Bijlage - Toelichting behorend bij de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023
Tekst van het document
Toelichting behorend bij de Verordening fysieke leefomgeving (VFL) Dijk en Waard 2025. Algemene toelichting De Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard (VFL) vormt een belangrijk instrument voor de juridische borging van gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving tijdens de overgang naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn de kaders voor ruimtelijke ordening, milieu, water, natuur en bouw integraal herzien. Voor gemeenten betekent dit dat zij hun lokale regelgeving gefaseerd moeten omzetten naar het omgevingsplan. Om te voorkomen dat tijdens deze overgangsperiode juridische leemtes ontstaan, is de VFL in het leven geroepen. Deze verordening borgt op tijdelijke en ondersteunende wijze de lokale regels die (nog) niet zijn opgenomen in het omgevingsplan. Daarmee wordt rechtszekerheid geboden aan zowel bestuursorganen als burgers en bedrijven. Ontwikkeling van de VFL De VFL kent een gefaseerde ontwikkeling. In 2022 is een eerste versie vastgesteld ter voorbereiding op de komst van de Omgevingswet. In 2023 volgde een geactualiseerde versie waarin onder meer redactionele en juridische verbeteringen zijn doorgevoerd.
In deze derde versie, die is vastgesteld in 2025, zijn verdere technische en systematische aanpassingen doorgevoerd om de verordening volledig in lijn te brengen met de Omgevingswet en haar uitvoeringsbesluiten. Naast deze technische verbeteringen zijn ook enkele noodzakelijke aanvullingen en inhoudelijke verfijningen aangebracht. Deze wijzigingen dienen ter versterking van de interne samenhang, verduidelijking van de juridische werking en aansluiting op het omgevingsplan. Toekomstige ontwikkeling De VFL is nadrukkelijk een tijdelijke regeling. Het gemeentelijk beleid is erop gericht dat alle regels voor de fysieke leefomgeving uiteindelijk volledig worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Naarmate dit proces vordert en meer regels worden overgenomen in het omgevingsplan, zal de VFL geleidelijk aan haar betekenis verliezen en uiteindelijk komen te vervallen. Tot dat moment blijft de VFL noodzakelijk om de lokale regels op een juridisch zorgvuldige wijze te laten doorwerken. De VFL wordt jaarlijks geactualiseerd in samenhang met de cyclus van de Algemene Plaatselijke Verordening Dijk en Waard (APV). Dit waarborgt dat de VFL actueel blijft en kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen.
Artikelsgewijze toelichting In deze artikelsgewijze toelichting worden die artikelen nader toegelicht waarvoor de wijzigingen noodzakelijk zijn gebleken voor de juridische houdbaarheid, uitvoerbaarheid of verduidelijking van de bepalingen. Voor de overige artikelen geldt dat in deze derde versie van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2025 aanpassingen zijn doorgevoerd die uitsluitend gericht zijn op het actualiseren, harmoniseren en verbeteren van de tekst. Deze wijzigingen betreffen algemene verbeteringen in verwijzingen, terminologie en redactionele opbouw en hebben geen gevolgen voor de inhoudelijke werking van de regels. Daarom worden zij hier in algemene zin toegelicht. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar de Was-wordt-lijst bij deze verordening, waarin per artikel en wijziging de aanpassingen en motieven zijn opgenomen. 1
De algemene wijzigingen betreffen onder meer: Actualisering en vereenvoudiging van de intitulé De wijziging van de intitulé is een redactionele en juridisch-technische verbetering, bedoeld om de citeertitel en de aanhef beter te laten aansluiten op de huidige systematiek van de Omgevingswet en de aanbevelingen van de VNG (zie o.a. 100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever). Waar in de oude formulering nog uitgebreide en gedetailleerde verwijzingen waren opgenomen naar eerdere lokale regelingen en diverse specifieke wettelijke bepalingen, is in de nieuwe versie gekozen voor een strakkere en eenvoudiger formulering. Dit past binnen de moderne regeltechniek waarin verordeningen kort en bondig worden aangeduid, waarbij alleen de noodzakelijke juridische grondslagen in de aanhef worden opgenomen. Oudere regelgeving (zoals de Algemene Plaatselijke Verordeningen Heerhugowaard en Langedijk en de Erfgoedverordeningen 2009 en 2010) is vervallen of opgegaan in het nieuwe stelsel en hoeft daarom niet langer te worden vermeld in de aanhef. Daarnaast wordt het jaartal in de citeertitel geactualiseerd naar 2025, conform de praktijk om verordeningen van een jaartal te voorzien dat het geldende jaar van vaststelling aangeeft. Hiermee is ook invulling gegeven aan de aanbevelingen in de VNG-publicatie over regeltechniek waarin wordt aangeraden om citeertitels eenvoudig en herkenbaar te houden.
Actualisatie van begrippen en verwijzingen Verouderde begrippen en verwijzingen naar vervallen wetgeving zijn in de gehele Verordening fysieke leefomgeving doorgevoerd. Deze aanpassingen zijn afgestemd op de systematiek van de Omgevingswet en haar uitvoeringsbesluiten (zoals het Bbl, Bal en Bkl), alsmede op actuele gemeentelijke en provinciale regelingen. Waar oude regelgeving nog van belang is op grond van overgangsrecht, is gebruik gemaakt van een overgangsformulering zoals "zoals die wet/dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet". Een volledig overzicht van deze verwijzingen en de aangepaste terminologie is opgenomen in de tabel in de was-wordt-lijst, zodat duidelijk is op welke regelingen en begrippen deze aanpassing betrekking heeft. Toevoeging van dynamische formuleringen en opvolgende regelgeving In diverse artikelen wordt verwezen naar extern vastgestelde documenten, beleidsregels en regelgeving, zoals het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege, het Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard. Om te waarborgen dat deze verwijzingen ook na toekomstige aanpassingen van die documenten of regelgeving hun werking behouden, is gekozen voor dynamische formuleringen.
Zo is op meerdere plaatsen de toevoeging “dan wel diens rechtsopvolger” opgenomen en zijn verwijzingen naar externe regelgeving geactualiseerd. Hiermee wordt voorkomen dat bepalingen verouderen of hun werking verliezen, en blijft de verordening actueel en juridisch houdbaar. Correctie van verwijzingen en redactionele fouten In de gehele verordening zijn onjuiste verwijzingen en kleine redactionele onvolkomenheden gecorrigeerd. Dit betreft onder meer foutieve artikelverwijzingen, terminologie en inconsistenties. Deze correcties dragen bij aan de interne consistentie, de juridische houdbaarheid en de leesbaarheid van de verordening. Deze wijzigingen zijn aangebracht ter bevordering van de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid van de verordening en leiden niet tot beleidsinhoudelijke aanpassingen, maar beogen uitsluitend noodzakelijke verduidelijking en aansluiting op het actuele rechtskader. Verkorten en actualiseren van de toelichting De toelichting bij de Verordening fysieke leefomgeving is inhoudelijk en redactioneel herzien. Verouderde passages en toelichtingen die niet langer aansluiten op de systematiek van de 2
Omgevingswet zijn verwijderd. Daarnaast is de tekst ingekort om de leesbaarheid en praktische bruikbaarheid te vergroten. De algemene wijzigingen zijn hiervoor samengevat; voor de artikelen waarin inhoudelijke of juridisch noodzakelijke wijzigingen zijn aangebracht, is hieronder een nadere toelichting per artikel opgenomen. Nieuwe artikel 1.2 Voorrang bij begripsbepalingen. Dit artikel regelt de verhouding tussen begripsbepalingen in de verordening, het omgevingsplan van rechtswege en de rijksregelgeving (Omgevingswet en daarop gebaseerde besluiten). Het uitgangspunt is dat bij strijdigheid of verschil in uitleg de begripsbepalingen uit het omgevingsplan van rechtswege voorrang hebben. Slechts wanneer een begrip niet in het omgevingsplan is opgenomen, wordt teruggevallen op de definities uit de rijksregelgeving. Nieuwe artikel 1.3 Samenloopbepaling. Dit artikel regelt de verhouding tussen de bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard en het omgevingsplan van rechtswege. Indien beide regelingen tegelijkertijd van toepassing zijn op een specifiek gebied of onderwerp, gelden in beginsel de bepalingen van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard, tenzij het om strijdigheid gaat. In dat geval gaan de bepalingen van het omgevingsplan voor, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald.
Met deze bepaling wordt rechtszekerheid geboden en worden interpretatieproblemen voorkomen. Zodra de inhoud van de Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard volledig is opgenomen in het omgevingsplan, vervalt dit artikel van rechtswege. Artikel 4.1.2 Bebouwde kom Voorheen werd in artikel 4.1.2 verwezen naar het gebied binnen de bebouwde kom via een indirecte verwijzing in bijlage 1, artikel 1.1. Deze constructie bood onvoldoende duidelijkheid, omdat niet inzichtelijk was op welk besluit of welke kaart de verwijzing precies zag. In de nieuwe formulering wordt direct verwezen naar het Aanwijzingsbesluit bebouwde komgrenzen Dijk en Waard of diens rechtsopvolger, vastgesteld op grond van artikel 20 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit besluit bevat de officiële afbakening van de bebouwde kom, inclusief kaart, en is openbaar raadpleegbaar. Met deze aanpassing is de bepaling juridisch preciezer en wordt de rechtszekerheid voor toepassing en handhaving vergroot. Artikel 4.2.6.1 Beschermde bomen In dit artikel is verduidelijkt dat de beschermde bomen en houtopstanden niet alleen door het college worden vastgesteld, maar dat deze zijn opgenomen in het "Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023".
Door expliciet te verwijzen naar dit formele collegebesluit wordt de koppeling tussen de verordening en de vastgestelde lijst versterkt, waardoor meer rechtszekerheid ontstaat voor burgers en bestuursorganen. Het voorkomt dat bij iedere wijziging van de bomenlijst de verordening moet worden aangepast, omdat de lijst via het collegebesluit zelfstandig kan worden geactualiseerd en bekendgemaakt. Artikel 5.2.3.1, eerste lid, sub b Vangnet archeologie In sub b van artikel 5.2.3.1 tweede lid, is de reikwijdte van de beschermingsregeling verruimd. Naast verstoringen op basis van de provinciale archeologische monumentenkaart en de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden, wordt nu ook bescherming geboden aan gebieden zoals vastgelegd op gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaarten. Tevens is verduidelijkt dat niet alleen monumenten of verwachtingsgebieden, maar ook "waarden" (bijvoorbeeld verwachtingszones uit archeologisch vooronderzoek) onder de bescherming vallen. Deze aanpassing sluit aan bij de rol die de 3
Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving toekennen aan gemeenten voor de bescherming van archeologische belangen en zorgt voor een meer volledige borging van lokaal erfgoed. Artikel 5.4.2.2, leden 1, 2 en 8 – Incidentele festiviteiten In artikel 5.4.2.2, eerste, tweede en achtste lid, zijn de verwijzingen naar geluids- en verlichtingsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer vervangen door verwijzingen naar het Omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard of diens rechtsopvolger. De bepaling voorziet nog steeds in de mogelijkheid voor inrichtingen om gedurende een beperkt aantal dagen per jaar incidentele festiviteiten te organiseren waarbij tijdelijk afgeweken mag worden van de reguliere normen. Omdat in deze artikelen uitsluitend wordt verwezen naar actuele normering uit het omgevingsplan, is het niet nodig om overgangsterminologie te gebruiken zoals “zoals dat besluit luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet”. Artikel 5.4.3.1 eerste en vierde lid Onversterkte muziek In artikel 5.4.3.1 zijn de verwijzingen naar vervallen landelijke regelgeving geactualiseerd in het kader van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024. In het eerste lid werd voorheen verwezen naar artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer als basis voor het reguleren van het ten gehore brengen van onversterkte muziek binnen inrichtingen.
Deze bepaling is vervallen. De relevante normering is nu opgenomen in paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard. Ook is in onderdeel c de verwijzing naar geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten geactualiseerd: de oude verwijzingen naar de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zijn vervangen door een verwijzing naar artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarin de relevante definities nu zijn ondergebracht. In het vierde lid is eveneens de verwijzing naar het Activiteitenbesluit milieubeheer vervangen door een verwijzing naar paragraaf 22.3.4 van het Omgevingsplan. Artikel 5.5.1.1 tweede lid sub d Dumpingsverbod In deze bepaling wordt uitgesloten dat bepaalde handelingen zijn toegestaan voor zover deze elders reeds bij of krachtens wet verboden zijn. Tot 1 januari 2024 vielen dergelijke handelingen onder de Wet bodembescherming, de Waterwet en het Besluit bodemkwaliteit. Deze regelingen zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen, maar hun bepalingen zijn niet op uniforme of volledig gelijkwaardige wijze opgenomen in het nieuwe stelsel.
Omdat op dit moment niet met zekerheid is vast te stellen of de inhoudelijke werking van de eerdere verbodsbepalingen volledig is teruggekeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving, de Omgevingswet of onderliggende regelgeving, is ervoor gekozen om in dit artikel te verwijzen naar de oude regelingen zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op die manier blijft het effect van het artikel voorlopig behouden en wordt voorkomen dat handelingen die onder het oude recht verboden waren, alsnog ongemerkt worden toegestaan via gemeentelijke regelgeving. Wanneer in de praktijk blijkt dat de nieuwe rijksregels volledig de werking van de oude wetten hebben overgenomen, kan de verwijzing in een volgende actualisatieronde worden aangepast of geschrapt. Artikel 5.5.1.3 derde lid Zwerfafval rondom inrichtingen In lid 3 van artikel 5.5.1.3 werd verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer als reden waarom de gemeentelijke regels voor het tegengaan van zwerfafval niet golden in situaties die al onder rijksregelgeving vielen. Omdat het Activiteitenbesluit per 1 januari 2024 is vervallen, is deze verwijzing juridisch niet langer geldig.
Weliswaar zijn onderdelen van de vroegere zorgplicht (zoals artikel 2.24 Activiteitenbesluit) opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), maar de reikwijdte is gewijzigd en het is niet met zekerheid vast te stellen dat alle situaties waarin het artikel voorziet volledig onder het Bal vallen. Daarom is de verwijzing gehandhaafd met de 4
toevoeging: “zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.” Deze overgangsterminologie zorgt ervoor dat de bestaande juridische werking voorlopig behouden blijft en voorkomt een onbedoelde verruiming van de gemeentelijke zorgplicht tijdens de overgangsfase. Artikel 5.5.1.5 Geen opslag van afval in de open lucht In deze bepaling werd verwezen naar het begrip “inrichting” uit artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is dit begrip vervangen door het kernbegrip “milieubelastende activiteit”. Omdat het begrip “inrichting” binnen deze verordening op veel plaatsen bepalend is voor de reikwijdte van regels en niet zonder risico op inhoudelijke verschuivingen kan worden vervangen, is gekozen voor een overgangsverwijzing. Door expliciet te vermelden dat het gaat om het begrip zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft de bepaling juridisch houdbaar op grond van het overgangsrecht. In een volgende actualisatieronde kan worden bezien of het mogelijk is om het begrip “inrichting” te vervangen door een Omgevingswet-conforme term, afhankelijk van de beleidsmatige werking.
Artikel 5.5.2.1 Ontdoen van autowrakken In dit artikel werd voorheen verwezen naar artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (Bba), dat per 1 januari 2024 is vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat de inhoud van deze bepaling (over de afgifte van autowrakken aan een erkende inrichting) niet duidelijk en volledig is overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of andere opvolgende regelgeving, is gekozen voor een verwijzing naar artikel 6 Bba zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 5.5.2.2 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke Dit artikel reguleert de opslag van bepaalde voorwerpen en stoffen op door het college aangewezen plaatsen, met het oog op het uiterlijk aanzien van de gemeente, het voorkomen of opheffen van overlast en het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid. De volgende verwijzingen binnen dit artikel zijn geactualiseerd: • Verwijzing naar "inrichting in de zin van de Wet milieubeheer": Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is het begrip "inrichting" vervangen door "milieubelastende activiteit". Aangezien "inrichting" in de VFL op meerdere plaatsen voorkomt en bepalend is voor de werkingssfeer van regels, zou een directe vervanging tot onbedoelde inhoudelijke wijzigingen kunnen leiden.
Daarom is gekozen voor een overgangsformulering die verwijst naar artikel 1.1 van de Wet milieubeheer zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze formulering voorkomt interpretatieproblemen en blijft juridisch houdbaar. • Verwijzing naar "kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 van de APV": De verwijzing naar artikel 4:17 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is verouderd, aangezien de relevante bepalingen zijn opgenomen in artikel 5.7.2.1 van de VFL. De verwijzing is daarom aangepast naar artikel 5.7.2.1 van deze verordening om consistentie en duidelijkheid te waarborgen. • Verwijzing naar "situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening": De Wet ruimtelijke ordening is per 1 januari 2024 vervallen en opgegaan in de Omgevingswet. Om de verwijzing actueel en juridisch correct te maken, is deze aangepast naar de Omgevingswet. Deze aanpassing zorgt ervoor dat het artikel aansluit bij de huidige juridische context en voorkomt interpretatieproblemen. Daarnaast zijn binnen dit artikel enkele technische correcties aangebracht: het tweede lid stond voorheen foutief aangeduid als eerste lid en het derde lid was niet afzonderlijk genummerd.
Deze nummeringen zijn nu gecorrigeerd om de interne structuur van het artikel te verduidelijken en in overeenstemming te brengen met de overige bepalingen in de verordening. 5
Artikel 5.6.2.4 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Deze wijziging betreft het schrappen van artikel 5.6.2.4, onderdeel c, uit de VFL Dijk en Waard. De wijziging is noodzakelijk vanwege strijdigheid met de geldende Beleidsregels uitwegen gemeente Dijk en Waard. De vergunningplicht voor uitwegen ziet op het gedeelte tussen de private oprit en de openbare weg, zoals het trottoir. De particulier vraagt daarvoor een vergunning aan bij de gemeente (bestuursrechtelijk traject), maar de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden vindt plaats op gemeentegrond, en wordt dus beheerst door het privaatrecht. In de Beleidsregels uitwegen is bepaald dat grond- en bestratingswerkzaamheden in beginsel uitsluitend mogen worden uitgevoerd in opdracht van de gemeente, en wel door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bestratings- of GWW-aannemer. Kosten voor de uitvoering en herstel komen voor rekening van de aanvrager. Werkzaamheden anders dan bestrating (zoals het verplaatsen van gemeentelijke objecten of openbaar groen) worden eveneens door of in opdracht van de gemeente uitgevoerd. Artikel 5.6.2.4, onderdeel c, stond echter toe dat een aanvrager zelfstandig een erkende aannemer kon inschakelen. Dat is niet in overeenstemming met het uitrittenbeleid. Aan deze beleidslijn ligt ten grondslag dat: 1.
De gemeente, als eigenaar van de openbare grond, op grond van artikel 6:174 BW (aansprakelijkheid voor gebreken) veelal aansprakelijk blijft voor schade die ontstaat op of door gemeentegrond, ook als het werk door een derde is uitgevoerd; 2. De uitweg, ook indien door een particulier aangelegd, door natrekking (artikel 5:20 BW) eigendom wordt van de gemeente, met alle beheer- en onderhoudsverplichtingen van dien; 3. De gemeente uit hoofde van haar zorgplicht voor de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte (artikel 2.1, eerste lid, onder b en c Omgevingswet) verantwoordelijk is voor het voorkomen van risico’s voor veiligheid en bereikbaarheid, en daarmee ongewenste kwaliteitsverschillen, wildgroei of schade aan ondergrondse infrastructuur moet voorkomen. Door het schrappen van dit onderdeel sluit de VFL weer aan op het vastgestelde beleid. Artikel 5.6.5.2 Voorwerpen bij evenementen De formulering van onderdeel c van dit artikel is inhoudelijk aangescherpt ten opzichte van de eerdere versie. Dit onderdeel regelt onder welke voorwaarden objecten in het kader van een evenement zonder vergunning of melding in de openbare ruimte mogen worden geplaatst. Het uitgangspunt is dat kleine, tijdelijke objecten met beperkte impact op de leefomgeving vergunningsvrij zijn.
Er gelden drie duidelijke voorwaarden: – de oppervlakte per object is minder dan 50 vierkante meter; – de hoogte bedraagt niet meer dan 5 meter (verticaal gemeten vanaf het maaiveld waarop het object wordt geplaatst tot het hoogste punt van het object); – er worden maximaal vier objecten per evenement geplaatst. Indien één of meer van deze criteria wordt overschreden, kunnen er risico’s ontstaan met betrekking tot de veiligheid van het publiek, de ruimtelijke impact en de doorstroming van het verkeer. Daarom is in die gevallen voorafgaand aan het evenement een geldige melding vereist of moet een vergunning zijn verleend, afhankelijk van de aard en omvang van de plaatsing. Opmerking over formulering: De gekozen formulering wijkt grammaticaal enigszins af van de hoofdzin van het artikel (“is toegestaan als:”), omdat binnen sub c een zelfstandige normatieve zin is opgenomen. Deze constructie is bewust gekozen om de juridische inhoud volledig, helder en eenduidig te kunnen weergeven. In een volgende actualisatie van de verordening kan worden bezien of een grammaticale optimalisatie mogelijk is, mits dit de rechtszekerheid niet aantast. Artikel 5.6.3.1 tweede, vierde en vijfde lid (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 6
Lid 2: De verwijzing naar “bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan” is vervangen door een verwijzing naar het omgevingsplan Dijk en Waard, dan wel diens rechtsopvolger. Deze terminologische aanpassing is nodig vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Lid 4: De verwijzing naar de “waterschapskeur” is vervangen door “Waterschapsverordening”. Keuren zijn onder de Omgevingswet vervallen en opgegaan in integrale waterschapsverordeningen die onder het nieuwe stelsel opereren. Daarnaast is de verouderde verwijzing naar de “Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Langedijk 2014” geactualiseerd naar de “Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Dijk en Waard 2022”, in lijn met de gemeentelijke herindeling en vastgestelde vervangingsverordening. Vervallen lid 5: Het vijfde lid, dat verwees naar paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen), is vervallen. Deze regeling is onder de Omgevingswet niet van toepassing op omgevingsvergunningen. Er geldt dus geen vergunning van rechtswege als het bevoegd gezag niet tijdig beslist. Verwijzing naar deze bepaling is dan ook juridisch onjuist geworden en is daarom geschrapt.
Artikel 5.6.4.1, eerste en derde lid Ligplaats vaartuigen Lid 1: In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het Algemeen Aanwijzingsbesluit en Nadere regels Verordening fysieke leefomgeving Dijk en Waard 2023, dan wel diens rechtsopvolger. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het college formeel bevoegd is om bepaalde gedeelten van openbaar water aan te wijzen waarop het verbod op het innemen van een ligplaats van toepassing is. De verwijzing is dynamisch geformuleerd om ook toepassing onder toekomstige besluiten en versies mogelijk te maken. Lid 3: De verwijzingen in het derde lid zijn geactualiseerd in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Waterwet is volledig opgegaan in de Omgevingswet en is daarom als zodanig vervangen. Voor de Woningwet en de Wet milieubeheer is een overgangsformulering toegevoegd ("zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet") om toepassing van het overgangsrecht mogelijk te maken en rechtszekerheid te behouden in gevallen waarin oudere regelgeving nog van belang is. Ten slotte is de verouderde verwijzing naar de provinciale waterverordening vervangen door een verwijzing naar de Waterschapsverordening van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).
Artikel 5.7.2.1 eerste en derde lid Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Lid 1: De verwijzing naar “bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan” is vervangen door “het omgevingsplan Dijk en Waard, dan wel diens rechtsopvolger”, in overeenstemming met de systematiek van de Omgevingswet. Door deze formulering wordt ook rekening gehouden met toekomstige wijzigingen in het planologisch instrumentarium. Lid 3: De verwijzing naar “artikel 4.2.7.2” is onjuist en is gecorrigeerd naar “artikel 4.2.6.2”. Dit is het juiste artikel waarin de bevoegdheid voor het college tot aanwijzing van kampeerlocaties is geregeld. Artikel 6.2.1 tweede lid Voorzieningen voor verkeer en verlichting Lid 2: In dit lid is de verwijzing naar de Waterstaatswet 1900 geschrapt. Deze wet is al per 1 januari 2008 vervallen en haar bepalingen zijn sindsdien overgenomen in de Waterwet en later de Omgevingswet. Per 1 januari 2024 is ook het laatste resterende overgangsrecht met betrekking tot de Waterstaatswet 1900 vervallen, zodat een verwijzing hiernaar niet langer juridisch houdbaar is. Er bestaat ook geen specifieke opvolgende bepaling onder de Omgevingswet die in dit verband een gelijkluidende uitsluitingsgrond biedt.
De Onteigeningswet en de Belemmeringenwet Privaatrecht blijven gehandhaafd in dit lid, omdat deze wetten nog van kracht zijn en situaties kunnen omvatten waarin de in lid 1 bedoelde verplichting tot gedogen van voorzieningen niet van toepassing mag zijn. 7
Artikel 9.1, vijfde lid (Strafbepaling voor overtredingen milieuregels buiten inrichtingen en afvalstoffen) In dit artikel is een vijfde lid toegevoegd. Dit nieuwe lid regelt dat, in afwijking van het eerste lid, artikel 1a, onderdeel 3°, van de Wet op de economische delicten (WED) van toepassing is op overtreding van diverse gemeentelijke milieuregels. Het betreft hier onder meer artikel 5.4.3.4 (geluidhinder buiten inrichtingen), artikel 5.5.1.2 (onjuist aanbieden van afvalstoffen) en de artikelen 5.5.1.1 tot en met 5.5.1.5 en 5.5.2.1 (verschillende regels inzake opslag en afvalstoffen). Deze bepalingen zijn afkomstig uit de gemeentelijke milieuregelgeving. Voor deze categorie van regels is toepassing van artikel 1a, onderdeel 3°, van de WED verplicht om strafrechtelijke handhaving en correcte registratie binnen het Justitieel Documentatiesysteem (Justid) mogelijk te maken. Artikel 5.5.1.2 was eerder opgenomen in de opsomming van artikel 9.1, tweede lid. Omdat dat lid echter een generieke toepassing van artikel 1a WED bevat (zonder onderdeeltoewijzing), is artikel 5.5.1.2 daaruit verwijderd en ondergebracht in lid 5. Artikel 5.4.3.4 was voorheen nog niet opgenomen in artikel 9.1 en is nu nieuw toegevoegd. Daarmee is een sluitende en juiste strafbaarstelling voor dit artikel gerealiseerd.
De overige bepalingen die eerder met een "tot en met"-constructie in lid 2 waren opgenomen (artikelen 5.5.1.1 tot en met 5.5.1.5 en 5.5.2.1) zijn eveneens verplaatst naar lid 5 en daar volledig uitgeschreven. Deze aanpassing verhoogt de juridische precisie, voorkomt verwarring over de reikwijdte en sluit beter aan bij de systematiek van de WED en Justid. Lid 2 is als gevolg hiervan herzien en beperkt tot procedurele bepalingen (onder andere aanvraagvereisten), waarvoor een algemene strafbaarstelling op grond van artikel 1a WED, zonder verwijzing naar onderdeel 3°, volstaat. Door een aanvullend vijfde lid op te nemen, blijft de bestaande structuur van het artikel behouden. Dit voorkomt dat het strafregime voor andere bepalingen wijzigt en maakt een correcte en Justid-conforme strafbaarstelling van de milieuregels mogelijk. Deze strafbaarstelling is als tijdelijke voorziening bedoeld in de overgangsperiode naar het gemeentelijk Omgevingsplan. Zodra de betrokken bepalingen daarin zijn opgenomen, vervalt de noodzaak voor strafbepalingen in het omgevingsplan.
8