CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Concept protocol integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers gemeente Dijk en Waard

Gemeenteraad 4 april 2023, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: RV Protocol integriteitsmeldingen3.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

CONCEPT - Protocol Integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers Gemeente Dijk en Waard 2023 Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Algemene bepalingen 1. Dit protocol geldt voor politieke ambtsdragers van de gemeente Dijk en Waard. 2. In gevallen waarin dit protocol niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is, wordt de handelwijze bepaald door het presidium. 3. Uitgangspunt bij het gebruik van dit protocol zijn de door de raad bij besluit van 3 januari 2022 vastgestelde ‘Gedragscode gemeenteraad Dijk en Waard’, ‘Gedragscode voor de wethouders van Dijk en Waard’ en ‘Gedragscode voor de burgemeester van Dijk en Waard’, alsmede de gedragingen genoemd in artikel 1.2 derde lid van deze regeling. 4. Het protocol is openbaar en voor iedereen te raadplegen via de gemeentelijke website. 5. Politiek ambtsdragers ontvangen (bij hun aantreden) een exemplaar van het protocol. Artikel 1.2 Definities 1. Politieke ambtsdragers: burgemeester, wethouders, raadsleden en fractievertegenwoordigers. 2. Melder: een ieder die een vermoeden van integriteitsschending heeft gemeld op grond van deze regeling. 3. Integriteitsschending: een gedraging van een politiek ambtsdrager die in strijd is met het handelen als ‘goed volksvertegenwoordiger’ of ‘goed bestuurder’.

Het kan gaan om strafbare feiten, overtredingen van een bepaling van de gedragscode, maar ook om handelingen die in strijd zijn met overig geschreven of ongeschreven regels. 4. Externe onderzoeker: de onderzoeker of het onderzoeksbureau die in opdracht van de burgemeester onderzoek doet naar (de ontvankelijkheid van) een integriteitsmelding of schending. Hoofdstuk 2 Procesbepalingen Artikel 2.1 Aangifte 1. Als er op enig moment een vermoeden is van een strafbaar feit doet de burgemeester, naar bevind van zaken na overleg met het presidium en/of het college, aangifte bij de politie. 2. Vanaf dat moment wordt alle beschikbare informatie voorgelegd aan de politie, eventueel na overleg met de officier van justitie. 3. Het bestaan van een strafrechtelijk onderzoek naar een strafbaar feit laat onverlet dat de burgemeester een feitenonderzoek, zoals bedoeld in artikel 3.3, kan instellen of een juridische procedure tegen de betrokken politieke ambtsdrager kan instellen. Artikel 2.2 Communicatie 1. De burgemeester draagt zorgt voor de interne en externe communicatie in de verschillende stappen van het proces. 2.

Voor de interne en externe communicatie worden de verschillende belangen, in het bijzonder het belang van het onderzoek, het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de melder en van de betrokken politieke ambtsdrager en het belang van transparantie nauwkeurig afgewogen. Artikel 2.3 Vermoeden van een opzettelijk valse beschuldiging 1. Als er op enig moment een vermoeden is van een opzettelijk valse beschuldiging doet de burgemeester, indien naar zijn oordeel sprake is van een strafbaar feit, aangifte bij de politie. 2. De gemeente kan bij een opzettelijk valse beschuldiging de betreffende melder aansprakelijk stellen voor eventuele door de gemeente geleden schade (o.a. gemaakte onderzoekskosten). Hoofdstuk 3 Processtappen integriteitsmeldingen Artikel 3.1 Integriteitsmelding 1. Een melding van een vermeende integriteitsschending door een politieke ambtsdrager kan door een ieder worden gedaan. De melding dient schriftelijk of digitaal ingediend te worden. 2. Een melder kan desgewenst anoniem een melding doen. 3. Een melding van een vermoeden van integriteitsschending van een politiek ambtsdrager (niet zijnde de burgemeester), wordt gedaan bij de burgemeester.

4. Meldingen over de burgemeester worden gedaan bij de plaatsvervangend voorzitter van de raad. In dat geval dient in de volgende bepalingen voor “burgemeester” gelezen te worden “de plaatsvervangend voorzitter van de raad”. 5. Nadat de burgemeester de melding heeft ontvangen over het vermoeden van een integriteitsschending begaan door een politieke ambtsdrager, bevestigt hij de ontvangst van de melding schriftelijk aan de melder. 6. De burgemeester wordt in het hele proces van melden tot en met afronding bijgestaan door de griffier voor meldingen over raadsleden en fractievertegenwoordigers en door de gemeentesecretaris voor meldingen over collegeleden. 7. Nadat de ontvangst van de melding is bevestigd, laat de burgemeester bij een externe onderzoeker de melding toetsen tegen de achtergrond van de vraag of zij zodanig concreet is dat een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 3.3 noodzakelijk is.

Een integriteitsmelding wordt in ieder geval getoetst op: • De aard van het feit; • De ontvankelijkheid van de melding; • De ernst van de zaak; • De valideerbaarheid van feiten en omstandigheden; • De positie of persoon van de bron; • De persoon van het lid van de raad, de fractievertegenwoordiger of het lid van het college in kwestie; • De geloofwaardigheid/waarschijnlijkheid van signalen; • De spoedeisendheid/actualiteit van de melding; • Of er sprake is van een vermoeden van feiten die moeten leiden tot het doen van aangifte bij de politie door of namens de burgemeester. 8. De burgemeester vraagt bij de externe onderzoeker daarnaast om advies aangaande eventuele geheimhouding rondom de inhoud van de melding. Artikel 3.2 Afhandeling melding na eerste toets 1. Op basis van de toets zoals opgenomen in artikel 3.1 besluit de burgemeester de melding ofwel niet verder te behandelen ofwel nader feitenonderzoek te laten doen. 2. Indien de burgemeester naar aanleiding van de toets vaststelt dat de melding niet ziet op een integriteitschending, onvoldoende concreet is dan wel een onvoldoende ernstig karakter heeft, besluit hij geen verder onderzoek in te zetten. Van deze beslissing worden de melder en de politieke ambtsdrager over wie de melding is gedaan schriftelijk in kennis gesteld. De politieke ambtsdrager wordt dan alsnog op de hoogte gesteld van de inhoud van de melding. 3.

Indien de burgemeester naar aanleiding van de toets vaststelt dat de melding voldoende concreet is en een voldoende ernstig karakter heeft, besluit hij een feitenonderzoek, als bedoeld in artikel 3.3, in te stellen. 4. Indien de melding over de burgemeester gaat, neemt de plaatsvervangend voorzitter van de raad het besluit als bedoeld in lid 2 en 3 van dit artikel, maar niet voordat hij de commissaris van de Koning van de melding in kennis heeft gesteld. Artikel 3.3 Feitenonderzoek 1. Tenzij het belang van het onderzoek zich hiertegen verzet, wordt de betrokken politiek ambtsdrager van de beslissing een feitenonderzoek in te stellen met inachtneming van artikel 3.4 in kennis gesteld. Tevens worden de melder en het presidium in kennis gesteld. De plaatsvervangend voorzitter van de raad stelt ook de commissaris van de Koning van de beslissing in kennis, in het geval de melding over de burgemeester gaat. 2. Als informeren van de betrokken politiek ambtsdrager niet in het belang van het onderzoek is, wordt deze alleen geïnformeerd wanneer het onderzoeksbelang hierdoor niet meer wordt geschaad. 3. De burgemeester kan een schriftelijke opdracht voor het feitenonderzoek aan een onafhankelijke externe onderzoeker verstrekken. De opdracht wordt voorbereid door de externe deskundige als adviseur van de burgemeester.

Indien de melding over de burgemeester gaat, verstrekt de plaatsvervangend voorzitter van de raad de opdracht. In de opdracht is in ieder geval opgenomen: • de aanleiding van het feitenonderzoek; • de onderzoeksopdracht met duidelijk omschreven onderzoeksvragen en -methoden; • dat betrokkenen en getuigen worden gehoord en dat hoor en wederhoor wordt toegepast;

• de verwachte duur van het feitenonderzoek; • de overeengekomen kosten van het feitenonderzoek; • van welke bevoegdheden de externe partij gebruik mag maken; • dat de externe partij werkt met inachtneming van dit protocol. 4. De bevindingen uit het feitenonderzoek worden vastgelegd in een onderzoeksrapportage. Artikel 3.4 Kennisgeving aan betrokkene 1. In de kennisgeving als bedoeld in artikel 3.3 is in ieder geval opgenomen: • een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot het instellen van het onderzoek; • de melding dat betrokkene, melder en eventuele getuigen kunnen worden gehoord; • de melding dat de betrokken politieke ambtsdrager zich kan laten bijstaan door een raadsman of vertrouwenspersoon; • de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de integriteitsschending, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden. 2. De betrokken politieke ambtsdrager ontvangt bij de brief zoals genoemd in het vorige lid als bijlage: • het protocol ‘Protocol Integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers Gemeente Dijk en Waard 2023’; • de vigerende gedragscode. Artikel 3.5 Horen van betrokkenen 1. De betrokken politieke ambtsdrager, de melder en eventuele getuigen kunnen worden gehoord. 2. De gesprekken worden gehouden door minimaal twee personen. 3.

Er wordt een gespreksverslag opgemaakt en ondertekend door de onderzoekers en de gehoorde. 4. De gehoorde krijgt de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen schriftelijk te reageren op het verslag. 5. Als de gehoorde weigert te tekenen wordt daarvan melding gemaakt in het verslag. Als de gehoorde dat wil, wordt er een schriftelijke weergave van de afwijkende mening van de gehoorde bij het verslag gedaan. Artikel 3.6 Onderzoeksrapportage 1. Van de resultaten van het onderzoek wordt een rapportage opgesteld. De onderzoeksrapportage bevat alle informatie die nodig is om een oordeel te kunnen vormen over de aannemelijkheid en mate van verwijtbaarheid van het vermoeden van de integriteitsschending. 2. De politieke ambtsdrager wordt in beginsel altijd geïnformeerd over het vervolgtraject. 3. Met inachtneming van de bepalingen uit de Gemeentewet bepaalt de burgemeester om al dan niet geheimhouding op te leggen op de onderzoeksrapportage en andere op de zaak betrekking hebbende stukken. De burgemeester kan hierover advies vragen aan het presidium, of aan het college, in het geval de melding betrekking heeft op een wethouder. Daarna biedt de burgemeester de onderzoeksrapportage al dan niet onder geheimhouding aan de gemeenteraad aan. 4. Indien het rapport onder geheimhouding is aangeboden aan de raad, wordt het rapport behandeld in een besloten raadsvergadering. 5.

Indien op de onderzoeksrapportage geheimhouding berust, wordt de melder geïnformeerd met een versie van het rapport, welke is ontdaan van informatie die niet openbaar mag worden gemaakt. 6. Indien de melding betrekking heeft op de burgemeester handelt de plaatsvervangend voorzitter van de raad als bepaald in lid 3 van dit artikel, en hij stelt hier ook de commissaris van de Koning van in kennis. Artikel 3.7 Besluitvorming 1. Na kennisname van de onderzoeksrapportage besluit de raad over de consequenties van het onderzoeksrapport of dat het rapport aanleiding geeft om nader onderzoek te doen of een ander middel in te zetten.

2. Met inachtneming van de bepalingen uit de Gemeentewet wordt door het bevoegde orgaan een besluit genomen over (een voortzetting van) geheimhouding van de onderzoeksrapportage en andere op de zaak betrekking hebbende stukken. Artikel 3.8 Registratie en evaluatie 1. De gemelde vermoedens van integriteitsschendingen, de aard van de daarop volgende onderzoeken en de afdoeningen worden vastgelegd. 2. De burgemeester kan periodiek een rapportage opstellen over de uitvoering van deze regeling. 3. De rapportage bevat in ieder geval de informatie over het aantal integriteitsmeldingen in een bepaalde periode, een indicatie van de aard van de integriteitsmeldingen en de uitkomsten van de onderzoeken. 4. Het protocol wordt binnen twee jaar na inwerkingtreding geëvalueerd, of zoveel eerder als de gemeenteraad dit wenst. 5. Indien in de eerste twee jaar na inwerkingtreding geen integriteitsmeldingen zijn behandeld, wordt de evaluatie opgeschort naar een tijdstip waarop in ieder geval twee integriteitsmeldingen zijn behandeld. Hoofdstuk 4 Slotbepalingen Artikel 4.1 Inwerkingtreding Dit protocol treedt in werking op … . Artikel 4.2 Overgangsrecht Integriteitsmeldingen die zijn ingediend vóór inwerkingtredingsdatum van dit protocol – en nog niet in behandeling zijn genomen door de burgemeester – worden beoordeeld op basis van dit protocol.

Artikel 4.3 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als ‘Protocol Integriteitsmeldingen politieke ambtsdragers, gemeente Dijk en Waard 2023’.

Toelichting Inleiding Goed bestuur is integer bestuur. Daarmee is integriteit niet alleen een verantwoordelijkheid van de individuele politieke ambtsdragers, maar ook een gezamenlijk belang, een collectieve verantwoordelijkheid, dat het hele bestuur in al zijn geledingen aangaat. Commitment naar de vereisten voor een integer bestuur van alle politieke ambtsdragers is van groot belang, omdat het aanzien van de politiek van het grootste belang is voor onze democratie. Dat betekent ook dat een integriteitsdiscussie nooit over de partijpolitieke band mag worden gespeeld, immers het hoger belang van het aanzien van de politiek wordt daarmee geen dienst bewezen. Een belangrijk instrument en hulpmiddel om een open, transparante en integere bestuurs- en organisatiecultuur te realiseren is een gedragscode. De Gemeentewet verplicht de gemeenteraad om voor zichzelf en voor hun bestuurders, een gedragscode vast te stellen. Met heldere regels en afspraken waaraan politieke ambtsdragers houvast hebben. In aanvulling op de gedragscode, zijn in dit protocol de te nemen processtappen bij een integriteitsmelding over politieke ambtsdragers en fractievertegenwoordigers opgenomen. Fractievertegenwoordigers zijn diegenen die door de raad benoemd zijn om de fractie te ondersteunen en deel te nemen aan voorbereidende vergaderingen van de raad, ook wel burgerraadsleden of commissieleden.

Rol van de burgemeester In de Gemeentewet is in artikel 170, tweede lid van de Gemeentewet vastgelegd dat de burgemeester de taak heeft de bestuurlijke integriteit van de gemeente te bevorderen. In het protocol is vastgelegd dat de burgemeester het onderzoeksproces coördineert. Hiermee is voor alle betrokkenen duidelijk waar de regierol voor het onderzoek van een integriteitsmelding is belegd. Integriteitsnormen in Gemeentewet Integriteitsnormen staan in diverse wet- en regelgeving geborgd, zoals de Awb, WvSR en de verschillende gedragscodes voor de gemeenteraad, wethouders en burgemeester. In de Gemeentewet zijn specifiek de volgende bepalingen opgenomen voor politieke ambtsdragers: • met het ambt onverenigbare functies (incompatibiliteiten); • verboden handelingen zoals aannemen van werk ten behoeve van de gemeente, adviseren aan derden, het verhuren van zaken aan de gemeente etc.; • stemmen zonder last; • verbod op deelname stemming in zaken die een raadslid of bestuurder persoonlijk aangaan; • verplichte gedragscode voor raadsleden, burgemeester en wethouders (artikel 15, 41c en 69); • verbod op nevenfuncties die ongewenst zijn met het oog op het wethouderschap of burgemeesterschap; • plicht tot openbaarmaking nevenfuncties voor alle politieke ambtsdragers; • geen vergoedingen buiten hetgeen in wet of verordening is vastgelegd.

Afleggen eed of belofte De politieke ambtsdragers leggen voordat zij hun functie kunnen uitoefenen de eed of belofte af. Met het afleggen van de eed of belofte beloven politieke ambtsdragers onder andere dat zij de wet zullen nakomen en de plichten als politieke ambtsdrager naar eer en geweten zullen vervullen. Zij beloven hun taken onbevooroordeeld en objectief te vervullen. Door het afleggen van de eed of belofte wordt het belang van onafhankelijkheid van de politieke ambtsdrager, tijdens de uitoefening van het ambt en het belang van integriteit in het algemeen benadrukt. Wat is een integriteitsschending? Een integriteitsschending gaat over een gedraging van een politiek ambtsdrager die in strijd is met het handelen als ‘goed bestuurder’ of ‘goed volksvertegenwoordiger’. Het kan gaan om feiten die strafbaar zijn, maar ook om handelingen die in strijd zijn met geschreven of ongeschreven regels, waaronder de gedragscode. Een vermoeden is voldoende om een melding te doen. Het moet echter wel om een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden gaan. Dat wil zeggen op eigen kennis of waarneming en niet op basis van bijvoorbeeld horen zeggen. Niet elke schending is hetzelfde van gewicht. Ook de intentie kan verschillen. Er kan sprake zijn van een opzettelijke schending, maar ook van een schending uit onbekendheid of naïviteit. Elke schending wordt dan ook apart beoordeeld.

Een melding verschilt van een klacht. In casu gaat het bij een klacht om een gedraging van een bestuurder of bestuurders die niet ook een schending is. Bij een klacht, niet tevens een schending zijnde zal dit protocol niet worden gevolgd. Ontvangst meldingen Van de melder wordt verwacht dat hij zijn integriteitsmelding schriftelijk indient. Hij ontvangt daarop een ontvangstbevestiging waarin de melder ook wordt gevraagd niet de publiciteit te zoeken om de persoonlijke levenssfeer van de betrokken politieke ambtsdrager te beschermen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Anonieme meldingen Anonieme meldingen hebben hun beperkingen. Het feit dat de identiteit van de melder niet bekend is, vormt een complicerende factor bij de beoordeling en behandeling van de melding. Zo is het bijvoorbeeld voor onderzoekers niet mogelijk om nadere vragen te stellen aan de melder wanneer dat noodzakelijk zou zijn. Als een politieke ambtsdrager aarzelt om een vermoeden van een schending bij de burgemeester te melden, kan hij ook terecht bij de griffier (in geval van raadsleden of fractievertegenwoordigers) of de gemeentesecretaris (in geval van collegeleden) voor advies. Behandeling van de melding Een integriteitsmelding wordt in ieder geval getoetst op: •

De aard van het feit Waar gaat het precies om? Is het wel een integriteitsschending, is het een strafbaar feit, wat voor soort integriteitsschending is het? Is het signaal concreet? Is het nodig de commissaris van de Koning hierbij te betrekken?

•

De ontvankelijkheid van de melding Valt de gedraging binnen de sfeer van het bestuursorgaan? Is het bestuursorgaan in staat om hier een oordeel over te geven of een onderzoek naar uit te voeren? Zijn er procedures voor? Bevat de melding feiten die op een integriteitsschending wijzen of gedragingen of uitspraken die geen schending inhouden?

•

De ernst van de zaak Hoe ernstig is het voorval, gelet op het feit zelf, de omstandigheden, de (functie van de) persoon op wie het signaal betrekking heeft of de maatschappelijke/politieke gevoeligheid. Ook speelt de afweging mee of een onderzoek opweegt tegen de eventuele gevolgen ervan. Is het op een andere manier op te lossen om daarmee de schade zoveel mogelijk te beperken?

•

De valideerbaarheid van feiten en omstandigheden Zijn de relevante feiten en omstandigheden goed controleerbaar? Zijn er goede onderzoeksmogelijkheden? Zijn er voldoende aanknopingspunten, is de informatie voldoende gedetailleerd?

•

De positie of persoon van de bron Belangrijk is het afwegen van de bron zelf. Heeft deze voldoende kennis? Hoe betrouwbaar is het signaal? Spelen er politieke belangen mee? Staat dit signaal op zich of zijn er uit meerdere bronnen vergelijkbare signalen gekomen?

•

De persoon van het lid van de raad, de fractievertegenwoordiger, of collegelid in kwestie Had de politieke ambtsdrager redelijkerwijs de mogelijkheid om de schending te plegen? Sluit dit aan bij de melding (was de ambtsdrager bijvoorbeeld niet op vakantie op het moment van de schending)?

•

De geloofwaardigheid/waarschijnlijkheid van het signaal Is er een logisch verband tussen de feiten uit het signaal en andere bekende feiten.

•

De spoedeisendheid/actualiteit van de melding Hoe spoedeisend is de melding? En hoe actueel? Betreft het een zittende politieke ambtsdrager of een uit het verleden? Zijn er media bij betrokken?

Resultaten van de beoordeling van de melding Naar aanleiding van de beoordeling van de melding zijn verschillende uitkomsten denkbaar: • Het gaat om een te gering feit om onderzoek te rechtvaardigen (maar eventueel wel serieus genoeg om te reageren); • Er zijn onvoldoende aanwijzingen of het vermoeden is onvoldoende waarschijnlijk voor onderzoek; • Er is een ander traject van toepassing (bijvoorbeeld de klachtenprocedure voor ongewenste omgangsvormen of een bezwaarprocedure); • Er volgt aangifte bij de officier van justitie in verband met een vermoedelijk strafbaar feit; • Er volgt een feitenonderzoek. Besluit tot feitenonderzoek De burgemeester beslist of er voldoende aanleiding is om een onderzoek in te (laten) stellen. Een onderzoek heeft als doel te beoordelen of signalen en/of vermoedens op redelijke grond zijn gebaseerd. Concreet betekent dit dat de opdrachtgever een onderzoek instelt naar de handelswijze van betrokkene(n), om alle relevante feiten die met het vermoeden samenhangen in kaart te brengen. Kennisgeving aan betrokkene De burgemeester stelt de betrokken politieke ambtsdrager schriftelijk op de hoogte van het voorgenomen feitenonderzoek. Het kan zijn dat het onderzoeksbelang zich hiertegen verzet, bijvoorbeeld als de betrokkene naar aanleiding van de kennisgeving mogelijk bewijsmateriaal kan of zal vernietigen.

In dat geval kan de kennisgeving achterwege blijven. Onderzoeksrapportage Het onderzoeksrapport behoort binnen de reikwijdte van het onderzoek alle informatie te bevatten die de volksvertegenwoordiging uiteindelijk nodig heeft om zich een oordeel te kunnen vormen over het vermoeden van een integriteitsschending. Dit betreft ook informatie die ontlastend is voor de betrokken politieke ambtsdrager. Denk daarbij aan informatie die ook nadelig kan zijn voor anderen in het bestuur of in de organisatie, bijvoorbeeld informatie over de bestuurscultuur of het handelen van de burgemeester. De volksvertegenwoordiging moet hiervan kennis kunnen nemen. Het kunnen immers relevante feiten en omstandigheden zijn voor de uiteindelijke beslissing over het rapport. Ook de betrokken ambtsdrager moet zich op basis van het onderzoeksrapport een oordeel over het onderzoek kunnen vormen. Besluitvorming De burgemeester heeft een wettelijke rol bij integriteitsbevordering, geduid in de Gemeentewet. Het oordelen over bestuurlijke integriteit is aan het hoogste bestuursorgaan in de gemeente: de raad. Dat betekent dat besluiten over de resultaten van onderzoeken naar de bestuurlijke integriteit worden genomen door de gemeenteraad. Een zorgvuldige rapportage moet dan ook altijd zodanig worden opgesteld zijn dat de raad zich een helder beeld kan vormen van wat er is gebeurd.

Er is op verschillende manieren onderscheid aan te brengen in de behandeling van bestuurlijke integriteitsincidenten. Allereerst is het onderscheid tussen de strafrechtelijke en de politiek-bestuurlijke behandeling. Daarnaast is het onderscheid tussen de gekozen en de benoemde bestuurders relevant. Een zorgvuldige behandeling betekent te allen tijde rekening houden met de menselijke maat. Het is aan de burgemeester om hiervoor zorg te dragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=bda21813-6f65-4bb8-abc7-1e516c1d26ec