Bijlage 2 - ix - bijlage 8 bij de toelichting - Quickscan ecologie
Tekst van het document
G&G-advies QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
De Scheg te Heerhugowaard
Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
M. van Straaten
2022
Opdrachtgever SWECO
G&G-advies QS2022-067
Datum Versie
26 november 2022 V2
Gecontroleerd door: W. Peters
De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
De Scheg te Heerhugowaard
3
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
5
1.1
Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 6
1.3
Het plangebied......................................................................................................... 6
1.4
Werkzaamheden...................................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 7
Methode
8
2.1
Soorten .................................................................................................................... 8
2.2
Gebieden.................................................................................................................. 9
Beschermde soorten Wnb
10
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen .......................................................................... 10
3.2
Beschermde soorten.............................................................................................. 12 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 12 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 12 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 12 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 13 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 15 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 16 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 18
3.3
4
5
Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 19
Effectbeoordeling en maatregelen
20
4.1
Vogels..................................................................................................................... 20
4.2
Grondgebonden zoogdieren.................................................................................. 21
4.3
Vleermuizen ........................................................................................................... 22
4.4
Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 23
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving
24
5.1
Natura 2000 ........................................................................................................... 24
5.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ......................................................................... 24
5.3
Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) .................................................................. 25
5.4
Houtopstanden ...................................................................................................... 25
5.5
Overige relevante wetgeving................................................................................. 26
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
4 5.6
6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ............................27
Conclusies
28
6.1
Beschermde soorten Wnb .....................................................................................28
6.2
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................28
6.3
Zorgplicht ...............................................................................................................29
6.4
Aanbevelingen ter bevordering van natuur ...........................................................30
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
31
8
Bijlagen
33
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen enkele percelen in Heerhugowaard her in te richten ten behoeve van woningbouw. Heerhugowaard ligt in de gemeente Dijk en Waard in de provincie Noord-Holland. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabijgelegen beschermde gebieden. In opdracht van Ingenieursadviesbureau SWECO heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek.
De ligging van het plangebied (rood omlijnd).
±
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
6
Een quickscan is een momentopname die soms slechts in beperkte mate uitsluitsel geeft over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het plangebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.
1.3
Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied bestaat uit een smalle wigvormige strook ingeklemd tussen de spoorlijn Alkmaar-Heerhugowaard en de N242 en is gelegen ter hoogte van de nieuwe wijk Broekhorn (Langedijk). Het betreft een open gebied zonder noemenswaardige opgaande begroeiing zoals bomen en struiken. Het plangebied bestaat uit een aantal percelen die gebruikt worden als akker, gronddepot en een klein braakliggend terrein. In het plangebied is geen bebouwing aanwezig.
1.4
Werkzaamheden In het plangebied wordt ontwikkeld tot woonwijk. Er zal woningbouw plaatsvinden. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem of de oevers en/of het opbrengen van grond. Bij uitvoering van het werk kan door geluid, trillingen, of de licht, verstoring optreden van (beschermde) soorten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
1.5
7
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen die aanwezig zijn in het plangebied beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag.
Noordoostelijke deel van het plangebied waar een ruigteterrein aanwezig is.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
8
2
Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.
2.1
Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2011-2021). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning en de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met nietjaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Met vogels die geen jaarrond beschermd nest hebben moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook §0).
Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Voor deze soorten geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de zorgplicht welke wordt besproken in de conclusies en de bijlage m.b.t. de wetgeving. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
9
Potentiebeoordeling Het plangebied is op 10 maart 2022 bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd.
→https://www.nvwa.nl/
onderwerpen/invasieveexoten/unielijstinvasieve-exoten
Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (←NVWA). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (§3.2) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten, wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.
2.2
Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van (Europees) beschermde gebieden (Natura 2000), zie: https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: https://geoapps.noord-holland.nl/GeoWebP/index.html?viewer=nbp Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
10
3
Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van het NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veldbezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen Bermen Een redelijk brede berm is aanwezig tussen de asfaltweg in het plangebied en de sloot die evenwijdig loopt met de N242. Het betreft een kort gemaaide berm met een soortenarme vegetatie. Akkers De akkers in het plangebied zijn volledig kaal en braakliggend op een bodem van zandige klei. In het noordoostelijke deel is een klein braakliggend terreintje aanwezig met een ruige begroeiing van grassen, Riet, Pitrus en opslag van braam, wilg en Zwarte els. Wateren en oevers Een brede sloot vormt de noordgrens van het plangebied en loopt evenwijdig aan de N242. De sloot is in het noordoostelijke deel goed verbonden met aangrenzende stadswater van Heerhugowaard, in de zuidwestelijke punt van het plangebied loopt deze brede sloot dood
Een dwarssloot in het zuidwestelijke deel. De sloten zijn hier ondiep met een glooiende onderwaterbodem.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
11
net als de spoorsloot die beide met elkaar in verbinding staan. Enkele dwarssloten lopen door het plangebied van de brede sloot naar de spoorsloot en vormen daarmee de grens tussen de afzonderlijke akkerpercelen. De oevers en slootkanten zijn kort gemaaid en voorzien van relatief steile taluds. In het zuidelijke deel zijn de sloten ondieper waarbij de onderwaterbodem vanaf de oever glooiend verloopt. Overig Op enkele akkerpercelen in het zuidwestelijke deel van het plangebied zijn enkele grondhopen aanwezig. Een deel van deze grondhopen bestaat uit een recentelijk gebruikt gronddepot met kale hopen zand. Daarnaast zijn enkele oudere grondhopen volledig begroeid met Braam, ruigtekruiden en opslag.
Oude en ruig begroeide grondhopen in het zuidwestelijke deel van het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
12
3.2
Beschermde soorten
3.2.1
Planten Aangetroffen soorten In het verleden is Groenknolorchis waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF 2012-2022). De soort is niet in het plangebied zelf waargenomen. De waarneming is afkomstig van de Hortus Alkmaar op het bedrijventerrein De Beverkoog en betreft dus een onnatuurlijke groeiplaats voor deze soort.
→www.verspreidings
atlas.nl/vaatplanten
De waarnemingen van beschermde planten in de omgeving van het plangebied betreft niet wilde exemplaren die buiten hun normale verspreidingsgebied← groeien. Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. Het plangebied wordt te intensief beheerd en is te voedselrijk om geschikt te zijn voor beschermde plantensoorten. Diverse soorten planten, (korst)mossen en wolfsklauwen die onder de Wet natuurbescherming beschermd zijn, worden niet in het plangebied verwacht, de soorten komen nagenoeg alleen voor in natuurgebieden.
3.2.2
Vissen Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 20122022). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissoorten aanwezig.
3.2.3
Amfibieën Aangetroffen soorten De Rugstreeppad is bekend van de omgeving van het plangebied. Na oplevering van de eerste versie van deze quick-scan werden in het voorjaar en de zomer van 2022 enkele waarnemingen gedaan van Rugstreeppad in de omgeving. Het betreft waarnemingen van roepende mannetjes ten oosten van Sint Pancras. Het dichtstbijzijnde roepende dier werd vastgesteld op ongeveer 500m van het plangebied ten westen van het Kanaal Alkmaar-Kolhorn. Daarnaast werd een individu van de Rugstreeppad aangetroffen in de Hortus Alkmaar (NDFF 2012-2022). De Rugstreeppad is een beschermde soort die wordt genoemd als soort beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
13
Op grotere afstand van het plangebied is de Rugstreeppad bekend van de omgeving Vronermeer Noord, ten westen van St. Pancras. Deze waarnemingen zijn op iets meer dan 1,5 kilometer afstand van het plangebied vastgesteld (NDFF 2012-2022).
→www.verspreidings
atlas.nl
Potentie plangebied De sloten in en rond het plangebied en dan met name de spoorsloot leveren geschikt voortplantingswater voor enkele algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine watersalamander, Bruine kikker of Groene kikker (bastaardkikker en/of Meerkikker). Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In het plangebied is tevens geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze amfibieën zoals de ruig begroeide grondhopen in het zuidwestelijke deel. -Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is geschikt voor de Rugstreeppad. De soort is in de directe omgeving aangetroffen. Door deze aanwezigheid van de soort in combinatie met de aanwezigheid van zandhopen en een gronddepot in het plangebied, is het gebruik hiervan als landbiotoop door de Rugstreeppad niet uit te sluiten. In het plangebied ligt geen geïsoleerd, water met lage omliggende vegetatie wat als optimaal voortplantingswater voor Rugstreeppad kan dienen. Door de aanwezigheid van vissen en roofinsecten in de ondiepe sloten in het plangebied kunnen deze dan ook hooguit worden gezien als marginaal voortplantingswater.
Gezien de bekende recente waarnemingen van Rugstreeppadden op ongeveer 500 meter afstand is kolonisatie van het plangebied door de soort mogelijk. De Westerweg N242 zal hierbij een barrière vormen voor verdere uitbreiding van Rugstreeppadden maar geen onoverkomelijke. Vooral bij migratie van de soort tijdens nachtperiodes zonder verkeersdrukte kan de N242 in theorie worden overbrugd.
3.2.4
Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen:, Merel, Spreeuw (cat. 5), Rietgors, Graspieper, Kauw, Ekster (cat. 5), Houtduif, Scholekster, Watersnip, Meerkoet, Waterhoen, Grauwe
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
14
gans, Knobbelzwaan, Wilde eend, Krakeend, Kuifeend, Fuut en Fazant. Tijdens het veldbezoek werd de Nijlgans waargenomen. Deze soort wordt als invasieve exoot genoemd op de ‘Unielijst’ van de NVWA. Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele weidevogelsoorten zoals Kievit en Scholekster tot broeden komen op de akkerpercelen. De wat ruiger begroeide gebiedsdelen met opslag van kleine bomen en struiken zoals het noordoostelijk gelegen perceel en de ruig
Enkele zandige grondhopen met een redelijk steil talud waarin mogelijk Oeverzwaluw kan nestelen. Om vestiging van de soort te voorkomen wordt geadviseerd om de taluds meer af te vlakken.
begroeid grondhopen in het zuidwestelijke deel kunnen dienen als broedbiotoop voor uiteenlopende vogelsoorten van ruigtes maar ook minder kritische vogelsoorten van bossen en parken kunnen hier tot broeden komen. Hierbij kan men denken aan Fazant, Merel, Winterkoning, Kneu, Groenling en Grasmus. Enkele van de kale, recent opgeworpen zandhopen in het gronddepot zouden mogelijk gekoloniseerd kunnen worden door Oeverzwaluw (cat. 5). De soort graaft nesten uit in steile zandwanden en taluds. Oeverzwaluwen komen in maart terug van hun overwinteringsgebieden in Afrika en beginnen meestal vanaf begin april met de nestbouw. In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden broedgevallen bekend van Oeverzwaluw zoals de omgeving van Broek op Langedijk (NDFF 2012-2022).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
15
In de oevers van de sloten in het plangebied broeden zeer waarschijnlijk water- en moerasvogels zoals Meerkoet, Waterhoen, Krakeend en Wilde eend. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismus, Gierzwaluw en verschillende in bomen en bebouwing broedende roofvogels en uilen vastgesteld (NDFF 2012-2022). Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen (nesten) daarvan waargenomen. In het plangebied en de directe omgeving ervan zijn geen waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten met binding aan het gebied (NDFF 2012-2022). Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Omdat geen (geschikte) bebouwing en bomen aanwezig zijn en geen sporen of nesten werden waargenomen, wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied.
3.2.5
Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten Tijdens het veldbezoek werd een Haas waargenomen. Deze soort is in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting (zie verder Bijlage 1.2.1). Daarnaast zijn molshopen, holen van Bruine rat aangetroffen. Deze soorten zijn niet beschermd onder de Wnb. In en rond het plangebied zijn in het verleden kleine marterachtigen (Hermelijn en Wezel) waargenomen (NDFF 2012-2022). De kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel) zijn beschermde soorten die worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Wezel en Hermelijn werden in het verleden waargenomen bij de begroeide zandhopen in het plangebied. Daarnaast werden in de Beverkoog vooral in de omgeving van de Hortus Alkmaar waarnemingen gedaan van deze soorten. Zeer waarschijnlijk vormt het nabijgelegen spoortalud een belangrijk leefgebied en/of migratieroute voor kleine marterachtigen in de omgeving van Heerhugowaard. Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Egel, Mol, Konijn, Haas en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Noord-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Noordse woelmuis en de Waterspitsmuis.
De benodigde levensvoorwaarden zijn hiervoor
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
16
niet aanwezig. Het terrein is te droog en een vochtige kruidenrijke oevervegetatie nabij schoon en helder water ontbreekt. Het plangebied is niet geschikt voor Boommarter vanwege het ontbreken van dichte bosschages en omvangrijke dekking biedende vegetatie in de omgeving. In het plangebied zijn (oude) zoogdierholen aanwezig van bijvoorbeeld Bruine rat en Veldmuis die in gebruik kunnen zijn door kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel). Potenties voor de aanwezigheid van leefgebied voor kleine marterachtigen doen zich met name voor in en rond de begroeide grondhopen in het zuidwestelijke deel van het plangebied. Ook het noordoostelijk gelegen kleine ruige terrein biedt veel schuilmogelijkheden voor deze diergroep.
Ruigte en opslag bij de noordoostelijke grens van het plangebied. Mogelijk geschikt als onderdeel van het leefgebied van kleine marterachtigen
3.2.6
Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
17
Aangetroffen vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn zes soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2012-2022). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis, Rosse vleermuis en Watervleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Er zijn geen relevante waarnemingen (zoals bijvoorbeeld verblijven, kolonies, foerageergebieden of vliegroutes) bekend van vleermuizen in het plangebied zelf of in de directe omgeving ervan (NDFF 20122022). Van de Gewone- en Ruige dwergvleermuis zijn meerdere baltslocaties/paarverblijven bekend in de omgeving van het plangebied (NDFF 2012-2022). Deze waarnemingen zijn afkomstig uit het aangrenzende stedelijke gebied van Heerhugowaard. Potentie verblijfplaatsen Als potentie voor verblijfplaatsen niet is uit te sluiten dan dient gericht nachtelijk onderzoek plaats te vinden om eventuele precieze verblijflocaties vast te stellen. De bekende waarnemingen (bijvoorbeeld uit de NDFF) zijn niet volledig en geven daarom geen uitsluitsel en tijdens de quickscan zijn achterliggende holtes die kunnen dienen als verblijfplaats, niet verder te inspecteren of te onderzoeken. Tevens is gebruik door vleermuizen in het verleden hiermee niet uit te sluiten. In het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat ter plaatse geen bebouwing en bomen aanwezig zijn.
Potentie foerageergebied Door het ontbreken van een goed ontwikkelde opgaande begroeiing zoals bomenrijen, park, bos of bosschages kan men niet spreken van een geschikt foerageergebied voor vleermuizen in het plangebied. De open omstandigheden in het plangebied bieden te weinig luwe delen waar insectenconcentraties van voldoende omvang ontstaan zodat vleermuizen hier efficiënt op kunnen foerageren. De ruigte begroeiing op de aanwezige grondhopen bieden enige luwte maar onvoldoende voor de aanwezigheid van een geschikt foerageergebied op deze plaats in het plangebied. Daarnaast is het areaal rond deze ruig begroeide grondhopen erg beperkt voor een goed ontwikkeld foerageergebied voor vleermuizen. Een andere mogelijk op vleermuizen negatieve factor is de directe nabijheid van de N242. De hiermee gepaard gaande lichtvervuiling van de omgeving door wegverlichting en voertuigen kan een aanzienlijke verstoring zijn van het gebiedsgebruik door vleermuizen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
18
Potentie vliegroute Het plangebied kan als onderdeel van een langere landschapslijn deel uitmaken van een vliegroute van vleermuizen. Het ruig begroeide spoortalud in combinatie met de evenwijdig lopende sloten kan door vleermuizen worden gebruikt als oriëntatiemiddel voor verplaatsingen tussen foerageergebieden of verblijfplaatsen. Vermoedelijk is de vanaf het plangebied gezien andere zijde (zuidkant) van de spoorlijn, langs het hier aanwezige bedrijventerrein geschikter als vliegroute voor vleermuizen. Langs deze zijde van het spoortalud is meer sprake van beschutting door verminderde invloed van noordelijke- en westelijke windrichtingen. Daarnaast biedt de hier aanwezige brede sloot evenwijdig aan het spoortalud meer potenties als vliegroute voor vleermuizen. De huidige staat van het spoortalud zal overigens niet worden aangetast door voorgenomen werkzaamheden in het plangebied.
Relatief beschutte ligging tussen de begroeide grondhopen en het spoortalud. Mogelijk in gebruik als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen
3.2.7
Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van andere beschermde soorten in of rond het plangebied (NDFF 2012-2022). Tijdens het veldbezoek werden dergelijke soorten ook niet waargenomen. Potentie plangebied Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor overige beschermde diersoorten in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
3.3
19
Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §0 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.
Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2), mogelijk (incidenteel) voorkomende beschermde, niet vrijgestelde soorten in het plangebied (kolom 3) en verwachte voorkomen van essentieel leefgebied van beschermde, niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied (kolom 4). *=alleen incidenteel voorkomend verwacht
Beschermde, niet vrijgestelde soorten
Aangetroffen nabij het Mogelijk (incidenteel*) plangebied aanwezig in plangebied (literatuur en veldbezoek)
Mogelijk essentieel leefgebied binnen het plangebied aanwezig
Planten
ja
nee
nee
Vissen
nee
nee
nee
Amfibieën
ja
ja
ja
Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten
ja
ja
ja
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten
ja
nee
nee
Grondgebonden zoogdieren
ja
ja
ja
Vleermuizen: verblijfplaats
nee
nee
nee
Vleermuizen: foerageergebied
ja
ja*
nee
Vleermuizen: vliegroute
?
ja*
nee
Overige beschermde fauna
nee
nee
nee
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
20
4
Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).
4.1
Amfibieën In het plangebied is potentieel geschikt landbiotoop voor Rugstreeppad aanwezig. Vanwege het vergraven van terreindelen is het mogelijk dat vaste rust- of verblijfplaatsen van de Rugstreeppad worden beschadigd, of vernield. Ook kunnen aanwezige dieren worden gedood. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort. Als de soort aanwezig is zullen de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de gevoelige perioden en zal vervangend leefgebied worden gecreëerd voor de Rugstreeppad. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.
4.2
Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien van struiken en bomen, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
21
periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Oeverzwaluw), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt wel voor deze soort dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Om vestiging van Oeverzwaluwen te voorkomen wordt daarom aanbevolen om voor aanvang van de broedperiode (vóór 10 maart) de steile taluds van grondhopen af te vlakken (tot een hoek van minder dan 40 graden). Als alternatief kunnen steile wanden vóór 15 maart afgedekt worden met steigergaas om vestiging van Oeverzwaluwen te voorkomen.
4.3
Grondgebonden zoogdieren Bij het verwijderen van de toplaag en het vergraven van de bodem of de oevers kan schade optreden voor beschermde zoogdieren. Het is derhalve noodzakelijk om voorafgaand aan het werk vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren. Kleine marterachtigen Als oude holen van Konijn, Mol of andere zoogdieren in de begroeide grondhopen en het noordoostelijk gelegen ruigteterrein van het plangebied worden vergraven kunnen vaste verblijfplaatsen van Kleine marterachtigen zoals Bunzing, Wezel en Hermelijn worden vernield. Het is dan noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Als beschermde, niet vrijgestelde, zoogdieren aanwezig zijn dient vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een ontheffing te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
22
4.4
Vleermuizen Foerageergebied Voor de mogelijk incidenteel aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein mogelijk geschikter worden voor foeragerende vleermuizen dan het geval is in huidige open situatie. Vliegroutes De potentieel aanwezige vliegroute voor vleermuizen binnen het plangebied betreft vanwege de ligging en aanwezige lijnstructuur van het spoortalud mogelijk een essentieel deel van het leefgebied van vleermuizen. Vanwege de grootte van het plangebied en potentiele geschiktheid dient tijdens het vleermuisonderzoek naar foerageergebied ook op het gebiedsgebruik in de vorm van vliegroute van vleermuizen gelet te worden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
4.5
23
Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soorten (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om kleine marterachtigen zoals Bunzing, Wezel en Hermelijn. Indien oevers en oevertaluds in het plangebied worden vergraven is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld. Met het in achtnemen van besproken aanbevelingen, beperkingen en restricties in §4.1 t/m §4.3 worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor overige beschermde soorten bij uitvoer van de plannen. Er dient altijd rekening te worden gehouden met de zorgplicht (zie §6.3).
Optimale periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied.
Soort/Soortgroep Amfibieën Rugstreeppad Grondgebonden zoogdieren Camera/vallenonderzoek zoogdieren
Optimale periode
Aantal bezoeken
landbiotoop: juni - september
5
(jaarrond)
3 (materialen uitzetten, controleren, ophalen)
Bunzing
(maart) mei-augustus (jaarrond)
Hermelijn
(maart) mei-augustus (jaarrond)
Wezel
(maart) mei-augustus (jaarrond)
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
24
5
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
5.1
Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 7,5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Schoorlse Duinen en het Noordhollands Duinreservaat (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand, afscherming (groengebied/stedelijk) en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Gezien de toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’-berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland.
5.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. De bescherming van gebieden als NNN-gebied is een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden. Wel dient te worden bekeken of een project valt onder ‘een goede ruimtelijke ordening’. De vraag is daarbij of de locatie wel de beste is voor deze bestemming (ook met het oog op natuurwaarden)
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
25
en of de gevolgen van het plan het nabijgelegen NNN-gebied niet in betekenende mate aantasten. In het geval van het beschreven project wordt op grond van locatie, aard van het werk en afscherming geen belangrijke invloed verwacht op NNN-gebieden.
5.3
Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Het gebied is niet begrensd als een Bijzonder Provinciaal Landschap en ligt ook niet in de directe omgeving hiervan (zie Figuur 2). Er is geen negatief effect mogelijk op het BPL, een nadere toetsing is niet nodig.
5.4
Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
26
5.5
Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
27
Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebied, BPL, natuurverbindingen en het NNN.
5.6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Gezien de toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’-berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
28
6
Conclusies 6.1
Beschermde soorten Wnb ♣ Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. ♣ In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. ♣ Om vestiging van Oeverzwaluwen (cat. 5) te voorkomen wordt daarom aanbevolen om voor aanvang van de broedperiode (vóór 10 maart) de steile taluds van grondhopen af te vlakken (tot een hoek van minder dan 40 graden). Als alternatief kunnen steile wanden vóór 10 maart afgedekt worden met steigergaas om vestiging van Oeverzwaluwen te voorkomen. ♣ In het onderzoeksgebied kunnen beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn of als ‘andere soort’. Het gaat om Rugstreeppad en kleine marterachtigen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2).
Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. ♣ Voor de mogelijk incidenteel aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk-baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. ♣ Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter tijdens de aanleg maar ook later niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht.
6.2
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ♣ Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is buiten indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
29
voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen. ♣ Gezien de toename van stikstofemissie door plannen is wellicht een berekening van precieze emissie en depositie van stikstof wenselijk voor dit project. Het betreft een zogenaamde ‘Aerius’berekening. Aanbevolen wordt hierover vooroverleg te voeren met het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland.
6.3
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: ♣ Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. ♣ Ontzie groen en groenvoorzieningen zoveel als mogelijk tijdens de werkzaamheden en bij het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en gebruik eventuele bouwwegen zowel voor aanvoer als afvoer. ♣ Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. ♣ Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden, of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk worden gebruikt om insporing en potentiele verstoring te beperken. ♣ Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering.
♣ Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van ‘dicht’ naar ‘open’ te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving. ♣ Bij de bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
30
6.4
→https://www.checklist
groenbouwen.nl/
Aanbevelingen ter bevordering van natuur Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Er zijn veel goede ←websites beschikbaar met tips en informatie over groen bouwen en het natuurlijk inrichten van tuinen. Als aanvulling worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan: ♣ Het verbreden van wateren rondom planpercelen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers. ♣ Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of openhouden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen. ♣ Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen. ♣ Het plaatsen van zogenaamde ‘insectenhotels’ aan de muren van de bebouwing, in tuinen of in bestaande of aan te planten groenstructuren. ♣ Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals meidoorn, Wilde liguster, Klimop en Sleedoorn die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, muizen en vleermuizen. ♣ Indien bij de inrichting van het plangebied ook gemetselde muren gerealiseerd worden kunnen hierbij speciale materialen toegepast worden die veel sneller dan gebruikelijk een groeiplaats bieden voor muurplanten.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
7
31
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K.
MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist. UCHELEN, E. VAN, 2021. Bunzing, Hermelijn en Wezel – Kleine Roofdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
32
VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2021, januari 2021.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
33
8
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld.
DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZH
ZL
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + +3 + +4 + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker
Van der Goes en Groot
+ +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
+ +
+
+ +
De Scheg te Heerhugowaard
Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet. Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2022-067
De Scheg te Heerhugowaard
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. ♣ in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ♣ ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig: ♣ ter bescherming van flora en fauna. ♣ in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. ♣ in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.
♣ ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.