LIS B04a Bijlage Bestuurscultuur en coronapandemie; Hans Siepel.pdf
Tekst van het document
Bestuurscultuur en coronapandemie: schaakmat! Hans Siepel Inleiding In 2004 publiceerde oud-minister van Binnenlandse Zaken Ed van Thijn een belangwekkend boek met de titel: De informatieparadox; een blinde vlek in het openbaar bestuur.i Hij schreef dit boek omdat hij zich grote zorgen maakte over het welbevinden van het openbaar bestuur. Meer in het bijzonder dat van de Haagse ambtelijk-politieke-bestuurlijke kaasstolp. De jaren daarvoor lieten parlementaire enquêtes een uiterst zorgwekkend beeld zien over hoe het er in het Haagse aan toegaat. In alle gevallen schortte het met de informatievoorziening. De Kamer en/of bewindspersonen werden onjuist, ontijdig of onvolledig geïnformeerd. Het is een vast patroon. In politiek-bestuurlijk Den Haag is de informatievoorziening verworden, zo luidde de conclusie, tot een tactisch en strategisch instrument. Niet ten dienste van het algemeen belang. Wel als instrument om politieke ambities veilig te stellen óf als een wapen in het dagelijkse gevecht om macht, reputaties en beeldvorming. In deze strijd trekt het algemeen belang aan het kortste eind, zo leerden de parlementaire onderzoeken naar het integratiebeleid (2002-2004), de Schipholbrand (2006), de infrastructurele projecten (HSL en Betuwelijn) (2003-2005) en het onderzoek naar de onderwijsvernieuwing (2007-2008).
De eigen Haagse institutionele werkelijkheid bepaalt de uitkomst van beleidsprocessen. Uit deze onderzoeken bleek nog iets: de grote voorliefde voor doelredeneringen en tunnelvisies. Dat betekent dat de uitkomst al aan het begin van het beleidstraject vaststaat. De enige zorg is hoe deze over de eindstreep te brengen. Aan kritische reflecties en andere zienswijzen of inzichten heeft men geen behoefte. Deze bestuurscultuur dicteert dat tegengeluiden geëlimineerd worden. De ogen dicht voor andere belangen en kritische invalshoeken. Het is tegen deze achtergrond dat Van Thijn zijn boek publiceerde. Overigens waren er meer mensen en organisaties die zich grote zorgen maakten. De Algemene Rekenkamer leverde het ene na het andere rapport af met deze waarschuwende vinger.ii Met als kernvraag: wat is dat voor een bestuurscultuur waar waarheid, transparantie, gezond kritisch tegengeluid en het belang van de samenleving geofferd worden op het blok van geïnstitutionaliseerd eigenbelang? In zijn boek 1
presenteert Ed van Thijn antwoorden. Hij wijst op een drietal ontwikkelingen die in de jaren tachtig deze bestuurscultuur heeft voortgebracht. Vanaf het eerste kabinet-Kok werd een beweging in gang gezet voor terugkeer van het primaat van de politiek. De politiek wilde terug naar de gloriedagen van politieke macht en vond dat de ambtenarij veel te veel macht had. Tegelijk lanceerde dit een tegengestelde beweging. Je zou verwachten dat met het primaat van de politiek, de slag om politieke ideeën zijn terugkeer zou beleven. Het tegendeel was het geval. Niet de politiek, maar de ideologie van marktwerking en bedrijfsmatig werken werd het nieuwe adagium. Overheidsorganisaties moeten werken en aangestuurd worden gelijk ondernemingen. De overheid is een bedrijf, de burgers haar klanten. Wellicht onbedoeld, maar beide bewegingen baarden een derde ontwikkeling. Een giftig mengsel dat de fundamenten van een vertrouwenwekkend openbaar bestuur en politiek heeft doen eroderen. Met de introductie van de ego-communicatietaal (met een mooi woord: reputatiecommunicatie) en werkwijze uit het bedrijfsleven verschoot ook de overheidscommunicatie van kleur. Het primaat van de politiek moest met overheidscommunicatie aan ‘het volk’ gebracht worden. Communicatieprofessionals bij de overheid keken hoe ze dat in het bedrijfsleven deden. Overheid en politiek omarmden deze communicatiefilosofie.
Met als resultante dat departementen, bestuurders, ministers en politieke partijen ‘merken’ worden, die met communicatiemarketing-technieken in de publieke markt worden gezet. De reputatie van bewindspersonen, departementen, het eigen politieke gelijk en beeldvorming worden de focus van overheidscommunicatie. Het gevolg is dat overheidscommunicatie zich niet meer op de belangen van burgers en samenleving oriënteert, maar haar focus vooral richt op de media. Immers daar worden de veldslagen van beeldvormingspolitiek uitgevochten.
De opmars van de wetenschap De laatste decennia voegde zich daar nog een vierde ontwikkeling bij. Mede mogelijk gemaakt door diezelfde communicatiediscipline die niet naliet te tamboereren dat je als organisatie ‘zichtbaar’ moest zijn. Dat lieten universiteiten en wetenschappers zich niet twee keer zeggen. Zo groeide wetenschap uit tot een steeds dominantere speler in het publieke en publicitaire debat. Werd in vroegere dagen in Haagse politieke kringen God nog wel eens aangehaald, nu heeft de wetenschap deze plek 2
veroverd. In de coronadebatten en vele andere politieke debatten zijn de woorden; ‘ik geloof de wetenschap’ of ‘ik vertrouw de wetenschap’ het meest gehoord. Wie kritiek levert op de (mainstream) wetenschap of een andere gedachte poneert wordt als ongelovige Thomas beschuldigt van het verspreiden van nepnieuws of desinformatie. En zo werd en wordt de toch al doodzieke bestuurscultuur met haar tunnelvisie, doelredenering en de communicatie-werkwijze extra versterkt. Voeg daar nog bij het feit dat ook de mainstreammedia, als onmisbare speler en makelaar in beeldvormingspolitiek, hetzelfde aankijkt tegen de wetenschap en van kritiek en andersdenkenden niet wil horen, en het (destructieve) plaatje is compleet. Al in 2007 wees ik in Risico- en crisiscommunicatieiii op het gevaar en maatschappelijk destructieve karakter van deze vier ontwikkelingen en meer in het bijzonder de opmars van de wetenschap als waarheids-woord en autoriteit in waarheidsvinding. Het zal ook de lezer niet zijn ontgaan dat juist bij de aanpak van de coronacrisis de wetenschap het beslissende woord heeft. Overigens waren er ook uit wetenschappelijke hoek tal van kritische en onafhankelijke stemmen, maar deze sneuvelden in het moeras van tunnelvisies, waar men ook in deze kringen een grote voorliefde voor heeft. Met grote gevolgen voor de wetenschap en haar aanzien zelf.
‘Gevallen’ voor de ego-verlokkingen van de communicatieprofessionals om ‘zichtbaar’ te zijn en ‘jezelf in de publiciteit op de kaart zetten’, werd ze als vanzelf meegetrokken in het tunnelvisie-moeras. Voeg daarbij de verdere politisering – met als beste illustratie de politieke beïnvloeding van de OMT-adviezen - als het logisch gevolg ervan en de eis te voldoen aan de wetten van hoe de beeldvormingspolitiek werken, dan weten we hoe laat het is. De maatschappelijke werkelijkheid was – en is – er ook naar. De afgelopen twee jaar zagen we gebeuren hoe ook in de wetenschap de tunnelvisiemachinerie volop ‘draaide’. Kritiek werd witgewassen. Kritische wetenschappers met een ander geluid en visie op de werkelijkheid werden als in de beste inquisitiedagen ‘kaltgestellt’. Het resultaat? Weg geloofwaardigheid en vertrouwen! Het is te betreuren dat in het maatschappelijk debat de vraag hoe het zover is gekomen nooit hoofdonderwerp van debat is. Dat deze vraag niet gesteld wordt, heeft alles te maken met het feit dat de belangrijkste acteurs die werken en opereren in, wat Jan Rotmans de institutionele werkelijkheid noemt, allemaal dezelfde ideologie delen.iv 3
Crisiscommunicatie als tegenwicht De eerder geschetste vier ontwikkelingen voltrokken zich voor mijn eigen ogen. Ik was er niet alleen getuige van. Ik heb mijzelf als plaatsvervangend directeur communicatie van het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) in de jaren 19982005 ingezet om het tij te keren en vroeg intern bij herhaling – en later via vele publicaties – aandacht voor deze destructieve bestuurscultuur met haar inherente en intrinsieke hang naar tunnelvisies. Vanuit mijn functie zat ik ook bij grote crises als communicatieadviseur aan tafel bij het crisiskabinet. Vanuit deze positie zag ik dat ook – of beter: zelfs - in tijden van maatschappelijke crises het eigen institutionele belang domineert. Inclusief de tunnelvisies en wegmoffelen van kritische tegengeluiden. Het is de vrucht van de richting die de overheidscommunicatie de jaren daarvoor was gegaan. Met als grote roerganger de toenmalige directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD), Gerard van der Wulp, de toenmalige spindoctor van het CDA, Jack de Vries en de toenmalige directeur communicatie van de minister van Justitie, Annemarie Stordiau. De directies communicatie zagen en zien zichzelf als sleutelfiguren in het politiek-ambtelijk-beleidsproces. Niet in dienst van samenleving of algemeen belang. Ze zijn op aarde om vooral bewindslieden en de ambtelijke toppen te dienen.
Overheidscommunicatie werd meer en meer een politiek instrument met het oog om tunnelvisies erdoor te jassen en de beeldvorming te domineren en te bepalen. Anne-Marie Stordiau verklaart het onverbloemd in een RVD-publicatie ter gelegenheid van zestig jaar Voorlichtingsraad:v ‘Als je wilt overleven als directie communicatie is doorslaggevend wat je kunt betekenen voor de bewindslieden en de ambtelijke top. Dan gaat het om de contacten met de media. Het beeld dat daar gevormd wordt is bepalend’. Om daaraan toe te voegen: ‘Een minister is voor zijn politieke voortbestaan afhankelijk geworden van het profiel dat hij opbouwt. Was vroeger de kern van een departement de beleidsvorming, nu is (politieke) communicatie doorslaggevend.’ Met een kleine groep communicatieprofessionals maakten we ons zorgen over deze afslag in overheidscommunicatie, waarbij het maatschappelijk belang van de overheids-communicatie op een zijspoor belandde. Vanuit mijn ambtelijke rol en positie ging ik, samen met een groepje gelijkgezinden, in een verzetsrol. Met als
4
inzet: de crisiscommunicatie wel vanuit het maatschappelijk belang vorm en inhoud te geven. In een paar zinnen de geschiedenis. De oorsprong ligt in een rapport van de toenmalige Voorlichtingsraad (VORA)vi, waarvan ik de hoofdauteur was. De VORA voelde, zeker na de aanslagen van 11 september in Amerika in 2001, sterk de behoefte om kritisch naar de eigen crisiscommunicatievisie te kijken. Het rapport concludeert dat een stevige professionaliseringsslag vereist is. De VORA adviseerde de regering om te komen tot de oprichting van een expertisecentrum risico- en crisiscommunicatie (het ERC). In 2005 werd dat centrum ook daadwerkelijk opgericht. In de jaren die volgden, heeft dit centrum een baanbrekende rol gespeeld in het versterken van de crisiscommunicatie. Ook bij de lagere overheden als gemeenten en de Veiligheidsregio’s die in Nederland zijn belast met de veiligheid van de burgers en in crises het voortouw hebben. In 2010 werd het ERC opgeheven. Het had zijn werk gedaan. Er lag een communicatie-aanpak dat fundamenteel afweek van de overheidscommunicatie als reputatie- en ‘framing’ beeldvormings-communicatie. Bij crisiscommunicatie van de overheid zou het in het vervolg gaan om te voorzien in de maatschappelijke informatiebehoeften.
Transitie 33 Het boek Transitie 33vii verhaalt over de wijze waarop aangekeken wordt tegen de kritische thema’s. Overigens werd dit boek door het Genootschap van Burgemeesters (NGB) aan alle burgemeesters gestuurd met dringend verzoek het te lezen. Hoofdfiguur in deze vertelling is een hoogleraar communicatiewetenschap: ‘Wat er bij mij in elk geval van beklijft….de vraag wat doen we fout? Een aantal maanden geleden kreeg ik een artikel van ene Strebla onder ogen waarin staat dat uit onderzoek zou blijken dat burgers vooral worden gedreven door immateriële principes als eerlijkheid, vertrouwen en oprechtheid. Juist deze waarden zouden voor burgers essentieel zijn in hun communicatierelatie met de overheid. Nu weten we allemaal dat binnen de overheid, als het zo uitkomt, een loopje genomen wordt met de feiten en de waarheid. Of zoals dat zo mooi heet: dat ‘strategisch’ met informatie wordt omgegaan. Dames en heren, het geeft te denken dat ons communicatiewerk door de bank genomen negatief wordt geduid. Woorden als ‘ongeloofwaardig’, ‘liegen’, ‘misleidend’, ‘amoreel’, ‘niet integer’, ‘onoprecht’ en 5
‘oneerlijk‘ vliegen je om de oren. Als dit het effect is van onze noeste arbeid, dan dringt zich de vraag op hoe het zo ver heeft kunnen komen.’
Bestuurlijk enthousiasme Transitie 33 bevat ook een wijsheid met een waarschuwing voor bestuurders, communicatieprofessionals en mainstreammedia, die met elkaar als beroepsgroepen de bouwers en makelaars van beeldvormingspolitiek zijn. Elke dag weer bouwen zij mee aan de tunnelvisies. Het is een inzicht dat in deze kringen niet graag wordt gehoord: communiceren is scheppingswerk. Het is zoveel meer dan een kunstje. Het is alchemie omdat het scheppingswerk behelst van maatschappelijke werkelijkheden. Dat geldt ook voor de media en journalistiek. Ook in deze kringen leeft men in de illusie dat zij (objectieve) feiten en de (objectieve) werkelijkheid verslaan. Niets is minder waar. Er wordt geen verslag gedaan van feiten, de media schept ze zelf en daarmee stuurt ze aard en richting van de samenleving. Aanvankelijk was het enthousiasme voor deze andere kijk op crisiscommunicatie groot. Ook onder bestuurders. Dat leidde in 2008 tot een boekje, uitgegeven door het NGB met de titel Als het op communiceren aankomt: Crisiscommunicatie voor (loco-)burgemeesters.viii Dit boekje werd onder de aandacht gebracht van alle burgemeesters. In alles ademt dit boekje crisiscommunicatie als dienstbaar aan de getroffen samenleving. Het volgende citaat laat daar geen enkel misverstand over bestaan: ‘In plaats van de reputatiebenadering zijn wij voorstander van de relatiebenadering.
Deze benadering van communicatie erkent de fundamentele veranderingen van de informatiesamenleving. De ontvanger wordt in de relatiebenadering niet meer gezien als een passief wezen. Hij is geen afgeleide meer van de modellen van de beleidsmakers van organisaties, bedrijfsleven en overheid. Bestuurders erkennen dat de machtige burger een volwassen en zelfstandige (informatie) positie heeft en geen ‘leeghoofd’ is dat gevuld moet worden met gedachten en denkbeelden. De mens is zijn eigen institutie geworden en kan op basis van eigen informatie en een eigen levensopvatting betekenis geven aan de informatie die hij van overheid en anderen krijgt.’ De toenmalige minister Johan Remkes van BZK zette de laatste stap in het institutionaliseringsproces van de crisiscommunicatie. In 2013 presenteert hij het Nationaal Handboek Crisisbesluitvormingix waarin het dienstbare model tot verplicht 6
model werd voorgeschreven. Om dit model ook daadwerkelijk in alle 25 veiligheidsregio’s in te voeren, stelde de minister voor twee jaar financiële middelen ter beschikking. En zo werd dienstbare crisiscommunicatie als een vreemde eend in de reputatievijver van de overheids-communicatie, de nieuwe standaard.
WOB-publicaties Maar ondanks dit bestuurlijk enthousiasme en het feit dat in alle ambtelijke beleidsstukken – ook die in de Veiligheidsregio’s – geschreven staat dat crisiscommunicatie bedoeld is om ‘te voorzien in de maatschappelijke informatiebehoeften’ is er in de coronacrisiscommunicatie iets heel anders gebeurd. In strijd met haar eigen beleid werd in de coronacrisis-communicatie het aloude reputatie en beeldvormingsinstrument uit de mottenballen gehaald. Met als maatschappelijk scheppingswerk een herhaling van vele ambtelijk-politieke zetten van tunnelvisies, strategische inzet van informatie, het aanpakken of wegmoffelen van kritiek en andere opvattingen en visies. Dit in ‘enge’ samenwerking met de communicatieprofessionals en journalisten van de mainstreammedia. Wie de moeite neemt de WOB-publicaties te lezen, die onder meer Daniel van der Tuin schreef, kent geen twijfel meer.x We mogen Van der Tuin c.s. dankbaar zijn voor hun werk. In een aantal artikelen te vinden op internet leggen zij aan de hand van de opgevraagde WOB-stukken van het ministerie van VWS haarfijn en overduidelijk bloot hoe de Haagse bestuurscultuur opnieuw met tunnelvisies haar gelijk er doordrukt. Waarbij het duistere spel van strategische omgang met informatie de hoofdrol opeist. Zo ging het bij de Toeslagen-affaire, bij de Schipholbrand, bij de SMS-gate en al die andere Haagse dossiers.
Zo gaat het namelijk altijd. Alsof het boekje van Ed van Thijn nooit geschreven is. De conclusie moet zijn: het politiek-bestuurlijk-ambtelijk systeem kan blijkbaar niet anders dan tunnelvisies produceren. Zo zijn haar manieren en werkwijze. Het is haar eerste – en enige – (ego) natuur geworden. Ondanks goede bedoelingen en intenties van ambtenaren en politici. Het systeem jaagt per definitie haar eigen institutioneel belang na. Waarbij lippendienst wordt bewezen aan het algemeen belang. Zo’n bestuurscultuur zet de samenleving schaakmat! Burgers en samenleving weten daar inmiddels alles van! Zij zien elke dag weer de steeds verdere teloorgang van het maatschappelijk welzijn als gevolg van falend overheidsen politiek handelen. 7
In de analyses van de WOB-stukken maakt Van der Tuin zichtbaar hoe doodziek de bestuurscultuur is. Het belangwekkende van Van der Tuin’s bijdragen is dat hij de lezer een kijkje gunt in de Haagse ‘keuken’. Zo werken tunnelvisies dus. Zo wordt er met de waarheid omgegaan. Zo werkt de strategie van informatievoorziening. Zo worden kritische tegengeluiden monddood gemaakt. Niet alleen in het coronadossier. Zo vergaat het alle belangrijke Haagse dossiers. Het is systeem-eigen geworden. De WOB-analyses maken ook onweerlegbaar dat het staande beleid van crisiscommunicatie overboord is gegooid. De gehele coronacrisis-communicatie valt terug op de aloude reputatie- en beeldvormingscommunicatie. Wie de stukken van Van der Tuin leest, over hoe de overheid massale controle uitoefende op kritische burgers en de niet-mainstreammedia en daarbij de communicatie- en gedragswetenschap inzette om met alle mogelijke middelen – inclusief leugen, angstcommunicatie, misleiding en bedrog over bijvoorbeeld de noodzaak van de avondklok, van de mondkapjes en de uitbreiding van de IC-capaciteit – die moet als weldenkend mens toch ook de schrik om het hart slaan. Om één conclusie uit de WOB-stukken kan niemand heen: er moest en zou ten koste van alles één verhaal – of met een modern woord: ‘narratief’ - verteld worden: het gelijk van het medischwetenschappelijk corona-overheidsverhaal.
En de maatschappelijke werkelijkheid die hieruit als scheppingswerk voortkwam, is niet zo’n fraaie, zo beseffen steeds meer ‘gewone’ burgers. Een ongekende maatschappelijke werkelijkheid van polarisatie, gescheurde familie- en vriendenrelaties, enorme trauma’s en grote economische en immateriële schade.
Maatschappelijke schade Dat er slechts een ‘blijde boodschap’ – het vaccin maakt vrij - vertelt mocht worden en kritiek de kop ingedrukt, blijkt ook overduidelijk uit Van der Tuin’s analyses. Alles wat niet paste in het narratief en zich beriep op andere visies en gezondheidsadviezen werd gelabeld als ‘desinformatie’. Of nog erger als rechts-extreem en staatsgevaarlijk getypeerd. Met desastreuse maatschappelijke gevolgen. De waarschuwende woorden uit 2004 (!) van Wim van Dinten, te lezen in zijn boek Met gevoel voor realiteitxi zijn aan dovemans oren gericht. Hij schreef toen al: Je zag in organisaties geleidelijk twee lagen ontstaan: één die de organisatie stuurde in termen van modellen, de modellisten, en één die zich bezighield met de realiteit. 8
Je zag die gelaagdheid ook in de politiek. Den Haag staat voor politici die modellen gebruiken en niet meer verbonden zijn met de realiteit. De twee lagen hebben structurele proporties aangenomen. De ene laag staat als bestuurlijke elite in de wereld en neemt niet waar, geeft geen betekenis aan wat er in de realiteit gebeurt, en de andere laag, de voet van de organisatie en de voet van de samenleving, wordt met de resultaten van die bestuurlijke elite geconfronteerd, ervaart deze als wereldvreemd en neemt er steeds meer afstand van. De expertmeeting van 16 mei 2022, waar de Tweede Kamer experts had uitgenodigd om de Kamer bij te praten over ‘corona, hoe nu verder?’, werd een demonstratie van narratief denken. Voor de coronacommunicatie waren de volgende drie experts uitgenodigd: Marino van Zelst, lid van het voormalig Red Team, onderzoeker en modelleur infectieziekten aan de Universiteit Wageningen; Julia van Weert, hoogleraar gezondheidscommunicatie aan de Universiteit van Amsterdam en antropologe Gini Mooy, ook lid van het voormalig Red Team. Wie deze meeting nog eens terugziet en beluisterd en ook kennisneemt van de artikelen die zij schreven constateert een intellectuele armoede. Wat een open deuren. Wat een theoretisch ‘geneuzel’. Hier zaten de modellisten van Wim van Dinten aan tafel die geen enkele betekenis geven aan de ‘echte’ samenleving. Een peilloze leegte.
De ondragelijke lichtheid van dit deel van de wetenschap. Ook geen woord van kritiek op de amorele overheidscrisis-communicatie en haar zeer zorgelijke grensoverschrijdend gedrag van leugens, angst zaaien, overheidsmanipulatie en bedreigingen en uitsluiting jegens grote groepen van haar eigen burgers. Over de formele crisiscommunicatie van de overheid? Over dat crisiscommunicatie bij de maatschappelijke behoeften moet aansluiten? Geen woord. Zeker weten dat ze er nog nooit van hebben gehoord. Wat overduidelijk ook voor de Kamer geldt. Ook zij heeft geen idee van het eigen overheidsbeleid. De Kamer ‘knielde’ met grote eerbied voor zoveel wetenschappelijke kennis en ‘wijsheid’. Met als uitzondering Carolien van der Plas (BBB) die als enige kritische vragen stelde. Maar bij de rest ging alles erin als zoete koek. Uit deze bijeenkomst bleek overduidelijk dat dit wetenschapsgezelschap niet zo’n hoge pet van u op heeft. Egoïstisch zijn ‘we’. Kiezen altijd eerst voor ons zelf. Ook niet zo snugger en we denken het altijd beter te weten dan wat wetenschappers zeggen. Over de mogelijkheid dat er wellicht iets ernstig mis is met het overheidscorona-narratief? Geen woord. Over de censuur en inquisitie-politiek? Prachtig zo! 9
Over vaccincritici? Met hulp van de wetenschap de kop indrukken. Natuurlijke immuniteit?
Transitie en verzet Het meest zorgwekkende is wel dat deze drie experts zich waarschijnlijk onvoldoende beseffen wat hun werk in de maatschappelijke weerslag ervan, betekent. Met een zelfgenoegzame wetenschapsglimlach werden er suggesties en aanbevelingen gedaan hoe in de nabije toekomst burgers in het officiële overheidsnarratief te krijgen. Wie daar goed naar luistert en zich daarbij voorstelt dat de overheid dat zonder voorbehoud zou overnemen en uitrollen, gelooft de eigen oren niet. Als dat de uitkomst is van wetenschapswerk dan is er met die wetenschap zelf iets heel ernstig mis. Als wetenschapswerk leidt tot een totalitaire samenleving, waar de kernwaarden van het humanisme bij het oud vuil wordt gezet, dan deugt dergelijke wetenschap zelf van geen kanten. Want dat is het type samenleving die voortkomt uit de voorstellen en aanbevelingen van de gedrags- en communicatiewetenschap. Als het aan hen ligt dan wordt het een soort van wetenschapskalifaat. Met absolute staatscontrole en doorzettingsmacht. Met censuur en centrale regie. Met (vaccin)verplichtingen en diep staatsingrijpen in ieders persoonlijk leven. Van de individuele vrijheid en lichamelijke integriteit blijft weinig tot niets over. Het collectieve belang boven individuele vrijheid. Humanisme? Met wetenschappelijke instemming bij het oud vuil gedeponeerd. Op weg naar de tunnelvisie van de heilstaat.
Met een EU-Digital ID en als het nodig is verplichte vaccins.
Hoe nu verder? De lessen uit deze bijdrage zijn niet moeilijk te trekken. Er is een breed maatschappelijk verzetsfront nodig tegen de machthebbers. De eerder aangehaalde Wim van Dinten gaf al in 2004 aan wat er moet gebeuren om die destructieve macht te breken. Voordat deze macht alles wat dierbaar en van waarde is in onze nog vrije samenleving nog verder kapot maakt. Van Dinten noemt het, het proces van ‘ontstatelijking’ en ‘vermaatschappelijking’. Van Dinten verwoordt het zo: Anders gezegd: omgaan met realiteit zonder wetenschappelijke steun, betekenis geven, krijgen, vestigen of respecteren zonder wetenschap, moet als even belangrijk of
10
belangrijker worden gewaardeerd dan betekenis die gebaseerd is op een wetenschapsbenadering. Dat is nu niet anders. Ook in onze transitietijden van het einde van een tijdperk, geldt dat opnieuw. Kortom, het gaat de komende tijd ergens over!
i
Ed van Thijn en T. Cardoso Ribeiro. De informatieparadox; een blinde vlek in het openbaar bestuur. Amsterdam. 2004. Boom Lemma uitgevers. ii Zie de website van de Rekenkamer voor een overzicht: 20 jaar aan onderzoek over uitvoering van beleid | Infographic | Algemene Rekenkamer iii F. Regtvoort, H Siepel. Risico- en crisiscommunicatie. Baarn. 2007. Coutinho. iv Jan Rotmans. Verandering van Tijdperk. Rotterdam. 2014. Aeneas. Ix Uit het oogpunt van eenheid. Uitgave Voorlichtingsraad (RVD) ter gelegenheid van haar 60 jarig bestaan. 2007. Den Haag. vi Risico en crisis gecommuniceerd. Naar een verbeterde risico- en crisiscommunicatie. Uitgave RVD. Den Haag. 2002. vii F. Regtvoort en H. Siepel. Transitie33; een vertelling over effectief communiceren. Leeuwarden. 2016. Elikser. viii Genootschap van Burgemeesters (NGB). Als het op communiceren aankomt: Crisiscommunicatie voor (loco)burgemeesters. 2008. Den Haag. NGB-uitgave. ix Handboek Crisisbesluitvorming. x Het is niet zijn echte naam. Gelet op het gepolariseerd karakter van de coronadiscussie en de jacht vanuit de overheid op andersdenkenden zag hij en zijn kompanen zich genoodzaakt onder een schuinnaam hun onderzoekswerk te doen. Hoeveel zeggend kan het zijn. xi Wim van Dinten. Met gevoel voor realiteit. 2004.Utrecht. Eburon.
11