, 5.5.2.1, 5.6.3.1, tweede lid, 5.6.2.4, eerste lid, en 5.7.1.3, eerste lid. 3. In afwijking van het eerste lid wordt een overtreding van, of het niet voldoen aan de bepalingen in artikelen 6.2.2, tweede en derde lid, 6.2.3 en 6.2.4 bestraft met een geldboete van de eerste categorie. 4. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. Artikel 9.2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de handhavingsambtenaar alsmede de medewerkers van de Nationale Politie. 2.

Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten Artikel 9.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Hoofdstuk 10. Monitoring en informatie -gereserveerdHoofdstuk 11. Overgangsrecht Artikel 11.1 Intrekking oude verordeningen Ingetrokken worden de:

a. Bouwverordening Heerhugowaard, zoals vastgesteld bij besluit van 24 april 2012, b. Bouwverordening Langedijk 2012, zoals vastgesteld bij besluit van 3 april 2012, c. Brandbeveiligingsverordening Langedijk 2012, zoals vastgesteld bij besluit van 3 april 2012, d. Erfgoedverordening Heerhugowaard 2010, zoals vastgesteld bij besluit van 23 november 2010 en e. Erfgoedverordening Langedijk 2012, zoals vastgesteld bij besluit van 3 april 2012. Artikel 11.2 Wijziging andere verordeningen 1. De artikelen 2:11, 2:12, 2:15, 2:16 2:21, 2:42, 2:58, 2:60, 4:2, 4:3, 4:5, 4:6, 4:9, 4:9A, 4:11, 4:12, 4:12a, 4:13, 4:18, 4:19, 5:25, 5:28, 5:32, 5:33 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Heerhugowaard 2020, inclusief de daarbij behorende artikelsgewijze toelichting komen te vervallen. 2. De artikelen 2:11, 2:12, 2:15, 2:16 2:21, 2:42, 2:58, 2:60, 4:2, 4:3, 4:5, 4:5b, 4:6, 4:9, 4:9A, 4:11, 4:12, 4:12a, 4:13, 4:18, 4:19, 5:25, 5:28, 5:24, 5:30, derde lid, 5:32, 5:33 en 5:34 van de Algemene plaatselijke verordening Langedijk 2019, inclusief de daarbij behorende artikelsgewijze toelichting komen te vervallen. 3. De artikelen 4, 5 en 6 van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) Heerhugowaard 2013 komen te vervallen. 4. De artikelen 4, 5 en 6 van de Verordening nummering en adressering Langedijk 2007 komen te vervallen. 5.

De artikelen 14 t/m 19 van de Afvalstoffenverordening Heerhugowaard 2018 komen te vervallen. 6. De artikelen 16, 17, 19, 21, 22 en 23 van de Afvalstoffenverordening Langedijk 2016 komen te vervallen. Artikel 11.3 Overgangsbepaling 1. Besluiten, genomen krachtens de verordeningen, bedoeld in artikel 11.1, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten, genomen krachtens de artikelen bedoeld in artikel 11.2. 3. Het recht, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, blijft van toepassing op: a. de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, als voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend; b. de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent, als voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of c.

een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bepalingen kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. 4. In gevallen als bedoeld in het derde lid wordt: a. een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening; b. een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening, op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen Artikel 12.1 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag nadat zij op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Artikel 12.2 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2025 Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Dijk en Waard in zijn openbare vergadering van 24 juni 2025.

De griffier,

De voorzitter,

M. (Menno) Horjus

M.F. (Maarten) Poorter

Bijlage 1: Begripsbepalingen Artikel 1.1 Algemene begrippen Voor de toepassing van de deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat terzake bevoegd is; Bouwwerk: een constructie als bedoeld in bijlage I, onderdeel A, bij de Omgevingswet en nader uitgewerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving. College: het college van burgemeester en wethouders; Gebouw: een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, zoals bedoeld in bijlage I, onderdeel A, van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Gevoelige gebouwen: Gevoelige gebouwen / Gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover daarin geregeld, en anders overeenkomstig de laatst geldende definitie onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gevoelige terreinen: Gevoelige gebouwen / Gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor zover daarin geregeld, en anders overeenkomstig de laatst geldende definitie onder het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Gemeente: gemeente Dijk en Waard; Houder van een inrichting: degene die een milieubelastende activiteit verricht als bedoeld in de Omgevingswet, of - voor zover van toepassing op grond van overgangsrecht - degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Motorvoertuig: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; Rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; Voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; Weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b. van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan.

Artikel 1.2 Cultureel erfgoed Voor de toepassing van afdelingen 4.2, 5.2, 8.1, 8.3 en artikel 6.1.1 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden. Gemeentelijke Adviescommissie: commissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, ingesteld door de gemeenteraad ter advisering over besluiten met betrekking tot cultureel erfgoed en omgevingskwaliteit. Gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid.

Gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid. Artikel 1.3 Dieren -gereserveerdArtikel 1.4 Geluid en evenementen Voor de toepassing van afdeling 5.4 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 1.5 Verontreiniging -gereserveerdArtikel 1.6 Wegen en wateren -gereserveerdArtikel 1.7 Groenbeheer Voor de toepassing van paragraaf 4.2.7 en afdeling 5.7 en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Beschermde houtopstand: houtopstand die geplaatst is op de lijst als bedoeld in artikel 4.2.6.1; Boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven; Dunnen: vellen dat uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd; Hakhout: boomvormers of andere houtachtige gewassen, die na te zijn geknot tot bij de grond opnieuw op de stronk uitlopen; Houtopstand: één of meer bomen, hakhout, boomvormers of andere houtachtige gewassen die onderdeel uitmaken van een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken of een beplanting van bosplantsoen; Kandelaberen: het voor meer dan 20% gelijkmatig weghalen van de takken die de kroon van een boom vormen; Knotten: periodiek geheel of gedeeltelijk verwijderen van uitgelopen takhout tot op de oude snoeiplaats; Vellen: rooien, kappen, verplanten, het voor de eerste maal kandelaberen of snoeien van meer dan 20% van de kroon of het wortelgestel, het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

Artikel 1.8 Bouw Voor de toepassing van afdeling 5.8 en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; Omgevingsvergunning voor het bouwen: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. In deze afdeling van deze verordening wordt mede verstaan onder: • a. bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk; • b. gebouw: een gedeelte van een gebouw.

Algemene toelichting De Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard (VFL) vormt een belangrijk instrument voor de juridische borging van gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving tijdens de overgang naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn de kaders voor ruimtelijke ordening, milieu, water, natuur en bouw integraal herzien. Voor gemeenten betekent dit dat zij hun lokale regelgeving gefaseerd moeten omzetten naar het omgevingsplan. Om te voorkomen dat tijdens deze overgangsperiode juridische leemtes ontstaan, is de VFL in het leven geroepen. Deze verordening borgt op tijdelijke en ondersteunende wijze de lokale regels die (nog) niet zijn opgenomen in het omgevingsplan. Daarmee wordt rechtszekerheid geboden aan zowel bestuursorganen als burgers en bedrijven. Ontwikkeling van de VFL De VFL kent een gefaseerde ontwikkeling. In 2022 is een eerste versie vastgesteld ter voorbereiding op de komst van de Omgevingswet. In 2023 volgde een geactualiseerde versie waarin onder meer redactionele en juridische verbeteringen zijn doorgevoerd. In deze derde versie, die is vastgesteld in 2025, zijn verdere technische en systematische aanpassingen doorgevoerd om de verordening volledig in lijn te brengen met de Omgevingswet en haar uitvoeringsbesluiten.

Naast deze technische verbeteringen zijn ook enkele noodzakelijke aanvullingen en inhoudelijke verfijningen aangebracht. Deze wijzigingen dienen ter versterking van de interne samenhang, verduidelijking van de juridische werking en aansluiting op het omgevingsplan. Toekomstige ontwikkeling De VFL is nadrukkelijk een tijdelijke regeling. Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat alle regels voor de fysieke leefomgeving uiteindelijk volledig worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Naarmate dit proces vordert en meer regels worden overgenomen in het omgevingsplan, zal de VFL geleidelijk aan haar betekenis verliezen en uiteindelijk komen te vervallen. Tot dat moment blijft de VFL noodzakelijk om de lokale regels op een juridisch zorgvuldige wijze te laten doorwerken. De VFL wordt jaarlijks geactualiseerd in samenhang met de cyclus van de Algemene Plaatselijke Verordening Dijk en Waard (APV). Dit waarborgt dat de VFL actueel blijft en kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Artikelsgewijze toelichting In deze artikelsgewijze toelichting worden die artikelen nader toegelicht waarvoor de wijzigingen noodzakelijk zijn gebleken voor de juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid of verduidelijking van de bepalingen.

Voor de overige artikelen geldt dat in deze derde versie van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2025 aanpassingen zijn doorgevoerd die uitsluitend gericht zijn op het actualiseren, harmoniseren en verbeteren van de tekst. Deze wijzigingen betreffen algemene verbeteringen in verwijzingen, terminologie en redactionele opbouw en hebben geen gevolgen voor de inhoudelijke werking van de regels. Daarom worden zij hier in algemene zin toegelicht. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar de Was-wordt-lijst bij deze verordening, waarin per artikel en wijziging de aanpassingen en motieven zijn opgenomen.

De algemene wijzigingen betreffen onder meer: Actualisering en vereenvoudiging van de intitulé De wijziging van de intitulé is een redactionele en juridisch-technische verbetering, bedoeld om de citeertitel en de aanhef beter te laten aansluiten op de huidige systematiek van de Omgevingswet en de aanbevelingen van de VNG (zie o.a. 100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever). Waar in de oude formulering nog uitgebreide en gedetailleerde verwijzingen waren opgenomen naar eerdere lokale regelingen en diverse specifieke wettelijke bepalingen, is in de nieuwe versie gekozen voor een strakkere en eenvoudiger formulering. Dit past binnen de moderne regeltechniek waarin verordeningen kort en bondig worden aangeduid, waarbij alleen de noodzakelijke juridische grondslagen in de aanhef worden opgenomen. Oudere regelgeving (zoals de Algemene Plaatselijke Verordeningen Heerhugowaard en Langedijk en de Erfgoedverordeningen 2009 en 2010) is vervallen of opgegaan in het nieuwe stelsel en hoeft daarom niet langer te worden vermeld in de aanhef. Daarnaast wordt het jaartal in de citeertitel geactualiseerd naar 2025, conform de praktijk om verordeningen van een jaartal te voorzien dat het geldende jaar van vaststelling aangeeft. Hiermee is ook invulling gegeven aan de aanbevelingen in de VNG-publicatie over regeltechniek waarin wordt aangeraden om citeertitels eenvoudig en herkenbaar te houden.

Actualisatie van begrippen en verwijzingen Verouderde begrippen en verwijzingen naar vervallen wetgeving zijn in de gehele Verordening fysieke leefomgeving doorgevoerd. Deze aanpassingen zijn afgestemd op de systematiek van de Omgevingswet en haar uitvoeringsbesluiten (zoals het Bbl, Bal en Bkl), alsmede op actuele gemeentelijke en provinciale regelingen. Waar oude regelgeving nog van belang is op grond van overgangsrecht, is gebruik gemaakt van een overgangsformulering zoals "zoals die wet/dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet". Een volledig overzicht van deze verwijzingen en de aangepaste terminologie is opgenomen in de tabel in de was-wordt-lijst, zodat duidelijk is op welke regelingen en begrippen deze aanpassing betrekking heeft. Toevoeging van dynamische formuleringen en opvolgende regelgeving In diverse artikelen wordt verwezen naar extern vastgestelde documenten, beleidsregels en regelgeving, zoals het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege, het Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard. Om te waarborgen dat deze verwijzingen ook na toekomstige aanpassingen van die documenten of regelgeving hun werking behouden, is gekozen voor dynamische formuleringen.

Zo is op meerdere plaatsen de toevoeging “dan wel diens rechtsopvolger” opgenomen en zijn verwijzingen naar externe regelgeving geactualiseerd. Hiermee wordt voorkomen dat bepalingen verouderen of hun werking verliezen, en blijft de verordening actueel en juridisch houdbaar. Correctie van verwijzingen en redactionele fouten In de gehele verordening zijn onjuiste verwijzingen en kleine redactionele onvolkomenheden gecorrigeerd. Dit betreft onder meer foutieve artikelverwijzingen, terminologie en inconsistenties. Deze correcties dragen bij aan de interne consistentie, de juridische houdbaarheid en de leesbaarheid van de verordening. Deze wijzigingen zijn aangebracht ter bevordering van de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid van de verordening en leiden niet tot beleidsinhoudelijke aanpassingen, maar beogen uitsluitend noodzakelijke verduidelijking en aansluiting op het actuele rechtskader.

Verkorten en actualiseren van de toelichting De toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving is inhoudelijk en redactioneel herzien. Verouderde passages en toelichtingen die niet langer aansluiten op de systematiek van de Omgevingswet zijn verwijderd. Daarnaast is de tekst ingekort om de leesbaarheid en praktische bruikbaarheid te vergroten. De algemene wijzigingen zijn hiervoor samengevat; voor de artikelen waarin inhoudelijke of juridisch noodzakelijke wijzigingen zijn aangebracht, is hieronder een nadere toelichting per artikel opgenomen. Nieuwe artikel 1.2 Voorrang bij begripsbepalingen. Dit artikel regelt de verhouding tussen begripsbepalingen in de verordening, het omgevingsplan van rechtswege en de rijksregelgeving (Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten). Het uitgangspunt is dat bij strijdigheid of verschil in uitleg de begripsbepalingen uit het omgevingsplan van rechtswege voorrang hebben. Slechts wanneer een begrip niet in het omgevingsplan is opgenomen, wordt teruggevallen op de definities uit de rijksregelgeving. Nieuwe artikel 1.3 Samenloopbepaling. Dit artikel regelt de verhouding tussen de bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard en het omgevingsplan van rechtswege.

Indien beide regelingen tegelijkertijd van toepassing zijn op een specifiek gebied of onderwerp, gelden in beginsel de bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard, tenzij het om strijdigheid gaat. In dat geval gaan de bepalingen van het omgevingsplan voor, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald. Met deze bepaling wordt rechtszekerheid geboden en worden interpretatieproblemen voorkomen. Zodra de inhoud van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard volledig is opgenomen in het omgevingsplan, vervalt dit artikel van rechtswege. Artikel 4.1.2 Bebouwde kom Voorheen werd in artikel 4.1.2 verwezen naar het gebied binnen de bebouwde kom via een indirecte verwijzing in bijlage 1, artikel 1.1. Deze constructie bood onvoldoende duidelijkheid, omdat niet inzichtelijk was op welk besluit of welke kaart de verwijzing precies zag. In de nieuwe formulering wordt direct verwezen naar het Aanwijzingsbesluit bebouwde komgrenzen Dijk en Waard of diens rechtsopvolger, vastgesteld op grond van artikel 20 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit besluit bevat de officiële afbakening van de bebouwde kom, inclusief kaart, en is openbaar raadpleegbaar. Met deze aanpassing is de bepaling juridisch preciezer en wordt de rechtszekerheid voor toepassing en handhaving vergroot.

Artikel 4.2.6.1 Beschermde bomen In dit artikel is verduidelijkt dat de beschermde bomen en houtopstanden niet alleen door het college worden vastgesteld, maar dat deze zijn opgenomen in het "Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023". Door expliciet te verwijzen naar dit formele collegebesluit wordt de koppeling tussen de verordening en de vastgestelde lijst versterkt, waardoor meer rechtszekerheid ontstaat voor burgers en bestuursorganen. Het voorkomt dat bij iedere wijziging van de bomenlijst de verordening moet worden aangepast, omdat de lijst via het collegebesluit zelfstandig kan worden geactualiseerd en bekendgemaakt. Artikel 5.2.3.1, eerste lid, sub b Vangnet archeologie In sub b van artikel 5.2.3.1 tweede lid, is de reikwijdte van de beschermingsregeling verruimd. Naast verstoringen op basis van de provinciale archeologische monumentenkaart en de

landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden, wordt nu ook bescherming geboden aan gebieden zoals vastgelegd op gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaarten. Tevens is verduidelijkt dat niet alleen monumenten of verwachtingsgebieden, maar ook "waarden" (bijvoorbeeld verwachtingszones uit archeologisch vooronderzoek) onder de bescherming vallen. Deze aanpassing sluit aan bij de rol die de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving toekennen aan gemeenten voor de bescherming van archeologische belangen en zorgt voor een meer volledige borging van lokaal erfgoed. Artikel 5.4.2.2, leden 1, 2 en 8 – Incidentele festiviteiten In artikel 5.4.2.2, eerste, tweede en achtste lid, zijn de verwijzingen naar geluids- en verlichtingsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer vervangen door verwijzingen naar het Omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard of diens rechtsopvolger. De bepaling voorziet nog steeds in de mogelijkheid voor inrichtingen om gedurende een beperkt aantal dagen per jaar incidentele festiviteiten te organiseren waarbij tijdelijk afgeweken mag worden van de reguliere normen. Omdat in deze artikelen uitsluitend wordt verwezen naar actuele normering uit het omgevingsplan, is het niet nodig om overgangsterminologie te gebruiken zoals “zoals dat besluit luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet”.

Artikel 5.4.3.1 eerste en vierde lid Onversterkte muziek In artikel 5.4.3.1 zijn de verwijzingen naar vervallen landelijke regelgeving geactualiseerd in het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024. In het eerste lid werd voorheen verwezen naar artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer als basis voor het reguleren van het ten gehore brengen van onversterkte muziek binnen inrichtingen. Deze bepaling is vervallen. De relevante normering is nu opgenomen in paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard. Ook is in onderdeel c de verwijzing naar geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten geactualiseerd: de oude verwijzingen naar de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zijn vervangen door een verwijzing naar artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarin de relevante definities nu zijn ondergebracht. In het vierde lid is eveneens de verwijzing naar het Activiteitenbesluit milieubeheer vervangen door een verwijzing naar paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan. Artikel 5.5.1.1 tweede lid sub d Dumpingsverbod In deze bepaling wordt uitgesloten dat bepaalde handelingen zijn toegestaan voor zover deze elders reeds bij of krachtens wet verboden zijn. Tot 1 januari 2024 vielen dergelijke handelingen onder de Wet bodembescherming, de Waterwet en het Besluit bodemkwaliteit.

Deze regelingen zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen, maar hun bepalingen zijn niet op uniforme of volledig gelijkwaardige wijze opgenomen in het nieuwe stelsel. Omdat op dit moment niet met zekerheid is vast te stellen of de inhoudelijke werking van de eerdere verbodsbepalingen volledig is teruggekeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving, de Omgevingswet of onderliggende regelgeving, is ervoor gekozen om in dit artikel te verwijzen naar de oude regelingen zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op die manier blijft het effect van het artikel voorlopig behouden en wordt voorkomen dat handelingen die onder het oude recht verboden waren, alsnog ongemerkt worden toegestaan via gemeentelijke regelgeving. Wanneer in de praktijk blijkt dat de nieuwe rijksregels volledig de werking van de oude wetten hebben overgenomen, kan de verwijzing in een volgende actualisatieronde worden aangepast of geschrapt. Artikel 5.5.1.3 derde lid Zwerfafval rondom inrichtingen

In lid 3 van artikel 5.5.1.3 werd verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer als reden waarom de gemeentelijke regels voor het tegengaan van zwerfafval niet golden in situaties die al onder rijksregelgeving vielen. Omdat het Activiteitenbesluit per 1 januari 2024 is vervallen, is deze verwijzing juridisch niet langer geldig. Weliswaar zijn onderdelen van de vroegere zorgplicht (zoals artikel 2.24 Activiteitenbesluit) opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), maar de reikwijdte is gewijzigd en het is niet met zekerheid vast te stellen dat alle situaties waarin het artikel voorziet volledig onder het Bal vallen. Daarom is de verwijzing gehandhaafd met de toevoeging: “zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.” Deze overgangsterminologie zorgt ervoor dat de bestaande juridische werking voorlopig behouden blijft en voorkomt een onbedoelde verruiming van de gemeentelijke zorgplicht tijdens de overgangsfase. Artikel 5.5.1.5 Geen opslag van afval in de open lucht In deze bepaling werd verwezen naar het begrip “inrichting” uit artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is dit begrip vervangen door het kernbegrip “milieubelastende activiteit”.

Omdat het begrip “inrichting” binnen deze verordening op veel plaatsen bepalend is voor de reikwijdte van regels en niet zonder risico op inhoudelijke verschuivingen kan worden vervangen, is gekozen voor een overgangsverwijzing. Door expliciet te vermelden dat het gaat om het begrip zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft de bepaling juridisch houdbaar op grond van het overgangsrecht. In een volgende actualisatieronde kan worden bezien of het mogelijk is om het begrip “inrichting” te vervangen door een Omgevingswet-conforme term, afhankelijk van de beleidsmatige werking. Artikel 5.5.2.1 Ontdoen van autowrakken In dit artikel werd voorheen verwezen naar artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (Bba), dat per 1 januari 2024 is vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat de inhoud van deze bepaling (over de afgifte van autowrakken aan een erkende inrichting) niet duidelijk en volledig is overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of andere opvolgende regelgeving, is gekozen voor een verwijzing naar artikel 6 Bba zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 5.5.2.2 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke Dit artikel reguleert de opslag van bepaalde voorwerpen en stoffen op door het college aangewezen plaatsen, met het oog op het uiterlijk aanzien van de gemeente, het voorkomen of opheffen van overlast en het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid. De volgende verwijzingen binnen dit artikel zijn geactualiseerd: • Verwijzing naar "inrichting in de zin van de Wet milieubeheer": Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is het begrip "inrichting" vervangen door "milieubelastende activiteit". Aangezien "inrichting" in de VFL op meerdere plaatsen voorkomt en bepalend is voor de werkingssfeer van regels, zou een directe vervanging tot onbedoelde inhoudelijke wijzigingen kunnen leiden. Daarom is gekozen voor een overgangsformulering die verwijst naar artikel 1.1 van de Wet milieubeheer zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze formulering voorkomt interpretatieproblemen en blijft juridisch houdbaar. • Verwijzing naar "kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 van de APV": De verwijzing naar artikel 4:17 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is verouderd, aangezien de relevante bepalingen zijn opgenomen in artikel 5.7.2.1 van de VFL.

De verwijzing is daarom aangepast naar artikel 5.7.2.1 van deze verordening om consistentie en duidelijkheid te waarborgen.

•

Verwijzing naar "situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening": De Wet ruimtelijke ordening is per 1 januari 2024 vervallen en opgegaan in de Omgevingswet. Om de verwijzing actueel en juridisch correct te maken, is deze aangepast naar de Omgevingswet. Deze aanpassing zorgt ervoor dat het artikel aansluit bij de huidige juridische context en voorkomt interpretatieproblemen. Daarnaast zijn binnen dit artikel enkele technische correcties aangebracht: het tweede lid stond voorheen foutief aangeduid als eerste lid en het derde lid was niet afzonderlijk genummerd. Deze nummeringen zijn nu gecorrigeerd om de interne structuur van het artikel te verduidelijken en in overeenstemming te brengen met de overige bepalingen in de verordening. Artikel 5.6.2.4 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Deze wijziging betreft het schrappen van artikel 5.6.2.4, onderdeel c, uit de VFL Dijk en Waard. De wijziging is noodzakelijk vanwege strijdigheid met de geldende Beleidsregels uitwegen gemeente Dijk en Waard. De vergunningplicht voor uitwegen ziet op het gedeelte tussen de private oprit en de openbare weg, zoals het trottoir. De particulier vraagt daarvoor een vergunning aan bij de gemeente (bestuursrechtelijk traject), maar de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden vindt plaats op gemeentegrond, en wordt dus beheerst door het privaatrecht.

In de Beleidsregels uitwegen is bepaald dat grond- en bestratingswerkzaamheden in beginsel uitsluitend mogen worden uitgevoerd in opdracht van de gemeente, en wel door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bestratings- of GWW-aannemer. Kosten voor de uitvoering en herstel komen voor rekening van de aanvrager. Werkzaamheden anders dan bestrating (zoals het verplaatsen van gemeentelijke objecten of openbaar groen) worden eveneens door of in opdracht van de gemeente uitgevoerd. Artikel 5.6.2.4, onderdeel c, stond echter toe dat een aanvrager zelfstandig een erkende aannemer kon inschakelen. Dat is niet in overeenstemming met het uitrittenbeleid. Aan deze beleidslijn ligt ten grondslag dat: 1. De gemeente, als eigenaar van de openbare grond, op grond van artikel 6:174 BW (aansprakelijkheid voor gebreken) veelal aansprakelijk blijft voor schade die ontstaat op of door gemeentegrond, ook als het werk door een derde is uitgevoerd; 2. De uitweg, ook indien door een particulier aangelegd, door natrekking (artikel 5:20 BW) eigendom wordt van de gemeente, met alle beheer- en onderhoudsverplichtingen van dien; 3.

De gemeente uit hoofde van haar zorgplicht voor de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte (artikel 2.1, eerste lid, onder b en c Omgevingswet) verantwoordelijk is voor het voorkomen van risico’s voor veiligheid en bereikbaarheid, en daarmee ongewenste kwaliteitsverschillen, wildgroei of schade aan ondergrondse infrastructuur moet voorkomen. Door het schrappen van dit onderdeel sluit de VFL weer aan op het vastgestelde beleid. Artikel 5.6.5.2 Voorwerpen bij evenementen De formulering van onderdeel c van dit artikel is inhoudelijk aangescherpt ten opzichte van de eerdere versie. Dit onderdeel regelt onder welke voorwaarden objecten in het kader van een evenement zonder vergunning of melding in de openbare ruimte mogen worden geplaatst. Het uitgangspunt is dat kleine, tijdelijke objecten met beperkte impact op de leefomgeving vergunningsvrij zijn. Er gelden drie duidelijke voorwaarden: – de oppervlakte per object is minder dan 50 vierkante meter; – de hoogte bedraagt niet meer dan 5 meter (verticaal gemeten vanaf het maaiveld waarop het object wordt geplaatst tot het hoogste punt van het object); – er worden maximaal vier objecten per evenement geplaatst. Indien één of meer van deze criteria wordt overschreden, kunnen er risico’s ontstaan met betrekking tot de veiligheid van het publiek, de ruimtelijke impact en de doorstroming van het verkeer.

Daarom is in die gevallen voorafgaand

aan het evenement een geldige melding vereist of moet een vergunning zijn verleend, afhankelijk van de aard en omvang van de plaatsing. Opmerking over formulering: De gekozen formulering wijkt grammaticaal enigszins af van de hoofdzin van het artikel (“is toegestaan als:”), omdat binnen sub c een zelfstandige normatieve zin is opgenomen. Deze constructie is bewust gekozen om de juridische inhoud volledig, helder en eenduidig te kunnen weergeven. In een volgende actualisatie van de verordening kan worden bezien of een grammaticale optimalisatie mogelijk is, mits dit de rechtszekerheid niet aantast. Artikel 5.6.3.1 tweede, vierde en vijfde lid (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Lid 2: De verwijzing naar “bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan” is vervangen door een verwijzing naar het omgevingsplan Dijk en Waard, dan wel diens rechtsopvolger. Deze terminologische aanpassing is nodig vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Lid 4: De verwijzing naar de “waterschapskeur” is vervangen door “Waterschapsverordening”. Keuren zijn onder de Omgevingswet vervallen en opgegaan in integrale waterschapsverordeningen die onder het nieuwe stelsel opereren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=8a8d5823-3ec1-4a9c-a37d-023b29e1651c