CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - NL.IMRO.1980.TAM22EURBANCNCTHHW-VA01_Toelichting

Gemeenteraad 24 juni 2025, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard17.350 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

25 wijken op enkele punten af, maar ook hier kan de conclusie worden getrokken dat bij een ondergeschikte functie als een bedrijf aan huis geen sprake zal zijn van een overschrijding van de geluidswaarden. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plan is op het gebied van milieubelastende activiteiten uitvoerbaar.

3.5

M.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa: de mer-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten; de smb-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma's. Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn. De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m.e.r. is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffect-rapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Er zijn twee situaties waarin een plan-merbeoordeling aan de orde kan komen: Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een plan-mer-beoordeling is aan orde indien: Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft; Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Beschouwing Ten behoeve van de project-merbeoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 1). Hieruit volgt dat de kenmerken van de activiteit en de mogelijke gevolgen voor het milieu geen aanleiding geven voor het opstellen van een milieueffectrapportage.

3.6

Gezondheid

De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. Beschouwing "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

26

De gemeente Dijk en Waard heeft nog geen specifiek beleid vastgesteld met betrekking tot gezondheid. Gelet op de conclusies met betrekking tot de in dit hoofdstuk benoemde aspecten omtrent de effecten of de fysieke leefomgeving, kan met betrekking tot gezondheid worden geconcludeerd dat er als gevolg van het project geen sprake is van negatieve effecten.

3.7

Geluid

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet). De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen: houd rekening met geluid; voorzie in aanvaardbaar geluid. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen.

Er wordt daarbij gewerkt met een standaardwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl. De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Er dient een afweging te worden gemaakt waarom bepaalde geluidsniveaus aanvaardbaar zijn. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk. Beschouwing De voorgenomen woningbouw ligt binnen de geluidszone van verschillende nabijgelegen wegen.

Ten behoeve van het omgevingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarbij de geluidbelasting in het toekomstig maatgevende jaar is bepaald ten gevolge van de genoemde wegen ter plaatse van de gevels van het nieuwbouwplan (zie Bijlage 2). De optredende geluidsbelasting is getoetst worden aan de grenswaarden uit de Omgevingswet. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende: Het geluid ten gevolge van de provinciale weg en de gemeentelijke wegen voldoet aan de grenswaarde uit de Omgevingswet. Het geluid ten gevolge van de provinciale weg en de gemeentelijke wegen voldoet niet aan de standaardwaarde uit de Omgevingswet. Het gecumuleerde geluid valt voor alle voorgevels van de woningen in de categorie 'matig' van het RIVM. Voor alle woningen worden geluidluwe gevels of buitenruimtes (loggia) gerealiseerd, alwaar voldaan wordt aan de classificatie 'redelijk' of 'goed'. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn in deze situatie niet doelmatig dan wel niet gewenst vanuit verkeerskundig en stedenbouwkundig oogpunt. In het akoestisch onderzoek zijn tevens maatregelen bij de ontvanger qua principe uiteengezet teneinde een aanvaardbaar akoestisch- woon- en leefklimaat te realiseren. Bij de appartementen waar sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde en voor "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

27 welke de geluidkwaliteitklasse 'matig' geldt, wordt voorzien in een geluidluwe gevel, danwel een buitenruimte (loggia) waar voldaan wordt aan de standaardwaarde. Het gezamenlijke geluid Lg bedraagt 38 tot 60 dB. Binnen de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bepaalt het gezamenlijke geluid de minimaal vereiste geluidwering van de gevel. De benodigde geluidwering van de gevel bedraagt ten hoogste 27 dB (gezamenlijk geluid 60 dB minus 33 dB). Bij de nadere uitwerking van het ontwerp van het bouwplan zal hiermee rekening worden gehouden. Toetsing vindt plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Het aspect geluid vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.

3.8

Geur

De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering’. Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf.

Beschouwing De beoogde woningen binnen het plangebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van geurveroorzakende bedrijven. Bovendien zijn binnen het plangebied reeds geurgevoelige objecten mogelijk op basis van de huidige bestemming.

3.9

Trillingen

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. Paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat gaat over trillingen. In artikel 22.88 Bruidsschat zijn waarden voor continue trillingen opgenomen. Beschouwing Het plangebied ligt op meer dan 300 meter afstand van het spoortraject. Gelet op deze afstand is voldoende aannemelijk dat ter plaatse van de woningen geen sprake zal zijn van trillingshinder..

3.10

Lichthinder

In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen. Voor lichthinder bij sportvelden bevat de Bruidsschat specifieke regels. Beschouwing "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

28

Er is bij de voorliggende ontwikkeling geen sprake van de invloed van kunstlicht afkomstig uit tuinbouwkassen. Ook is er geen sprake van de realisatie of invloed van sportvelden. Binnen het plangebied wordt openbare verlichting toegepast. Deze worden zodanig toegepast dat lichthinder op woningen wordt voorkomen. Er hoeven geen (extra) regels in voorliggend TAM-omgevingsplan te worden opgenomen.

3.11

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.

In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Beschouwing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal148 woningen in combinatie met werkruimten met een oppervlak van maximaal 1.000 m². Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Tevens is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd om de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied vast te stellen. Hieruit blijkt dat ten aanzien van NO2, PM10, PM2,5 en EC geen grenswaarden worden overschreden in de omgeving van het plangebied. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied.

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.12

Windhinder

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bij hoogbouwinitiatieven aandacht te worden besteed aan de effecten van de hoogbouw op de omgeving, waaronder windhinder. Vereiste voor een aanvaardbaar wildklimaat is dat het gevaarcriterium niet wordt overschreden en dat er voldoende aandacht is voor het windklimaat ter plaatse van entrees en buitenruimten. Beschouwing De beoordeling van windhinder vindt plaats aan de hand van NEN norm 8100. Uit de rechtspraak volgt dat in ieder geval bij bebouwing hoger dan 30 meter windhinder wordt getoetst aan deze norm. De maximum bouwhoogte binnen het plan Urban Connection bedraagt 25 meter. Er wordt geen windhinder "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

29 verwacht.

3.13

Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risico-grenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Beschouwing Voor de locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 3). In de boven- en ondergrond zijn geen verhogingen aangetoond. In het grondwater zijn eveneens geen verhogingen aangetoond. Op grond van de uitkomsten van het bodemonderzoek zijn er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw en nieuwe functie.

3.14

Water

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder. Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. Hieronder zijn de hoofdlijnen van het waterbeleid op verschillende overheidsniveau's beschreven. Europese Kaderrichtlijn Water Sinds december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. De belangrijkste doelstel- ling is het geven van een kader voor het beheer van oppervlaktewater en grondwater op basis van stroomgebieden en stroomgebieddistricten. De richtlijn wil het duurzaam gebruik van water bevorderen en de gevolgen van overstroming en droogte beperken. Daarnaast wil de richtlijn de aan water gebonden natuur beschermen en verbeteren met als uitgangspunt een goede ecologische toestand van het water. De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft onderzocht welke maatregelen genomen kunnen worden om Nederland ook in de toekomst veilig en leefbaar te houden. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Waterbeleid voor de 21e eeuw'.

De belangrijkste aanbevelingen waren: anticiperen in plaats van reageren, meer ruimte naast techniek en 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw, heeft het kabinet zijn standpunt bepaald in de nota 'Anders omgaan met water' (2000). Deze Nota benadrukt dat het antwoord op de problemen niet alleen ligt in technische oplossingen, maar vooral ook in het ruimte geven aan water (flexibel peilbeheer en ruimtelijke maatregelen in de vorm van calamiteitenberging, piekberging en voorraadbeheer, etc.). Daarnaast moet meer gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om water vast te houden. Als meer water vasthouden niet zomaar gaat, moeten er voorzieningen worden aangelegd om tijdelijk water te bergen. Pas als deze twee mogelijkheden, vasthouden en bergen, zijn gebruikt mag het overtollige water worden afgevoerd. Nota “Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw” Met de nota Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw wil het Rijk een ander waterbeleid realiseren. Er moet geanticipeerd worden op een stijgende zeespiegel, een stijgende rivierafvoer, bodemdaling en een toename van de neerslag. Nieuwe ruimtelijke besluiten mogen de problematiek van "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

30 veiligheid en wateroverlast niet ongemerkt vergroten. Bij nieuwe ruimtelijke besluiten moeten de gevolgen voor veiligheid en wateroverlast expliciet in beeld worden gebracht. De nota geeft twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten. Voor waterkwantiteit bestaat die uit vasthouden, bergen en afvoeren. Voor waterkwaliteit is het schoonhouden, scheiden en zuiveren. Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water, relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied, vergroting van het waterbergend vermogen met name in de stadsranden, verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de belevingswaarde van water, en kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.

Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast voor de periode 2022 – 2027. Uitgangspunt is schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw, heeft het kabinet zijn standpunt bepaald in de nota 'Anders omgaan met water' (2000). Deze Nota benadrukt dat het antwoord op de problemen niet alleen ligt in technische oplossingen, maar vooral ook in het ruimte geven aan water (flexibel peilbeheer en ruimtelijke maatregelen in de vorm van calamiteitenberging, piekberging en voorraadbeheer, etc.). Daarnaast moet meer gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om water vast te houden. Als meer water vasthouden niet zomaar gaat, moeten er voorzieningen worden aangelegd om tijdelijk water te bergen. Pas als deze twee mogelijkheden, vasthouden en bergen, zijn gebruikt mag het overtollige water worden afgevoerd. Nota “Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw” Met de nota Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw wil het Rijk een ander waterbeleid realiseren. Er moet geanticipeerd worden op een stijgende zeespiegel, een stijgende rivierafvoer, bodemdaling en een toename van de neerslag. Nieuwe ruimtelijke besluiten mogen de problematiek van veiligheid en wateroverlast niet ongemerkt vergroten.

Bij nieuwe ruimtelijke besluiten moeten de gevolgen voor veiligheid en wateroverlast expliciet in beeld worden gebracht. De nota geeft twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten. Voor waterkwantiteit bestaat die uit vasthouden, bergen en afvoeren. Voor waterkwaliteit is het schoonhouden, scheiden en zuiveren. Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water, relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied, vergroting van het waterbergend vermogen met name in de stadsranden, verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de belevingswaarde van water, en kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water. Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast voor de periode 2022 – 2027. Uitgangspunt is schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.

Beschouwing Voor het plan is advies gevraagd aan het HHNK in het kader van de watertoets via www.dewatertoets.nl. Vanwege de toename aan verharding dient de normale procedure te worden gevolgd voor de watertoets. Er heeft overleg met HHNK plaatsgevonden over het plan. Verharding en compenserende maatregelen "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

31

Het (beperkte) te dempen wateroppervlak wordt één op één teruggegraven. Daarnaast wordt er verharding toegevoegd. Op grond van de Keur geldt een compensatieplicht vanaf een toename aan verharding van 800 m2. Het plangebied is in de huidige situatie volledig onverhard. De toename aan verhard oppervlak bedraagt circa 7.000 m². Watercompensatie als gevolg van een toename in bebouwd en verhard oppervlak is daarom nodig. Het graven van open water is bij deze ontwikkeling nauwelijks mogelijk. Om die reden is in overleg met het HHNK besloten om alternatieve waterberging in de vorm van een buffervoorziening onder de parkeervakken aan te leggen. De precieze uitwerking wordt aan het HHNK voorgelegd bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor wateractiviteiten. HHNK heeft aangegeven dat door de verhardingstoename 483m3 aan waterberging benodigd is. Tevens moet worden voldaan aan de T=70 (T= mm regen per uur) eis van de gemeente. Het project zal voorzien worden van een buffervoorziening van voldoende capaciteit (483 m3). Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekop- peld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het HHNK om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd.

Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Er is binnen het plan geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Vergunningen en ontheffingen Voor eventuele werkzaamheden binnen 5 meter van de naastgelegen waterloop dient een watervergunning bij het HHNK te worden aangevraagd. Conclusie Uit de watertoets blijkt dat het TAM-omgevingsplan voldoende ruimte biedt aan water en de eisen die worden gesteld vanuit het HHNK.

3.15

Klimaatadaptatie

Met het veranderende klimaat wordt het steeds belangrijker om ruimtelijke ontwikkelingen klimaatadaptief te realiseren. Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie werkt aan een klimaatbestendig en waterrobuust Nederland vanuit zeven ambities, en doet dat in een cyclisch proces. Dat betekent dat de resultaten en plannen vanuit de ambities eens in de zoveel tijd worden geëvalueerd. Hoofdpunten zijn: goede bescherming tegen overstromingen voldoende zoetwater een klimaatbestendige inrichting In paragraaf 2.6.9 is ingegaan op het Beleidsplan Klimaatadaptatie Dijk en Waard. Beschouwing Uit de klimaatadaptatietoets (zie Bijlage 4) volgt dat op de meeste thema's wordt voldaan aan de grenswaarden. De overige aspecten krijgen nadere aandacht in de verdere uitwerking van het plan. Om schade te beperken bij overstromingen zal het nieuwe vloerpeil 20cm boven het peil van de J. Duikerweg geplaatst worden (2,55m -NAP). Op het binnenterrein worden onder de parkeervakken buffervoorzieningen aangebracht. Op de buffervoorziening worden de platte daken en het verharden binnenterrein aangesloten. De voorziening heeft voldoende capaciteit hebben om 490m3 op te vangen, waarmee wordt voldaan aan het bergen van een piekbui van 70mm regen per uur. Uit infiltratieonderzoek blijkt dat de bodem nauwelijks geschikt is voor het infiltreren van hemelwater (zie Bijlage 5).

De buffervoorziening zal daarom nauwelijks infiltreren "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

32 naar de bodem en grotendeels vertraagd afvoeren naar het naastgelegen oppervlaktewater. In het ontwerp wordt tevens aandacht besteed aan droogte, hitte en overstroming (zie paragraaf 3.16).

3.16

Duurzaamheid

In de uitvoering van het omgevingsplan zal aandacht worden besteed aan het aspect duurzaamheid. Duurzaam bouwen betreft een wijze van plannen, bestemmen, ontwerpen, bouwen, inrichten en beheren (inclusief slopen en hergebruik) van de te realiseren woningen. Duurzaamheidsaspecten waar bij de bouw van de woningen aan moet worden gedacht zijn: energiehuishouding, materiaalgebruik, watergebruik, gezondheid, comfort, toekomstbestendigheid, etc. In de Lokale Energie Strategie (zie paragraaf 2.6.8) is de ambitie op het gebied van duurzaamheid vastgelegd. Het streven is een energieneutraal Heerhugowaard in 2030. Daarnaast wordt gewerkt naar een klimaatrobuuste stad. Beschouwing Hieronder wordt ingegaan op de aspecten energie, mobiliteit, klimaatadaptatie en natuur. Energie De gebouwen worden goed geïsoleerd waarmee de energievraag zoveel mogelijk wordt beperkt. De gebouwen worden gasloos. Voor warmteopwekking wordt onderzocht of er gebruik wordt gemaakt van een aansluiting op het regionale warmtenet of dat er gebruik wordt gemaakt van een bron met bodemwarmte. Zonnepanelen en warmte-terugwininstallaties zorgen voor energieopwekking en -terugwinning. De woningen zullen voldoen aan de BENG-norm. Mobiliteit In de plannen worden alle sociale woningen voorzien van een individuele berging waar ruimte is voor de fiets.

De entrees van de deze bergingen zijn dicht gelegen bij de woning entrees om loopafstanden zo klein mogelijk te houden en deze goed bereikbaar te maken. Daarnaast worden er centraal en direct gelegen naast de hoofdentrees, gemeenschappelijke fietsenvoorzieningen op maaiveld toegevoegd, in de vorm van fietsnietjes, zodat gebruikers snel en gemakkelijk hun fiets kunnen plaatsen of gebruiken. Klimaatadaptie Het klimaat verandert. De stijging van de gemiddelde temperatuur brengt extremer weer met zich mee: natter, droger en heter. Met de directe ligging aan een forse waterplas is in watervoorziening voor planten in voldoende mate voorzien. Op het binnenterrein worden onder de parkeervakken buffervoorzieningen aangebracht in de vorm van infiltratiekratten of lavakoffers. Op de buffervoorziening worden de platte daken en het verharde binnenterrein aangesloten. De voorziening zal voldoende capaciteit hebben om 490m3 op te vangen, waarmee wordt voldaan aan het bergen van een piekbui van 70mm regen per uur. De bodem is nauwelijks geschikt voor het infiltreren van hemelwater. De buffervoorziening zal daarom niet infiltreren naar de bodem, maar afvoeren naar het naastgelegen oppervlaktewater. In het ontwerp wordt tevens aandacht besteed aan droogte, hitte en overstroming.

Droogte Bij de verdere uitwerking van de maaiveldinrichting zal gekeken worden naar de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG). Door bij de keuze van de groenvoorziening met de GLG rekening te houden wordt sterfte van openbaar groen door droogte zoveel mogelijk voorkomen. Hitte Bij het ontwerp van de maaiveldinrichting is bij het bepalen van de buitenverblijfsgebieden rekening gehouden met een schaduwrijk klimaat. Alle woningen in het plan zullen voldoen aan de BENG-eisen waarmee een comfortabel binnenklimaat "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

33 gegarandeerd wordt. Indien er koeling wordt toegepast zal onderzocht worden hoe het opwarmen van de directe omgeving zoveel mogelijk voorkomen kan worden. Overstroming Om schade te beperken bij overstromingen zal het nieuwe vloerpeil 20cm boven het peil van de Jan Duikerweg geplaatst worden. Door de aard van het gebouw zijn er voldoende mogelijkheden om in geval van schuilen en evacueren hoger gelegen niveaus te bereiken om daar vandaan geëvacueerd te kunnen worden. Natuur Ten aanzien van de biodiversiteit zullen diverse nestkasten voor vogels en vleermuizen worden geplaatst. Plaatselijk worden er ook inheemse stuiken geplaatst die bijdragen aan de biodiversiteit. Op het binnenterrein zullen inheemse boomsoorten geplaatst worden.

3.17

Natuur en ecologie

De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling blijft grotendeels ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang.

Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

34 leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. Beschouwing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan natuur uitgevoerd (zie Bijlage 6). De quickscan is er op gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effect-onderzoek en nadere procedures. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op meer dan 7 kilometer afstand van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden Eilandspolder en Noordhollands Duinreservaat. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Gezien de toename van stikstofemissie door de bouw van de woningen in zowel de gebruiksfase als aanlegfase zijn stikstofberekeningen met het programma Aerius uitgevoerd (zie Bijlage 7). Uit deze berekeningen volgt dat de maximale projectbijdrage in de aanlegfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Uitvoering van de plannen leidt niet tot een verslechtering van de natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Ook in de gebruiksfase is geen sprake van een verslechtering van de natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden (bijdrage 0,00 mol/ha/jaar). Het plangebied bevindt zich niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Bijzonder provinciaal landschap. Externe werking is niet aan de orde. Deze gebieden liggen op ruime afstand van het plangebied. De bepalingen van de Omgevingsverordening NH2022 worden niet overtreden. Soortenbescherming Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen 'vrijgestelde' soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Verder zijn de volgende bevindingen gedaan: In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig.

Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli; Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (sperwer en ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken; Voor incidenteel aanwezige kleine marterachtigen in de directe omgeving van het plan- gebied wordt geen belangrijk negatief effect verwacht vanwege de grootte van het plangebied en de ruime aanwezigheid vergelijkbaar en beter biotoop in de naaste omgeving. De dieren kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen; In de bebouwing rondom het plangebied kunnen mogelijk vleermuizen verblijven. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat 's nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord.

Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. De watergang langs het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter tijdens de aanleg maar ook later niet dusdanig veranderen dat belangrijke "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

35 gevolgen worden verwacht. Geconcludeerd wordt dat er met betrekking tot natuur geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan.

3.18

Externe veiligheid

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De gemeente stelt in het omgevingsplan regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt ook in dat ze voldoende rekening houdt met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om: de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties rekening houden met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Anderzijds gelden er aandachtsgebieden voor bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met het groepsrisico. Ook gaat het om het afwegen van beschermende maatregelen voor mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren. De aandachtsgebieden gelden zodra de activiteit wordt verricht. Het werken met aandachtsgebieden is een andere manier van omgaan met het groepsrisico. De regels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels over extra bouweisen bij nieuwbouw in een (brand- of explosie)voorschriftengebied staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Beschouwing Aan de hand van de gegevens op de Risicokaart van www.atlasleefomgeving.nl is nagegaan welke risicovolle activiteiten en bronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. De bebouwing binnen het plangebied is gesitueerd nabij de N242. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt op meer dan 200 meter van de N242. De ontwikkeling heeft geen invloed op het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg. Ten westen van het plangebied ligt de spoorlijn Alkmaar – Den Helder.

Op dit traject vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. In de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen en buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen aanwezig. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.19

Mobiliteit

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een omgevingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. Beschouwing Verkeer "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

36

De CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgene- ratie' geeft kencijfers voor de te verwachten verkeersgeneratie per functie. In de toekomstige situatie zijn 148 appartementen in het plangebied voorzien, in de categorie 'huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)'. De verkeersgeneratie is bepaald op grond van de kencijfers in de CROW-publicatie 381 waarbij is uitgegaan van het omgevingstype 'sterk stedelijk' en de ligging in de categorie 'rest bebouwde kom'. In onderstaande tabel is de te verwachten verkeersgeneratie opgenomen.

Type woning

Aantal

Kencijfer Totaal Verkeersgeneratie (gemiddeld)

Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)

83

3,6

298,8

Koop, appartement, goedkoop

65

4,9

318,5

Bedrijfsverzamelgebouw (per 100 m2)

10

6,4

64

TOTAAL

681,3

Tabel 1: Overzicht verkeersgeneratie De totale verkeersgeneratie bedraagt circa 681 motorvoertuigen per dag. De locatie wordt goed ontsloten op de Westtangent waardoor geen knelpunten in de verkeersafwikkeling worden verwacht. De Abe Bonnemaweg en Westtangent hebben, gelet op de huidige verkeersintensiteiten, voldoende capaciteit om dit extra verkeer te kunnen verwerken. Uit het verkeersonderzoek dat is uitgevoerd voor het nabijgelegen woningbouwplan Westpoort volgt dat de afwikkeling van het verkeer op de kruising van de Abe Bonnemaweg en de Westtangent aandacht vraagt. De kruising wordt aangepast met een extra rechtsafstrook vanaf de Abe Bonnemaweg richting de Westtangent. Vanuit de gemeente Dijk en Waard vindt een netwerkanalyse plaats naar de doorstroming van het verkeer binnen de gehele gemeente. Op basis hiervan zullen maatregelen worden getroffen aan het netwerk. Parkeren Op 20 december 2022 heeft de gemeenteraad van Dijk en Waard de Nota Parkeernormen 2022 vastgesteld. Deze Nota bevat beleidsregels voor parkeren bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt binnen het gebied 'Rest bebouwde kom'. De parkeerberekening is als bijlage bij dit omgevingsplan opgenomen (zie Bijlage 8). Conform het gemeentelijk beleid bedraagt de parkeervraag in een situatie zonder dubbelgebruik 216 parkeerplaatsen.

Wanneer dubbelgebruik wordt toegepast bedraagt de parkeerbehoefte op het maatgevende moment (werkdagavond) 177,1 parkeerplaatsen. Het parkeeraanbod in het plan bedraagt 178 parkeerplaatsen. Er wordt met betrekking tot het benodigde aantal parkeerplaatsen voldaan aan de Nota Parkeernormen 2022. Fietsparkeren In de plannen worden alle sociale woningen voorzien van een individuele berging waar ruimte is voor de fiets. De entrees van de deze bergingen zijn dicht gelegen bij de woning entrees om loopafstanden zo klein mogelijk te houden en deze goed bereikbaar te maken. Daarnaast worden er centraal en direct gelegen naast de hoofdentrees, gemeenschappelijke fietsenvoorzieningen op maaiveld toegevoegd, in de vorm van fietsnietjes, zodat gebruikers snel en gemakkelijk hun fiets kunnen plaatsen of gebruiken. Indien gebruikers van de plint functies, gelegen onder de koopwoningen, met de fiets komen is hier meer dan voldoende ruimte rondom deze functies voor gereserveerd zonder dat dit invloed heeft op de omgeving. In de nieuwe nota zijn ook uitgangspunten voor het fietsplekken opgenomen. Daarnaast vraagt de nieuwe berekenmethodiek in de parkeernota om 0,5 fietsstalplaats per woning nabij de ingangen van de "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

37 complexen in het openbaar gebied Dit betekent 148 x 0,5 = 72 fietsstalmogelijkheden. In het inrichtingsplan is hierin voorzien. De fietsstalplaatsen komen dichtbij de entrees.

3.20

Nutsvoorzieningen

Algemene rijksregels over kabels en leidingen staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zo staan er in het Bal bijvoorbeeld regels over het graven in de bodem en regels over het graven in bepaalde specifieke gebieden. En biedt het Bbl bijvoorbeeld duidelijkheid over welke buis- en leidingstelsels geen vergunning voor de bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit nodig hebben. Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Beschouwing Binnen het plangebied zijn geen kabels en (buis)leidingen aanwezig die moeten worden vastgelegd in het TAM-omgevingsplan. Voor de energievoorziening van de woningen zullen kabels en leidingen in de grond worden aangebracht. Dit zijn geen kabels en leidingen die moeten worden vastgelegd in het TAM-omgevingsplan. Dit aspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.

3.21

Samenvatting relevante omgevingsaspecten

Met inachtneming van hetgeen dat is omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages, is er met uitvoering van voorliggend plan sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

38

Hoofdstuk 4

Uitvoerbaarheid

4.1

Economische uitvoerbaarheid

4.1.1

Financiële haalbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. 4.1.2

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het bouwplan. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van nadeelcompensatie. Hiervoor is een overeenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente gesloten. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd in deze overeenkomst. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd. In het kostenverhaal wordt hiermee voldoende voorzien

4.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

4.2.1

Participatie

Belanghebbenden in de omgeving van het plangebied worden tijdens de procedure door de initiatiefnemers geïnformeerd. De enige relevante vooroverlegpartner is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het plan is voorgelegd aan het HHNK. De resultaten zijn opgenomen in paragraaf 3.14. 4.2.2

Vaststellingsprocedure

Het ontwerpbesluit van de wijziging van het omgevingsplan is met de de bijbehorende stukken vanaf 22 februari 2025 gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij door een ieder zienswijzen bij de gemeenteraad konden worden ingediend. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Beroep op het de vastgestelde wijziging van het omgevingsplan staat open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van de State. 4.2.3

Bezwaar en beroep

In de uitgebreide voorbereidingsprocedure die gevolgd wordt bij het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan, is het maken van bezwaar niet mogelijk. Hiervoor in de plaats bestaat namelijk de mogelijkheid om zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. Deze worden afgewogen en meegenomen in het definitieve besluit. Vervolgens staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van de State.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

39

Hoofdstuk 5 5.1

Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Een wijziging van het omgevingsplan kan alleen worden toegestaan wanneer er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De vraag is daarom of het initiatief leidt tot een situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Anders gezegd: is er na een zorgvuldige belangenafweging met het toestaan van de activiteit nog steeds, of weer, sprake van een evenwichtige toedeling? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (en voor zover betrekking hebbend op het initiatief) nader onderzocht en afgewogen.

5.2

Conclusie

Voorliggende ontwikkeling komt voort uit de grote woningbehoefte. Het plangebied betreft een onbebouwd perceel op bedrijventerrein Beveland. Het bedrijventerrein Beveland is een gemengde stedelijke zone, waar zowel wordt gewerkt als gerecreëerd, maatschappelijke voorzieningen aanwezig zijn, wordt gewoond en grootschalige perifere detailhandel is gevestigd. De combinatie van goede voorzieningen en vervoersmogelijkheden maken de plek tot een dynamisch gemengd stedelijk gebied. Beveland is goed ontsloten voor zowel mensen uit Heerhugowaard als voor bezoekers uit de omringende gemeentes. Het relevante beleid op alle niveaus is in hoofdstuk 2 beoordeeld, waaruit blijkt dat het initiatief passend is in het vigerende beleid. In hoofdstuk 3 zijn de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Wegverkeersgeluid is een aspect dat nog nadere uitwerking behoeft. In het uitgevoerde onderzoek komt naar voren dat gezien de de geluidbelasting boven de standaardwaarde uit komt. In het akoestisch onderzoek zijn maatregelen bij de ontvanger qua principe uiteengezet teneinde een aanvaardbaar akoestisch- woon- en leefklimaat te realiseren.

Bij de appartementen waar sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde en voor welke de geluidkwaliteitklasse 'matig' geldt, wordt voorzien in een geluidluwe gevel, danwel een buitenruimte (loggia) waar voldaan wordt aan de standaardwaarde. Op het gebied van verkeer vraagt de afwikkeling van het verkeer op de kruising van de Abe Bonnemaweg en de Westtangent aandacht. De kruising wordt aangepast met een extra rechtsafstrook vanaf de Abe Bonnemaweg richting de Westtangent. Er vindt vanuit de gemeente Dijk en Waard een netwerkanalyse plaats naar de doorstroming van het verkeer binnen de gehele gemeente. Op basis hiervan zullen maatregelen worden getroffen aan het netwerk. Alles overwegende is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een aanvaardbaar TAM-omgevingsplan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

40

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Algemeen

Door de komst van de Omgevingswet stellen alle gemeenten een omgevingsplan vast. Hierin komt een grote hoeveelheid regels over de fysieke leefomgeving bij elkaar. Denk aan regels over bouwen, gebruik van gebouwen, monumenten, water en milieubelastende activiteiten. Vanaf de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, heeft Dijk en Waard automatisch een tijdelijk omgevingsplan ‘van rechtswege’ gekregen. Daarin staan de huidige bestemmingsplannen nog gewoon zoals ze waren. Samen met specifieke regels over bouwen en milieu die van het Rijk naar de gemeenten zijn gaan. Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om een nieuw, samenhangend omgevingsplan te maken.

6.2

Verhouding tijdelijk omgevingsplan - Tam-omgevingsplan

Het tijdelijk omgevingsplan is gepubliceerd met een nieuwe digitale standaard (STOP-TP), waardoor het nog niet mogelijk is daarin wijzigingen van het omgevingsplan te publiceren. Daarom is er de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), waarmee wijzigingen van het omgevingsplan tijdelijk worden gepubliceerd via de oude digitale standaard (IMRO). Een TAM-omgevingsplan is juridisch gezien een wijziging van het omgevingsplan, maar digitaal gezien een zelfstandig plan. Een TAM-omgevingsplan wordt toegevoegd aan het omgevingsplan als hoofdstuk 22A, 22B enz. Het TAM-omgevingsplan sluit aan op de systematiek van de basisregeling. Voor voorliggend TAM-omgevingsplan betekent dit dat voor de Algemene bepalingen (begripsbepalingen) wordt aangesloten op de begripsbepalingen uit hoofdstuk 1 uit de basisregeling en waar nodig is aangevuld met voor dit TAM-omgevingsplan specifiek van toepassing zijnde begripsbepalingen. De overige regels van voorliggend TAM-omgevingsplan gelden deels in aanvulling en deels ter vervanging van de regels van het tijdelijk Omgevingsplan. De regels van voorliggend TAM-omgevingsplan gelden uitsluitend binnen het besluitgebied van dit TAM-Omgevingsplan.

6.3

Toelichting op de regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk zijn de begrippen opgenomen die relevant zijn voor voorliggend TAM-omgevingsplan. De begrippen werken aanvullend op artikel 1.1 uit het Omgevingsplan gemeente Dijk en Waard. In Artikel 2 zijn meet- en rekenbepalingen opgenomen waaruit blijkt hoe bijvoorbeeld de bouwhoogte of de goothoogte moet worden bepaald. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Binnen dit hoofdstuk zijn de toegelaten functies en gebruiksdoelen opgenomen. Gemengd De gronden van het plangebied hebben in dit omgevingsplan het gebruiksdoel Gemengd. Het maximaal aantal woningen en de maximale bouwhoogte is op de verbeelding weergegeven. Het maximum aantal woningen bedraagt 148. Uitsluitend in de eerste bouwlaag is in totaal maximaal 1.000 m2 aan dienstverlenende bedrijven en instellingen, maatschappelijke voorzieningen, kantoren, onderschikte detailhandel en niet zelfstandige horeca in categorie 1. Maatschappelijke voorzieningen zijn beperkt tot in totaal maximaal 400 m² BVO.

Ondergeschikte detailhandel is toegestaan met een maximum van 150 "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

41 m² BVO. De niet zelfstandige horeca is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de hiervoor genoemde functies met een maximum van 20% van het bruto vloeroppervlak. Waarde – Archeologie 5 De gronden van het plangebied zijn met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5 mede bestemd voor archeologische waarden. Aan de toekenning van deze bestemming ligt het archeologiebeleid Dijk en Waard ten grondslag. Hoofdstuk 3 Algemene regels In artikel 6 is aangegeven hoe het voorliggende TAM-omgevingsplan moet worden gelezen en hoe het zich verhoudt tot het Omgevingsplan gemeente Dijk en Waard. Op grond van de antidubbeltelregel (artikel 7) is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Deze bepaling voorkomt dat er meer kan worden gebouwd dan er wenselijk is indien een kavel wordt gesplitst en op grond daarvan een nieuw bouwperceel ontstaat. Elk bouwperceel heeft immers in principe recht op een bepaalde hoeveelheid bebouwing. Artikel 8 maakt duidelijk dat alleen de bouw- en gebruiksactiviteiten zijn toegestaan die zijn opgenomen in de regels. In artikel 9 zijn aanduidingsregels opgenomen voor het woongebied. Hierbij is aangegeven dat ter plaatse woongebouwen zijn toegestaan.

Artikel 10 geeft algemene gebruiksactiviteiten aan die gelden binnen het gehele plan. Artikel 11 geeft aan voor welke gevallen en onder welke voorwaarden het bevoegd gezag een binnenplanse omgevingsvergunning mag verlenen. Artikel 12 regelt dat bijbehorende bouwwerken uitsluitend in het achtererfgebied zijn toegestaan en dat dakkapellen en dakopbouwen moeten voldoen aan de Nota Ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 2022, met een dynamische verwijzing. Hiermee wordt geregeld dat automatisch een nieuwere versie van het beleid geldt wanneer deze wordt vastgesteld. In artikel 13 zijn meerdere dynamische beleidsverwijzingen opgenomen waaronder die voor parkeren. Bij verlening van een omgevingsvergunning dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In dit hoofdstuk is opgenomen dat de legale bebouwing en legaal gebruik binnen het plangebied dat in strijd is met het TAM-omgevingsplan mag worden voortgezet.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Urban Connection Heerhugowaard" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=9cea9376-2358-4ae5-ade3-405e2193285a