Bijlage 5. Was-wordt-tabel Algemene plaatselijke verordening Dijk en Waard 2022
Tekst van het document
Apv Dijk en Waard 2022 Leeswijzer: In de bestaande tekst zijn de woorden en leestekens die niet terugkeren in de nieuwe tekst, cursief gezet. In de nieuwe tekst zijn de nieuwe woorden en leestekens ten opzichte van de bestaande tekst vet gedrukt.
Apv Dijk en Waard 2022 huidig
Apv Dijk en Waard 2022 nieuwe versie
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; c. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage horend bij artikel 1.1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard; d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; e. college: het college van burgemeester en wethouders; f. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Omgevingswet;
g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; j. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; l. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.
In afwijking van lid 1 beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 van deze verordening: a. voor een B-evenement binnen 19 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag; b. voor een C-evenement binnen 25 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
c.
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; e. college: het college van burgemeester en wethouders; f. gebouw: een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; i. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; l. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting
Conform model-Apv van de VNG. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is vervangen door de Omgevingswet. Conform model-Apv van de VNG.
Deze definitie sluit aan bij de in de Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard gehanteerde definitie.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van lid 1 beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 van deze verordening: a. voor een B-evenement binnen 19 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag; b. voor een C-evenement binnen 25 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 1
4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Nieuw artikellid conform model-Apv van de VNG. De Omgevingswet bevat een uitputtende regeling over de voorschriften en beperkingen bij een omgevingsvergunning.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Nieuw artikellid conform model-Apv van de VNG. De Omgevingswet bevat een uitputtende regeling over het persoonlijk karakter van de omgevingsvergunning.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.
b.
c. d. e.
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder dit verzoekt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaatsen 1. Het is verboden een openbare plaats, waaronder de weg of een weggedeelte, anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, de bruikbaarheid van de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als
Nieuw artikellid conform model-Apv van de VNG. De Omgevingswet bevat een uitputtende regeling over de beslistermijn bij een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaatsen 1. Het is verboden een openbare plaats, waaronder de weg of een weggedeelte, anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, de bruikbaarheid van de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als
Nieuw artikellid conform model-Apv van de VNG. De Omgevingswet bevat een uitputtende regeling over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning.
De Wabo is in verband met de komst van de Omgevingswet ingetrokken.
2
bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5. a. b. c.
Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de openbare plaats is verleend. 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening NoordHolland.
5. a. b. c. 6.
bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de intrekking van de Omgevingswet. Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de openbare plaats is verleend. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Noord-Holland.
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 2:25A Vergunningsvrije evenementen 1. Geen vergunning is vereist voor een evenement, als a. het aantal tegelijkertijd aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen; b. het gaat om een ééndaags evenement; c. het evenement, inclusief op- en afbouw, plaatsvindt tussen 07:00 – 24:00, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een officiële feestdag tussen 07:00 – 01:00 uur en zondag tussen 13:00 – 24:00 uur; d. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor aanvangstijd van het evenement en een half uur voor beëindiging van het evenement de muziek en verkoop van dranken en etenswaren wordt gestaakt; e. geen alcoholhoudende drank wordt verkocht;
Artikel 2:25A Vergunningsvrije evenementen 1. Geen vergunning is vereist voor een evenement, als a. het aantal tegelijkertijd aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen; b. het gaat om een ééndaags evenement; c. het evenement, inclusief op- en afbouw, plaatsvindt tussen 07:00 – 24:00, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een officiële feestdag tussen 07:00 – 01:00 uur en zondag tussen 13:00 – 24:00 uur; d. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor aanvangstijd van het evenement en een half uur voor beëindiging van het evenement de muziek en verkoop van dranken en etenswaren wordt gestaakt; e. geen alcoholhoudende drank wordt verkocht; en
f.
er geen standplaats in gebruik wordt genomen; en
g. er een organisator is; 2. Onverminderd het bepaalde in andere regelgeving is geen vergunning als bedoeld in artikel 2:25 eerste lid vereist voor een evenement dat uitsluitend plaatsvindt in een gebouw of een gedeelte daarvan, indien het aantal tegelijkertijd aanwezigen niet meer bedraagt dan 500 personen. 3. De vrijstelling van de vergunning geldt niet voor de op grond van artikel 2:24, tweede lid, onder f, door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. Artikel 2:25B Meldingsplichtige evenementen
f. er een organisator is. 2. Onverminderd het bepaalde in andere regelgeving is geen vergunning als bedoeld in artikel 2:25 eerste lid vereist voor een evenement dat uitsluitend plaatsvindt in een gebouw of een gedeelte daarvan, indien het aantal tegelijkertijd aanwezigen niet meer bedraagt dan 500 personen. 3. De vrijstelling van de vergunning geldt niet voor de op grond van artikel 2:24, tweede lid, onder f, door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
Conform model-Apv van de VNG. De Wet beheer rijkswaterstaatwerken is opgenomen in de Omgevingswet. De Wegenverordening Noord-Holland is opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Holland.
Conform model-Apv van de VNG.
Aanpassing in de opsomming vanwege de verwijdering van het onderstaande lid. Betreft het verwijderen van onderdeel f van het eerste lid van artikel 2:25A. De bepaling omtrent het niet (vergunningsvrij) in mogen nemen van een standplaats bij een evenement zorgt voor meer vergunningsplichtige evenementen. Dit terwijl deze evenementen in veel gevallen aan alle voorwaarden voor een vergunningsvrij of een meldingsplichtig evenement voldoen. Om de regeldruk te verlagen wordt voorgesteld om deze bepaling te laten vervallen. Hierdoor komen er meer situaties voor waarin evenementenorganisatoren van kleinere evenementen ofwel geen vergunning hoeven aan te vragen, of slechts een melding te hoeven doen voor het evenement. Vernummering.
Artikel 2:25B Meldingsplichtige evenementen 3
1. Geen vergunning als bedoeld in artikel 2:25 eerste lid maar een melding is vereist voor een evenement, als: a. het aantal tegelijkertijd aanwezigen meer bedraagt dan 250 en minder bedraagt dan 500 personen; b. het gaat om een ééndaags evenement; c. het evenement, inclusief op- en afbouw, plaatsvindt tussen 07:00 – 24:00 uur, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een officiële feestdag tussen 07:00 – 01:00 uur en zondag tussen 13:00 – 24:00 uur; d. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor aanvangstijd van het evenement en een half uur voor beëindiging van het evenement de muziek en verkoop van dranken en etenswaren wordt gestaakt; e. er geen standplaats in gebruik wordt genomen;
1. Geen vergunning als bedoeld in artikel 2:25 eerste lid maar een melding is vereist voor een evenement, als: a. het aantal tegelijkertijd aanwezigen meer bedraagt dan 250 en minder bedraagt dan 500 personen; b. het gaat om een ééndaags evenement; c. het evenement, inclusief op- en afbouw, plaatsvindt tussen 07:00 – 24:00 uur, vrijdag, zaterdag en dagen voorafgaand aan een officiële feestdag tussen 07:00 – 01:00 uur en zondag tussen 13:00 – 24:00 uur; d. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor aanvangstijd van het evenement en een half uur voor beëindiging van het evenement de muziek en verkoop van dranken en etenswaren wordt gestaakt;
f. er een organisator is; en g. de organisator van een evenement, uiterlijk vier weken voorafgaand aan het evenement, een melding ingediend heeft bij de burgemeester op het daarvoor vastgestelde formulier 2. De melder krijgt een bewijs van ontvangst toegezonden waarin de datum van ontvangst is gemeld. 3. De burgemeester kan binnen drie weken na ontvangst van de melding besluiten het evenement te verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt of indien op de Evenementenkalender als bedoeld in artikel 2:24A, eerste lid, al een reservering is opgenomen voor een ander evenement op dezelfde gevraagde tijd en locatie of in de nabijheid daarvan, dan wel daarvoor een vergunning is verleend of melding is geaccepteerd. 4. De burgemeester kan na een melding nadere voorwaarden stellen aan het evenement als deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen van gevaar voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. 5. Het is verboden in strijd te handelen met de nadere voorwaarden. 6. De vrijstelling van de vergunning en meldingsplicht geldt niet voor de op grond van artikel 2:24, tweede lid, onder f, door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
e. er een organisator is; en f. de organisator van een evenement, uiterlijk vier weken voorafgaand aan het evenement, een melding ingediend heeft bij de burgemeester op het daarvoor vastgestelde formulier. 2. De melder krijgt een bewijs van ontvangst toegezonden waarin de datum van ontvangst is gemeld. 3. De burgemeester kan binnen drie weken na ontvangst van de melding besluiten het evenement te verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt of indien op de Evenementenkalender als bedoeld in artikel 2:24A, eerste lid, al een reservering is opgenomen voor een ander evenement op dezelfde gevraagde tijd en locatie of in de nabijheid daarvan, dan wel daarvoor een vergunning is verleend of melding is geaccepteerd. 4. De burgemeester kan na een melding nadere voorwaarden stellen aan het evenement als deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen van gevaar voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. 5. Het is verboden in strijd te handelen met de nadere voorwaarden. 6. De vrijstelling van de vergunning en meldingsplicht geldt niet voor de op grond van artikel 2:24, tweede lid, onder f, door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, (dorps)café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, (dorps)café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
Betreft het verwijderen van onderdeel e van het eerste lid van artikel 2:25B. De bepaling omtrent het niet (vergunningsvrij) in mogen nemen van een standplaats bij een evenement zorgt voor meer vergunningsplichtige evenementen. Dit terwijl deze evenementen in veel gevallen aan alle voorwaarden voor een vergunningsvrij of een meldingsplichtig evenement voldoen. Om de regeldruk te verlagen wordt voorgesteld om deze bepaling te laten vervallen. Hierdoor komen er meer situaties voor waarin evenementenorganisatoren van kleinere evenementen ofwel geen vergunning hoeven aan te vragen, of slechts een melding te hoeven doen voor het evenement. Vernummering. Vernummering, toevoeging leesteken.
4
3. In deze afdeling wordt onder Heerhugowaard verstaan het grondgebied van de voormalige gemeente Heerhugowaard zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening. Onder Langedijk wordt verstaan het grondgebied van de voormalige gemeente Langedijk zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.
3. In deze afdeling wordt onder Heerhugowaard verstaan het grondgebied van de voormalige gemeente Heerhugowaard zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening. Onder Langedijk wordt verstaan het grondgebied van de voormalige gemeente Langedijk zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege, dan wel diens rechtsopvolger.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of – restaurant. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling. 6. Een vergunning wordt aangevraagd door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of – restaurant. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling. 6. Een vergunning wordt aangevraagd door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
Artikel 2.29 Sluitingstijd 1. Het is in Heerhugowaard verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben op maandag tot en met zondag tussen 04:00 uur en 06:00 uur. 2. Het is in Langedijk verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben op maandag tot en met zondag tussen 02:00 uur en 06:00 uur. 3. In afwijking van het tweede lid is het in Langedijk verboden een (dorps)café, discotheek, dancing of feestzaal voor bezoekers geopend te hebben op zaterdag en zondag tussen 04.00 en 06.00 uur. 4. Het is voor openbare inrichtingen verboden om tijdens de jaarwisseling voor bezoekers geopend te zijn tussen 05.00 en 06.00 uur. 5. Het is verboden een paracommerciële inrichting voor bezoekers geopend te hebben op maandag tot en met zondag tussen 01:00 uur en 06:00 uur. 6. Het is voor paracommerciële inrichtingen verboden om tijdens de jaarwisseling voor bezoekers geopend te zijn tussen 02.00 en 06.00 uur. 7. Het is voor openbare en paracommerciële inrichtingen verboden een terras geopend te hebben tussen 01.00 en 06.00 uur. 8. In afwijking van het zevende lid geldt voor terrassen bij openbare en paracommerciële inrichtingen in Langedijk een sluitingstijd van zondag tot en met donderdag tussen 23.00 en 06.00 uur.
Artikel 2.29 Sluitingstijd 1. Het is in Heerhugowaard verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben op maandag tot en met zondag tussen 04:00 uur en 06:00 uur. 2. Het is in Langedijk verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben op maandag tot en met zondag tussen 02:00 uur en 06:00 uur. 3. In afwijking van het tweede lid is het in Langedijk verboden een (dorps)café, discotheek, dancing of feestzaal voor bezoekers geopend te hebben op zaterdag en zondag tussen 04.00 en 06.00 uur. 4. Het is voor openbare inrichtingen verboden om tijdens de jaarwisseling voor bezoekers geopend te zijn tussen 05.00 en 06.00 uur. 5. Het is verboden een paracommerciële inrichting voor bezoekers geopend te hebben op maandag tot en met zondag tussen 01:00 uur en 06:00 uur. 6. Het is voor paracommerciële inrichtingen verboden om tijdens de jaarwisseling voor bezoekers geopend te zijn tussen 02.00 en 06.00 uur. 7. Het is voor openbare en paracommerciële inrichtingen verboden een terras geopend te hebben tussen 01.00 en 06.00 uur. 8. In afwijking van het zevende lid geldt voor terrassen bij openbare en paracommerciële inrichtingen in Langedijk een sluitingstijd van zondag tot en met donderdag tussen 23.00 en 06.00 uur.
Het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan en voorbereidingsbesluit zijn opgenomen in het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege. Ook wordt rekening gehouden met het feit dat dit omgevingsplan in ontwikkeling is, een rechtsopvolger van dit plan valt tevens onder de werking van dit artikel.
5
9. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede en achtste lid. 10. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 11. De burgemeester kan met een ontheffing of vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een openbare inrichting of paracommerciële inrichting. 12. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, derde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 13 Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 14. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede en achtste lid. 9. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 10. De burgemeester kan met een ontheffing of vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een openbare inrichting of paracommerciële inrichting. 11. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, derde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 12. Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 13. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de Speelautomatenhalverordening Dijk en Waard 2023. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
Artikel 2:39 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de Speelautomatenhalverordening Dijk en Waard 2023. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege, dan wel diens rechtsopvolger.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden; b. in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover: 1°. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; 2°. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of 3°. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5.6.4.1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan van rechtswege is bestemd of mede bestemd;
Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden; b. in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover: 1°. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; 2°. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of 3°. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5.6.4.1 van de Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege, dan wel diens rechtsopvolger, is bestemd of mede bestemd;
Conform model-Apv van de VNG. Dit deel van de Wet milieubeheer is
opgegaan in de Omgevingswet.
Het bestemmingsplan is opgegaan in het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege. Ook wordt rekening gehouden met het feit dat dit omgevingsplan in ontwikkeling is, een rechtsopvolger van dit plan valt tevens onder de werking van dit artikel.
Specificatie opdat duidelijk is dat het om de Verordening Fysieke Leefomgeving van Dijk en Waard gaat. Het omgevingsplan is vervangen door het specifiekere Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege. Ook wordt rekening gehouden met het feit dat dit omgevingsplan in ontwikkeling is, een rechtsopvolger van dit plan valt tevens onder de werking van dit artikel. 6
d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4.2.6.2 van de Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard zijn aangewezen. Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden om op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden om op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de intrekking van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; d. te voeren. 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:73a Carbid schieten 1. Carbid schieten is verboden. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien: a. gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van maximaal 50 liter; b. de vaten zijn afgesloten met zacht materiaal; c. het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen openbare wegen of paden liggen; d. het gebruik plaatsvindt op 31 december tussen 09.00 uur en 17.00. e. er wordt geschoten in een richting die is afgewend van de woonbebouwing; en. f. de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt is gelegen op een afstand van te minste:
Artikel 2:73a Carbid schieten 1. Carbid schieten is verboden. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien: a. gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van maximaal 50 liter; b. de vaten afgesloten zijn met zacht materiaal; c. het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen openbare wegen of paden liggen; d. het gebruik plaatsvindt op 31 december tussen 09.00 uur en 17.00 uur; e. er geschoten wordt in een richting die is afgewend van de woonbebouwing; en f. de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt gelegen is buiten de bebouwde kom en op een afstand van te minste:
I. 75 meter van de woonbebouwing; II. 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; en III. 300 meter voor inrichtingen waar dieren worden gehouden. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet Milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
I. 75 meter van de woonbebouwing; II. 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; en III. 300 meter voor inrichtingen waar dieren worden gehouden. 2. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.
Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.
Conform model-Apv van de VNG.
Conform model-Apv van de VNG.
Taalkundige aanpassing.
Taalkundige aanpassing. Taalkundige aanpassing. Aanpassing om te voorkomen dat men in de bebouwde kom carbid mag schieten.
Dit deel van de Wet milieubeheer is opgegaan in de Omgevingswet.
7
3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a.
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a.
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege, dan wel diens rechtsopvolger, of de Wet milieubeheer.
6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of
6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of
Het omgevingsplan is vervangen door het specifiekere Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege. Ook wordt rekening gehouden met het feit dat dit omgevingsplan in ontwikkeling is, een rechtsopvolger van dit plan valt tevens onder de werking van dit artikel.
8
activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven. 14.
De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin of daarop te verblijven. 14.
De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; 9
h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i. er een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt. j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd of een beheersverordening.
h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i. er een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt. j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal opleveren met het Omgevingsplan Dijk en Waard van rechtswege dan wel diens rechtsopvolger, of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan.
2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. 4.Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b.
als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven.
2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b.