Bijlage 5. Watertoets 5 juli 2022
Tekst van het document
Ruimtelijke procedure Van Veenweg 15 Heerhugowaard
datum projectnummer
5 juli 2022 214231
Rapport
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl www.avecodebondt.nl
Watertoets Rembrandt Erf, Heerhugowaard project projectnummer projectleider
opdrachtgever
Ruimtelijke procedure Rembrandt Erf, Heerhugowaard 214231 Rianne Arendsen AIG Careconcepts Deventer B.V.
postadres
contactpersoon
status
paraaf gecontroleerd
Definitief
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding Doel Betrouwbaarheid en bruikbaarheid gegevens Gebruikte bronnen Plangebied Beoogde ontwikkeling
5 5 5 6 6 7
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
Beleidskader Generiek beleid Waterbeleid voor de 21e eeuw Waterwet Nationaal Waterplan Watertoets Provincie Noord-Holland Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Gemeente Dijk en Waard Samenvatting beleid wateropgave
8 8 8 8 8 8 9 10 10 11
3 3.1 3.2
Gebiedseigenschappen Hoogteligging Bodemopbouw
12 12 12
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Bestaand watersysteem Waterveiligheid Oppervlaktewater en waterberging Watergangen Waterberging Peilgebieden Afvoer hemel- en afvalwater Waterkwaliteit en ecologie Grondwater
15 15 15 15 15 16 16 17 17
5 Toekomstig watersysteem 5.1 Waterveiligheid 5.2 Waterberging en oppervlaktewater 5.3 Verhard oppervlak 5.4 Wateropgave 5.5 Waterbergingstechnieken 5.6 Afvoer hemel- en vuilwater 5.7 Hemelwaterafvoer 5.8 Vuilwaterafvoer 5.9 Grondwater en ontwerphoogten 5.10 Ontwerphoogten 5.11 Infiltratie van hemelwater 5.12 Omgevingskwaliteit 5.12.1 Waterkwaliteit en ecologie
19 19 19 19 20 20 21 21 21 21 21 22 22 22
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
5.12.2 Bodemdaling 5.12.3 Hittestress 5.13 Waterkwaliteit en ecologie 5.14 Vergunningen
22 23 23 23
6
24
Conclusie en aanbevelingen
Bijlagen Bijlage 1 Rioleringstekening Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
1
Inleiding
Voor de ontwikkeling van Hugo Oord, twee zorgvilla’s en twee appartementsgebouwen, wordt in opdracht van AIG een watertoets opgesteld. Op basis van deze watertoets kan een waterparagraaf worden opgesteld. In de waterparagraaf wordt vastgelegd hoe binnen het project met de waterhuishoudkundige aspecten (waterveiligheid, oppervlaktewater, hemelwater, grondwater, waterkwaliteit en afvalwater) dient te worden omgegaan. Hiervoor zijn de watergerelateerde beleidskaders in beeld gebracht en de planspecifieke uitgangspunten waarop het ontwerp wordt gebaseerd zijn afgestemd met de gemeente en het waterschap. Het gaat hierbij om alle wateren (rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater). 1.1 Doel Het doel van deze rapportage is om inzichtelijk te maken of de waterhuishoudkundige situatie gaat veranderen naar aanleiding van de ontwikkeling en welke maatregelen genomen kunnen worden om een eventuele verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie te voorkomen en bij voorkeur de waterhuishouding te verbeteren. In deze watertoets wordt niet ingegaan de exacte civieltechnische uitwerking van de waterhuishouding. Dit wordt opgepakt in het waterhuishoudkundigplan. Ten behoeven van deze uitwerking is wel al een inmeting ingepland voor de vijver op het terrein.
1.2 Betrouwbaarheid en bruikbaarheid gegevens De beschikbare informatie die door de opdrachtgever is aangeleverd geldt als uitgangspunt voor deze watertoets en bestaat uit “Bestemmingsplan Van Veenweg 15, Heerhugowaard Gemeente Dijk en Waard” en een bijbehorende tekening van het plangebied. Om een goed ontwerp te kunnen maken zijn tevens bepaalde gegevens over de omgeving benodigd. In dit onderzoek zijn data voor verschillende toepassingen gebruikt, maar voor enkele onderwerpen zijn (in een volgende fase) aanvullende en betrouwbaardere data vereist. Tabel 1.1 geeft per onderdeel aan in hoeverre data bruikbaar zijn en waar in volgende fasen aanvullende data vereist zijn Tabel 1.1: Geschiktheid van gegevens per onderdeel met een toelichting als aanvullende data vereist zijn voor een volgende fase.
Onderdeel
Huidige bron
Geschikt t/m fase
Toelichting aanvullende data
Grondwaterstand
DINOloket
VO
Grondwaterstandmetingen vereist t.b.v. ontwerphoogtes.
Oppervlaktewaterpeilen
Legger
DO
Bodemdoorlatendheid
DINOloket
VO
Bodemopbouw
DINOloket (GeoTOP 1.4) & Verkennend bodemonderzoek
VO
Hoogteligging
AHN3
VO
Verharding
SO-ontwerp
VO
Verhardingstoename berekenen o.b.v. het DO-ontwerp t.b.v. watercompensatie
Riolering
Gemeente Dijk en Waard
VO
Afstemming met gemeente nodig over aansluitingen.
Infiltratiemetingen middels laboratorium/veldproeven zijn benodigd indien infiltratie wordt toegepast.
1.3 Gebruikte bronnen 1: atlasleefomgeving.nl/kaarten 2: AHN3 (0,5m resolutie) 3: Verkennend bodemonderzoek, Inventerra, 15 februari 2022 4: risicokaart.nl, 6: Gemeentelijk meetnet / DINOloket.nl / klimaateffectatlas.nl, 7: Beleidsprogramma klimaatadaptatie 2021-2026, gemeente Dijk en Waard 1.4 Plangebied Het plangebied betreft een herontwikkelingslocatie en is gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Dijk en Waard, voorheen Heerhugowaard, aan de Van Veenweg 15. Rondom het plangebied ligt bestaande woningbouw. Het plangebied wordt ingesloten door de openbare wegen: de Johan Vermeerstraat (noordzijde), de Rembrandtstraat (oostzijde), de Van Veenweg (zuidzijde) en de Carel Willinkstraat (westzijde). In de huidige situatie bestaat het plangebied uit bestaande bouw en reeds verwijderde bebouwing (zie Figuur 1-1). De betreffende percelen staan kadastraal bekend als gemeentecode HHG00, sectie G, nummers 1437. De totale oppervlakte bedraagt 11.270 m2.
Figuur 1-1: Ligging van het plangebied.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
1.5 Beoogde ontwikkeling Bij de herinrichting van het gebied worden twee zorgvilla’s met studio’s gerealiseerd, dus in totaal 44 wooneenheden. Daarnaast worden twee appartementengebouwen gebouwd met in totaal 39 en 34 appartementen. Onder het gebouw met de 39 appartementen wordt een parkeergarage gebouwd. In Figuur 1-2 is de verbeelding weergegeven van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. In totaal worden op het terrein 117 woningen gerealiseerd, waarvan 73 appartementen en 44 zorgstudio’s. Hiervoor zullen de huidige gebouwen worden gesloopt. Deze ontwikkeling is een onderdeel van een eerder gestart traject voor een groter projectgebied, waarbij ook de ontwikkeling voor het Gerard Douplantsoen hoort.
Figuur 1-2: Uitsnede van het stedenbouwkundige plan van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
2
Beleidskader
In dit hoofdstuk is het beleid van de betrokken instanties voor de waterhuishoudkundige aspecten kort uiteengezet. Het hieronder beschreven beleid geeft het kader waarin de toekomstige situatie moet worden ingepast. 2.1 Generiek beleid Op rijksniveau en Europees niveau zijn meerdere plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. 2.2 Waterbeleid voor de 21e eeuw In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • Vasthouden, bergen en afvoeren. Deze strategie houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien vasthouden niet mogelijk is wordt het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden. Pas als vasthouden en bergen niet voldoende opleveren wordt het water afgevoerd. • Schoonhouden, scheiden en zuiveren. Bij deze strategie gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden, en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. 2.3 Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen.
Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. 2.4 Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het Rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 wordt opgevolgd door het Nationaal Water Programma 2022-2027. Hierin wordt het Nationaal Waterplan en het Beheer- en ontwikkelplan integraal opgepakt, zodat het Rijk zich voor kan bereiden op de komst van de Omgevingswet. 2.5 Watertoets In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening dient het watertoetsproces doorlopen te worden. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium.
De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het watertoetsproces voor deze ontwikkeling is in gang gezet op 20-04-2022 via mailcontact met de gemeente. Het waterschap is via deze weg op de hoogte gebracht van het plan.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
2.6 Provincie Noord-Holland Op grond van de verplichting in de Waterwet om een regionaal waterplan op te stellen heeft de provincie NoordHolland de Omgevingsverordening 2022 opgesteld, deze zal echter pas in werking treden met de omgevingswet. Daarvoor geldt dus nog de verordening uit 2020. Plan specifiek • Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied; • Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen EHS. Wel liggen deze in de buurt, maar dat heeft geen invloed op de ontwikkeling; • Het plangebied heeft geen natuurfunctie; • Het plangebied ligt niet nabij KRW wateren; • Het plangebied is gelegen buiten een ‘Overstroombaargebied’. Voor alle overstroombare gebieden is het gewenst dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe woonwijken, bedrijventerreinen en herstructurering) tijdig nadenken over voorzieningen die tijdens een dreigende overstroming getroffen kunnen en moeten worden om de bebouwing te beschermen tegen onderlopen, het gebied te kunnen evacueren of belangrijke functies veilig te stellen; • De risiconorm wateroverlast is 1/100 jaar. Dit betekent dat eens in de 100 jaar wateroverlast toelaatbaar is.
Figuur 2-1: Gebieden met een speciale status, het plangebied is omcirkeld1.
1 atlasleefomgeving.nl/kaarten
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
2.7 Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het waterbeheer in het plangebied is in handen van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het waterplan 2022-2027. Als het gaat over normen en criteria, dan zijn de Keur en de Legger van het waterschap belangrijke uitgangspunten voor de waterhuishouding. In de Keur staan onder andere gebodsbepalingen en verbodsbepalingen en regels voor functies en activiteiten langs watergangen en waterkeringen. Wateroverlast dient voorkomen te worden door het nemen van maatregelen, zoals het ophogen van het maaiveld of bouwen zonder kruipruimte. Daarbij is het tevens belangrijk dat de dorpel hoger ligt dan het straatpeil, waarbij een minimum van 20 cm hoger aangehouden kan worden. Het waterschap adviseert om voldoende drooglegging in het ontwerp te hanteren, zodat problemen met (grond)wateroverlast zoveel mogelijk voorkomen of beperkt worden. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil (streefpeil) en het maaiveld. Het waterschap geeft aan dat de toename aan verhard oppervlak dat leidt tot versnelde afvoer van hemelwater dient te worden gecompenseerd met een percentage wateroppervlak. Indien de verhardingstoename tussen de 800 en 2000 m2 is, dient 10% van het verharde oppervlak gecompenseerd worden.
Op het moment dat de verhardingstoename groter dan 2000 m2 is, dient 11% gecompenseerd te worden 2. Wanneer afgekoppeld wordt, dient te worden voorkomen dat “schone” verharding aangesloten wordt op het vuilwaterriool. Indien het voormalige verharde oppervlak bij herinrichtingsgebieden wordt afgekoppeld/niet meer loost op een gemengd stelsel dient voor de opvang van het snel afstromende regenwater een voorziening (waterberging) gemaakt te worden. Wanneer geen uitlogende materialen als koper, zink en lood worden gebruikt, wordt het afstromende hemelwater beschouwd als schoon. Dit hemelwater dient bij voorkeur in de volgende voorkeursvolgorde te worden aangewend: 1. Hergebruik (bijv. voor toiletten, wasmachines en tuinsproeien); 2. Infiltratie in de bodem; 3. Buffering in waterberging 4. Lozing op oppervlaktewater Plan specifiek • 11 % van de nieuwe verharding moet worden gecompenseerd als oppervlaktewater. De huidige ontwikkeling (Hugo Oord) wordt samen met de ontwikkeling van het Gerard Dou plantsoen gezien als één ontwikkeling. • De afvoernorm voor het plangebied is 1,6 l/s/ha. • Afhankelijk van de lokale situatie bepaalt het hoogheemraadschap in hoeverre de halfverharding meetelt als verharding. 2.8 Gemeente Dijk en Waard In de planperiode 2007-2011 werden de 'Wet gemeentelijke watertaken' en de Waterwet van kracht.
Met deze wetten zijn de gemeentelijke watertaken verbreed en hebben gemeenten de zorgtaak gekregen voor het: • Inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt (Waterwet, artikel 3.5); • Treffen van doelmatige maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater (Waterwet, artikel 3.6). • Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater (Wet milieubeheer, artikel 10.33); In het algemeen wordt om (grond)wateroverlast te voorkomen de minimale ontwateringsdiepte voor: • openbaar groen 0,50m; 2 Verharding aanbrengen | Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hhnk.nl)
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
• • • •
secundaire wegen 0,70m; primaire wegen 0,90m; woningen zonder kruipruimte 0,50m; woningen met kruipruimte 0,70m.
De beleidsmatige invulling van deze (verbrede) gemeentelijke watertaken wordt vastgelegd in het wettelijke verplichte gemeentelijke rioleringsplan (Wet milieubeheer, artikel 4.22). Daarnaast is in het Beleidsprogramma klimaatadaptatie 2021-2026 aangegeven dat de normen van de Basisveiligheidsniveau Klimaatbestendige nieuwbouw MRA 3.0 gevolgd worden. De Basisveiligheidsniveau Klimaatbestendige nieuwbouw MRA 3.0 geeft de volgende zaken aan: • Een concreet uitgangspunt bij het herinrichten van gebieden is het verminderen van (bestaande) verharding. • Conform de Waterwet hoeft de gemeente geen hemelwater te accepteren, tenzij er echt geen andere mogelijkheid is voor degene die er van af wil. • De perceeleigenaar draagt de eerste verantwoordelijkheid om overtollig hemelwater te bergen op eigen perceel. De gemeente heeft vervolgens een inspanningsverplichting om, als dit niet mogelijk is, het overtollige hemelwater te ontvangen en af te voeren. • De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het voorkomen van overlast of schade ten gevolge van grondwater. Dit houdt in dat de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk is voor de ontwatering van het eigen terrein, evenals voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen. • Alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden waterneutraal uitgevoerd. De ontwikkeling zorgt niet voor extra aanvoer of afvoer.
Plan specifiek • De gemeente eist dat 70 mm op privéterrein wordt opgevangen en vertraagd wordt afgevoerd, gedurende de eerste 24 uur. • De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 60 uur weer volledig beschikbaar is na afloop van de bui. 2.9 Samenvatting beleid wateropgave Het beleid van de gemeente is voor dit plan maatgevend voor de wateropgave, omdat deze het strengst is. Dit houdt in dat 70 mm waterberging over het verhard oppervlak binnen het plangebied moet worden gerealiseerd.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
3
Gebiedseigenschappen
In dit hoofdstuk staat de hoogteligging en de bodemopbouw beschreven. Gebiedseigenschappen m.b.t. water staan in hoofdstuk 4 beschreven. 3.1 Hoogteligging De hoogteligging van het plangebied ligt gemiddeld op circa -2,1 m NAP en varieert vrijwel niet. Ook de omgeving ligt vrijwel even hoog.
Figuur 3-1: Hoogteligging van het plangebied en t.o.v. de directe omgeving [2]3.
3.2 Bodemopbouw Nabij de projectlocatie zijn twee boorprofielen (B19B0065 en B19B0980) beschikbaar via het DINOloket die een indruk geven van de bodemopbouw in het plangebied. De profielen zijn echter dermate verschillend dat zij geen uitsluitsel geven over de aanwezige bodem. Ter plaatse van de ontwikkeling kan de kleilaag dikker zijn, zoals bij het zuidelijke profiel, of alleen oppervlakkig aanwezig, zoals bij het noordelijke profiel. Bodemonderzoek kan hier uitsluitsel over geven. De aanwezigheid van de kleilaag is voornamelijk van belang voor de infiltratiemogelijkheden. Daarnaast is ook verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2). Navolgend staan de boorprofielen van dit onderzoek weergegeven. Hieruit bleek dat tot de maximale boordiepte (-3,0 m -mv) alleen zand aangetroffen is.
3 AHN3 (0,5m resolutie)
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Figuur 3-2: Boorprofiel ten zuiden van de ontwikkeling (B19B0065).
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Figuur 3-3: Boorprofiel ten noorden van de ontwikkeling (B19B0980).
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
4
Bestaand watersysteem
In dit hoofdstuk is het bestaande watersysteem beschreven, met betrekking tot waterveiligheid, oppervlaktewater, waterberging, afvoer, grondwater, waterkwaliteit en ecologie. 4.1 Waterveiligheid Het plangebied ligt niet buitendijks en binnen het plangebied zijn geen primaire, regionale of overige waterkeringen of beschermingszones van keringen gesitueerd (zie Figuur 4-1). De dichtstbijzijnde waterkeringen bevinden zich op circa 1.000 meter afstand in oostelijke richting. Het plangebied ligt in een gebied dat een kleine kans (overschrijdingskans van eens in de 10.000 jaar) heeft tot overstroming tot 2,0 meter [4]4.
Figuur 4-1: Legger van de waterkeringen en de watergangen nabij het plangebied (rode cirkel).
4.2 Oppervlaktewater en waterberging In Figuur 4-1 staat de legger van het waterschap m.b.t. de primaire en secundaire watergangen weergegeven. Een beschrijving van de watergangen en de waterpeilen staan in de volgende paragrafen beschreven. 4.3 Watergangen In het plangebied ligt één secundaire watergang, de vijver OAF-QJ-44891, welke overgaat in de OAF-Q-130545, verbonden via de duiker KDU-D-30. De werkzaamheden vinden niet plaats binnen de beschermingszone van de primaire watergang. Nabij het plangebied bevindt zich één primaire watergang, aan de oostkant met leggercode OAF-Q-71673 (Figuur 4-1). 4.4 Waterberging In het plangebied is een vijver aanwezig, de vijver OAF-QJ-44891. Daarin kan hemelwater worden geborgen. Deze vijver heeft een hoger peil dan de omliggende watergangen. Historisch gezien zit dit peil ongeveer op -3,15 m NAP, tijdens de laatste inmeting zat dit peil echter op -3,49 m NAP (i.p.v. -3,6 m NAP). Ten behoeven van de civieltechnische uitwerking van de waterhuishouding van de ontwikkeling is deze vijver ingemeten. 4 Risicokaart.nl
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
4.5 Peilgebieden Het plangebied ligt in een peilbeheerst gebied. Het peilgebied 03150-26, waarvoor een dynamisch peilbeheer geldt, met een streefpeil van -3,6 m NAP, een ondergrens van -3,7 m NAP en een bovengrens van -3,5 m NAP. De vijver ligt echter momenteel hoger dan de aanliggende watergang. Het waterpeil wordt hier op peil gehouden door een stuw en een pomp. Het plangebied ligt volledig in peilgebied 03150-26 met een streefpeil van -3,6 m NAP zie Figuur 4-2). Bij een gemiddelde maaiveldhoogte van -2,2 m NAP bedraagt het verschil tussen het maaiveld en het streefpeil (drooglegging) hierdoor circa 1,4 m.
Figuur 4-2: Peilgebied met streefpeilen plangebied (gearceerd).
4.6 Afvoer hemel- en afvalwater Rondom het plangebied ligt zowel een gescheiden als een gemengd stelstel. In Figuur 4-3 is het stelsel te zien. Aan de zuidkant van de ontwikkeling, aan de Van Veenweg ligt een HWA leiding, aan de west en aan de noordkant een gemengd stelsel (Johan Vermeerstraat). Aan de noordkant ligt ook een drainage leiding en aan de oostkant een DWA leiding.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Figuur 4-3: Uitsnede rioleringstekening plangebied. Blauw staat voor de HWA, rood voor de DWA, roze voor een gemengd stelsel, bruin drainage en groen zijn persleidingen.
4.7 Waterkwaliteit en ecologie In en nabij het plangebied zijn geen KRW-wateren, oppervlaktewaterbeschermingszones en grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig. Tevens liggen er geen groene ontwikkelzone’s of natuurgebieden in of nabij het plangebied. Verzilting speelt in het plangebied een beperkte tot geen rol van betekenis. 4.8 Grondwater Grondwaterstroming wordt bepaald door de ondergrond, neerslagoverschot en menselijke ingrepen in het landschap. Deze factoren zijn nauw met elkaar verbonden. Om het grondwaterregime in het plangebied te begrijpen is inzicht in de regionale stroming belangrijk. Rondom de projectlocatie zijn geen peilbuizen beschikbaar. Wel zijn er algemene kaarten beschikbaar van de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en is weergegeven in Figuur 4-4. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) geschat op -3,2 m NAP en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) op meer dan -4,0 m NAP. Tijdens het verkennende bodemonderzoek bevond het grondwater zich tussen de 1,2 en 1,5 m -mv (-3,3 en -3,6 m NAP).
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Figuur 4-4: Uitsnede GHG kaart klimaatatlas HHNK5.
Figuur 4-5: Uitsnede GLG kaart klimaatatlas HHNK6.
5 https://hhnk.klimaatatlas.net/ 6 https://hhnk.klimaatatlas.net/
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
5
Toekomstig watersysteem
In dit hoofdstuk is een voorstel uitgewerkt voor het toekomstige watersysteem, waarin de effecten van de beoogde ontwikkeling op de waterhuishouding inzichtelijk zijn gemaakt. 5.1 Waterveiligheid Er is geen opgave met betrekking tot waterveiligheid. Het plangebied bevindt zich niet in een ‘Overstroombaar gebied’. 5.2 Waterberging en oppervlaktewater In de toekomstige situatie dient rekening gehouden te worden dat er voldoende waterberging is en dat het hemelwater niet voor wateroverlast zorgt tijdens extreme neerslagsituaties. Alle toename aan verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden met een waterberging of vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater. Daarnaast dienen aanpassingen aan de oever van de vijver uitgevoerd te moeten worden, zodat het waterpeil van de vijver kan dalen, op het moment dat een definitieve verbinding tussen de vijver en de aangrenzende watergang gemaakt wordt. 5.3 Verhard oppervlak Het verhard oppervlak in het plangebied van de bestaande situatie is vergeleken met die in het ontwerp. Uitgangspunt hiervoor is de tekening zoals weergeven in figuur 2-1. Hieruit is het verschil in verhard oppervlak afgeleid en opgedeeld in categorieën voor verharde en onverharde delen (zie Figuur 5-1). De bestratingen en parkeerplaatsen zijn als volledig verhard opgenomen.
Het gedeelte dat in halfverharding wordt uitgevoerd, 753 m2, is voor de helft meegenomen als verharding. Uit de analyse blijkt dat in het plan het verharde oppervlak zal toenemen met 1.499 m2. Verder vinden geen aanpassingen of dempingen aan het oppervlaktewater plaats die gecompenseerd moeten worden. Conform de regels van HHNK dient voor de toename aan verhard oppervlak 150 m2 aan water gerealiseerd te worden. Zoals tijdens het overleg met gemeente en het waterschap is aangegeven geldt deze compensatie alleen als er geen waterberging gerealiseerd wordt conform de eisen van de gemeente. In de volgende paragraaf (5.4) wordt aangegeven wat de opgave is conform de gemeentelijke eis. Tabel 5.1: Toename verhard oppervlak tussen huidige en toekomstige situatie. Omschrijving
Huidig [m2] Toekomstig [m2] Verschil [m2]
Gebouwen
2.212
2.660
448
Verharding terrein
1.530
2.205
675
Halfverharding*
0
376
376*
Totaal verhard
3.742
5.241
1.499
* Dit wordt meegenomen als 50% verhard en 50% onverhard. De omrekening is reeds meegenomen in deze tabel. Het daadwerkelijke oppervlak halfverharding is 753 m2.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Figuur 5-1: Verhard/onverhard huidige situatie.
5.4 Wateropgave Over al het verhard oppervlak in het plangebied (bestrating en daken) dient een waterberging van 70 mm gerealiseerd te worden, conform de eisen van de gemeente Dijk en Waard. Uitgaande van een verhard oppervlak van 5.241 m2 bedraagt de waterbergingsopgave 367 m3. Over het onverharde oppervlak ligt geen opgave ten aanzien van watercompensatie. Bij nadere invulling van het plangebied dient een herberekening van de benodigde waterberging plaats te vinden. 5.5 Waterbergingstechnieken Er zijn meerdere mogelijkheden om waterberging te realiseren of om de waterbergingsopgave te verminderen. In deze paragraaf worden drie varianten uitgewerkt met betrekking tot de waterberging. De exacte uitwerking van de waterberging zal in het waterhuishoudkundige plan worden uitgewerkt. Op dat moment zijn ook de gegevens over de vijver beschikbaar. Indien de vijver in het bezit van de gemeente komt, en deze voor het beheer in het kade van de "Overname stedelijk water" in onderhoud zijn overgenomen door het HHNK, dient er een minimale waterdiepte van 1,00 m in de vijver aanwezig te zijn. Variant 1: Al het water wordt geborgen in de vijver, de vijver dient hiervoor te worden aangepast, het peil dient verlaagd te worden en aangesloten op het watersysteem.
De aansluiting met het watersysteem maakt gebruik van een knijpconstructie waardoor de vijver vertraagd kan afvoeren en de extra berging binnen 60 uur afgevoerd is. Het oppervlak van de vijver is 970 m2 . Een tijdelijke stijging van 0,38 m bergt de totale wateropgave van het plan. Het huidige peil van de vijver is -3,15 m NAP en het nieuwe peil wordt in dit geval -3,6 m NAP.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Variant 2: Al het water wordt geborgen op het eigen terrein en er dienen geen aanpassingen aan de vijver gemaakt te worden. Dit betekent dat 367 m3 in bergingsvoorzieningen dient te worden opgevangen. Indien gekozen wordt voor bergingskratten met een capaciteit van 100 l/m2 (twee standaard kratten boven elkaar) dient 3.670 m2 aan bergingskratten te worden aangelegd. De kratten worden rond de nieuwe bebouwing aangelegd en verbonden met de HWA aan de Van Veenweg, of met de watergang aan de oostzijde van de ontwikkeling. Hierbij is het van belang dat de kratten zo worden aangelegd dat ze binnen 60 uur geleegd zijn. Variant 3: Deze variant is een combinatie tussen 1 en 2. De vijver wordt niet aangepast, er wordt gebruik gemaakt van de huidige ruimte in het systeem (0,20 m), en de bestaande connectie met het watersysteem blijft gelijk en wordt eventueel gedeeltelijk uitgebreid. Hierdoor kan m3 in de vijver geborgen worden. De overige 173 m3 wordt op het terrein van de ontwikkeling geborgen in bergingskratten. Dat resulteert in een oppervlak van 1.730 m2. Deze kratten bevinden zich rondom de nieuwe gebouwen. De waterberging in de openbare ruimte/privéterrein kan ook op andere manieren worden gerealiseerd.
Doordat de grondwaterstand niet voldoende diep is en de ondergrond mogelijk slecht waterdoorlatend is, zijn voornamelijk bergingsmaatregelen toepasbaar, zoals: oppervlakkige waterberging in de groen- of speelvoorziening (wadi), of waterberging in de wegfundatie (bijv. PlasticRoad© en Aquaflow©). Hier dient in het toekomstige waterhuishoudkundige ontwerp in voorzien te worden. De bergingsvoorzieningen dienen te voldoen aan verschillende eisen om te gelden als officiële waterberging. Zo moet de voorziening zijn voorzien van een noodoverloop, binnen de gestelde leeglooptijd weer beschikbaar zijn, goed onderhouden worden en geschikt zijn voor de plaatselijke omstandigheden (grondwater en bodemdoorlatendheid). 5.6 Afvoer hemel- en vuilwater Om de afvoer van hemelwater en vuilwater in de nieuwe situatie goed te laten aansluiten op de omgeving is contact opgenomen met de gemeente. 5.7 Hemelwaterafvoer Als het water oppervlakkig wordt geborgen, zal het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig afstromen naar de bergende voorziening. Hierbij moet rekening gehouden worden met de hoogteligging van het plangebied t.o.v. de vijver. De waterberging dient voorzien te zijn van een noodoverloop naar het oppervlaktewater. De noodoverloop op het oppervlaktewater dient te worden afgestemd met het waterschap.
5.8 Vuilwaterafvoer Binnen het plangebied wordt het vuilwater vanuit de woningen aangesloten op een nieuw aan te leggen vuilwaterriool. Voor alle de woningen in de appartementen geldt het uitgangspunt van 2,5 inwoners (vervuilingseenheden) per woning. Voor de studio’s geldt 1 inwoner (vervuilingseenheid) per woning. De vervuilingseenheden van het vuilwater in de nieuwe situatie bedraagt daarmee 227 vervuilingseenheden. Het vuilwater wordt bij voorkeur aangesloten op de DWA bij de Carel Willinkstraat, maar kan eventueel ook op het gemengde stelstel bij de Van Veenweg of de Johan Vermeerstraat aansluiten. 5.9 Grondwater en ontwerphoogten Bij nieuwe ontwikkelingen dient geen negatieve invloed te ontstaan op zowel de grondwaterstand als de grondwaterkwaliteit. 5.10 Ontwerphoogten Op basis van de beschikbare gegevens is het niet mogelijk om exact te bepalen of voldoende drooglegging en ontwateringsdiepte behaald wordt in het plangebied. Het is hierbij belangrijk dat een voldoende hoog bouwpeil gehanteerd wordt. Grondwaterstandsmetingen van binnen het plangebied ontbreken, waardoor het
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
grondwaterregime binnen het plangebied kan afwijken van de beschikbare gegevens. Om met meer zekerheid te kunnen bepalen welke minimale bouwpeilen in het plangebied gehanteerd moeten worden (zonder toepassing van drainage), is aanvullende informatie over het grondwaterstandsregime nodig. Met het bouwpeil op ca. -2,00 m NAP wordt een verschil van 30 cm tussen de as van het aanliggende straatpeil behaald wat de kans op waterschade bij water-op-straat vermindert. In Figuur 5-2 is de hydrologische situatie voor de beoogde ontwikkeling weergegeven. Maaiveld: -2,2 m NAP Streefpeil: -3,6 m NAP
GHG: -3,2 m NAP 1,4 m GLG: >-4 m NAP
Figuur 5-2: Schematische weergave hydrologische situatie. Hierbij is gekeken naar het geldende streefpeil, en niet het huidige peil van de vijver.
5.11 Infiltratie van hemelwater De infiltratiecapaciteit van de ondergrondse waterberging wordt bepaald door de bodemeigenschappen en de grondwaterstand. Aangezien er onzekerheid bestaat over de ondergrond, het wel of niet aanwezig zijn van klei in de bovenste lagen, is de mogelijkheid van infiltratie onzeker. Uitgaande van een bodem bestaande uit klei én een GHG van -3,2 m NAP maakt de infiltratiemogelijkheden gering. Om dit met meer zekerheid te kunnen stellen zijn aanvullende bodemdoorlatendheidsmetingen en grondwaterstandsgegevens van het plangebied nodig. Infiltratie in het plangebied zou mogelijk gemaakt kunnen worden door lokale bodemverbetering toe te passen, zodat wordt aangesloten op de goed doorlatende ondergrond. Indien in de toekomstige situatie meer water wordt geïnfiltreerd dan in de bestaande situatie dan kunnen hogere grondwaterstanden optreden. Indien niet voldoende ontwateringsdiepte gerealiseerd kan worden door op een voldoende hoog niveau te bouwen, dan is het nog mogelijk om een drainagesysteem aan te leggen, maar dit heeft niet de voorkeur. 5.12 Omgevingskwaliteit Water kan van directe invloed zijn op de omgevingskwaliteit. In deze paragraaf wordt de invloed van het waterbeheer op een aantal watergevoelige aspecten kwalitatief beschreven.
5.12.1 Waterkwaliteit en ecologie In het ontwerp van het plan dient met een aantal zaken rekening te worden gehouden om de waterkwaliteit en ecologie niet negatief te beïnvloeden en waar dit mogelijk is te verbeteren. • Neem de ecologische waarde mee in het ontwerp van een watergang, wadi, etc. Door aandacht te hebben voor de ecologische waarde kan deze gemakkelijk worden vergroot. • Wanneer regenwater oppervlakkig wordt afgevoerd dient rekening te worden gehouden met mogelijke vervuiling afkomstig van verharde oppervlakken die in de primaire watergang kunnen komen. • Voor de nieuwbouw is een zorgvuldige materiaalkeuze van belang. Vermijd het toepassen van uitlogende (bouw)materialen (o.a. zink of koper). Bij gebruik van uitlogende materialen mag het dakwater niet direct op de sloten zijn aangesloten. 5.12.2 Bodemdaling Het bodemtype in het plangebied is niet gevoelig voor bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsveranderingen.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
5.12.3 Hittestress Het plangebied lijkt licht gevoelig te zijn voor toekomstige hittestress door klimaatverandering. In het plangebied is enige schaduwwerking door bomen of hoge gebouwen en niet veel stromend oppervlaktewater aanwezig die hittestress kunnen beperken. Bij de inrichting kan rekening gehouden worden met het beperken van hittestress door deze elementen meer toe te voegen. 5.13 Waterkwaliteit en ecologie Bij het inrichten van de watergang(en) en waterberging(en) is het van belang om tevens over het beheer en onderhoud na te denken. Dit is van belang om ook in de toekomst te garanderen dat het watersysteem naar behoren blijft functioneren, dat er geen waterproblemen ontstaan en dat onderhoud eenvoudig en tegen beheersbare kosten kan plaatsvinden. De verantwoordelijkheid voor het beheer en onderhoud van de DWA en HWA in de openbare ruimte ligt bij de gemeente Dijk en Waard en op particulier terrein ligt dit bij de perceeleigenaar. De gemeente is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de infiltratievoorzieningen in de openbare ruimte. Het onderhoud van Bwatergangen ligt bij de aangrenzende perceeleigenaren (beiden de helft van de watergang). 5.14 Vergunningen Er worden geen werkzaamheden verricht in de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen.
Het afvoeren van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak, nieuwe lozingen van afgekoppelde verharding en het aanleggen van waterbergingen zijn vergunningsplichtig conform de Keur en regels van het waterschap. Het belangrijkste toetsingscriterium bij het aanvragen van een vergunning voor nieuwe lozingen is dat er een bergingscapaciteit wordt gerealiseerd van 70 mm per m2 verhard oppervlak. In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig. Voor het aansluiten van nieuwe woningen op het rioolstelsel dient contact opgenomen te worden met de gemeente, zodat dit goed is afgestemd. .
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
6
Conclusie en aanbevelingen
De beoogde ontwikkeling omvat meerdere ruimtelijke aanpassingen in het plangebied, waaronder het realiseren van woningen en extra verharding. Deze ontwikkeling heeft enkele potentieel negatieve effecten voor het watersysteem, waar maatregelen voor genomen moeten worden. Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste conclusies en aandachtspunten: •
•
•
• •
Voor het verharde oppervlak dient waterberging t.b.v. een vertraagde afvoer richting het oppervlaktewater te worden gerealiseerd. In het huidige ontwerp is sprake van een verhard oppervlak van 5.241 m2. De beleidsuitgangspunten van de gemeente zijn hiervoor maatgevend met 70 mm per m2 afgekoppeld verhard oppervlak. De waterbergingsopgave bedraagt daardoor 367 m3. In deze watertoets is rekening gehouden met 3 varianten voor de waterberging: 1. Alles in de vijver. Hiervoor dient de vijver te worden aangepast (maatregelen afhankelijk van inmeting vijver) en een verbinding met het watersysteem gemaakt te worden. 2. Alles binnen het plangebied. Hiervoor dienen bergingsvoorzieningen te worden aangelegd en dienen deze te worden verbonden met het watersysteem. 3. Een combinatie tussen bovenstaande varianten. Er worden geen aanpassingen gedaan aan de vijver, de bestaande ruimte in het systeem wordt gebruikt en de overige berging vindt plaats op het terrein van de ontwikkeling. Gebaseerd op de beschikbare gegevens lijken de gebouwen voldoende hoog gebouwd te worden om de gewenste ontwateringsdiepte te behalen en (grond)wateroverlast te voorkomen. Om de lokale grondwaterstanden in het plangebied beter inzichtelijk te maken kunnen aanvullende grondwaterstandmetingen en doorlatendheidsmetingen in het plangebied uit te voeren.
Deze kunnen gebruikt worden in de verdere onderbouwing en uitwerking van de ruimtelijke aanpassingen. De exacte locatie van de vuilwaterafvoer is nog onbekend. Voorgesteld wordt om deze aan te sluiten op de DWA bij de Carel Willinkstraat. Dit zal in een volgende fase verder moeten worden onderzocht en bepaald in overleg met de gemeente. Voor verschillende onderdelen is een watervergunning nodig. Het gaat hier om: lozing van hemelwater op oppervlaktewater, het aanleggen van een waterberging,
Na het indienen van de omgevingsvergunning levert de initiatiefnemer een technisch uitgewerkt ontwerp aan waaruit is op te maken hoe de ontwikkeling haar totale bergings- en vertragingsopgave definitief invult, op welke wijze het water vanaf de verharde oppervlakken in de waterberging terecht komt en hoe deze in verband met de afvoer in verbinding komt te staan met het omringende watersysteem. Dit dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan waterschap HHNK en de gemeente Dijk en Waard.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Bijlage 1 Rioleringstekening
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Figuur 3: Uitsnede tekening huidige rioleringssysteem gemeente Dijk en Waard en de ligging dient slechts ter indicatie. In de tekening zijn de verschillende systemen aangegeven met een kleur. Blauw staat voor de HWA, rood voor de DWA, roze voor een gemengd stelsel, bruin drainage en groen zijn persleidingen.
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
datum referentie
5 juli 2022 214231_AdB_RAP_0001_v1.0
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 Heerhugow aard 21-2384-R01AvH
COLOFON
Opdrachtgever
Buro SRO ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Locatie
Van Veenweg 15 te Heerhugowaard
Type onderzoek
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740
Rapportnummer
21-2384-R01AvH
Datum rapport
15 februari 2022
Auteur
Dhr. A.J. van Houwelingen Projectleider Bodem
Kwaliteitscontrole
Mevr. M. Penders Projectleider Bodem
Inventerra Nijverheidsweg 34 3341 LJ Hendrik-Ido-Ambacht (078) 682 24 55 info@inventerra.nl
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 te Heerhugowaard 21-2384-R01AvH
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING .......................................................................................................................... 1
2.
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725 .............................................................. 2 2.1 2.2 2.3
3.
OPZET, UITVOERING EN RESULTATEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK NEN 5740 .......... 5 3.1 3.2 3.3
4.
Algemeen ....................................................................................................................... 2 Verzamelde informatie vooronderzoek ............................................................................... 2 Hypothese ...................................................................................................................... 3
Onderzoeksopzet ............................................................................................................ 5 Uitvoering veldwerk ......................................................................................................... 5 Uitvoering chemisch-analytisch onderzoek ......................................................................... 6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................................... 8
BIJLAGEN 1.
2. 3. 4. 5. 6.
Weergave onderzoekslocatie 1.1 Omgevingskaart en kadastrale gegevens 1.2 Situatietekening(en) 1.3 Foto’s Boorprofielen Analysecertificaten Toetsingskader Resultaten vooronderzoek Kwaliteitsaspecten van het onderzoek
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 te Heerhugowaard 21-2384-R01AvH
1. INLEIDING
In opdracht van Buro SRO heeft Inventerra in januari 2022 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 verricht op de locatie aan de Van Veenweg 15 te Heerhugowaard. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Het doel van het uitvoeren van dit bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige en toekomstige gebruik. Onderhavig onderzoek is uitgevoerd conform de werkwijze volgens de NEN 5725:2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek). Kwaliteit Inventerra is door Normec Certification gecertificeerd voor de BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018 (certificaatnummer EC-SIK-20241) en de BRL SIKB 6000, protocol 6001 en 6002 (certificaatnummer ECSIK-60009) en is tevens door TÜV Nederland gecertificeerd voor de algemene kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001.
De genoemde beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is onderdeel van een certificatiesysteem voor het gehele proces van veldwerk bij milieuhygiënisch onderzoek, inclusief alle secundaire processen, dat begint bij de acceptatie van het veldwerk en dat eindigt bij de overdracht van veldgegevens en monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkrapportage, aan de opdrachtgever. Op dit bodemonderzoek zijn de volgende protocollen, behorende bij de BRL SIKB 2000, van toepassing: 2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van
☒ ☒ ☐
grondmonsters en waterpassen. 2002 – Het nemen van watermonsters. 2018 – Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem.
De beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is niet van toepassing op: • de processen vóór het veldwerk, zoals vraagstelling, gegevens verzamelen en onderzoeksvoorstel; • de processen ná het veldwerk, zoals laboratoriumanalyses, interpretatie van analyse- en veldwerkresultaten en advies; • veldwerk anders dan middels de technieken boringen, steken en graven van sleuven, inclusief alle veldwerk dat volgt op deze technieken zoals plaatsen van peilbuizen of bemonsteren van peilbuizen; • de monsterneming in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Inventerra verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of de onderhavige onderzoekslocatie en verklaart daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in Kwalibo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer).
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 te Heerhugowaard 21-2384-R01AvH
pag. 1 van 8
2. MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725
2.1
Algemeen
Om inzicht te krijgen over de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek. De aanleiding voor het navolgend beschreven vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A uit de NEN 5725:2017). Ten behoeve hiervan dient in ieder geval informatie te worden verzameld over: • Bodemopbouw en geohydrologie, inclusief informatie over de verwachte aan- of afwezigheid van antropogene lagen in de bodem; • Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart, reeds uitgevoerde bodemonderzoeken en of mogelijk sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging; • Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situaties, asbest, activiteiten en/of ongewone voorvallen, op basis van het voormalige en huidige gebruik.
Voor het verzamelen van de benodigde informatie kunnen meerdere informatiebronnen worden geraadpleegd, zoals: • Informatie/interview(s) eigenaar en/of opdrachtgever • Archieven gemeente, omgevingsdienst en/of provincie • Online bronnen zoals bodemloket.nl en topotijdreis.nl • Bodemkwaliteitskaarten • Topografische kaarten • Geohydrologische kaarten Verder dient een terreinverkenning te worden uitgevoerd. Deze kan eventueel meteen voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk worden uitgevoerd. Vermeld dient te worden dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten van onderhavig onderzoek wordt beperkt tot de aan deze resultaten ten grondslag liggende en op het moment van onderzoek ter beschikking staande gegevens, alsmede de bij de terreininspectie(s) ter plaatse van de onderzoekslocatie geconstateerde situatie. 2.2
Verzamelde informatie vooronderzoek
In de navolgende tabel is de tijdens het vooronderzoek verzamelde relevante informatie weergegeven. Tabel 1 Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek
Gegevens onderzoekslocatie Adres
Van Veenweg 15 te Heerhugowaard
Kadaster
Heerhugowaard, sectie G, nr. 1437 en 1441 (ged.)
XY-coördinaten
X: 118.800
Begrenzing onderzoekslocatie
De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 14.000 m².
Huidig gebruik
Braakliggend met enkele vijvers
Y: 520.550
Toekomstig gebruik
Gepland is de nieuwbouw van zorgwoningen.
Omgeving
De locatie wordt omringd door openbare wegen, woningen met tuin en een schoolgebouw. Zuidelijk bevindt zich de Van Veenweg.
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 te Heerhugowaard 21-2384-R01AvH
pag. 2 van 8
Vervolg tabel 1
Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek
Overige informatie vooronderzoek Informatie eigenaar / opdrachtgever
Op de locatie is in 2021 tot begin januari 2022 de bebouwing van een voormalig woonzorgcentrum “Hugo Oord” gesloopt en is het slooppuin (na breken op de locatie) afgevoerd. De ontstane bouwputten zijn aangevuld met schone grond.
Terreinverkenning
• •
Tijdens de uitvoering van het veldwerk was de locatie braakliggend met enkele vijvers. Bij de terreininspectie is aandacht besteed aan het voorkomen van verdachte punten, zoals brandplaatsen, terreinophogingen of verzakkingen, aanwezigheid van puin op de bodem en de aanwezigheid van asbestverdachte bouw- en/of verhardingsmaterialen. Voornoemde aspecten zijn niet waargenomen.
Kaartmateriaal
Topotijdreis: Tot 1949 was sprake van een aaneengesloten weidegebied. Op kaarten uit de periode 1950 – 1970 zijn sloten zichtbaar ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie. Vanaf 1971 is het bejaardentehuis zichtbaar. Voor zover te herleiden zijn er geen kassen of boomgaarden aanwezig geweest op de onderzoekslocatie.
Omgevingsdienst NoordHolland Noord
Bij de Omgevingsdienst is geen informatie beschikbaar over de aanwezigheid van (voormalige) ondergrondse tanks. Op de locatie is een verkennend bodemonderzoek en verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd door KWINFRA milieu B.V. (rapport 11098-rapp1, d.d. 29 juli 2011). Dit onderzoek is gecombineerd met een onderzoek aan het Gerard Douplantsoen 1 t/m 148. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van onderhavige locatie lichte verontreinigingen met PAK in grond zijn aangetoond. In het grondwater was sprake van licht verhoogde concentraties barium. De kwaliteit van de waterbodem van de vijvers was dusdanig dat verspreiding op de kant tot de mogelijkheden behoorde. Op het terrein aan het Gerard Douplantsoen zijn nog meer onderzoeken en is een bodemsanering uitgevoerd. Dit is echter op een afstand van meer den 25 meter en derhalve niet relevant voor onderhavig onderzoek.
Bodemloket.nl
Geen aanvullende informatie
Bodemkwaliteitskaart
Voor de locatie geldt dat de ontgravingskwaliteit van zowel de bovengrond als ondergrond is geclassificeerd als “Landbouw/natuur”.
Geohydrologie (DinoLoket en Grondwaterkaarten TNO)
De holocene deklaag bestaat uit zandige, kleiige en/of venige afzettingen: tot ca. 22 mmv. Het onderliggende watervoerend pakket strekt zich uit tot een diepte van meer dan 200 meter. De stromingsrichting van het freatisch grondwater wordt beïnvloed door lokale factoren.
In bijlage 1 zijn de kadastrale informatie, foto’s, gemaakt tijdens de terreininspectie, en de situatietekening bijgevoegd. In bijlage 5 zijn relevante gegevens van het vooronderzoek opgenomen. Het rapport van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek kan op verzoek worden toegezonden.
2.3
Hypothese
Ten behoeve van het opstellen van de onderzoekshypothese(s) dienen de volgende onderzoeksvragen te worden beantwoord: Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie? De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven op de situatietekening in bijlage 1. Is sprake van bodemvreemde lagen en waar bevinden deze zich? Er is op grond van het vooronderzoek geen aanleiding om te verwachten dat sprake is van bodemvreemde lagen. Is de bodem asbestverdacht? Omdat op grond van het vooronderzoek geen bodemvreemde lagen worden verwacht, is de bodem vooralsnog onverdacht voor asbest.
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 te Heerhugowaard 21-2384-R01AvH
pag. 3 van 8
Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij te onderscheiden? Voor de locatie geldt dat de ontgravingskwaliteit van zowel de bovengrond als ondergrond is geclassificeerd als “Landbouw/natuur”. Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Er wordt niet verwacht dat eventuele activiteiten op de omliggende percelen de bodemkwaliteit op het onderzoeksterrein negatief hebben beïnvloed. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Op grond van de resultaten van het in 2011 uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is de bodemkwaliteit voldoende vastgelegd, maar gezien de ouderdom van het onderzoek is actualisatie nodig. Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Op grond van de verzamelde informatie wordt niet verwacht dat sprake is van een ernstige bodemverontreiniging op de locatie. Op basis van het eerder uitgevoerde onderzoek worden in de grond lichte verontreinigingen met PAK verwacht. Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? Ter plaatse van (het overige deel van) de onderzoekslocatie zijn geen potentiële bronnen van bodemverontreiniging bekend.
Wel is sprake van een drietal gedempte sloten. Er wordt echter verwacht dat deze zijn gedempt met gebiedseigen of schone grond. Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek? Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit wordt er (vanwege de eerder aangetoonde lichte verontreinigingen) vanuit gegaan dat sprake is van een diffuse bodembelasting en is de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL, NEN 5740) van toepassing. Ter verificatie of de slootdempingen zijn uitgevoerd met gebiedseigen of schone grond worden ter plaatse van de tracés gericht boringen geplaatst, die worden doorgezet tot een diepte van 2 m-mv.
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 te Heerhugowaard 21-2384-R01AvH
pag. 4 van 8
3. OPZET, UITVOERING EN RESULTATEN VERKENNEND BODEMONDERZOEK NEN 5740
3.1
Onderzoeksopzet
Op basis van de in het vorige hoofdstuk geformuleerde hypothese en onderzoeksstrategie is de minimaal benodigde onderzoeksinspanning bepaald. In onderstaande tabel is aangegeven welke werkzaamheden en analyses volgens de NEN 5740 worden verricht. Tabel 2 Veldwerkzaamheden en analyses Locatie
Strategie
Oppervlakte ca. 14.000 m2
VED-HE-NL
Verklaring tabel: m-mv: meter-maaiveld * : NENG :
NENW :
Veldwerk
Analyses
boringen
peilbuizen
bg/vd
og
gw
22x 0,5 m-vd 5x 2,0 m-mv*
2x
5x NENG
2x NENG
2x NENW
bg: bovengrond
vd: verdachte laag
og: ondergrond
gw: grondwater
deze worden gericht geplaatst in het tracé van de voormalige sloten standaard pakket grond (droge stofgehalte, organisch stof- en lutumgehalte, 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM), polychloorbifenylen (PCB), minerale olie) standaard pakket grondwater (9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCl, 11 stuks), minerale olie)
Het onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in en op de bodem beperkt zich tot het doen van waarnemingen tijdens de terreininspectie en tijdens het boren. Dit asbestonderzoek is indicatief. Specifiek onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond en/of puin, conform de NEN 5707/5897, maakt geen onderdeel uit van dit bodemonderzoek. 3.2
Uitvoering veldwerk
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen 2001 en 2002. De veldwerkzaamheden in het kader van protocol 2001 en 2002 zijn uitbesteed aan Ground Research B.V. te Wormerveer. De uitvoerend veldmedewerkers van Ground Research B.V., dhr. J. Kipp (protocol 2001) en dhr. D. Koopman (protocol 2002), zijn in dit kader geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving onder certificaatnr. K41104/10. Op 20 januari 2022 zijn in totaal 29 boringen (boringen 101 t/m 129) geplaatst, in diepte variërend van 0,5 – 3,0 m-mv. De boringen 110 en 119 zijn afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. De situering van de boringen en de peilbuizen en enkele overzichtsfoto’s zijn weergegeven in bijlage 1.2 en 1.3. Het omhoog gebrachte bodemmateriaal is ter plaatse zintuiglijk beoordeeld, de vrijgekomen grond is geclassificeerd en bodemvreemde elementen en waarneembare afwijkingen (zoals kleur, geur, bijmengingen, verontreinigingen) zijn beschreven in boorprofielen, welke in bijlage 2 zijn bijgevoegd. Bij iedere boring zijn monsters genomen van de te onderscheiden bodemlagen. De bodem op de locatie bestaat uit zand tot de maximale boordiepte. Er zijn geen zintuiglijke waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Het grondwater bevond zich tijdens het veldwerk op een diepte van 1,2 à 1,5 m-mv.
In en op de bodem is geen asbestverdacht (plaat)materiaal waargenomen; onder asbestverdacht (plaat)materiaal wordt materiaal verstaan dat op basis van voorkennis en/of een visuele beoordeling een hoeveelheid asbest zou kunnen bevatten.
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 te Heerhugowaard 21-2384-R01AvH
pag. 5 van 8
Het grondwater uit de geplaatste peilbuizen is op 27 januari 2022 door dhr. D. Koopman van Ground Research B.V., zorgvuldig afgepompt en bemonsterd. De resultaten van de veldmetingen en eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 3 Resultaten veldmetingen en waarnemingen tijdens monstername grondwater Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH
EGV (µS/cm)
Troebelheid (NTU)*
Bijzonderheden
110
2,00 - 3,00
1,16
7,1
980
9,8
-
119
2,00 - 3,00
1,17
6,9
940
9,6
-
Peilbuis
Verklaring tabel: pH: zuurgraad EGV: elektrisch geleidend vermogen *: Bij een NTU >10 dient het grondwater als troebel te worden beschouwd
Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kritieke afwijkingen van de proceseisen opgetreden. 3.3
Uitvoering chemisch-analytisch onderzoek
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de geanalyseerde grond- en grondwatermonsters en de uitgevoerde analyses. De analyseresultaten zijn getoetst aan het vigerende bodembeleid en zijn eveneens weergegeven in de tabel. Daarbij zijn alleen de parameters vermeld die verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrond- c.q. streefwaarde(n). De analysecertificaten zijn bijgevoegd in bijlage 3. In bijlage 4 is het wettelijk toetsingskader beschreven en is de uitgebreide toetsing van de analyseresultaten bijgevoegd. Tabel 4 Overzicht grond- en grondwatermonsters en analyseresultaten Grond
Boring met traject
Analyse
Toelichting
> AW
> T
> I
MM1
101 (0,00 - 0,50) 102 (0,00 - 0,50) 104 (0,00 - 0,50) 106 (0,00 - 0,50)
NENG
Zandige bovengrond
-
-
-
MM2
107 (0,00 - 0,50) 108 (0,00 - 0,50) 112 (0,00 - 0,50) 113 (0,00 - 0,50)
NENG
Zandige bovengrond
-
-
-
MM3
105 (0,00 - 0,50) 117 (0,00 - 0,50) 118 (0,00 - 0,50) 119 (0,00 - 0,50)
NENG
Zandige bovengrond
-
-
-
MM4
114 (0,00 - 0,50) 122 (0,00 - 0,50) 123 (0,00 - 0,50) 126 (0,00 - 0,50)
NENG
Zandige bovengrond
PAK (-)
-
-
MM5
121 (0,00 - 0,50) 125 (0,00 - 0,50) 127 (0,00 - 0,50) 128 (0,00 - 0,50)
NENG
Zandige bovengrond
-
-
-
MM6
103 (1,00 - 1,50) 103 (1,50 - 2,00) 110 (1,00 - 1,50) 110 (1,50 - 2,00) 111 (0,70 - 1,10) 111 (1,10 - 1,60)
NENG
Zandige ondergrond, ter plaatse van dempingen
-
-
MM7
105 (1,00 - 1,50) 115 (0,50 - 1,00) 115 (1,00 - 1,50) 119 (1,00 - 1,50) 129 (0,50 - 1,00) 129 (1,00 - 1,50)
NENG
Zandige ondergrond, ter plaatse van dempingen
-
-
(m-mv)
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 te Heerhugowaard 21-2384-R01AvH
pag. 6 van 8
Vervolg tabel 4
Overzicht grond- en grondwatermonsters en analyseresultaten
Grondwater
Filterstelling ( m-mv)
Analyse
Toelichting
> S
> T
> I
110-1-1
2,00 - 3,00
NENW
-
-
-
-
119-1-1
2,00 - 3,00
NENW
-
-
-
-
Verklaring tabel: NENG : 9 zware metalen, PAK, PCB, minerale olie, droge stofgehalte, organisch stof- en lutumgehalte NENW : 9 zware metalen, vluchtige aromatische en gehalogeneerde koolwaterstoffen, minerale olie > AW : overschrijding achtergrondwaarde(n) > S : overschrijding streefwaarde(n) > T : overschrijding voormalige tussenwaarde(n) >I : overschrijding interventiewaarde(n) : geen overschrijding (getal) : verontreinigingsfactor t.o.v. de interventiewaarde (interventiewaarde is factor 1) (-) : verontreinigingsfactor is kleiner dan 0,01
Verkennend bodemonderzoek Van Veenweg 15 te Heerhugowaard 21-2384-R01AvH
pag. 7 van 8
4. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In opdracht van Buro SRO heeft Inventerra in januari 2022 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 verricht op de locatie aan de Van Veenweg 15 te Heerhugowaard. De onderzoekslocatie, met een oppervlakte van circa 14.000 m2, is braakliggend met enkele vijvers. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Het doel van het uitvoeren van dit bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige en toekomstige gebruik. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor een diffuse bodemverontreiniging met PAK. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • In mengmonster MM4 van de zintuiglijk onverdachte bovengrond is een lichte verontreiniging met PAK aangetoond. In de overige mengmonsters van de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. • De zintuiglijk onverdachte ondergrond op de locatie (0,5 – 1,5 m-mv) is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. • In het grondwater op de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) bevestigd, vanwege het aangetoonde licht verhoogde gehalte PAK in mengmonster MM4 van de bovengrond. Het aangetoonde verhoogde gehalte is echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Dit onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter géén partijkeuring. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van beperkingen in de hergebruiksmogelijkheden en/of van verwerkingskosten. Ook kan door derden, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden en/of een onderzoek naar PFAS. Bij graafwerkzaamheden in de grond dient rekening gehouden te worden met eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400. Voor verdere informatie hierover kunt u zich tot Inventerra wenden. Het bodemonderzoek heeft over het algemeen een geldigheid van 2 tot 5 jaar.