CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Quickscan ecologie windenergie nabij de N504

Gemeenteraad 24 september 2024, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Herijking RES 2024 met toevoeging zoekgebied voor wind11.694 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN ECOLOGIE Windenergie zoekgebied nabij de N504

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 2-7-2024

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres:

Royal Haskoning DHV Mevr. M. Epema MSc. Contactweg 47 1014 AN Amsterdam

Tel: E-mail:

+316 57084682 marin.epema@rhdhv.com

Uitvoering: Adres: Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

ing. S. van Lieshout

Auteur:

ing. C.J. Aalbers S.W.A. Osinga

Kwaliteitscontrole:

ing. S. van Lieshout

Projectcode: Datum:

RHNA2401 2-7-2024

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is aangesloten brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus.

bij

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.

2

SAMENVATTING

In een samenwerking tussen de gemeente Dijk en Waard, Hoogheemraadschap Noord-Hollands Noorderkwartier en Recreatieschap Geestmerambacht wordt een verkenning uitgevoerd om windturbines te plaatsen in de omgeving van de N504. De initiatiefnemer is voornemens windmolens te plaatsen in het gebied. Het project is in de huidige situatie in een voorbereidende fase. In deze fase worden geschikte gebieden gezocht voor het plaatsen van windmolens. Derhalve zijn de exacte werkzaamheden nog niet bekend. Er is tevens nog niet bekend hoeveel windmolens er geplaatst dienen te worden en op welke locaties. Deze ingreep wordt gezien als een activiteit in de fysieke leefomgeving. Onderzocht is of deze ingreep in het kader van de Omgevingswet een flora- en fauna-activiteit betreft. Het effect van de werkzaamheden is echter nog onduidelijk en afhankelijk van nadere planvorming. Een nadere toetsing is na dit stadium noodzakelijk. Veel is afhankelijk van de locatie die op de grond gekozen wordt, daarnaast zijn de gondelhoogte en bereik van de wieken bepalend voor potentiële effecten. Onder bebouwing en in bossen, struwelen, oevers, ruigte of de ingestorte schuur zijn mogelijk verblijfplaatsen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel aanwezig.

Indien er werkzaamheden worden uitgevoerd in deze structuren kunnen er verblijfplaatsen worden vernield en kunnen er individuen worden gedood. De woonhuizen in het projectgebied bieden potentiële nestlocaties voor de gierzwaluw en de huismus. De woonhuizen en het transformatorhuisje bieden tevens potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. De kerkuil is bekend voor te komen op het terrein van de woongemeenschap. Bij werkzaamheden nabij of aan bebouwing kunnen deze functies worden vernield en kunnen er individuen worden gedood of verstoord. Er zijn mogelijk vlieg- en migratieroutes van vogels en vleermuizen aanwezig die door het projectgebied kruisen. Daarnaast loopt er langs het projectgebied over de Kanaaldijk een bekende vliegroute van de meervleermuis. Foerageergebieden van hoger vliegende soorten vleermuizen kunnen ook binnen de risicosfeer van de windmolen vallen. In het projectgebied zijn vier bomen met boomholtes vastgesteld. In deze bomen kunnen mogelijk verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig zijn. Tijdens kapwerkzaamheden kunnen deze functies worden vernield en kunnen er individuen worden gedood of verstoord. Er is potentieel voortplantingshabitat voor de grote vos aanwezig in de bossen en bosschages in het projectgebied. Bij kap- of rooiwerkzaamheden kan deze functie verloren gaan en kunnen individuen worden gedood.

Op de grasvelden en in de greppels, sloten en plassen is mogelijk leefgebied van de rugstreeppad aanwezig. In de sloten is mogelijk leefgebied van de platte schijfhoren aanwezig. Tijdens de werkzaamheden kunnen deze functies worden vernield en kunnen er individuen worden gedood of verstoord. Bij werkzaamheden in rietland, sloten of oevers kunnen er verblijfplaatsen van de waterspitsmuis worden vernield en kunnen er individuen worden gedood. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het NNN. Wanneer er werkzaamheden binnen het NNN plaatsvinden is er aanvullende toetsing benodigd. De werkzaamheden kunnen door de inzet van mobiele werktuigen en door werkverkeer in de realisatiefase mogelijk leiden tot een verhoogde stikstofemissie. Gezien de kleine afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden niet uitgesloten. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand echter niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening kan hierover uitsluitsel bieden. Indien er werkzaamheden plaatsvinden in bosschages, struikgewas, ruigte, ingestorte bebouwing of bossen is er aanvullend onderzoek benodigd naar het voorkomen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel.

Bij het kappen van bomen is mogelijk vervolgonderzoek nodig naar het voorkomen van grote vos en verblijfplaatsen van vleermuizen.

3

Indien er werkzaamheden plaatsvinden nabij of aan bebouwing is er aanvullend onderzoek benodigd naar het voorkomen van de gierzwaluw, huismus, kerkuil en vleermuizen. Daarnaast is er onderzoek benodigd naar migratie/vliegroutes van vleermuizen en vogels. Indien er werkzaamheden plaatsvinden in de oevers, plassen en sloten is er aanvullend onderzoek benodigd naar het voorkomen van de platte schijfhoren, rugstreeppad en de waterspitsmuis. Indien tijdens de werkzaamheden houtopstanden van meer dan 10 are of bomenrijen van meer dan 20 bomen worden gekapt is een kapmelding bij de Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland verplicht. Voor deze bomen geldt een herplantplicht. Hieraan kunnen specifieke eisen worden gesteld.

4

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding............................................................................................................................................. 6 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 6 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 6 1.2.1 Soortbescherming ...................................................................................................................... 6 1.2.2 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 9 1.2.3 Houtopstanden ........................................................................................................................... 9 1.2.4 Zorgplicht .................................................................................................................................. 10 1.2.5 Omgevingsvergunning .............................................................................................................. 10 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................... 11 2 2.1 2.2

Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................. 12 Projectgebied ............................................................................................................................... 12 Ontwikkelingen............................................................................................................................. 14

3 Soortbescherming .......................................................................................................................... 15 3.1 Bronnenonderzoek....................................................................................................................... 15 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................. 15 3.2.1 Amfibieën.................................................................................................................................. 15 3.2.2 Broedvogels.............................................................................................................................. 15 3.2.3 Ongewervelden ........................................................................................................................ 16 3.2.4 Reptielen .................................................................................................................................. 17 3.2.5 Vaatplanten .............................................................................................................................. 17 3.2.6 Vissen .......................................................................................................................................

17 3.2.7 Vleermuizen.............................................................................................................................. 17 3.2.8 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................................... 18 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 18 3.2.10 Rode lijstsoorten ....................................................................................................................... 19 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 20 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 20 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Omgevingswet ..................................................................... 21 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 21 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 21 3.4.3 Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten.................................................................... 22 4 4.1

Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 23 Effecten ........................................................................................................................................ 23

5

Houtopstanden ............................................................................................................................... 25

6 6.1 6.2

Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 26 Conclusies ................................................................................................................................... 26 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 27

7 Literatuur......................................................................................................................................... 28 Bijlage 1: Beoordelingsregels Omgevingswet .......................................................................................... 29 Bijlage 2: Foto-impressie .......................................................................................................................... 31 Bijlage 3: Tabel mogelijk aanwezige beschermde soorten ....................................................................... 33 Bijlage 4: Tabel mogelijk aanwezige Rode lijstsoorten ............................................................................. 35 Bijlage 5: Kaart resultaten habitatscan ..................................................................................................... 38

5

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL In een samenwerking tussen de gemeente Dijk en Waard, Hoogheemraadschap Noord-Hollands Noorderkwartier en Recreatieschap Geestmerambacht wordt een verkenning uitgevoerd om windturbines te plaatsen in de omgeving van de N504. De initiatiefnemer is voornemens windmolens te plaatsen in het gebied. Het project is in de huidige situatie in een voorbereidende fase. In deze fase worden geschikte gebieden gezocht voor het plaatsen van windmolens. Derhalve zijn de exacte werkzaamheden nog niet bekend. Er is tevens nog niet bekend hoeveel windmolens er geplaatst dienen te worden en op welke locaties. Deze ingreep wordt gezien als een activiteit in de fysieke leefomgeving. De initiatiefnemer van een activiteit in de fysieke leefomgeving dient er zorg voor te dragen dat de Omgevingswet niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Omgevingswet in relatie tot flora en fauna noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk vervolgonderzoek en/of een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden mogelijk kapwerkzaamheden plaats.

Zodoende is toetsing aan de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving ten aanzien van houtopstanden noodzakelijk.

1.2

NATUURBESCHERMINGSWETGEVING Natuurbescherming is opgenomen in de Omgevingswet. Dit beslaat gebiedsbescherming, soortbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Omgevingswet zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen en Rode lijstsoorten. Middels een provinciale verordening kunnen de nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de bepalingen uit de natuurbeschermingswetgeving. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. De voor flora- en fauna-activiteiten meest relevante onderdelen van de natuurbeschermingswetgeving zijn hier opgenomen. 1.2.1

SOORTBESCHERMING

Het is conform artikel 5.1, lid 1g van de Omgevingswet verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die tot schadelijke gevolgen kunnen leiden voor van nature in het wild levende dieren en planten (zogenaamde flora- en fauna-activiteiten). Ten aanzien van flora- en fauna-activiteiten die tot nadelige gevolgen kunnen leiden voor soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten zijn vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van toepassing. Daarnaast is onder artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving een specifieke zorgplicht aangewezen. De specifieke zorgplicht verplicht een ieder met het voornemen een project te realiseren of een andere handeling te verrichten na te gaan of die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor flora en fauna en passende maatregelen te treffen.

6

Europees beschermde soorten - Vogels De bepalingen voor wat betreft Europees beschermde vogels zijn opgenomen in artikel 11.37 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.

7

Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De bepalingen voor wat betreft overige Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 11.46 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Nationaal beschermde soorten De bepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 11.54 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.

Rode lijstsoorten Voor Rode lijstsoorten is de specifieke zorgplicht (Besluit activiteit leefomgeving, artikel 11.27) van toepassing. Tevens zijn er soorten die naast een status als Rode lijstsoort beschermd worden door middel van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of als nationaal beschermde soort. De bescherming ten aanzien van deze soorten via de Vogelrichtlijn (Bal, artikel 11.37), Habitatrichtlijn (Bal, artikel 11.46) of als nationaal beschermde soort (Bal, artikel 11.54) zijn leidend. Dit betekent dat er voor activiteiten met nadelige gevolgen voor deze soorten een vergunningsplicht van toepassing is. Voor nationaal beschermde soorten kan er door middel van provinciale omgevingsverordeningen een vrijstelling van de wettelijke bepalingen zijn aangewezen. Voor Rode lijstsoorten zijn er geen vrijstellingen. Dit houdt in dat voor een nationaal beschermde soort die vrijgesteld is door middel van een provinciale omgevingsverordening met een Rode lijststatus de specifieke zorgplicht (Bal, artikel 11.27) van toepassing is. Voor activiteiten met nadelige gevolgen voor deze soorten is een vergunningplicht niet van toepassing. Er dienen echter wel passende (preventieve) maatregelen getroffen te worden in het kader van de specifieke zorgplicht. Zulke passende (preventieve) maatregelen dienen door een deskundige vastgesteld te worden.

8

1.2.2

GEBIEDSBESCHERMING

Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 5.1, lid 1e van de Omgevingswet verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Met betrekking tot activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn onder paragraaf 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving specifieke zorgplichtbepalingen vastgesteld. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving’ (Bkl) en zijn uitgewerkt in de provinciale omgevingsverordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud van de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN (Bkl, artikel 7.8). Bij activiteiten binnen het natuurnetwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurwerk dienen deze gevolgen zodanig te worden gecompenseerd dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.

1.2.3

HOUTOPSTANDEN

Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De bepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de aangewezen bebouwingscontour houtkap bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het vellen van houtopstanden die wel onder de bepalingen in het Bal vallen, geldt een meldplicht bij gedeputeerde staten en een herplantplicht.

9

1.2.4

ZORGPLICHT

Specifieke zorgplicht De bepalingen voor wat betreft de specifieke zorgplicht zijn opgenomen in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.

2.

3.

1.2.5

Degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a.

voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1) van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2) van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de Habitatrichtlijn; 3) dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de Rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4) voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d.

alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.

OMGEVINGSVERGUNNING

Voor het overtreden van de wettelijke artikelen en bepalingen van de Omgevingswet en bijbehorende besluiten kan een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd (Bkl, artikel 8.74). Een vergunning met betrekking tot flora- en fauna-activiteiten wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan de Beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteiten. Deze zijn opgenomen in bijlage 1.

10

1.3

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven. Hierin wordt ingegaan op de locatie en ligging van het projectgebied, inclusief de relevante structuren en elementen in het projectgebied en de directe omgeving. Verder omvat dit hoofdstuk een beschrijving van de geplande ontwikkelingen in het projectgebied en de daarbij horende werkzaamheden en planning. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Omgevingswet beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Omgevingswet beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Omgevingswet beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.

11

2

PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN

2.1

PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Dijk en Waard in kilometerhokken: X:110/111 Y:522/523 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.

Afbeelding 1: Ligging projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de Kanaaldijk en de Provincialeweg N504 te Oudkarspel, aan de zuidzijde is wordt het gebied begrensd door de Saskevaart. Het terrein is in gebruik door verschillende instanties. In de huidige situatie omvat het terrein enkele bosschages, bos, rietland, plassen, bouwterrein, struikgewas, woonhuizen, een woongemeenschap, voedselbos en een festivalterrein. In het westen van het projectgebied aan de Kanaaldijk 2 & 3 zijn woonhuizen aanwezig (afbeelding 2). De woonhuizen zijn opgetrokken uit bakstenen en zijn gebouwd in 1916 en 1920. In de woningen is vermoedelijk geen luchtspouw aanwezig. De woning aan de Kanaaldijk 2 heeft een zadeldak met dakpannen. De woning aan de Kanaaldijk 3 heeft een mansardedak met dakpannen. Op de daken van de woningen zijn zonnepanelen aanwezig. Aansluitend aan het gebouw op nummer 3 is een houten aanbouw gerealiseerd. Deze aanbouw heeft een zadeldak met dakpannen. Op het terrein is tevens een garage aanwezig. Deze is opgebouwd uit hout.

Afbeelding 2: Woningen Kanaaldijk

Afbeelding 3: Woongemeenschap Liberterra

Tegen de particuliere percelen aan is het terrein van woongemeenschap ‘Liberterra’ gelegen (afbeelding 3). Het terrein is omringd door een bosschage en sloot. Op het terrein zijn bungalows aanwezig. De bungalows zijn van 12

verschillende formaten en zijn voorzien van houten gevelbekleding. De bungalows hebben platte tot licht hellende daken zonder dakpannen. Aansluitend aan de noordzijde van de woongemeenschap is een voedselbos gelegen. Het voedselbos omvat jonge bomen, fruitbomen, struikgewas en enkele open plekken. Langs de paden zijn voorzieningen voor insecten aangelegd in de vorm van nestmogelijkheden. Op het terrein zijn enkele kleine poelen aanwezig. In het voedselbos staat een kleine caravan. Ten oosten van de woongemeenschap is een grasveld gelegen. Verder naar het oosten is een baggerdepot aanwezig waar ten tijde van het veldbezoek werd gegraven door enkele graafmachines (afbeelding 4). Op het terrein zijn hopen grond en enkele stukken grasveld aanwezig. Ten oosten van deze terreinen is een perceel bos en een perceel park met jonge bomen en struiken aanwezig. Het bos omvat circa acht hectare en bestaat uit twee delen. Het westelijke deel betreft een vrij open bos met ondergroei. Het oostelijke deel betreft een bos met meer volwassen bomen en over het algemeen weinig ruige ondergroei (afbeelding 5). Aan de rand van het bos is een oude ingestorte schuur aanwezig. In de bossen komen verschillende soorten bomen voor, waaronder iepen, populieren en esdoorns. In de ondergroei zijn soorten zoals braam, gewone vlier en grote brandnetel aanwezig.

Afbeelding 4: Braakliggend terrein

Afbeelding 5: Bosperceel oost

Ten zuiden van de Wagenweg is een evenemententerrein gelegen (afbeelding 6). Op het evenemententerrein worden regelmatig festivals georganiseerd. Het evenemententerrein bestaat uit grasveld met enkele jonge bomen. Het terrein is uitgezonderd van de oostzijde omringd met sloten. Op het terrein bevinden zich enkele waterpartijen, langs de oevers zijn rietkragen aanwezig. Daarnaast is er een braamstruweel aanwezig op het grasveld. De oostzijde van het terrein is hoger gelegen dan het westelijke deel. Ten westen van het evenemententerrein is een natuurplas en rietland gelegen. In het rietland zijn enkele jonge bomen aanwezig. De plas is circa 1.3 hectare groot. De plas wordt huidig gebruikt als rust- en broedplaats voor watervogels.

Afbeelding 6: Evenemententerrein

Afbeelding 7: Rietland en plas

In het zuidwesten van het projectgebied is een kleine bosschage aanwezig (afbeelding 8). Het perceel is omringd door jonge bomen. In het midden van het perceel is voornamelijk ruigte aanwezig. In het bosschage staat een

13

elektriciteitshuisje die is opgetrokken uit bakstenen (afbeelding 9). Daarnaast is er een zadeldak met dakpannen aanwezig. In de muren zijn ventilatievoegen aanwezig.

Afbeelding 8: Bosschage

Afbeelding 9: Transformatorhuisje

Door het gehele gebied zijn sloten gelegen. De sloten hebben over het algemeen een ruige oeverbegroeiing en doorgaans hebben de oevers een talud van minder dan 45 graden. Het doorzicht in de sloten is redelijk. De percelen in het projectgebied zijn vrijwel allemaal gedeeltelijk of volledig omringd door sloten. Daarnaast zijn er op verschillende plekken poelen en plassen aanwezig in het gebied. In bijlage 2 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.

2.2

ONTWIKKELINGEN De initiatiefnemer is voornemens windmolens te plaatsen in het gebied. Het project is in de huidige situatie in een voorbereidende fase. In deze fase worden geschikte gebieden gezocht voor het plaatsen van windmolens. Derhalve zijn de exacte werkzaamheden nog niet bekend. Er is tevens nog niet bekend hoeveel windmolens er geplaatst dienen te worden en op welke locaties.

14

3

SOORTBESCHERMING

3.1

BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten gebruik kunnen maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. In bijlage 3 is de lijst met beschermde soorten welke op basis van het bronnenonderzoek bekend zijn in de omgeving van het projectgebied voor te komen. Uit het bronnenonderzoek volgt tevens een overzicht met Rode lijstsoorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. Dit overzicht is in bijlage 4 opgenomen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij Vergunningsvrije ruimtelijke inrichting of bestendig beheer.

Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4.10 van de “Omgevingsverordening NH2022” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g artikel 11.54, eerste lid, onderdeel a en b van het Besluit activiteiten leefomgeving. De verbodsbepalingen gelden op grond van artikel 11.56 Besluit activiteiten leefomgeving niet voor bij provinciale omgevingsverordening aangewezen gevallen voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 van dit besluit. Deze vrijstelling is enkel geldig voor de soorten gespecificeerd in Bijlage 5c van de “Omgevingsverordening NH2022”. Dit is geen vrijbrief, de algemene zorgplicht (Ow, afdeling 1.3, Bal artikel 11.27) blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.

3.2

HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd wanneer het habitat geschikt is voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 17 april 2024 en is uitgevoerd door ing. C.J. Aalbers. Het was tijdens het veldbezoek circa 8 °C, windkracht 2 Bft en bewolkt met enkele buien. De resultaten van de habitatscan zijn op kaart weergegeven in bijlage 5. 3.2.1

AMFIBIEËN

In de omgeving van het projectgebied is de rugstreeppad bekend voor te komen. De rugstreeppad komt voor op onder andere zandige terreinen met vergraafbare grond en maakt gebruik van ondiepe wateren als voortplantingshabitat. Binnen het projectgebied zijn ondiepe wateren, greppels en slootkanten aanwezig. Deze ondiepe wateren kunnen als voortplantingsplaats van de rugstreeppad fungeren. Daarnaast kunnen de grasvelden in het projectgebied dienen als landbiotoop. Derhalve kan de rugstreeppad niet worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied.

3.2.2

BROEDVOGELS

In de omgeving van het projectgebied zijn de gierzwaluw, huismus en de kerkuil bekend voor te komen. De gierzwaluw gebruikt onder andere open ruimtes en spleten bij dakranden en onder dakpannen als nestlocatie. In de woonhuizen binnen het projectgebied zijn geschikte open ruimtes en spleten onder dakranden aanwezig. Derhalve kunnen de gierzwaluw en de huismus niet worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. Het transformatorhuisje in het projectgebied biedt niet genoeg ruimte onder de dakpannen en kantpannen voor nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus. De huismus is tijdens het veldbezoek in het broedseizoen tevens niet aangetroffen.

15

De kerkuil is bekend voor te komen binnen het projectgebied. De kerkuil wordt voornamelijk waargenomen bij de Woongemeenschap Liberterra. Derhalve worden er mogelijke beschermde functies van de kerkuil verwacht voor te komen binnen het projectgebied. Tijdens het veldbezoek zijn er echter geen geschikte nestlocaties voor de kerkuil vastgesteld. Mogelijk is er een vaste rustplaats of jachtpost van de kerkuil op het terrein van de woongemeenschap aanwezig. Overige broedvogels met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht voor te komen vanwege het ontbreken van potentiële nestlocaties of het ontbreken van geschikt habitat binnen het projectgebied. Categorie 5-soorten van de aangepaste lijst met jaarrond beschermde vogelnesten (RVO, 2009) kunnen binnen het projectgebied of binnen de omgeving van het projectgebied overgaan tot broeden. De te verwachten soorten zijn onder andere de boerenzwaluw, boomklever, boomkruiper, bosuil, ekster, groene specht, huiszwaluw, koolmees, pimpelmees, spreeuw, torenvalk en de zwarte kraai. In de omgeving van het projectgebied zijn voor deze soorten voldoende uitwijkmogelijkheden te vinden in onder andere bebouwing, tuinen en parken. Er kunnen migratieroutes van vogels het gebied doorkruisen. Op anderhalve kilometer afstand van het projectgebied is in recreatiegebied Geesterambacht een trektelpost aanwezig.

Op deze trektelpost zijn tussen minimaal tussen 2013 en 2022 regelmatig trekvogels geteld. Het projectgebied biedt geschikt broedbiotoop voor algemeen voorkomende broedvogels zoals de merel, rietgors, rietzanger, winterkoning en de zwartkop.

3.2.3

ONGEWERVELDEN

In de omgeving van het projectgebied zijn de bruine eikenpage, duinparelmoervlinder, gevlekte witsnuitlibel, grote vos, kommavlinder, platte schijfhoren en de sierlijke witsnuitlibel bekend voor te komen. De bruine eikenpage plant zich voornamelijk voor op jonge exemplaren van eik. De soort is gebonden aan bosgebieden, bosranden en jonge eikenaanplant. In Noord-Holland is de soort gebonden aan de duinen waar eikenstruweel, vrijstaande eiken in open duingebied of open eikenbossen aanwezig zijn. Dit habitat is niet aanwezig binnen het projectgebied. Derhalve kan het voorkomen van beschermde functies van de bruine eikenpage binnen het projectgebied worden uitgesloten. De waardplant van de duinparelmoervlinder zijn viooltjes, voornamelijk het duinviooltje. De soort komt in NoordHolland voor in de open duingebieden. Binnen het projectgebied zijn geen open duingebieden aanwezig. Daarnaast zijn er geen waardplanten aanwezig voor de duinparelmoervlinder. Wegens het ontbreken van geschikt habitat kan de duinparelmoervlinder worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. De gevlekte witsnuitlibel en de sierlijke witsnuitlibel komen voor in de Schoorlse duinen. De soorten gebruiken voornamelijk vennen in de duinen die dichtbij een bos of bosschage gelegen zijn als voortplantingsplaatsen. In het projectgebied is dit habitat niet aanwezig.

Derhalve kunnen de gevlekte witsnuitlibel en de sierlijke witsnuitlibel worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. De waardplant van de grote vos betreft voornamelijk iep, maar de soort plant zich ook geregeld voor op wilgen. De soort komt voor in vochtige bossen, bosranden, boomgaarden en plekken met grote vrijstaande bomen. Binnen het projectgebied zijn wilgen en iepen aanwezig in de bosschages en bossen. Derhalve kan de grote vos niet worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. De kommavlinder komt voor in de duinen bij Bergen aan Zee. De soort is gebonden aan open zandvlaktes met laag groeiende pollen. Dit habitat is niet aanwezig binnen het projectgebied. Derhalve kan het voorkomen van de kommavlinder binnen het projectgebied worden uitgesloten. De platte schijfhoren komt voor in heldere sloten met waterplanten, vaak in combinatie met draadalgen. In het projectgebied zijn dit type sloten aanwezig. De platte schijfhoren is bekend voor te komen in het projectgebied (2022) en is verder bekend voor te komen in de polders nabij Aagtdorp en Bergen. Het voorkomen van de platte schijfhoren binnen het projectgebied kan derhalve niet worden uitgesloten.

16

3.2.4

REPTIELEN

In de omgeving van het projectgebied is de zandhagedis bekend voor te komen. De zandhagedis komt in de omgeving voornamelijk voor binnen de duingebieden bij Schoorl en Bergen. De zandhagedis komt voornamelijk voor op zandgronden met schaarse begroeiing en open zand. Dit habitat is niet aanwezig binnen het projectgebied, daarnaast is er geen groene verbinding tussen het verspreidingsgebied en het projectgebied aanwezig en zijn er barrières aanwezig zoals het Noord-Hollandsch Kanaal. Derhalve kan de zandhagedis worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied.

3.2.5

VAATPLANTEN

In de omgeving van het projectgebied zijn het akkerdoornzaad, dennenorchis, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, kartuizer anjer, kluwenklokje, knolspirea, stofzaad en de wilde ridderspoor bekend voor te komen. Het akkerdoornzaad, groot spiegelklokje, kartuizer anjer, knolspirea en de wilde ridderspoor zijn planten die voorkomen buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de betreffende soort. Dit betreffen exemplaren van beschermde planten die zijn ingezaaid of verwilderd uit tuinen. Derhalve genieten deze soorten in de omgeving van het projectgebied geen strikte bescherming. De dennenorchis en het stofzaad komen voor in bossen op voedselarme zandgrond. Dit habitat is niet aanwezig binnen het projectgebied. Derhalve kunnen de dennenorchis en het stofzaad worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. De grote leeuwenklauw komt voornamelijk voor in korte grazige vegetaties met open plekken zoals randen van holwegen, op begraafplaatsen en op kampeerterreinen. In het projectgebied is dit habitat niet aanwezig. De grote leeuwenklauw kan worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied.

3.2.6

VISSEN

In de omgeving van het projectgebied zijn geen beschermde vissoorten bekend voor te komen. Wel kunnen er algemene vissoorten voorkomen binnen het projectgebied, zoals de baars, rietvoorn en snoek.

3.2.7

VLEERMUIZEN

Gebouwbewonende vleermuizen gebruiken onder andere open stootvoegen, ruimtes onder dakpannen, kieren bij de dakranden en dakoverstekken, kieren rondom kozijnen en open dilatatievoegen om toegang de krijgen tot achterliggende ruimtes die gebruikt kunnen worden als verblijfplaats. In de woonhuizen binnen het projectgebied zijn kieren onder de dakranden aanwezig welke kunnen dienen als toegang tot een verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de ruige dwergvleermuis. Boombewonende vleermuizen zoals de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis gebruiken boomholtes en spleten in de schors als verblijfplaats. Binnen het projectgebied zijn boomholtes aanwezig. Derhalve kunnen verblijfplaatsen van de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis niet worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. Vanwege de soort-specifieke eisen aan verblijfplaatsen en habitat worden de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis in de bebouwing van het projectgebied verwacht voor te komen. Paarverblijfplaatsen van de tweekleurige vleermuis zijn in Nederland enkel bekend voor te komen in zuidgevels van hoge bebouwing (meer dan vier bouwlagen).

Paarverblijfplaatsen van de tweekleurige vleermuis worden derhalve niet verwacht voor te komen in het projectgebied. Het projectgebied en de directe omgeving kunnen onderdeel uitmaken van vliegroutes, migratieroutes en foerageergebieden van vleermuizen. De meervleermuis is bekend gebruik te maken van een vliegroute over het Noordhollandsch kanaal en is bekend te foerageren in het Geestmerambacht. Daarnaast kunnen de Saskevaart, bosranden en sloten in het projectgebied dienen als vliegroute voor vleermuizen. De ruige dwergvleermuis kan mogelijk over het projectgebied migreren.

17

3.2.8

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN

In de omgeving van het projectgebied zijn de boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, waterspitsmuis en de wezel bekend voor te komen. De boommarter en de steenmarter komen voor in zowel bosrijke en parkachtige gebieden als in stedelijke gebieden. De boommarter is bekend in het Geestmerambacht voor te komen. Verblijfplaatsen bevinden zich onder andere in holen onder de grond, boomholtes, grote takkenhopen of loze ruimtes in bebouwing. In het projectgebied zijn dichte struwelen, bosschages en een ingestorte schuur aanwezig. Deze elementen kunnen mogelijk dienen als verblijfplaats voor de boommarter en de steenmarter. Het voorkomen van beschermde functies voor de boommarter en de steenmarter binnen het projectgebied kan derhalve niet worden uitgesloten. De kleine marterachtigen de bunzing, hermelijn en de wezel gebruiken onder andere dicht struikgewas, takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. De bunzing en de hermelijn zijn reeds bekend voor te komen in het projectgebied. In het projectgebied zijn verschillende bosschages, struikgewassen en ruimtes onder bebouwing aanwezig. Deze elementen kunnen dienen als potentiële verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen. Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen kunnen derhalve niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied is de eekhoorn bekend voor te komen.

De waarnemingen van de eekhoorn bevinden zich in het duingebied bij Bergen. Tussen het verspreidingsgebied van de eekhoorn en het projectgebied ligt de A9 en de Kanaaldijk. Hierdoor is er geen geschikte verbindingszone aanwezig voor de eekhoorn. Daarnaast zijn er geen nesten van de eekhoorn waargenomen tijdens het veldbezoek. Derhalve kan de eekhoorn worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied. De waterspitsmuis is een aan water gebonden muizensoort die voornamelijk voorkomt nabij schoon, helder water met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie. In het projectgebied zijn sloten aanwezig met helder water en voldoende oevervegetatie die geschikt habitat kunnen bieden voor de waterspitsmuis. De waterspitsmuis kan niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. In de directe omgeving van het projectgebied kunnen algemene, provinciaal vrijgestelde zoogdieren voorkomen, zoals de gewone bosmuis, de egel en verschillende muizensoorten.

3.2.9

MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES

Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep

Functies

Bescherming Ow

Mogelijke aanwezigheid:

Broedvogels

Nesten

Artikel 11.37 (Bal)

Struweel en bomen

Gierzwaluw

Nestlocaties

Artikel 11.37 (Bal)

Openingen bij dakrand woonhuizen

Huismus

Nestlocaties

Artikel 11.37 (Bal)

Ruimtes onder pannendak woonhuizen

Functioneel leefgebied

Groen rond woningen

Kerkuil

Vaste rustplaats

Artikel 11.37 (Bal)

Woongemeenschap

Rugstreeppad

Voortplantingshabitat

Artikel 11.46 (Bal)

Greppels en plassen

Grote vos

Voortplantingshabitat

Artikel 11.45 (Bal)

Bosschages en voedselbos

Platte schijfhoren

Leefgebied

Artikel 11.46 (Bal)

Watergangen

Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Artikel 11.46 (Bal)

Woonhuizen,

transformatorhuisje

en

boomholtes Boom-/steenmarter

Verblijfplaatsen

Artikel 11.54 (Bal)

Dicht struweel, ingestorte schuur

Kleine marterachtigen

Verblijfplaatsen

Artikel 11.54 (Bal)

Ingestorte schuur, ruigte, oeverzones en

Waterspitsmuis

Verblijfplaatsen

Artikel 11.54 (Bal)

Oevers, rietland en sloten

dicht struweel

18

3.2.10

RODE LIJSTSOORTEN

In de nabije omgeving van het projectgebied zijn Rode lijstsoorten bekend voor te komen. In bijlage 4 is opgenomen welke Rode lijstsoorten dit betreft en of er geschikt habitat voor deze soorten aanwezig is. De nachtegaal is zingend waargenomen in het projectgebied tijdens het veldbezoek. Daarnaast zijn het bruin blauwtje, bunzing en de hermelijn bekend voor te komen in het projectgebied.

19

3.3

EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Omgevingswet wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten van de Omgevingswet noodzakelijk zijn. 3.3.1

EFFECTEN ONTWIKKELINGEN

De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Tijdelijke effecten Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden in het actieve seizoen van vleermuizen (april – oktober) en er tussen zonsondergang en zonsopkomst gebruik wordt gemaakt van additionele verlichting kunnen vleermuizen worden verstoord. Permanente effecten Bij werkzaamheden aan bebouwing, bossen, struwelen, ruigte of de ingestorte schuur kunnen verblijfplaatsen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel worden vernield. Daarnaast kunnen er individuen worden gedood. In de gebruiksfase van de windmolen(s) kan er afbreuk gedaan worden aan migratieroutes van vogels en vleermuizen. Hierbij kunnen individuen van vogels en vleermuizen worden gedood en verstoord. De hoogte van de gondel en de wieken is bepalend welke soorten hierbij een groter risico lopen. Tijdens werkzaamheden aan de grasvelden, greppels, sloten of plassen kunnen er individuen van de rugstreeppad worden gedood, kunnen er voortplantingshabitat en eieren van de rugstreeppad worden vernield en kunnen individuen van de rugstreeppad worden verstoord.

Bij werkzaamheden aan de sloten in het gebied kunnen er individuen van de platte schijfhoren worden gedood, kan er voortplantingshabitat en eieren van de platte schijfhoren worden vernield en kunnen individuen van de platte schijfhoren worden verstoord Bij werkzaamheden in rietland, sloten of oevers kunnen er verblijfplaatsen van de waterspitsmuis worden vernield en kunnen er individuen worden gedood. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd en verstoord en kunnen individuen worden gedood. Tijdens de werkzaamheden kunnen mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep

Effect

Broedvogels

Opzettelijk doden

Artikel 11.37 lid 1a (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren

Artikel 11.37 lid 1b (Bal)

Boommarter, bunzing, hermelijn,

steenmarter

en

Bepaling

Opzettelijk verstoren

Artikel 11.37 lid 1d (Bal)

Opzettelijk doden

Artikel 11.54 lid 1a (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 11.54 lid 1b (Bal)

Opzettelijk doden / vangen

Artikel 11.54 lid 1a (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen rust- en voortplantingsplaatsen

Artikel 11.54 lid 1b (Bal)

wezel Grote vos Gierzwaluw

Huismus

Kerkuil

Opzettelijk doden

Artikel 11.37 lid 1a (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren

Artikel 11.37 lid 1b (Bal)

Opzettelijk verstoren

Artikel 11.37 lid 1d (Bal)

Opzettelijk doden

Artikel 11.37 lid 1a (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren

Artikel 11.37 lid 1b (Bal)

Opzettelijk verstoren

Artikel 11.37 lid 1d (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren

Artikel 11.37 lid 1b (Bal)

Opzettelijk verstoren

Artikel 11.37 lid 1d (Bal)

20

Platte schijfhoren

Rugstreeppad

Vleermuizen

Waterspitsmuis

Opzettelijk doden / vangen

Artikel 11.46 lid 1a (Bal)

Opzettelijk verstoren

Artikel 11.46 lid 1b (Bal)

Opzettelijk vernielen / rapen van eieren

Artikel 11.46 lid 1c (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen rust- en voortplantingsplaatsen

Artikel 11.46 lid 1d (Bal)

Opzettelijk doden / vangen

Artikel 11.46 lid 1a (Bal)

Opzettelijk verstoren

Artikel 11.46 lid 1b (Bal)

Opzettelijk vernielen / rapen van eieren

Artikel 11.46 lid 1c (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen rust- en voortplantingsplaatsen

Artikel 11.46 lid 1d (Bal)

Opzettelijk doden

Artikel 11.46 lid 1a (Bal)

Opzettelijk verstoren

Artikel 11.46 lid 1b (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 11.46 lid 1d (Bal)

Opzettelijk doden

Artikel 11.54 lid 1a (Bal)

Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats

Artikel 11.54 lid 1b (Bal)

3.4

AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE OMGEVINGSWET

3.4.1

AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED

Het projectgebied herbergt mogelijk beschermde functies voor algemene broedvogels, boommarter, bunzing, gierzwaluw, grote vos, hermelijn, huismus, kerkuil, platte schijfhoren, rugstreeppad, steenmarter, vleermuizen en de wezel. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Daarnaast is het effect van de werkzaamheden nog onduidelijk en afhankelijk van nadere planvorming. Een nadere toetsing is na dit stadium noodzakelijk. Migratieroutes, vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen en migratieroutes van vogels dienen specifiek onderzocht te worden in verband met het gevaar van aanvaring met de wieken. Indien in een toekomstig scenario potentieel beschermde functies op de grond aangetast zullen worden is het mogelijk aan te bevelen vervolgonderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel evenals de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels in gebouwen. Daarnaast dient er onderzoek te worden uitgevoerd naar leefgebied van beschermde ongewervelden en de rugstreeppad. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis.

Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de gierzwaluw, huismus en de kerkuil. Het onderzoek naar ongewervelden dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de grote vos en de platte schijfhoren.

3.4.2

MITIGERENDE MAATREGELEN

Om overtreding op de Omgevingswet te voorkomen dienen de volgende mitigerende maatregelen te worden genomen. Deze maatregelen hebben tot doel effecten op beschermde soorten en Rode lijstsoorten tot een minimum te beperken. Enkele van deze maatregelen betreffen: -

-

-

Onder bebouwing en in bossen, struwelen, ruigte of de ingestorte schuur zijn mogelijk verblijfplaatsen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel aanwezig. Indien er werkzaamheden worden uitgevoerd in deze structuren is er aanvullend onderzoek nodig naar marterachtigen. In de woonhuizen in het projectgebied zijn mogelijk nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus aanwezig. Op het terrein van de woongemeenschap is de kerkuil bekend voor te komen. Indien er bebouwing wordt verwijderd of dichtbij de bebouwing werkzaamheden worden uitgevoerd is er aanvullend onderzoek naar deze soorten benodigd. In de bossen en bosschages zijn mogelijk voortplantingsplaatsen van de grote vos aanwezig. Indien er iepen worden gekapt is er aanvullend onderzoek naar de grote vos benodigd. In de sloten in het projectgebied is mogelijk leefgebied van de platte schijfhoren aanwezig. Daarnaast zijn in de oevers mogelijk verblijfplaatsen van de waterspitsmuis aanwezig. Indien er in of dichtbij de sloten, oevers of rietland werkzaamheden worden uitgevoerd is er aanvullend onderzoek naar deze soorten benodigd.

21

-

-

-

-

-

-

-

Op de grasvelden en in de greppels, sloten en plassen is mogelijk leefgebied van de rugstreeppad aanwezig. Indien er in de grasvelden, greppels, sloten of plassen werkzaamheden worden uitgevoerd is er aanvullend onderzoek naar de rugstreeppad benodigd. In de woonhuizen en het transformatorhuisje aan de kanaaldijk zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Wanneer er werkzaamheden aan deze bebouwing worden uitgevoerd dient er vervolgeonderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgevoerd. Er zijn potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen aanwezig binnen het projectgebied. Wanneer bomen met boomholtes worden gekapt is er aanvullend onderzoek naar deze verblijfplaatsen benodigd. Er zijn mogelijk migratieroutes van vogels en vleermuizen aanwezig die door het projectgebied kruisen. Daarnaast loopt er langs het projectgebied over de kanaaldijk een bekende vliegroute van de meervleermuis. Er wordt aanbevolen aanvullend onderzoek uit te voeren naar deze potentiële vlieg/migratieroutes. Tijdens de werkzaamheden dient er geen gebruik gemaakt te worden van aanvullende nachtelijke verlichting die uitstraalt naar de bosschages of de sloten in het projectgebied.

Wanneer aanvullende verlichting noodzakelijk is dient er gebruik gemaakt worden van richtarmaturen en vleermuisvriendelijke verlichting die niet uitstraalt naar naastgelegen groenstructuren en watergangen. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen.

Het is aan te bevelen om voor ten minste de aanwezige beschermde soorten en Rode lijstsoorten mitigerende maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol of mitigatieplan om negatieve gevolgen voor de leefomgeving te voorkomen en te beperken. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst NoordHolland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling.

3.4.3

OMGEVINGSVERGUNNING FLORA- EN FAUNA-ACTIVITEITEN

De noodzaak voor een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit nadere planvorming en eventueel vervolgonderzoek zal moeten blijken of er beschermde functies of soorten in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en overtreding van de bepalingen in de natuurwetgeving niet voorkomen kan worden, dient een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Hier kunnen specifieke voorwaarden in de vorm van compenserende of mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.

22

4

GEBIEDSBESCHERMING

Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 2 kilometer van het projectgebied en betreft de Schoorlse Duinen. Binnen het projectgebied ligt een gedeelte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bosschage in het zuidwesten van het projectgebied en het bos in het noorden van het projectgebied maken deel uit van het NNN. Dit betreft het kerngebied “Kleimeer en Geestmerambacht”. De ligging van het projectgebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden is op kaart weergegeven in afbeelding 10 en 11.

Afbeelding 10: Projectgebied ten opzichte van Natura 2000 (apps.geodan.nl)

Afbeelding 11: Projectgebied ten opzichte van NNN (Provincie NH)

4.1

EFFECTEN Directe effecten In het projectgebied zijn delen van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Wanneer er werkzaamheden binnen het NNN worden uitgevoerd is er mogelijk een compensatieplan benodigd. Wanneer de werkzaamheden bekend zijn kan dit verder worden beoordeeld. Het projectgebied is op voldoende afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied gelegen om directe effecten uit te sluiten.

23

Indirecte effecten De werkzaamheden kunnen door de inzet van mobiele werktuigen en door werkverkeer in de realisatiefase mogelijk leiden tot een verhoogde stikstofemissie. Gezien de kleine afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000gebieden worden significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden niet uitgesloten. In de gebruiksfase vindt er geen stikstofuitstoot plaats. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand echter niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening kan hierover uitsluitsel bieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=dd80426e-9ace-4996-a799-6907149f11b3