Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing ▪
het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ▪ ▪ ▪ ▪
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied); Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie projectgebied
Afbeelding 4.1:
Situatie projectgebied comfort de externe veiligheid (bron: Atlasleefomgeving)
In afbeelding 4.1 is te zien dat er een buisleiding op circa 108 meter van het projectgebied ligt. Deze buisleiding vormt een risico voor het projectgebied. Hierom heeft BJZ.nu een onderzoek uitgevoerd op de externe veiligheid van het projectgebied. Volgens het Besluit externe veiligheid buisleidingen worden gemeenten verplicht om bij het opstellen van bestemmingsplannen of een projectafwijkingsbesluit (waboprojectbesluit) rekening te houden met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten. Het gaat om indicatief 2,4 extra personen per woning. Dit aantal is gebaseerd op kengetallen zoals deze ook zijn opgenomen in het Bevb (Besluit externe veiligheid buisleidingen), die worden gebruikt bij berekeningen in het kader van externe veiligheid. In de directe nabijheid van het plangebied ligt een aardgasleiding van de Gasunie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing Met behulp van het programma CAROLA is bepaald of voldaan wordt aan de risiconormen voor de externe veiligheid, zoals die zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. De gebruiker kan de risico's berekenen op basis van locatiespecifieke leidinggegevens, die bij de leidingeigenaar moeten worden opgevraagd. Het resultaat van een berekening bestaat uit de plaatsgebonden risicocontouren (PR-contouren) en de FN- curve voor het groepsrisico (GR). Het rekenpakket beschikt over een functionaliteit waarmee wordt bepaald bij welke leidingkilometer de grootste overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt bereikt. De CAROLA-berekening ten behoeve van ontwikkeling aan de Beukenlaan te Heerhugowaard toont aan dat het groepsrisico kleiner is dan 0.1 van de oriëntatiewaarde. (GR < 0.1) Met andere woorden: de uitvoering van het project is op basis het CAROLA-onderzoek in het kader van het groepsrisico aanvaardbaar. In relatie tot het plaatsgebonden risico wordt opgemerkt dat er rondom de onderzochte buisleidingen, binnen het projectgebied geen risicocontouren van 1E-6 aanwezig zijn en conform de wetgeving (Besluit externe veiligheid buisleidingen) er dan ook geen sprake is van een knelpunt (saneringsgeval). Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4. 4.4.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met betrekking tot het aspect ‘externe veiligheid’ ten aanzien van buisleidingen, het plan past binnen een ‘goede ruimtelijke ordening’.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds’. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ▪ ▪
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden of zijn gesitueerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden, te weten 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Het buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie) is, evenals een stiltegebied of een natuurgebied, een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Het projectgebied bevindt zich in een woongebied, maar waar in de korte nabijheid langs het lint van de Beukenlaan ook bedrijven en maatschappelijke functies voorkomen. Daarom wordt uitgegaan van een gemengd gebied’. In de tabel hieronder zijn de richtafstanden zichtbaar. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’ 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype ‘gemengd gebied’ 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: a. b.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. De 16 te realiseren seniorenwoningen zijn niet milieubelastend. Hiermee wordt er van uitgegaan dat de voorgenomen ontwikkeling (ten aanzien van de aspecten geluid, stof en gevaar) geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van omliggende functies. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het projectgebied bevinden zich enkele bedrijven aan de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing zuidoostzijde. Het gaat hier om de Waerderwerk en het gemeentewerf. Verder zijn er rond het projectgebied woningen gevestigd. Deze zijn niet milieubelastend en worden daarom niet meegenomen in de onderstaande tabel. Adres/Bestemming
Functie
Categorie
Grootste richtafstand (rustige woonwijk)
Werkelijke (kortste) afstand
Beukenlaan 23
Kantoren en bedrijvigheid
2
10 m (geluid)
Ca. 10 m
Beukenlaan 25
Gemeentewerf
3.1
30 m (geluid)
Ca. 55 m
De richtafstanden van beide bedrijven worden gehaald. Hiermee wordt er vanuit gegaan dat het aspect ‘milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.6.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
Stikstofberekening Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Eilandpolder” bevindt zich op ruim 6,8 kilometer afstand van het projectgebied. Op de linkerafbeelding in afbeelding 4.2 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van dit Natura 2000-gebied weergegeven. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is inzicht in de te verwachten effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden nodig. BJZ.nu is gevraagd om de te verwachten stikstofemissie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en de eventuele gevolgen daarvan inzichtelijk te maken. De stikstofberekening is uitgevoerd met behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator 2023 In het AERIUS-rapport (opgenomen in bijlage 5) wordt een toelichting op de AERIUS berekening gegeven. Geconcludeerd wordt dat in de toekomstige aanleg- en gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing Natura 2000-gebieden. Het project voldoet daarmee in het kader van de Wet natuurbescherming aan de voortoets.
Afbeelding 4.2
Ligging van het projectgebied ten opzichte van Natura 2000 (Bron: AERIUS Calculator)
4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied bevindt zich op circa 125 meter van het NNN. Het projectgebied is daarmee niet gelegen in het concreet begrensde NNN, waardoor kan worden aangenomen dat de ontwikkeling niet leidt tot een wezenlijke aantasting van de waarden en kenmerken van het NNN. 4.6.3
Soortenbescherming
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Omdat het gaat om de realisatie van 16 woningen in een ‘’tuin’’ bestemming is er een quickscan flora en fauna gedaan door Ecofect. Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen. Ten aanzien van de flora, vogels, vleermuizen en zoogdieren wordt er geen overtreding verwacht van de wet natuurbescherming. Ten aanzien van overige soorten mogelijk overtreding Wet natuurbescherming verwacht. Het wordt noodzakelijk geacht dat voorafgaand en tijdens de werkzaamheden een reptielen/amfibieën scherm geplaatst zal worden. Voor de volledige quickscan flora/fauna wordt verwezen naar bijlage 6. 4.6.4
Conclusie
Mits er een reptielen/amfibiën scherm wordt geplaatst voorafgaand en tijdens de werkzaamheden, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
4.7
Archeologie & cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied Op basis van het geldende bestemmingsplan “Bestemmingsplan De Draai 2019” is er in het projectgebied geen archeologische dubbelbestemming aanwezig. Hierdoor kan een archeologisch onderzoek achterwege gelaten worden. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Het projectgebied kent op basis van de Cultuurhistorische kaart van de Atlas Leefomgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het projectgebied is er wel sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan De Draai 2019’ heeft het projectgebied ‘Waarde – Cultuurhistorie’. De cultuurhistorische waarde van de Beukenlaan is een half open lint. In voorliggend geval bestaat het projectgebied uit braakliggende en bouwrijp gemaakte grond. Binnen het projectgebied zijn geen cultuurhistorische, bouwhistorische en beeldbepalende elementen (meer) aanwezig.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling dan ook geen verdere afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarden van de locatie. 4.7.3
Conclusie
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
4.8
Besluit milieueffectrapportage
4.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 3, plannen); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 4, besluiten); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. beoordeling gehanteerd. In deze paragraaf vindt deze vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats. 4.8.2
Situatie projectgebied
4.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het projectgebied ligt op respectievelijk circa 6,8 kilometer afstand van stikstofgevoelige Natura 2000gebieden ‘Eilandspolder’. Door BJZ.nu is er een stikstofberekening gedaan hieruit is de volgende conclusie naar voren gekomen. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan. Dit betekent dat de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.
Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.
Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieuen omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 4.8.3
Conclusie
Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk het de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5 5.1
WATERASPECTEN
Inleiding
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
5.2
Beleidskaders
5.2.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.2.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 5.2.3
Watervisie 2021 “Buiten de oevers”
In de Watervisie 2021 staan de ecologische doelen voor niet-natuurlijk oppervlaktewater. Deze doelen zijn afgestemd met de waterbeheerders. Ook staan in de Watervisie maatregelen om de kwaliteit van het grondwater in de bodem van Noord-Holland te verbeteren.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing 5.2.4
Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
In het Waterplan 2022 – 2027 presenteert het Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de koers voor de periode 2022- 2027 en de opgaven waar Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zelf, met anderen, aan werken. Met waterbeheer zorgt het waterschap voor voldoende, gezond en schoon water om van te leven, er te werken en te recreëren, voor mens, dier en natuur. De wereld om ons heen staat niet stil. Integendeel, we leven in een dynamische tijd met meerdere wereldwijde transities en crises. Klimatologisch, ecologisch, technologisch en maatschappelijk verandert er veel. In dit programma presenteert het hoogheemraadschap het beleid, de maatregelen, de programma’s en de projecten die zij in die periode gaan uitvoeren. De Keur van het Waterschap is een vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. In dit kader is het van belang te weten dat langs hoofden overige watergangen een zone ligt van respectievelijk 5 meter en 2 meter ter bescherming van het profiel en onderhoud. Ook langs waterkeringen ligt een (variabele) zone voor bescherming en onderhoud van de waterkeringen. Voor het realiseren van bouwwerken en het uitvoeren van werken binnen deze zone dient ontheffing van de Keur te worden aangevraagd.
5.3
Waterparagraaf
5.3.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het projectgebied ligt in het beheergebied van Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. 5.3.2
Watertoetsproces
Het Hoogheemwaterschap Hollands Noorderkwartier is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van toepassing is. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het Hoogheemwaterschap Hollands Noorderkwartier heeft geadviseerd om in het ontwerp van het plan het principe van ruimtelijke adaptatie op te nemen. Zo zou kunnen worden gedacht aan het aanbrengen van 'groene daken' op nieuwe gebouwen, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en waterberging capaciteit. Ook kan bij bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer vertragende onderlaag of waterberging op straat en in verlaagde groenstroken. In voorliggend geval is het projectgebied omringd door een sloot. In de toekomstige situatie blijft dit ook behouden en wordt de sloot verbreed. Hierdoor is er genoeg capaciteit voor waterberging in het projectgebied. Ook wordt er bij een aantal parkeerplaatsen gebruik gemaakt van waterdoorlatende verharding. Het afvalwater van de te realiseren woningen wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering. 5.3.3
Conclusie
Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggend geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 7 7.1
VOOROVERLEG
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
7.2
Provincie Noord-Holland
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt in het kader van vooroverleg toegezonden naar de provincie Noord-Holland.
7.3
Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (NHN)
De Omgevingsdienst NHN is middels een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling geïnformeerd over het voornemen. In bijlage 5 is het besluit op de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. De Omgevingsdienst deelt de in deze ruimtelijke onderbouwing conclusie dat de ontwikkeling niet gepaard gaat met negatieve milieueffecten. Het vooroverleg is hiermee afgerond.
7.4
Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier
Het waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het plan is in het kader van vooroverleg naar het waterschap toegezonden. Voor alle voor dit plan relevante watergerelateerde onderwerpen zijn in dit document uitgangspunten opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1
Ladder van duurzame verstedelijking
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 3
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 4
Externe veiligheid
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 5
AERIUS-berekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 6
Quickscan flora en fauna
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Heerhugowaard, Beukenlaan ong. Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 7
Watertoets
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44