C. Toelichting - Bestemmingsplan Rembrandt Erf, Heerhugowaard Gemeente Dijk en Waard (inclusief 10 bijlagen)
Tekst van het document
3.
Alles in de vijver. Hiervoor dient de vijver te worden aangepast en dient een verbinding met het watersysteem gemaakt te worden. Alles wordt geborgen op het eigen terrein en er dienen geen aanpassingen aan de vijver gemaakt te worden. Hiervoor dienen bergingsvoorzieningen te worden aangelegd en dienen deze te worden verbonden met het watersysteem. Een combinatie tussen bovenstaande varianten. Er worden geen aanpassingen gedaan aan de vijver, de bestaande ruimte in het systeem wordt gebruikt en de overige berging vindt plaats op het terrein van de ontwikkeling.
Daarnaast dienen aanpassingen aan de oever van de vijver ten noorden van het plangebied uitgevoerd te worden, zodat het waterpeil van de vijver kan dalen, op het moment dat een definitieve verbinding tussen de vijver en de aangrenzende watergang gemaakt wordt. Overigens heeft HHNK tijdens het eerder genoemde overleg aangegeven dat de vijver geen onderdeel is van het watersysteem en dat het daarmee niet relevant is voor het hoogheemraadschap. Wel functioneert deze vijver als een oplossing voor de watercompensatie van het Gerard Douplantsoen/Hugo-Waard. In dat verband was tevenssprake van tijdelijke compensatie in de vorm van natuurvriendelijke oevers elders in de gemeente. De gemeente heeft aangegeven deze tijdelijke compensatie definitief te willen maken in de gemeentelijke 'waterbank', maar dat valt buiten de context van het voorliggende bestemmingsplan. Hemelwater- en vuilwaterafvoer Als het water oppervlakkig wordt geborgen, zal het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig afstromen naar de bergende voorziening. Hierbij moet rekening gehouden worden met de hoogteligging van het plangebied t.o.v. de vijver. De waterberging dient voorzien te zijn van een noodoverloop naar het oppervlaktewater. De noodoverloop op het oppervlaktewater dient te worden afgestemd met het waterschap. Er heeft ook
25
infiltratie van hemelwater plaats, waarbij de infiltratiecapaciteit wordt bepaald door de bodemeigenschappen en de grondwaterstand. Indien niet voldoende ontwateringsdiepte gerealiseerd kan worden, dan is het nog mogelijk om een drainagesysteem aan te leggen, maar dit heeft niet de voorkeur. Binnen het plangebied wordt het vuilwater vanuit de woningen aangesloten op een nieuw aan te leggen vuilwaterriool. Voor alle de woningen in de appartementen geldt het uitgangspunt van 2,5 inwoners (vervuilingseenheden) per woning. Voor de studio’s geldt 1 inwoner (vervuilingseenheid) per woning. De vervuilingseenheden van het vuilwater in de nieuwe situatie bedraagt daarmee 227 vervuilingseenheden. Het vuilwater wordt bij voorkeur aangesloten op de droogweerafvoer (DWA) bij de Carel Willinkstraat, maar kan eventueel ook op het gemengde stelstel bij de Van Veenweg of de Johan Vermeerstraat aansluiten. Dit zal in een volgende fase verder moeten worden onderzocht en bepaald in overleg met de gemeente. Watervergunning Voor verschillende onderdelen is een watervergunning nodig. Het gaat hier om:
• •
lozing van hemelwater op oppervlaktewater; het aanleggen van een waterberging.
Waterveiligheid Er is geen opgave met betrekking tot waterveiligheid. Het plangebied bevindt zich niet in een ‘Overstroombaar gebied’. Klimaatadaptatie Het plangebied lijkt licht gevoelig te zijn voor toekomstige hittestress door klimaatverandering. In het plangebied is enige schaduwwerking door bomen of hoge gebouwen en niet veel stromend oppervlaktewater aanwezig die hittestress kunnen beperken. Het initiatief gaat gepaard met een groene inrichting, met mogelijkheden voor infiltratie van regenwater in de bodem. Ook wordt daarmee de hittestress beperkt. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief. Na het indienen van de omgevingsvergunning levert de initiatiefnemer een technisch uitgewerkt ontwerp aan waaruit is op te maken hoe de totale bergings- en vertragingsopgave definitief wordt ingevuld, op welke wijze het water vanaf de verharde oppervlakken in de waterberging terecht komt en hoe deze in verband met de afvoer in verbinding komt te staan met het omringende watersysteem. Dit dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan HHNK en de gemeente Dijk en Waard.
4.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
26
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek Voor de sloop van het woonzorgcentrum Hugo-Oord is een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Groot Eco Advies (rapport d.d. 25-05-2020, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3). Onderstaande worden de verschillende aspecten uit dat rapport behandeld. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt in het stedelijke gebied van Heerhugowaard en ligt op circa 8 en 10 kilometer van de Natura 2000-gebieden 'Eilandspolder', 'Noordhollands Duinreservaat' en 'Schoorlse Duinen'. De genoemde gebieden zijn ook onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is 'de Waarderhout', wat op 900 meter afstand ligt. Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied 'De Berkmeer' ligt op 2 kilometer afstand. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging in het stedelijk gebied van Heerhugowaard en de ligging ten opzichte van de betrokken Natura 2000-gebieden, NNN-gebied en weidevogelleefgebied zijn negatieve effecten als verstoring, geluid en licht op voorhand uit te sluiten. In het kader van de stikstofproblematiek is wel nadere toetsing met betrekking tot stikstofdepositie noodzakelijk.
Stikstofdepositie De ontwikkeling gaat gepaard met de uitstoot van stikstof in de bouw- en gebruiksfase. Derhalve is aan de hand van stikstofberekeningen in beeld gebracht wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden (Buro SRO, d.d. 19 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6).
27
Er zijn twee berekeningen uitgevoerd, een berekening voor de gebruiksfase en een berekening voor de bouw/aanlegfase. Uit de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er in totaal sprake is van een NOx emissie van 22,3 kg/j en een NH3 emissie van 1,4 kg/j. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Voor de bouwfase is een overzicht gemaakt voor de mobiele werktuigen die nodig zijn voor de bouw en het vervoer van personeel en materialen. Uit de AERIUS-berekening en vergelijking met de oude situatie blijkt dat er in de bouwfase wel sprake is van een toename aan stikstofdepositie, maar dat er na saldering in de projectberekening geen toe- of afname is berekend. Het effect vanuit deze projectberekening is daarmee dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Beschermde soorten Op de locatie zijn geen beschermde plantensoorten of muurplanten waargenomen.
Voor beschermde plantensoorten en muurplanten zijn geen geschikte groeiplaatsen aangetroffen. Daarnaast ontbreken wateren in het plangebied. Effecten op amfibieën, reptielen en vissen zijn uitgesloten. Voor zoogdieren als Egel, Wezel en Hermelijn en beschermde muizensoorten zijn geen potenties aanwezig. Effecten op deze soorten zijn dan ook niet aan de orde. Wel zijn in het woonzorgcentrum op diverse plekken geschikte in- en uitvliegopeningen voor vleermuizen aangetroffen. Achter deze openingen kunnen vleermuizen hun verblijfplaats hebben. Derhalve wordt op basis van de quickscan geconstateerd dat het woonzorgcentrum potenties herbergt voor jaarrond beschermde vleermuizen. Aanvullend vleermuisonderzoek Door Groot Eco Advies is het 'Onderzoek beschermde soorten 2020-2021' uitgevoerd (rapport d.d. 25-062021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Het doel van het onderzoek was om de aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied in kaart te brengen. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het protocol voor vleermuisinventarisaties, zoals dat is opgesteld door het Vleermuisvakberaad (Netwerk Groene Bureaus, 2021). In het onderzoek wordt het volgende geconstateerd:
• • •
tijdens de inventarisatie zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen; rond het gebouw werd door een beperkt aantal Gewone dwergvleermuizen gefoerageerd;
•
van binding met het te onderzoeken gebouw was geen sprake.
slechts enkele malen werd een andere soort waargenomen, zijnde een Ruige dwergvleermuis (foeragerend en baltsend vanuit de Johan Vermeerstraat) en een eenmaal overvliegende laatvlieger;
Op basis van het aanvullende onderzoek wordt geconcludeerd dat de sloop van het gebouw en de nieuwbouw geen negatief effect heeft op vleermuizen. Ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Houtopstanden Door De Boominspecteurs is een inventarisatie uitgevoerd van de aanwezige bomen (d.d. 06-12-2021). Er dient ten behoeve van de planontwikkeling een aantal bomen gekapt te worden, het gaat daarbij echter niet om houtopstanden waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Op basis van het ecologisch onderzoek kan voor het aspect ecologie geconcludeerd worden dat het geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
28
4.7 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een 'gemengd gebied'. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek Uit raadpleging van de geldende bestemmingsplannen voor het plangebied en de omgeving, blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen bedrijven of instellingen aanwezig zijn die over een hindercontour beschikken. De aangrenzende gebouwen hebben weliswaar de bestemming 'Maatschappelijk', maar ter plaatse is sprake van zorgwoningen van Het Palet, wat niet gepaard gaat met een richtafstand. Voor wat betreft de maatschappelijke bestemming aan de overzijde van de Van Veenweg wordt voldaan aan de richtafstand 30 m, aangezien de afstand tussen het bouwvlak van de maatschappelijke bestemming en de nieuwe bebouwing in het plangebied minimaal 30 m is. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
29
4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
30
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (zwarte cirkel)
31
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/ of transportroutes aanwezig zijn. Wel liggen er ten oosten van het gebied vier buisleidingen van de Gasunie. Deze liggen echter op circa 750 m afstand en hebben daardoor geen invloed op het plangebied. Ook ten zuidwesten van het plangebied ligt een buisleiding van de Gasunie. Deze ligt op 650 m afstand en heeft daardoor ook geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Gezien de ligging van het plangebied op grote afstand van eventuele risicobronnen, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling
4.9 Cultuurhistorie en Archeologie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gemeente Dijk en Waard heeft op 7 juni 2022 het nieuwe archeologiebeleid vastgesteld. Dit beleid is geharmoniseerd en geactualiseerd naar aanleiding van de gemeentelijke fusie. Op basis van de beleidsadvieskaart geldt voor het onderhavige plangebied categorie WA-5. Hierbij moet rekening gehouden worden met archeologie bij plannen groter dan 10.000 m² én dieper dan 40 cm.
Het initiatief is kleiner dan 10.000 m², zodat archeologisch onderzoek hier niet noodzakelijk is. Overigens heeft in het kader van het bestemmingsplan ‘Hugo Oord’ in 2013 wel onderzoek plaatsgevonden, ook voor de onderhavige locatie. Naar aanleiding daarvan is Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd en daar kwam een lage verwachting uit op het aantreffen van archeologische vondsten. Het aspect archeologie is geen belemmering voor het initiatief.
4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In het gebied liggen geen rijksmonumenten en komen geen bouwkundige punten, lijnen of vlakken van enige waarde voor. De Middenweg, Van Veenweg en Rustenburgerweg worden op de cultuurhistorische waardenkaart aangemerkt als historische geografische lijnen van hoge waarde, waarbij de motivering voor het toekennen van die hoge waarde luidt: 'Kenmerkend voor de landschapsgenese van West-Friesland zijn de vele landaanwinningen. Deze polders zijn zeer rationeel ingericht. De wegen vormen hierin een zeer herkenbaar element. De waarde van de rechte polderwegen ligt met name in de hoge ruimtelijke en genetische samenhang tussen verkaveling, wegen, wonen langs wegen en het rationele afwateringspatroon'.
32
Door de expansie van Heerhugowaard is de hoge ruimtelijke en genetische samenhang tussen verkaveling, wegen, wonen langs wegen en het rationele afwateringspatroon met name in de bebouwde kom grotendeels verloren gegaan. Dit geldt eveneens ter plaatse van het plangebied. Anderzijds wordt met het initiatief de typologie van de boerderij aan het historische lint (Van Veenweg) als uitgangspunt genomen, waarmee een positieve bijdrage aan de cultuurhistorische waarden van het lint wordt geleverd. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Verkeer en Parkeren 4.10.1 Verkeer Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Goudappel heeft in een Mobiliteitsonderzoek (d.d. 1 juli 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4) de verkeersgeneratie berekend aan de hand van de verkeersgeneratiekencijfers uit CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’.
CROW maakt onderscheid in stedelijkheidsgraad en de ligging ten opzichte van het centrum. Heerhugowaard heeft stedelijkheidsgraad ‘sterk stedelijk’ en de projectlocatie ligt in het gebied ‘rest bebouwde kom’. Voor de zorgappartementen is aangesloten bij het verkeersgeneratiekencijfer behorende bij ‘serviceflat’, omdat voor zorgwoningen geen verkeersgeneratiekencijfer beschikbaar is binnen CROW-publicatie 381. Navolgende tabel geeft kencijfers en de prognose van het aantal verkeersbewegingen weer:
Prognose van de verkeersgeneratie (bron: Goudappel, 1 juli 2023)
De verkeersgeneratie van de planontwikkeling is:
• •
415 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal; 458 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal.
33
Ook in de voormalige situatie was sprake van een aanzienlijke verkeersgeneratie, maar de ontsluiting was voorheen rechtstreeks op de Van Veenweg. In de nieuwe situatie is de ontsluiting op de Rembrandtstraat. De extra verkeersdruk op de Rembrandtstraat is dus 458 motorvoertuigbewegingen per werkdag. Dit komt neer op 41 motorvoertuigbewegingen per drukste spitsuur. Dit is 1 auto per 1,5 minuut. Een dergelijke extra verkeersdruk op de Rembrandtstraat leidt niet tot een wezenlijk andere verkeerssituatie. Er is sprake van een acceptabele verkeerssituatie.
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Op 20 december 2022 heeft de gemeenteraad van Dijk en Waard de Nota Parkeernormen 2022 vastgesteld. Voor wat betreft het parkeren stelt de gemeente bij nieuwbouwplannen of wijzigingen van het gebruik eisen aan het aantal parkeerplaatsen die gerealiseerd dienen te worden. Planspecifiek Het is van belang te weten hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn voor de planontwikkeling. Om die reden is door Goudappel de parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt (Mobiliteitsonderzoek, d.d. 1 juli 2023): zie bijlagen bij toelichting bijlage 4. Hierbij hanteert de gemeente Dijk en Waard de volgende parkeernormen voor het gebied ‘rest bebouwde kom’, waar de projectlocatie onder valt:
• • •
zorgappartementen: 0,6 parkeerplaats per eenheid; sociale huur: 1,2 parkeerplaats per appartement (waarvan 0,3 parkeerplaats voor bezoekers); middeldure huur (qua omvang gemiddeld circa 75 - 125 m² GVO): 1,4 parkeerplaats per appartement (waarvan 0,3 parkeerplaats voor bezoekers).
De ongewogen parkeerbehoefte is weergegeven in onderstaande tabel. Deze wordt bepaald door het programma te vermenigvuldigen met de parkeernorm.
Ongewogen parkeerbehoefte (Goudappel, 1 juli 2023)
Niet op alle momenten van de week is de parkeerbehoefte van zorgappartementen, bewoners en bezoekers even hoog. Om die reden wordt gewerkt met aanwezigheidspercentages. Het toepassen van
34
aanwezigheidspercentages is mogelijk, omdat voor het parkeerterrein op maaiveld geen parkeerplaatsen worden toegewezen aan één specifieke doelgroep of persoon. Voor de 32 parkeerplaatsen in de parkeergarage zijn de aanwezigheidspercentages niet van toepassing, omdat 32 van de 39 appartementen verhuurd worden inclusief parkeerplaats (losse verhuur van een parkeerplaats is niet van toepassing). De aanwezigheidspercentages zijn gebaseerd op de Nota Parkeernormen 2022 van de gemeente Dijk en Waard, met uitzondering van de bezoekers van de zorgappartementen. Voor de beoogde doelgroep is avondbezoek te onrustig en vindt om die reden niet plaats. Daarom is in afwijking van de Nota Parkeernormen 2022 voor bezoekers gekozen voor 0% aanwezigheid in de avonduren. De parkeerbehoefte per moment van de week is weergegeven in navolgende tabel.
Parkeerbehoefte per moment van de week (Goudappel, 1 juli 2023)
Op het drukste moment zijn, volgens het onderzoek van Goudappel, 64 parkeerplaatsen nodig op het maaiveld. Op maaiveld worden met het voorliggende initiatief minimaal 64 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op het drukste moment, zondagmiddag, is de parkeerbehoefte gelijk aan de maximale capaciteit. Op het drukste moment is de parkeercapaciteit op maaiveld dus voldoende. Het aantal van 67 parkeerplaatsen wordt op eigen terrein gerealiseerd. Op het stedenbouwkundig plan in toelichting paragraaf 2.2 is te zien waar de parkeerplaatsen op het maaiveld komen. Daarnaast worden in een parkeergarage 32 parkeerplaatsen aangeboden ten behoeve van de bewoners. Gesteld kan worden dat voldaan wordt aan de gestelde parkeernormen.
35
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
36
5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van de planregels is zo veel mogelijk aangesloten op de standaard die binnen de gemeente Dijk en Waard gangbaar is, in het bijzonder bij het onlangs vastgestelde bestemmingsplan 'Gerard Douplantsoen' (2021), als ook het bestemmingsplan 'Wonen en parkeren'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de bestemming 'Woongebied'. Er is gekozen voor de bestemming 'Woongebied' omdat daarmee de beoogde hoofdstructuur eenduidig kan worden vastgelegd, maar er nog flexibiliteit is ten aanzien van de verdere inrichting van het terrein. Daarbij sluit het aan op het naastgelegen gebied, waarvoor eveneens de bestemming 'Woongebied' is gehanteerd. De hoofdgebouwen dienen binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken te worden gerealiseerd. Hierbij zijn zowel grondgebonden als gestapelde vormen toegelaten. De bebouwing ten behoeve van de De Pieter Raat Stichting is voorzien van de aanduiding 'maatschappelijk', waarmee ter plaatse de beoogde zorgwoningen met bijbehorende voorzieningen zijn toegelaten. Per bouwvlak is het maximum aantal wooneenheden vastgelegd, evenals de maximum goot- en/of bouwhoogte. Er wordt enige ruimte geboden voor overige bouwwerken, die zowel binnen als buiten het bouwvlak mogen worden opgericht. Gedacht wordt aan bergruimte voor het beheer en onderhoud van het groen of een fietsenberging.
Er wordt uitgegaan van een de totale oppervlakte aan overige bouwwerken van 60 m². De bouwhoogte hiervan mag niet meer bedragen dan 4 m. Naast het gebruik van de woning voor wonen is het mogelijk een woning (deels) te gebruiken voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep en/of dienstverlenend bedrijf of dienstverlenende instelling, een webwinkel of gastouderopvang. Daarnaast is het mogelijk onder voorwaarden een bed & breakfast te starten. Verder is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het vermeerderen van het aantal wooneenheden. Daaraan zijn voorwaarden verbonden, onder andere ten aanzien van het benodigde parkeren.
37
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het initiatief heeft plaats voor rekening en risico van de drie ontwikkelende partijen. De kosten voor de gemeente worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Ten behoeve hiervan kan een overeenkomst met de gemeente worden gesloten. Het ruimtelijk plan is financieel uitvoerbaar.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het ontwerpbestemmingsplan zal conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid van zienswijzen voor eenieder, ook voor overlegpartners. Na vaststelling door het college van burgemeester en wethouders zal het vaststellingsbesluit bekend gemaakt worden. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking dan 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.2 Participatie Op 11 mei 2022 is in restaurant De Bolle Buik een informatieavond gehouden, waarin het initiatief is toegelicht. Voor deze bijeenkomst zijn per post ruim 260 uitnodigingen verzonden. Circa 25 adressen hebben gebruik gemaakt van de uitnodiging en hebben de informatiebijeenkomst bezocht, dit waren in totaal circa 50 personen. De meeste bezoekers waren directe omwonenden van het onderhavige plangebied. De reacties van de bezoekers waren over het algemeen positief tot zeer positief. Er is veel behoefte aan woonruimte in de Schilderswijk en dan met name appartementen (gelijkvloers) voor de wat oudere inwoners van de wijk. Bezoekers vonden het daarbij ook prettig dat er zowel appartementen komen in het middensegment als in het sociale huursegment, zodat er aanbod is voor alle doelgroepen qua
38
financiële draagkracht. Er werd door een fors deel van de bezoekers dan ook specifieke aandacht getoond voor de huurappartementen. Een ander positief onderdeel van het plan dat werd genoemd is dat er een openbare parkachtige omgeving wordt gecreëerd waar de omwonenden ook gebruik van kunnen maken. Daarbij is ook gesproken over de plant- en boomsoorten en over de wijze van afvalinzameling (ondergrondse afvalcontainers). Verder was sprake van vragen ten aanzien van parkeren en verkeer. Tevens kwam overlast gedurende de bouw aan bod. Ook werd geïnformeerd naar de mate van duurzaamheid van de gebouwen. Voorts is de volgende voorlopige planning gecommuniceerd. Toegezegd is dat de omwonenden hier geregeld over geïnformeerd worden zodra de planning meer concreet wordt. Samenvattend kan gesteld worden dat de initiatiefnemers zeer tevreden zijn over het verloop en uitkomsten van de informatiebijeenkomst en dat de omwonenden en belanghebbenden over het algemeen genomen enthousiast zijn over het plan. Wel zijn er individuele aandachtspunten, waar wordt gevraagd om rekening mee te houden, welke met name betrekking hebben op de realisatiefase.
6.2.3 Inspraak In het kader van de inspraakprocedure heeft het voorontwerpbestemmingsplan ‘Rembrandt Erf” vanaf zaterdag 8 oktober 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen inspraakreacties ingediend.
6.2.4 Vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro op 3 oktober 2022 gestuurd naar de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord/Brandweer, provincie Noord-Holland, Gasunie en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Van Gasunie en het Hoogheemraadschap is geen reactie ontvangen. Van de provincie en de Veiligheidsregio zijn vooroverlegreacties ontvangen. Hieronder wordt daar nader op ingegaan, met de reactie van de gemeente in cursief. Provincie Noord-Holland (reactie d.d. 6 oktober 2022) De provincie geeft aan kennis te hebben genomen van het plan en geen aanleiding te zien tot het indienen van een reactie. Deze vooroverlegreactie geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. Veiligheidsregio Noord-Holland Noord/Brandweer (reactie d.d. 12 oktober 2022) De Veiligheidsregio/Brandweer geven aan dat het plangebied niet is gelegen in het invloedsgebied van risicovolle activiteiten. Externe veiligheid is niet van invloed op het planvoornemen. De verschillende gebouwen zijn (nog) niet getoetst op de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit. Om een adequate inzet te kunnen plegen is het van belang dat een gebouw bereikbaar is en mogelijkheden tot waterwinning in de nabijheid van de gebouwen aanwezig zijn. Voor de zorgappartementen geldt dat er mogelijk sprake kan zijn van verminderd redzame personen.
Geadviseerd wordt om de brandweer te betrekken bij de verdere uitwerking van de plannen. De Brandweer wordt betrokken bij de verdere uitwerkingen van de plannen. Deze vooroverlegreactie geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.
39
6.2.5 Zienswijzen Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan ‘Rembrandt Erf’, vanaf zaterdag 9 september 2023 gedurende zes weken (tot en met vrijdag 20 oktober 2023) ter inzage gelegen, samen met het ontwerpbesluit omgevingsvergunning en het ontwerpbesluit hogere grenswaarden Wet geluidhinder. Voor een deel van de gewenste ontwikkeling wordt immers met gebruikmaking van de coördinatieregeling op grond van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening de omgevingsvergunning gecoördineerd voorbereid. Er zijn gedurende deze periode geen zienswijzen ingediend.
40