CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3. Ecologisch onderzoek 25 mei 2020

Gemeenteraad 28 november 2023, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Rembrandt Erf1.916 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Sloop Hugo Oord aan de Van Veenweg 15 in Heerhugowaard Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming

Opdrachtgever: De Pieter Raat Stichting

Groot Eco Advies 2020-031

Concept

04-05-2020

Definitief

25-05-2020

2

Inhoudsopgave 1 2 3 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 5 6

Inleiding Natuurwetgeving en -beleid Werkwijze Beschermde soorten en effectbeoordeling Flora Vogels Amfibieën, reptielen en vissen Zoogdieren Ongewervelden Gebiedsbescherming Conclusies

Literatuurlijst

4 6 9 10 10 10 11 12 14 15 16 17

3

1 Inleiding Aan de Van Veenweg 15 in Heerhugowaard wordt het woonzorgcentrum Hugo Oord gesloopt. De bewoners zijn sinds 2017 verhuist naar de nieuwe naastgelegen locatie. Op de nieuwe locatie vindt nieuwbouw van ….. plaats.

In dit kader dienen eventuele effecten van de werkzaamheden getoetst te worden aan de natuurwetgeving.

Luchtfoto met daarop de ligging van de locatie in de bebouwing van Heerhugowaard Groot Eco Advies heeft in opdracht van de Pieter Raat Stichting op 29 april 2020 een veldbezoek afgelegd om de situatie ter plaatse te beoordelen. In deze rapportage worden de resultaten van het veldbezoek weergegeven en de eventuele effecten van de ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving.

Toetsing Wet natuurbescherming De toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming heeft concreet de volgende twee oogmerken: • Aannemelijk maken dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet worden aangetast. Het begrip ‘natuurlijke kenmerken’ moet worden gerelateerd aan de instandhoudings-doelstellingen voor het gebied: ze hebben te maken met de ecologische functies. • Aannemelijk maken dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten, niet optreedt. 4

De Wet natuurbescherming beschermt ook een aantal aangewezen dier- en plantensoorten. Bij ruimtelijke ingrepen dient te worden beoordeeld of er sprake is van negatieve effecten op beschermde dier- en plantensoorten.

Toetsing NNN en weidevogelleefgebied De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van (inter-) nationaal belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen. Voormalig staatssecretaris Dijksma introduceerde in 2014 de term NatuurNetwerk Nederland (NNN) om de term 'Ecologische Hoofdstructuur' (EHS) te vervangen. De NNN-toetsing dient om vast te stellen of de plannen het ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de ‘wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS’ in de weg staan. De toetsing heeft als oogmerk: • Aannemelijk te maken dat geen significant negatief effect optreedt op deze kenmerken. Belangrijke criteria waar deze toetsing op toespitst zijn ‘kwaliteit’, ‘areaal’ en ‘samenhang’ van het NNN-gebied.

5

2 Natuurwetgeving en -beleid Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn de oude Boswet, Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet samengevoegd tot één natuurwet. Uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan. In de praktijk betekent dit dat bij een ruimtelijke ingreep of voorgenomen activiteit bekeken moet worden of er sprake is van effecten of beschermde dieren en planten (soortenbescherming) en in bepaalde gevallen op natuurgebieden (gebiedsbescherming). Gebiedsbescherming Ligt een locatie waar een ruimtelijke ingreep of voorgenomen activiteit plaats vindt in of in de buurt van een Natura 2000 gebied dan is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Afhankelijk van de aard van de activiteit en de te beschermen waarden van (het) betreffende Natura 2000-gebied(en) dient beoordeeld te worden of en welke effecten er (mogelijk) aanwezig zijn. Soortbescherming Om te bepalen of een ontheffing nodig is of dat er gebruik kan worden gemaakt van een vrijstelling wordt het stappenschema op pagina 7 doorlopen. Met de Wet natuurbescherming is de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen in principe bij de provincie komen te liggen.

Ook gemeenten hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van de Wet natuurbescherming. Is er sprake van een locatie gebonden activiteit met gevolgen voor wettelijk beschermde dier- en plantensoorten, moet ofwel een natuurtoets deel uitmaken van de procedure bij het verkrijgen van een omgevingsvergunning, ofwel er wordt voorafgaand aan de activiteit apart een ontheffing aangevraagd. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de aanvraag voor een omgevingsvergunning volledig is, of dat de aanvrager apart ontheffing heeft aangevraagd. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af. Beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: 1. Soorten van de Vogelrichtlijn; 2. Soorten van de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern en het verdrag van Bonn; 3. Andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels zijn beschermd. Daarnaast zijn ongeveer 230 andere soorten beschermd.

6

Stroomschema soortenbescherming

7

Om af te wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria te worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling; 2. Tegenover de afwijking van het verbod moet een in de wet genoemd belang staan; 3. De ingreep doet geen afbreuk aan de instandhouding van de soort. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten. In de wet zijn vormen van vrijstelling opgenomen, zoals de gedragscode, een programmatische aanpak of via de provinciale verordening. Verbodsbepalingen

8

3 Werkwijze De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht door middel van een bronnenstudie en een veldbezoek.

Bureaustudie Voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en (waar mogelijk) regionale bronnen met betrekking tot de verspreiding van beschermde planten en diersoorten.

Veldonderzoek Het veldbezoek is op 29 april 2020 door J. Groot uitgevoerd. De weersomstandigheden tijdens het bezoek waren goed: droog, zonnig en 14 graden boven nul. Het veldbezoek was verkennend van aard, waarbij op basis van de summiere resultaten van de bureaustudie en de aanwezige terreintypen het voorkomen van beschermde planten en diersoorten is vastgesteld, of op basis van jarenlange velddeskundigheid is ingeschat.

9

4 Beschermde soorten en effectbeoordeling 4.1 Flora Op de locatie zijn geen beschermde plantensoorten of muurplanten waargenomen. Voor beschermde plantensoorten en muurplanten zijn geen geschikte groeiplaatsen aangetroffen.

4.2 Vogels De platte daken van het woonzorgcentrum zijn gebouwbewonende broedvogels als Huismus en Gierzwaluw.

ongeschikt

voor

In de beplanting rond het woonzorgcentrum werden geen nesten van roofvogels als Sperwer en Buizerd aangetroffen. Deze beplanting is te gering van omvang voor deze soorten. Wel zullen in de beplanting algemene struweelvogels als Merel, Winterkoning, Koolmees en Roodborst broeden.

10

4.3 Amfibieën, reptielen en vissen Wateren ontbreken in het plangebied. Effecten op amfibieën, reptielen en vissen zijn uitgesloten.

4.4 Zoogdieren In het woonzorgcentrum zijn op diverse plekken voor vleermuizen geschikte in- en uitvliegopeningen aangetroffen. Achter deze openingen kunnen vleermuizen hun verblijfplaats hebben. Effecten op vleermuizen zijn daarmee niet uit te sluiten. Voor andere zoogdieren als Egel, Wezel en Hermelijn en beschermde muizensoorten zijn geen potenties aanwezig. Het groen rond de kerk is te marginaal. Deze soorten zullen ontbreken. Effecten op deze soorten zijn dan ook niet aan de orde.

11

12

4.5 Ongewervelden Voor ongewervelden als beschermde vlinders en libellen ontbreekt geschikt leefgebied.

13

5 Gebiedsbescherming Het plangebied ligt in het stedelijke gebied van Heerhugowaard en ligt op globaal 8 en 10 kilometer van de Natura 2000-gebieden Eilandspolder, Noordhollands Duinreservaat en Schoorlse Duinen. De genoemde gebieden zijn ook onderdeel van het NNN. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is de Waarderhout, wat op 900 meter afstand ligt. Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied De Berkmeer ligt op 2 kilometer afstand. Gezien de aard van de werkzaamheden, de ligging in het stedelijk gebied van Heerhugowaard en de ligging ten opzichte van de betrokken Natura 2000gebieden, NNN-gebied en weidevogelleefgebied zijn negatieve effecten als verstoring, geluid en licht op voorhand uit te sluiten. In het kader van de stikstofproblematiek is wel nadere toetsing met betrekking tot stikstofdepositie noodzakelijk. Stikstofdepositie De Eilandspolder, het Noordhollands Duinreservaat en de Schoorlse Duinen zijn Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. In dit kader is een stikstofberekening van de sloopwerkzaamheden en de nieuwbouw nodig, welke ten grondslag dient te liggen aan een mogelijke vergunningsaanvraag Wet natuurbescherming, indien er sprake is van een uitstook >0,00 mol/ha/jaar.

Ligging van de locatie (blauwe stip) ten opzichte van Natura 2000-gebied

14

Ligging van de locatie (blauwe stip) ten opzichte van de NNN-gebieden

Ligging van de locatie (rode stip) ten opzichte van de weidevogelleefgebieden

15

6 Conclusies Beschermde soorten Op basis van deze quickscan wordt geconstateerd dat het woonzorgcentrum potenties herbergt voor jaarrond beschermde vleermuizen. Voor andere beschermde soorten zijn geen potenties aanwezig. Door middel van gericht veldonderzoek kan worden vastgesteld of de genoemde soorten al dan niet aanwezig zijn. Vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek naar vleermuizen kunnen 3 vleermuiskasten en een 1 kraamkast in de omgeving worden opgehangen. Door deze in de periode maart-begin april op te hangen worden vleermuizen vooraf al vervangende verblijfplaatsen aangeboden, waar d vleermuizen kunnen wennen. Adressen waar deze kasten kunnen worden aangeschaft zijn: www.faunaprojecten.nl www.vivarapro.nl

Op te hangen vleermuiskast

16

Op te hangen kraamkast

Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming in het kader Natura 2000, weidevogelleefgebied en NNN is niet aan de orde. Een voortoets is daarom niet nodig. Wel is een stikstofberekening nodig.

Aanbevelingen • • •

Onderzoek naar vleermuizen uitvoeren (5 bezoeken in periode half mei- 1 oktober conform het vleermuisprotocol 2017). Uitvoeren van een stikstofberekening voor sloop en nieuwbouw met behulp van het programma Aerius. Ophangen 3 vleermuiskasten en 1 kraamkast.

17

Literatuurlijst BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HOOGENBOOM, D., W. RUITENBEEK, F. VISBEEN & JAN WONDERGEM, 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren 1989-2014. Landschap Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdier Studiegroep. HERDER, J., J. KRANENBARG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS &K. DEKKER, 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012. Landschap Noord-Holland, Stichting RAVON. JANSSEN, J.A.M., J.H.J SCHAMINÉE, 2004. Europese Natuur in Nederland, Soorten van de habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht. KAAG, K., K. VELING, F. VISBEEN EN K. SCHARRINGA, 2012. Vlinders van Duin tot Dijk : De dagvlinders van Noord-Holland 2000-2009. Landschap Noord-Holland, De Vlinderstichting. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997.

Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. NEDERLANDSE VERENIGING VOOR LIBELLENSTUDIE 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). – Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. NIE, H.W. DE, 1997. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. 2e herziene druk. Media Publishing Int. bv, Doetinchem. RIET, B. VAN DE, H. VAN DER GOES, T. BAAS, C. VAN DEN TEMPEL, W. MENKVELD & F. VISBEEN, 2014. Atlas van de Noord-Hollandse flora. Landschap Noord-Holland. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland.

18

SOVON, 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Sovon, Nijmegen. STUMPEL, TON, STRIJBOSCH, HENK. 2006. Veldgids Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Utrecht. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING (2017). Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl

19

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=6b8f63dc-b61c-4533-85c8-1d04ba795e7d