bijlage I - 220322.Dijk_Waard_rapport_def
Tekst van het document
67 Dit geldt voornamelijk voor vindplaatsen uit het laat paleolithicum en het mesolithicum, aangezien sporen bij dergelijke sites
slechts in beperkte mate voorkomen. 68 Op dit moment is er geen gemeentelijk onderzoeksagenda voor Dijk en Waard.
44
Afbeelding 6.3. Aanleg van een opgravingsvlak. ‘De Domeynen’, Sint Pancras, Langedijk (bron: Provinciaal depot Noord-Holland, foto: Hollandia Archeologen). OPGRAVEN (BEHOUD EX SITU) Bij ‘definitief’ opgraven wordt de vindplaats opgegraven, waarbij alle sporen en vondsten worden gedocumenteerd, ingetekend en gefotografeerd.69 Na de opgraving is het terrein in principe archeologievrij en zijn er geen belemmeringen meer voor bodemverstorende activiteiten. 70 Voor de uitvoering van een opgraving is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist. Een dergelijke vaak kostbare stap is een goede optie indien de archeologische vindplaats van dermate belang is dat de betreffende informatie niet verloren mag gaan, maar de geplande bouwwerkzaamheden economisch en maatschappelijk dusdanig zijn dat behoud in situ geen optie is. ARCHEOLOGISCHE BEGELEIDING (PROTOCOL OPGRAVEN) Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden gekozen voor een archeologische begeleiding. Mogelijke aanleidingen voor een begeleiding zijn: wanneer als gevolg van fysieke belemmeringen geen mogelijkheid bestaat om adequaat vooronderzoek te doen; wanneer op grond van beschikbare informatie geconcludeerd is dat een opgraving niet (meer) nodig is, maar er wel behoefte is om die conclusie te staven.
De begeleiding moet dan als een controlerend middel worden gezien; wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten. Wanneer het gaat om een situatie dat de trefkans, verwachte omvang of complexiteit klein is, kan begeleiding voor de vergunningaanvrager een aantrekkelijk alternatief zijn, omdat er tijd- en procedurewinst te halen is en op kosten van materieel bespaard kan worden. Men moet echter incalculeren dat dit ook kan tegenvallen, omdat men anders dan na een proefsleuvenonderzoek de duur van het onderzoek minder kan plannen. Archeologisch gezien is een archeologische begeleiding niet ideaal, maar onder strikte voorwaarden kan een begeleiding bij een laag archeologisch risico een aanvaardbare optie zijn.
69 Er wordt altijd gekeken naar de voorgenomen bodemverstoringen bij het bouwplan. Dit kan betekenen dat niet de hele vindplaats
(alle sporen) hoeft te worden opgegraven. 70 Ook hiervoor geldt dat altijd wordt gekeken naar de voorgenomen bodemverstoringen bij het bouwplan. De vrijgave geldt alleen voor de voorgenomen bodemverstoringen.
45
Afbeelding 6.4. Archeologische begeleiding van aanleg riool. Kruissloot, Sint Pancras, Langedijk (bron: Provinciaal Depot voor Archeologie Noord-Holland, foto RAAP Archeologisch Adviesbureau). In het geval van de aanleg van kabels en leidingen is een archeologische begeleiding een geschikte methode omdat het gaat om een lijnvormige verstoring die als een soort proefsleuf fungeert zonder dat deze leidt tot verbreding van het onderzoek. In de regel zullen sleuven voor kabels en leidingen te smal zijn om zinvol archeologisch te kunnen begeleiden, al is dit afhankelijk van de archeologische verwachting van het gebied waar de sleuven worden aangelegd. In het geval van gas- en olieleidingen zijn de sleuven dermate breed dat regulier archeologisch onderzoek kan worden toegepast. In die gevallen waar bestaande bebouwing eerst nog gesloopt moet worden, en er de verwachting is dat de archeologische resten zich direct onder het maaiveld bevinden, kan men er voor kiezen om de sloop tot op of tot net onder het maaiveld door een archeoloog te laten begeleiden. Er wordt daarbij gekeken of archeologische resten aanwezig zijn. Bij aanwezigheid van archeologische resten mag op die locaties niet verder worden gesloopt. Als het puin is afgevoerd, kan op reguliere wijze proefsleuvenonderzoek plaats vinden. Uitgangspunt bij de uitvoering van een begeleiding is een goedgekeurd PvE.
Een archeologische begeleiding kan worden uitgevoerd onder KNA-protocol proefsleuven (indien nog onvoldoende informatie beschikbaar is voor een waardestelling), of onder het KNA-protocol opgraven (indien er een sterk vermoeden bestaat dat archeologische resten aanwezig zijn). Afgezien van het bureauonderzoek kunnen en mogen archeologische werkzaamheden alleen worden uitgevoerd door bedrijven die beschikken over de juiste certificaten.71
6.5.
Depotbeheer
In artikel 5.7 van de Erfgoedwet is vastgelegd dat vondstmateriaal dat tijdens archeologisch onderzoek wordt aangetroffen eigendom is van de depothouder. In de meeste gevallen is de provincie de depothouder. Alleen in die gevallen dat de gemeente een eigen depot heeft is de gemeente de eigenaar van het vondstmateriaal.72 Het doel van depotbeheer is het duurzaam behoud van de informatie van archeologische monumenten ex situ, ten behoeve van toekomstig onderzoek en ten behoeve van de beleving van het cultureel erfgoed. Dit wordt onder meer bereikt door het op zodanige wijze bewaren en beheren van archeologische objecten en bijbehorende originele documentatie, dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft en door het waarborgen van de toegankelijkheid van de ex situ bewaarde objecten en documentatie. 71 Een archeologisch bureau zal in de regel echter geen onderzoek uitvoeren op basis van een bureauonderzoek dat is opgesteld
door een niet archeologisch deskundige instelling/persoon. 72 Alleen in die gevallen dat de vondsten gedaan worden op grondgebied dat tot geen enkele gemeente behoort is de staat eigenaar.
46
Alle informatie die bij archeologisch onderzoek verzameld is, wordt volgens een voor professionals toegankelijk en logisch geordend systeem bewaard. Informatie bestaat uit vondsten, monsters en originele documentatie in woord en beeld. Alle materiaal staat geordend op een standplaats, waar zodanige condities heersen, dat vondsten, monsters en documentatie zo stabiel mogelijk kunnen worden bewaard. Tussen vondsten en bijbehorende documentatie moeten kruisverbanden te leggen zijn. 73
6.6.
Vrijgeven
De resultaten van archeologisch onderzoek kunnen gedurende de stappen 1 en 2 ook resulteren in het vrijgeven van een plangebied. Er hoeven dan geen vervolgstappen te worden genomen en de geplande bodemingrepen kunnen zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden worden uitgevoerd. Het ontbreken van archeologische waarden, bijvoorbeeld als gevolg van verstoringen, is een veel voorkomende reden voor het vrijgeven van een plangebied. Echter, het kan ook voorkomen dat een vindplaats van dermate marginale betekenis is, of zodanig is verstoord, dat verder onderzoek een te laag kennisrendement oplevert. In die gevallen is verder onderzoek of bescherming niet noodzakelijk. Bij een dergelijk negatief selectieadvies kan door de gemeente worden besloten (selectiebesluit) om de vindplaats door lokale amateurarcheologen te laten onderzoeken conform een (eventueel op te stellen) gemeentelijk protocol.
6.7.
Toevalsvondsten
Ook als geen (nader) archeologisch onderzoek noodzakelijk is, hetzij bij vrijstelling, hetzij bij vergunningverlening, geldt dat de Erfgoedwet van kracht blijft. De meldingsplicht geldt dus niet alleen voor vondsten die bij toeval worden gedaan, maar ook voor vondsten die worden gedaan nadat een terrein in het kader van een vergunningsverleningstraject archeologisch is onderzocht en is vrijgegeven. Volgens de Erfgoedwet bestaat een meldingsplicht indien waardevolle archeologische resten worden aangetroffen. Artikel 5.10: “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister.” In de praktijk betekent dit dat eventuele vondsten gemeld dienen te worden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De RCE heeft echter met de provincie afgesproken dat de melding bij de provinciaal archeoloog dient plaats te vinden. In tegenstelling tot vondsten die worden aangetroffen bij archeologisch onderzoek, hoeven toevalsvondsten niet te worden gedeponeerd bij het provinciaal depot. De waarde van een toevalsvondst komt in gelijke delen toe aan de vinder én de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waarin deze is aangetroffen.74
73 KNA, protocol 4010 depotbeheer. 74 Artikel 13 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. In het Burgerlijk Wetboek wordt overigens niet van een monument, maar van
een schat gesproken. Het is overigens de vraag in hoeverre metaaldetectorvondsten als 'toevalsvondsten' gezien moeten worden, omdat deze juist met deze bedoeling worden opgespoord. Het verdient daarom aanbeveling in de APV een metaaldetectieverbod op te nemen voor archeologische monumenten (AMK-terreinen), teneinde aantasting van deze terreinen te voorkomen.
47
Geraadpleegde bronnen Busschers, F.S. & H.J.T. Weerts, 2003. Formatie van Kreftenheye, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht. Burck, P. Du, 1957. De bodemkartering van Nederland, deel 17: Een bodemkartering van het tuinbouwdistrict Geestmerambacht. Verslagen landbouwkundige onderzoekingen 63.3. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Nyst, C.L. 2010. Beleidsnota Archeologie gemeente Heerhugowaard. Stichting Cultureel Erfgoed NoordHollland, Haarlem. Boon, L. den & S. Husken, 2009. Beleidsnota Cultuurhistorie Gemeente Langedijk 2009. Stichting Cultureel Erfgoed Noord-Hollland, Haarlem. Leusen, M. van & H. Kamermans (red.), 2005. Predictive Modelling for Archaeological Heritage Management: A research agenda. Nederlandse Archeologische Rapporten 29. Rijksdienst voor het Oudheidkundig bodemonderzoek, Amersfoort. Houkes, M.C.E. & S.W. Kodde, 2009. Langedijk De Druppels, archeologie tussen de kolen. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. ADC-rapport 1718, Amersfoort. Boreel, G. L., 2008. Uitbreiding van het recreatiegebied Geestmerambacht, plangebied De Druppels, gemeente Langedijk. Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen. Zuidnederlandse Archeologische Notities 153, Amsterdam. Hurk, J.A. van den, 1962.De bodemgesteldheid en de land- en tuinbouwmogelijkheden in de polder Heerhugowaard e.a.
Stiboka rapport 552, Wageningen. Cock, J.K. de, 1965. Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de middeleeuwen op fysischgeografische grondslag. Groningen. Cock, J.K. de, 1969. Veenontginningen in West-Friesland. West-Frieslands Oud en Nieuw 36: 154-171 Geus, J.P., 1989. De Oostdijk van het Geestmerambacht. West-Frieslands Oud en Nieuw 56: 59-70. Geus, J.P., 1990. Uit de historie van Koedijk en Huiswaard van 1300 tot 1972. Uitgeverij Pirola, Schoorl. Heeringen, R.M. van & E.M. Theunissen (red.), 2001. Kwaliteitsbepalend onderzoek ten behoeve van duurzaam behoud van neolithische terreinen in West-Friesland en de Kop van Noord-Holland. NAR 21, Amersfoort. Jelgersma, S., 1979. Sea-level changes in the North Sea basin, E. Oele, R.T.E. Schuettenhelm & A.J. Wiggers (red.), The Quaternary history of the North Sea basin, Acta Universitatis Upsaliensis, Uppsala. Kalverdijk, G. & J. van Rossum, 2012. Zijtwinde van Noord-Scharwoude, Oudkarspel en Koedijk nader verkend. (Noord-Scharwoude en de buitendijkse Noord-Scharwouder polder, meer dan 4 eeuwen water- en veldnamen). Kalverdijk, G. & J. van Rossum, 2010. Wel of geen zijtwinde bij Koedijk? Poldergeest 5/10: 10-14 Kasse, C., 1987. Ouderdom en afzettingsmilieu van de pikklei-rekereklei ten noorden van Alkmaar (Kennemerland-Geestmerambacht). West-Frieslands Oud en Nieuw 54: 218-224. Kloosterman, G., 2018.
De relevantie van het erfgoedbeleid van de gemeente Heerhugowaard. Poldergeest 26: 18-21. Komen, H., 1992. De druiplanden in de Heerhugowaard. West-Frieslands Oud en Nieuw 59: 104-111. Komen, H., 2014. Ontstaan van Langedijk in de Middeleeuwen. Otterplaat: 28-35 Komen, H., 2016. Ontstaan en ontwikkeling van het meer de Waard. De Overhaal Historisch magazine Heerhugowaard: 33-40. Künzel, R.F., D.P. Blok & J.M. Verhoeff, 1989. Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200. Amsterdam. Lohof, E. & W. Roessingh, 2014, The Westfrisian Bronze Age: a view from Enkhuizen-Kadijken. Journal of Archaeology in the Low Countries 5 (1): 51-78. Mulder, E.F.J. de & J.H.A. Bosch, 1982. Holocene stratigraphy, radio-carbon datings and palaeogeography of central and northern North-Holland (The Netherlands), MRGD 36(3): 111-160. Rosing, H., 1995, Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. Blad 9 west Texel (gedeeltelijk) - 14 west Medemblik, blad 14 oost Medemblik - 15 west Stavoren (Noordhollands gedeelte), blad 19 west Alkmaar, Wageningen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2016. Q&A's over de Erfgoedwet voor gemeente en provincie. Ministerie van OC&W, Amersfoort. Schermer, A., 1968. Geestmerambacht. West-Frieslands Oud en Nieuw 35: 213-228 (Westfriese Oudheden XI).
48
Schermer, A., 1969. Geestmerambacht II. West-Frieslands Oud en Nieuw 36: 172-189 (Westfriese Oudheden XII). Schermer, A., 1971. Geestmerambacht III. West-Frieslands Oud en Nieuw 38: 144-160 (Westfriese Oudheden XIII). Schermer, A., 1973. Geestmerambacht IV. West-Frieslands Oud en Nieuw 40: 245-264 (Westfriese Oudheden XIV). Schermer, A., 1975. Geestmerambacht V. West-Frieslands Oud en Nieuw 42: 236-248 (Westfriese Oudheden XVI). Schilstra, J.J., 1981. De Heerhugowaard. Uit de geschiedenis van de Huygenwaert. Schokker, J., F.D. de Lang, H.J.T. Weerts, C. den Otter, S. Passchier, 2005. Formatie van Boxtel, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht. Schoorl, H. 1999. De convexe kustboog: Texel, Vlieland en Terschelling: bijdragen tot de kennis van het westelijk Waddengebied en de eilanden Texel, Vlieland en Terschelling. Deel 1: Het westelijk Waddengebied en het eiland Texel tot circa 1550, Schoorl. Schoorl, H., 1973. Zeshonderd jaar water en land. Bijdrage tot de historische Geo- en Hydrografie van de Kop van Noord-Holland in de periode 1150-1750. Groningen. Schultz, E., 1992. Waterbeheersing van de Nederlandse droogmakerijen. Proefschrift, TU Delft. Veen, J. van der, M. Horst & A. van Breugel, 2012. Gemeente Heerhugowaard; een historisch-geografische inventarisatie (inclusief de karakteristieke bebouwing). Heerhugowaard. Vos, P.C., J. Bazelmans, H.J.T.
Weerts & M.J. van der Meulen (red.), 2011. Atlas van Nederland in het Holoceen, Amsterdam. Weerts, H.J.T. & F.S Busschers, 2003. Formatie van Nieuwkoop, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht. Weerts, H.J.T., 2003. Formatie van Naaldwijk, Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, Utrecht. Westenberg, J., 1974. Kennemer dijkgeschiedenis. Amsterdam. Westerhoff, W.E., E.F.J. de Mulder & W. de Gans, 1987. Geologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000. Blad Alkmaar West (19 W) en Blad Alkmaar Oost (19 O), Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Zandboer, S. (red.), 2012. Bijzondere kuilen tussen de kolen. Een archeologische opgraving te Langedijk de Druppels. ADC-rapport 2376, Amersfoort. Zeiler, F.D., 2020. Geesten van Holland. Een herinventarisatie van oudere en jongere cultuurgronden op de strandwallen van Noord- en Zuid-Holland, (Rapportage Onderzoek Nederlands Cultuurlandschap 8), Amersfoort. Zijverden, W.K. van, 2017. After the deluge, a palaeogeographical reconstruction of bronze age WestFrisia (2000-800 BC). Leiden. Zwet, H., van, 2009. Lofwaerdighe dijckagies en miserabele polders: een financiële analyse van landaanwinningsprojecten in Hollands Noorderkwartier, 1597-1643. Proefschrift UvA.
Websites https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/02/24/kabinet-besluit-tot-nieuwe-invoeringsdatumomgevingswet-1-januari-2023, laatst bekeken 21 maart 2021 https://www.eerstekamer.nl/nieuws/20220201/invoering_omgevingswet_uitgesteld, informatie 2 februari 2022. https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/erfgoedwet/archeologie-voor-professionals-en-deerfgoedwet, laatst bekeken 29 januari 2022. https://collectie.huisvanhilde.nl/depot.aspx, laatst bekeken 29 januari 2022. https://leidraadlc.noord-holland.nl, laatst bekeken op 29 januari 2022. https://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen, laatst bekeken 29 januari 2022.
49
https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/erfgoedwet/archeologie-voor-vrijwilligers-en-deerfgoedwet), laatst bekeken 29 januari 2022. https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Cultuur_en_Erfgoed/beleid/Beleidskader_erfgoed_en_cultuur_2022, laatst bekeken op 29 januari 2022. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet, laatst bekeken op 2 november 2021. https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Cultuur_en_Erfgoed/Archeologie, laatst bekeken op 2 november 2021. https://kaarten.mooinoord-holland.nl, laatst bekeken op 15 september 2021. https://www.rijksoverheid.nl, laatst bekeken op 12 juli 2021. https://www.noord-holland.nl, laatst bekeken op 12 juli 2021. https://www.molendatabase.org, laatst bekeken op 6 juni 2021. https://www.molendatabase.nl (bestaande molens), laatst bekeken op 6 juni 2021.
50
Lijst van afbeeldingen Afbeelding 2.1. Van Monumentenwet 1988 naar Erfgoedwet en Omgevingswet (bron: Rijksdienst voor het Cultuur Erfgoed). Afbeelding 2.2. Infographic certificeringsstelsel archeologie (bron: Rijksdienst Cultureel Erfgoed). Afbeelding 2.3. Uitzonderingen certificeringsplicht (bron: Rijksdienst Cultureel Erfgoed). Afbeelding 3.1. Archeologen aan het werk. Proefsleuven onderzoek, ‘De Druppels’ Fase I, Broek op Langedijk, Langedijk (bron: Provinciaal Depot Noord-Holland, foto ADC ArcheoProjecten). Afbeelding 3.2. Uitsnede van het gebied pal oostelijk van Koedijk met de archeologische vondsten ter hoogte van de latere vindplaats ‘De Druppels’ (bron: Schermer 1973). Afbeelding 3.3. Gedetailleerde profieltekening van vondstlocatie 23 (bron: Schermer 1973). Afbeelding 3.4. Overzicht van de uitgevoerde archeologische onderzoeken in de periode 1996-2020. Afbeelding 3.5. Het landschap rond 4000 jaar geleden met bekende vindplaatsen uit de Enkelgrafcultuur (naar Van Zijverden 2017). Goed te zien is dat de vindplaatsen vooral langs de zijtakken van de Westfriese getijdengeul liggen. Afbeelding 3.6. De 'Groote Zuyder Waert' met groene druiplanden op de kaart van Baert Claeszoon uit 1626. Afbeelding 5.1. Dobbelsteen, ‘De Druppels’ Fase II (Koedijk), Broek op Langedijk, Langedijk, datering: 100-300 (bron: Provinciaal depot Noord-Holland). Afbeelding 6.1.
Het archeologisch proces (AMZ) (bron: SIKB). Afbeelding 6.2. Een doorsnede/coupe van een kuil tijdens het archeologische proefsleuven onderzoek. ‘De Druppels’ Fase I, Broek op Langedijk, Langedijk (bron: Provinciaal depot Noord-Holland, foto ADC ArcheoProjecten). Afbeelding 6.3. Aanleg van een opgravingsvlak. ‘De Domeynen’, Sint Pancras, Langedijk (bron: Provinciaal depot Noord-Holland, foto: Hollandia Archeologen). Afbeelding 6.4. Archeologische begeleiding van aanleg riool. Kruissloot, Sint Pancras, Langedijk (bron: Provinciaal Depot voor Archeologie Noord-Holland, foto RAAP Archeologisch Adviesbureau).
Lijst van tabellen Tabel 3.1. Overzicht van AMK-terreinen in de gemeente Dijk en Waard. Tabel 3.2. Overzicht van vindplaatsen naar complextype en begindatering. Tabel 3.3. Overzicht van uitgevoerde archeologische onderzoeken. Tabel 3.4. Overzicht van bedijkingen in de gemeente Dijk en Waard (*: polder ligt deels binnen de gemeente). Tabel 3.5. Overzicht van stolpen in de gemeente Dijk en Waard. Tabel 3.6. Overzicht van gebouwde monumenten in de gemeente Dijk en Waard. Tabel 3.7. Overzicht van verdwenen molens per plaats (*: incl. 1 weidemolen). Tabel 5.1. Overzicht van de gehanteerde beleidscategorieën met de vrijstellingsgrenzen.
Lijst met kaartbijlagen Kaartbijlage 1. Inventarisatiekaart archeologische vindplaatsen en onderzoeken. Kaartbijlage 2. Archeo-landschappelijke verwachtingskaart (neolithicum-middeleeuwen). Kaartbijlage 3. Historisch-geografische waarden en relicten. Kaartbijlage 4. Beleidsadvieskaart.
51
Bijlage 1. Catalogus van archeologische vindplaatsen
52
Bijlage 2. Catalogus van archeologische terreinen (‘AMK-terreinen’)
53
Bijlage 3. Catalogus van archeologische onderzoeken
54
Bijlage 4. Catalogus van (verdwenen) molens
55
Bijlage 5. Catalogus van gemeentelijke monumenten
56
Bijlage 6. Catalogus van gebouwde rijksmonumenten
57
Bijlage 7. Catalogus van stolpen
58