Bijlage 2 CONCEPT Verordening GAC Erfgoed Dijk en Waard 2023
Tekst van het document
Verordening op de Gemeentelijke Adviescommissie Erfgoed gemeente Dijk en Waard 2023 Besluit van de raad van de gemeente Dijk en Waard tot vaststelling van de Verordening op de Gemeentelijke Adviescommissie Erfgoed Dijk en Waard 2023. De raad van de gemeente Dijk en Waard; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 februari 2023; gelet op de artikelen 84, 108 en 149 van de Gemeentewet, artikel 9.1 Erfgoedwet juncto artikel 15 Monumentenwet 1988 en overwegende dat naar verwachting op 1 juli 2023 de Omgevingswet in werking treedt en dat het gewenst is om vooruitlopend hierop een gemeentelijke adviescommissie erfgoed, zoals bedoeld in artikel 17.2 van de Omgevingswet, in te stellen; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de Gemeentelijke Adviescommissie Erfgoed Dijk en Waard 2023 Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.
Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - commissie: gemeentelijke adviescommissie, genaamd Gemeentelijke Adviescommissie Erfgoed Dijk en Waard, zoals bedoeld in artikel 9.1 Erfgoedwet juncto artikel 15 Monumentenwet 1988, artikel 8.3.1 van de Verordening fysieke Leefomgeving 2022, en na inwerkingtreding van de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet), zoals bedoeld in artikel 17.9 van deze wet, - goede omgevingskwaliteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.3 van de wet; - wet: de Omgevingswet. Paragraaf 2. Adviestaak Artikel 2. Taak en werkzaamheden 1. De commissie heeft voor de inwerkingtreding van de wet als taak de raad en burgemeester en wethouders gevraagd en ongevraagd te adviseren over aangelegenheden die van belang zijn voor erfgoed en cultuurhistorische waarden in de fysieke leefomgeving en na inwerkingtreding van de wet adviseert de commissie de raad en burgemeester en wethouders bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit in het algemeen en het beschermen van het cultureel erfgoed in het bijzonder, en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.
Daaronder wordt in elk geval begrepen het geven van voorlichting over de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit en over de werkzaamheden van de commissie. 2. Ter uitvoering van haar taak: a. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor: 1. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument, waarvoor het college geen bevoegd gezag is; 2. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd rijks, provinciaal of gemeentelijk monument of gemeentelijk beeldbepalend of karakteristiek pand of een rijks, provinciaal of gemeentelijk monument of gemeentelijk beeldbepalend of karakteristiek pand. 3. Een andere activiteit in geval burgemeester en wethouders advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit [Dit lid treedt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking].
b. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. c. Voor inwerkingtreding van de wet adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over op grond van artikel 4.2.2.1, 4.2.2.2 of 4.2.2.3 van de Verordening fysieke Leefomgeving Dijk en Waard 2022 aan te wijzen gemeentelijk cultureel erfgoed, na inwerkingtreding van de wet, over het aan een locatie geven, wijzigen of intrekken van de functie-aanduiding gemeentelijk monument, beeldbepalend of karakteristiek pand of een functie-aanduiding anders dan gemeentelijk monument die betrekking heeft op cultureel erfgoed op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de wet; d. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders of uit eigen beweging over het ontwikkelen van beleid met betrekking tot cultureel erfgoed, inclusief bestemmings- en beheersplannen en na in werking van de wet inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit; e.
na inwerkingtreding van de wet adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders in een geval van een verkenning als bedoeld in artikel 5.48 van de wet en in andere gevallen waarin burgemeester en wethouders een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave met betrekking tot cultureel erfgoed; f. informeert en begeleidt de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces; g. voert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning; h. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met de zorg voor cultureel erfgoed; i. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het geven van beschikkingen op grond van regels in de Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard 2022, die een eis ten aanzien van cultureel erfgoed bevatten. Paragraaf 3. Aanwijzing van besluiten waarover verplicht advies moet worden gevraagd Artikel 3. Verplichte advisering Burgemeester en wethouders winnen advies van de commissie in omtrent een te nemen beslissing als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a en b. Paragraaf 4. Samenstelling en inrichting Artikel 4. Samenstelling 1.
De commissie bestaat uit maximaal vier leden, de voorzitter daaronder begrepen. Bij incidentele afwezigheid van een lid wordt hij/zij vervangen door een deskundige met gelijkwaardig profiel uit het ‘Register van plaatsvervangers’ van de Stichting Mooi Noord-Holland. 2. De leden worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. 3. Alle leden van de commissie zijn deskundig op het gebied van de monumentenzorg. 4. De disciplines die de leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn (lokale) cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap en stedenbouw. 5. De leden en de plaatsvervangers zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur.
Artikel 5. Benoeming 1. De leden en de plaatsvervangers kunnen voor een termijn van ten hoogste vier jaar worden benoemd. 2. Herbenoeming van leden kan eenmaal voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden. Dit is niet van toepassing op de plaatsvervangers. 3. Afgetreden leden zijn twee jaar na hun aftreden weer benoembaar. 4. De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door burgemeester en wethouders worden geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. 5. Burgemeester en wethouders benoemen op grond van artikel 156, eerste lid van de Gemeentewet de leden van de commissie nadat zij Mooi Noord-Holland gevraagd hebben om selectie en voordracht van kandidaat-leden. Burgemeester en wethouders informeren de raad over de benoeming van nieuwe leden. Artikel 6. Ondersteuning van de commissie 1. Het secretariaat van de commissie berust bij Stichting MOOI Noord-Holland. 2. Het secretariaat wordt bij de uitoefening van zijn taak rechtstreeks aangestuurd door de voorzitter. Paragraaf 5. Advisering en standpuntbepaling Artikel 7. Adviestermijn 1. Burgemeester en wethouders kunnen aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. 2. In geval burgemeester en wethouders geen termijn hebben gesteld brengt de commissie advies uit binnen een termijn van vier weken. Artikel 8.
Beraadslaging en standpuntbepaling 1. De vergaderingen waarin een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunning door of namens de commissie worden vastgesteld zijn openbaar. De agenda voor de vergadering van de commissie en de adviezen worden tijdig door de gemeente op een geschikte wijze bekendgemaakt. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht in door de commissie gehouden openbare vergaderingen. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht. 3. Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste drie leden. 4. Leden die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover de commissie adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig. 5.
De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de commissie en de daarvoor werkzame personen. Artikel 9. Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie [Dit artikel treedt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking]. De commissie kan onverminderd het bepaalde in artikel 17.9, eerste lid, van de wet, de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere
beschikking onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden, of een subcommissie. Hiertoe neemt de commissie een mandaatbesluit. Artikel 10. Adviseurs 1. De commissie kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren. 2. De commissie kan zich doen bijstaan door andere personen, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen op uitnodiging van de commissie als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Artikel 11. Verwerking van het advies 1. Burgemeester en wethouders kunnen, na heroverweging door de commissie, eenmaal per activiteit een second opinion inwinnen bij een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente. Zij stellen de commissie van het voornemen tot het plaatsen van die opdracht op de hoogte. 2. In geval burgemeester en wethouders een beschikking geven in afwijking van het door de commissie uitgebrachte advies, verzenden zij een afschrift van die beschikking aan de commissie. Paragraaf 6. Werkwijze Artikel 12. Reglement van orde 1. De commissie stelt haar werkwijze binnen de kaders van deze verordening nader vast in een reglement van orde. 2. In het reglement van orde komt ten minste aan de orde: a.
de werkwijze bij de advisering zoals genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b, respectievelijk onder c; b. de inrichting van het vooroverleg zoals genoemd in artikel 2, tweede lid, onder f; c. de wijze waarop de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd; d. het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering, de vergaderorde en orde van de beraadslaging, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht tussen de toelichtende fase waarin het spreekrecht wordt uitgeoefend en de beraadslagingen; e. de notulering en dossiervorming; f. de wijze waarop de adviezen openbaar worden gemaakt; h. het aanwijzen van de voorzitter en zijn/haar taken; i. de werkwijze en registratie bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie als bedoeld in artikel 9; j. de selectie en voordracht van kandidaat-leden. 3. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor bekendmaking van het door de commissie vastgestelde reglement van orde in het gemeenteblad. Artikel 13. Relatie met andere adviseurs Bij het aanstellen van een adviseur op het gebied van de omgevingskwaliteit, niet zijnde een lid of een adviseur van de commissie, dragen burgemeester en wethouders zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van deze adviseur en de commissie. Artikel 14.
Vergoeding De leden en de adviseurs als bedoeld in artikel 10, tweede lid, ontvangen van de Stichting MOOI Noord-Holland een vergoeding op basis van de contractuele verbintenis die zij hebben met de stichting. MOOI Noord-Holland brengt vervolgens kosten in rekening op grond van de
dienstverleningsovereenkomst en de tariefregeling zoals door de gemeente overeengekomen met de Stichting MOOI Noord-Holland. Paragraaf 7. Jaarverslag Artikel 15. Jaarverslag 1. De commissie brengt jaarlijks schriftelijk verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar na inwerkingtreding van de wet zoals bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de wet. 2. Het conceptverslag is vóór 1 april gereed. Na evaluatieoverleg met de wethouder wordt het definitieve verslag aangeboden aan de gemeenteraad. 3. In het jaarverslag komt ten minste aan de orde: a. de wijze waarop de commissie invulling heeft gegeven aan de taken die haar door de raad en burgemeester en wethouders zijn opgedragen, dan wel de situaties waarin de commissie ongevraagd advies heeft gegeven aan de raad en burgemeester en wethouders [Dit lid vervalt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet)]. b. de wijze waarop toepassing is gegeven aan de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de wet [Dit lid treedt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking]; c. de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen. Paragraaf 8. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 16. Overgangsrecht 1.
Tot inwerkingtreding van de wet blijft het oude recht, met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de Gemeentelijke Adviescommissie Erfgoed Dijk en Waard wordt geacht de in artikel 8 van de Woningwet, dan wel de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988 bedoelde commissie te zijn. 2. Als voor de inwerkingtreding van de wet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt geacht de in artikel 8 van de Woningwet, dan wel de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988 bedoelde commissie te zijn. 3. Na inwerkingtreding van de wet wordt het nieuwe recht, met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de Gemeentelijke Adviescommissie Erfgoed Dijk en Waard wordt geacht de in artikel 17.9 van de wet bedoelde commissie te zijn. 4. De op grond van deze verordening benoemde leden worden ook na inwerkingtreding van de wet geacht te zijn benoemd als lid van de gemeentelijke adviescommissie erfgoed zoals bedoeld in artikel 17.9 van de wet.
De termijn van ten hoogste 4 jaar als bedoeld in artikel 5, eerste lid, loopt vanaf de datum van de benoeming op grond van deze verordening ook na inwerkingtreding van de wet door. Artikel 17. Intrekking, wijziging en vervallen verordeningen 1. Bij inwerkingtreding van de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) wordt artikel 2 lid 1 gedeeltelijk, lid 2 sub c gedeeltelijk, sub d gedeeltelijk en artikel 15 lid 3 sub a ingetrokken. Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt, met uitzondering van artikel 2 lid 1 gedeeltelijk, artikel 2 lid 2 sub a.3, sub c gedeeltelijk, sub d gedeeltelijk en sub e, artikel 9 en artikel 15 lid 1 gedeeltelijk, lid 3 sub b, in werking daags na vaststelling van deze verordening.
2. Artikel 2 lid 1 gedeeltelijk, artikel 2 lid 2 sub a.3, sub c gedeeltelijk, sub d gedeeltelijk en sub e, artikel 9 en artikel 15 lid 1 gedeeltelijk en lid 3 sub b, treden tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking. 3. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de Gemeentelijke Adviescommissie Erfgoed Dijk en Waard 2023. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 maart 2023. De voorzitter, De griffier,
Toelichting Algemeen Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Op diezelfde datum is de Monumentenwet 1988 vervallen. De Erfgoedwet regelt vooral bescherming van rijksmonumenten, archeologie, musea en collecties. De besluitvorming over erfgoed en monumenten in de fysieke leefomgeving en regels omtrent aanstellen van een erfgoed- of monumentencommissie zullen vanuit de Monumentenwet worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Omdat de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld tot 1 januari 2019 geldt tot die tijd het overgangsrecht uit de Erfgoedwet, de betreffende artikelen uit de Monumentenwet blijven onverkort van toepassing. In de Monumentenwet 1988 is in artikel 15 aangegeven dat de gemeenteraad een verordening vaststelt waarin ten minste de inschakeling van een commissie op het gebied van monumentenzorg wordt geregeld. Van de commissie maken geen deel uit leden van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg Sinds de komst van de Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college. Het is dan ook het college dat deze commissie instelt op grond van artikel 84 Gemeentewet.
In een dualistisch stelsel is het normaal niet mogelijk dat de raad in haar verordening bepaalt dat er een commissie is ingesteld, welke adviseert aan het college. Het is immers aan het college om te bepalen of zij een adviescommissie willen. Deze redenering gaat niet op voor wat betreft de erfgoedcommissie. In de verordening op de erfgoedcommissie wordt door de raad bepaald dat er een erfgoedcommissie is die advies uitbrengt aan het college. Dit vloeit voort uit artikel 15 Monumentenwet 1988. De wetgever geeft aan het college in dit geval geen keuzevrijheid. Door het ontbreken van deze keuzevrijheid is er geen strijdigheid met het duale uitgangspunt. Met de aankondiging van de Omgevingswet (hierna: de wet), die naar verwachting op 1 juli 2023 in werking treedt, wordt het stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien. De wet bundelt de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Belangrijk verbeterdoel van de nieuwe wet is een kader te bieden dat overheden meer afwegingsruimte biedt om doelen voor de leefomgeving te bereiken. “Decentraal, tenzij” is een belangrijk principe van de wet. Dit betekent dat taken en bevoegdheden in principe bij het lokale bestuur, zoals de gemeente liggen. Alleen indien het gaat om een nationaal of internationaal belang of als dat doelmatiger of doeltreffender is, stelt het Rijk regels.
Eén van de doelen van de wet is het bereiken van een goede omgevingskwaliteit (artikel 1.3 van de wet). Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Gemeenten hebben een grote vrijheid in de wijze waarop zij het doel van een goede omgevingskwaliteit willen bereiken. Dat geldt ook voor de rol van de gemeentelijke adviescommissie (hierna: commissie) daarbij. Deze commissie is de opvolger van de welstands- en monumentencommissie. Een adequate invulling van de taak en de werkwijze van deze commissie draagt bij aan het doel van een goede omgevingskwaliteit.
Op dit moment is er sprake van een overgangsfase, waarin nog niet geheel duidelijk is wanneer de Omgevingswet precies in werking zal treden. Het is niet mogelijk een verordening in werking te laten treden die is gebaseerd op (nog) niet bestaande wetgeving. Wel is er een verordening op de gemeentelijke adviescommissie erfgoed noodzakelijk om aan de wettelijke verplichting van een adviescommissie erfgoed te voldoen zoals bedoeld in artikel 9.1 Erfgoedwet juncto artikel 15 Monumentenwet 1988. Omdat er reeds bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een door de raad aangewezen gemeentelijke adviescommissie voor in ieder geval de omgang met rijksmonumenten moet zijn en naar verwachting de Omgevingswet kort na de vaststelling van deze verordening in werking zal treden, is er thans voor gekozen om een verordening vast te stellen die zowel regels bevat voor de situatie vóór inwerkingtreding van de wet als na de inwerkingtreding van de wet. Artikelsgewijs Artikel 1. Definities Goede omgevingskwaliteit "Een goede omgevingskwaliteit" is naast veiligheid en gezondheid opgenomen in de maatschappelijke doelstelling van de wet (artikel 1.3 van de wet). Dit geeft aan dat aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn.
Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden (Kamerstukken II 2013-2014, 33962, nr. 3). De gemeente heeft de plicht de zorg voor de omgevingskwaliteit zelf in te vullen, inclusief het adviesstelsel op het gebied van de omgevingskwaliteit. Burgers kunnen, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, ten aanzien van de het doel van een goede omgevingskwaliteit een beroep doen op de algemene zorgplicht. Artikel 2. Taak en werkzaamheden Eerste lid Dit lid beschrijft de adviestaak in algemene zin zowel in de huidige situatie op basis van de artikel 9.1 Erfgoedwet juncto artikel 15 Monumentenwet 1988 als de situatie zoals beoogd in de Omgevingswet. Hierbij is de omschrijving van de taken aangepast aan de betreffende wetgeving. Tweede lid bevat onder at/m i een opsomming van onderwerpen waarover de Commissie op basis van wetgeving of op verzoek van de raad en burgemeester en wethouder moeten dan wel kunnen adviseren. Dit lid bevat de adviezen die behoren tot de facultatieve advisering, die niet voortvloeit vanuit de wetgeving. Tweede lid onder sub a.
1: Voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot archeologische rijksmonumenten is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OCW) aangewezen als advies- en instemmingsorgaan in de gevallen dat het college het bevoegd gezag is. Dit in verband met zijn verantwoordelijkheid voor de archeologische rijksmonumenten en met het landelijk overzicht en de vereiste specialistische kennis en ervaring die aanwezig zijn bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook is de Minister van OCW (mede) bevoegd tot toezicht en handhaving waar het gaat om archeologische rijksmonumenten. Behoud in situ (in de bodem) is hierbij het uitgangspunt. De gemeenten spelen desalniettemin in de archeologie een cruciale rol. De afweging om archeologische monumenten in situ (in de bodem) dan wel ex situ (door ze op te graven) te behouden, wordt meestal door de gemeente gemaakt in het kader van het opstellen van het bestemmings- of omgevingsplan en de belangenafweging bij de specifieke activiteiten waaraan een archeologische onderzoeksplicht is gekoppeld. De gemeente is op grond van Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a en na inwerkingtreding van de wet op grond van
5.130 van het Bkl verplicht om bij het opstellen van een bestemmingsplan respectievelijk het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder (aantoonbaar te verwachten) archeologische monumenten. Daarbij kan de (aantoonbaar te verwachten) aanwezigheid van archeologische monumenten bij het opstellen van een bestemmingsplan of omgevingsplan van invloed zijn op onder meer het benoemen van bestemmingen en respectievelijk de toedeling van functies aan locaties – bijvoorbeeld de keuze om geen parkeergarage toe te staan op een locatie met hoge archeologische waarde – of op de inhoud van in het omgevingsplan op te nemen beschermende regels of beoordelingsregels. De commissie kan hierover op grond van de andere onderdelen van dit artikel adviseren. Voor als gemeentelijk monument beschermde archeologische monumenten is de commissie wel het aangewezen adviesorgaan. Artikel 3. Verplichte adviezen Dit artikel sluit aan op de verplichte adviezen op grond van de artikel 9.1 Erfgoedwet juncto artikel 15 Monumentenwet 1988 en na inwerkingtreding van de wet artikel 17.9 van de wet en het op grond van de Verordening Fysieke Leefomgeving Dijk en Waard 2022 verplichte advies bij gemeentelijke monumenten. Artikel 5. Benoeming Eerste tot en met derde lid Het eerste lid regelt de benoeming voor de eerste termijn.
Het tweede lid ziet toe op de herbenoeming. In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om leden twee jaar na hun aftreden opnieuw te benoemen. Vierde lid Dit lid regelt schorsing en ontslag. De wet bepaalt dat de raad de leden benoemt en ontslaat. Het is vanzelfsprekend dat leden op eigen aanvraag worden ontslagen. Zij kunnen verder worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Vijfde lid Volgens de huidige en toekomstige worden de leden van de commissie door de raad benoemd. De vraag kan worden gesteld of het benoemen van leden en instellen van de commissie een bevoegdheid is die gemandateerd kan worden aan het college. Mandaatverlening is niet geoorloofd indien de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. In dit geval is het de vraag of de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen mandaatverlening als bedoeld in artikel 10:3, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Onder de Woningwet is overwogen dat de raad een centrale rol moest spelen in het welstandstoezicht, mandatering was daarom niet mogelijk. Uit de toelichting bij artikel 17.7 van de wet volgt dat “in navolging van de bestaande regeling voor de welstandscommissie (..) die bevoegdheid is neergelegd bij de gemeenteraad.” (Kamerstukken II, 2013-2014, 33962, nr. 3, p. 580).
Op grond daarvan zou kunnen worden aangenomen dat de aard van de bevoegdheid zich tegen mandatering aan het college verzet. Onder de Omgevingswet is het echter niet meer verplicht om een adviescommissie voor het onderdeel welstand te hebben en valt welstand onder de vrije beleidsruimte van de gemeenten. Enkel voor de advisering over Rijksmonumenten is een gemeentelijk adviescommissie verplicht. Maar ten aanzien daarvan is nooit bepaald dat de raad daarin een centrale rol moet spelen, maar juist dat de bevoegdheid volledig bij burgemeesters en wethouders ligt (Monumentenwet 1988). Daarmee kan dus de conclusie worden getrokken dat de delegatie of het mandateren van de bevoegdheid tot het benoemen van de leden van de gemeentelijke adviescommissie voor dat onderdeel dat verplicht is, rijksmonumenten, zich in de aard van de bevoegdheid zich niet daartoe verzet.
Artikel 10:19 Awb regelt dat bij een besluit dat op grond van een gedelegeerde bevoegdheid wordt genomen het delegatiebesluit en de vindplaats daarvan moet vermelden. Als burgemeester en wethouders een besluit nemen om leden van de adviescommissie te benoemen, moet daarbij dus altijd goed vermeld worden dat het besluit genomen wordt op grond van dit artikel uit de verordening. Om de onafhankelijkheid bij de benoemingen te waarborgen is het artikel beperkt tot de leden die door Mooi Noord-Holland worden geselecteerd en voorgedragen. Overige leden, zoals eventuele burgerleden, worden conform artikel 17.7, tweede lid, van de wet door de raad benoemd.
Artikel 6. Ondersteuning van de commissie Ingevolge het eerste lid wordt de commissie bijgestaan door een secretariaat dat berust bij de Stichting MOOI Noord-Holland. Het tweede lid borgt dat het secretariaat slechts door de belangen van de commissie wordt geleid. Artikel 7. Adviestermijn In de wetgeving is geen termijn gesteld waar binnen de commissie moet adviseren. Daarom kan het college op grond van het eerste lid aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag volgens artikel 3:6 van de Awb niet zodanig kort zijn, dat de commissie zijn taak niet meer kan vervullen. In het tweede lid is bepaald dat het college ook kan afzien van het stellen van een termijn. In dat geval geldt een termijn van vier weken. Indien geen advies wordt uitgebracht binnen de genoemde adviestermijn, staat dit de besluitvorming door het college niet in de weg (artikel 3:6, tweede lid, van de Awb). Artikel 8. Beraadslaging en standpuntbepaling Het spreekrecht is van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van de commissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. De regeling van dit spreekrecht wordt opgenomen in het reglement van orde (zie artikel 12).
De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het advies op de aanvraag voor een omgevingsvergunning of op een voorgenomen beschikking formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg of bij de beleidsgerichte, opgavegerichte of ontwerpgerichte advisering. De potentiële initiatiefnemer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte planprocedure vooroverleg stimulering verdient. Artikel 3 ziet erop toe dat in de vergadering voldoende leden aanwezig zijn, zodat een deskundig oordeel kan worden gevormd. Het borgt ook de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet) en voor een provinciaal of gemeentelijk monument. Het vierde lid voorkomt verstrengeling van belangen tegengegaan. Het vijfde lid verwijst naar de Awb die uitvoerders van wetten een geheimhoudingsplicht oplegt ten aanzien van gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Op grond van artikel 2:5, tweede lid, van de Awb is de plicht tot geheimhouding ook van
toepassing op instellingen die een wettelijke taak uitvoeren. Daaronder vallen ook adviesorganen. Dit lid plaatst buiten twijfel dat de geheimhoudingsplicht ook op de commissie en de daarvoor werkzame personen van toepassing is. Artikel 9. Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie Dit artikel geeft de mogelijkheid om de advisering namens de commissie over te laten aan een of meer leden, al dan niet in een vaste samenstelling als subcommissie. Dit omvat ook het mandaat om de commissie te vertegenwoordigen in bijvoorbeeld een kwaliteitsteam of een omgevingsoverleg of omgevingstafel. De commissie blijft verantwoordelijk voor het advies. Een goede omschrijving van de volmacht is nodig om aan het advies een doorslaggevende betekenis toe te kennen. Dit wordt opgenomen in het reglement van orde (artikel 12). Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet). De commissie kan ervoor kiezen de volmacht te beperken tot de plannen met relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meer dan één vergelijkbare vallen de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld.
Een ruimere volmacht is mogelijk indien de betrokken leden of de subcommissies volledig beschikken over de professionele deskundigheid die in een specifiek geval nodig is voor de advisering (bijvoorbeeld deskundig op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap, stedenbouw, architectuur en archeologische monumentenzorg). Ook hier blijft gelden de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet). Artikel 10. Adviseurs Dit artikel geeft de commissie de bevoegdheid zich ten behoeve van de advisering te laten voorlichten door ambtenaren (eerste lid) of door externe deskundigen (tweede lid). Een ambtenaar of een andere deskundige kan ingevolge het derde lid op uitnodiging van de commissie aanwezig zijn bij de vergaderingen of als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Deze regeling sluit aan op de gegroeide praktijk, waarbij de commissie afhankelijk van de behoefte, specifieke adviseurs inschakelt, bijvoorbeeld uit de centrale erfgoedcommissie van MOOI NoordHolland, of een specialist op het gebied van duurzaam bouwen. Artikel 11.
Verwerking van het advies Eerste lid Dit lid ziet toe op het vragen van een second opinion aan een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente in geval het college zich niet kan verenigen met het heroverwogen advies van de commissie. Om oneindig ‘shoppen’ te voorkomen is dit slechts één keer per activiteit toegestaan. Een advies van de commissie dat voldoet aan de wettelijke eisen van zorgvuldigheid en motivering als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de wet, behoeft in beginsel geen nadere motivering. Een nadere motivering is wel vereist in geval een aanvrager of een derde-belanghebbende een contraadvies heeft overgelegd, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het advies in strijd is met de geldende beoordelingscriteria (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2952).] Tweede lid Dit lid is opgenomen met het oog op een goede vervulling van de adviestaak. Daarvoor is nodig dat de commissie voortdurend inzicht heeft in hoe het college omgaat met de uitgebrachte adviezen.
Artikel 12. Reglement van orde Eerste lid De commissie stelt een reglement van orde vast. Tweede lid Dit lid geeft aan welke onderwerpen in ieder geval in het reglement van orde worden opgenomen. Derde lid Dit lid regelt de bekendmaking van het reglement van orde. Dat kan tegelijk met deze verordening, of als aparte bekendmaking met een goede verwijzing naar deze verordening. Juridisch gezien behoeft het reglement van orde niet in de verordening zelf te worden opgenomen. Artikel 13. Relatie met andere adviseurs Dit artikel regelt een goede afstemming tussen de werkzaamheden van andere adviseur(s) op het gebied van de omgevingskwaliteit en de commissie. Artikel 14. Vergoeding Dit artikel regelt de vergoeding die de leden en de adviseurs, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, ontvangen. Deze vergoedingen zijn geregeld in de overeenkomst met MOOI Noord-Holland. Artikel 16. Overgangsrecht Eerste lid Dit lid geeft aan dat voor deze verordening voor de inwerkingtreding van de wet het oude recht van kracht is en de commissie wordt geacht de taken van de commissie zoals bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988 Tweede lid Dit lid regelt dat aanvragen ingediend voor het inwerkingtreden van deze verordening volgens het oude recht door de commissie worden afgedaan.
Derde lid Dit lid geeft aan dat voor deze verordening na de inwerkingtreding van de wet het nieuwe recht van kracht is en de commissie wordt geacht de taken van de commissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de wet. Vierde lid Op grond van dit lid gaan de bestaande leden van de gemeentelijke adviescommissie erfgoed zonder onderbreking en nieuwe benoemingsbesluiten over naar de gemeentelijke adviescommissie erfgoed. De zittingstermijn loopt daarbij door, waardoor de leden in totaal maximaal 8 jaar zitting kunnen hebben in de commissie. Artikel 17. Vervallen [en intrekking] oude regeling Dit artikel bepaalt welke delen van de verordening na inwerkingtreding van de wet worden ingetrokken. Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding en de citeertitel van de verordening.