Bijlage 11 Aanmeldnotitie m.e.r
Tekst van het document
Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Onderwerp: M.e.r.-beoordeling Projectnummer: 51007995 Referentienummer: Aanmeldingsnotitie De Scheg Datum: 8 maart 2023
1
Inleiding
BPD (verder: de ontwikkelaar) is voornemens om het gebied De Scheg in Heerhugowaard te ontwikkelen met maximaal 345 woningen in drie afzonderlijke woongebouwen. De beoogde ontwikkeling is niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Er wordt daarom een nieuw bestemmingsplan opgesteld om de ontwikkeling mogelijk te maken. Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming, moet worden getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) volgt dat voor deze ontwikkeling een vormvrije m.e.r.beoordeling moet worden uitgevoerd. In deze aanmeldingsnotitie is de vormvrije m.e.r.beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen. Achtereenvolgens wordt ingegaan op het voornemen (hoofdstuk 2), de m.e.r.-procedure (hoofdstuk 3) en de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit (hoofdstuk 4).
2
Voornemen
De locatie De Scheg betreft een langgerecht smal perceel dat extensief agrarisch in gebruik is. De gronden hebben in 2008 de bestemming Gemengde Doeleinden gekregen. Met uitzondering van de realisatie van het Oogcentrum Noordholland aan de noordoostzijde van het plangebied, is de locatie nog niet tot ontwikkeling gekomen. Gelet op de grote woningbehoefte wil de gemeente inzetten op woningbouw in het plangebied. Het plangebied is als zogenaamde versnellingslocatie aangewezen. De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 345 appartementen, verdeeld over drie woongebouwen met een maximale bouwhoogte van 18,5 meter. De gemeente heeft voor de locatie in combinatie met de naastgelegen locatie Westpoort een subsidieaanvraag ingediend in het kader van de Regeling Woningbouwimpuls. Het Ministerie van BZK heeft dit eind 2021 goedgekeurd. Door deze subsidie kan de ontwikkeling van het gebied versneld starten. In de navolgende afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven.
Afbeelding: Ligging plangebied
3
Toets aan het Besluit m.e.r.
3.1 Welke m.e.r.-procedure is van toepassing Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-plicht. Deze activiteiten worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor deze activiteiten geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben. De beoogde ontwikkeling in Heerhugowaard wordt aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, wat als activiteit D11.2 is opgenomen in het Besluit m.e.r. (zie tabel 1). Omdat het plan niet meer dan 2.000 woningen omvat, het niet gaat om een oppervlakte van 100 hectare of meer, of om een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling om te bepalen of (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Tabel 1.
Activiteit D11.2 uit het Besluit m.e.r. D11.2
Kolom 1 Activiteiten De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Kolom 2 Gevallen In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
Kolom 3 Plannen De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Kolom 4 Besluiten De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Voor beide activiteiten geldt dat de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet worden overschreden, aangezien het plan minder dan 2.000 woningen omvat en de bedrijfsruimte in het plan minder dan 200.000 m2 omvat. Op basis hiervan geldt er geen m.e.r.-plicht. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de ‘Europese richtlijn milieueffectbeoordeling’ te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.beoordeling'. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. 3.2 Te volgen procedure Deze aanmeldingsnotitie geeft het bevoegd gezag (college van B&W van de gemeente Dijk en Waard) de informatie die nodig is om te beoordelen of een m.e.r. nodig is voor de in paragraaf 3.1 genoemde activiteit. Op basis van deze aanmeldingsnotitie dient het bevoegd
gezag een beslissing nemen of voor deze activiteit, omwille van belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag neemt uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst van de aanmeldingsnotitie een m.e.r.-beoordelingsbeslissing1. Dit besluit moet in ieder geval zijn genomen voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Het besluit wordt niet gepubliceerd in de Staatscourant2. Op dit besluit is geen zienswijze/beroep mogelijk. Eventuele zienswijzen/beroepen kunnen worden ingediend in de procedure van het bestemmingsplan. 3.3 Doel van de aanmeldingsnotitie De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In het kader van een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld. In een aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreide m.e.r-procedure nodig is. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen.
Er kunnen twee uitkomsten zijn: · belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden à er dient een m.e.r.-procedure te worden doorlopen; · belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op à er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen. Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij …. (zie hiervoor verder kader 3.1). Dit uitgangspunt betekent dat er geen nadere m.e.r. nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. Het project dient te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit a: Omvang van het project b: Cumulatie met andere projecten c: Gebruik natuurlijke hulpbronnen d: Productie afvalstoffen e: Verontreiniging en hinder f: Risico op ongevallen 2. Plaats van de activiteit a: Bestaand grondgebruik b: Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied c: Opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden 3.
Kenmerken van het potentiële effect a: Bereik van het effect b: Grensoverschrijdend karakter c: Orde van grootte en complexiteit effect d: Waarschijnlijkheid effect e: Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect 1 Indien het bevoegd gezag tevens initiatiefnemer is, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium de m.e.r.beoordelingsbeslissing. 2 Dit is bepaald in het Besluit m.e.r. in artikel 2.5 onder b.
In hoofdstuk 4 wordt de toetsing behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit en de plaats van de activiteit en de potentiële effecten die daaruit naar voren komen. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van deze effecten. Hierbij wordt gekeken of er mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen ontstaan en of er verzachtende mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen.
KADER 3.1: UITLEG AANMELDINGSNOTITIE Zoals aangegeven is het uitgangspunt bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor inhoud en diepgang van deze aanmeldingsnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken. Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., waarvoor tevens geldt dat de activiteit onder de drempelwaarde ligt zoals in deze D-lijst genoemd. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijk nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.-plicht.
Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Inhoud aanmeldingsnotitie Voor een aanmeldingsnotitie die wordt opgesteld in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldingsnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu. In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken
4
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
4.1 Kenmerken van het project In deze paragraaf wordt ingegaan op de kenmerken van de activiteit. In de navolgende tabel is een overzicht van de kenmerken van de activiteit opgenomen. Hierbij zijn de criteria gehanteerd uit Bijlage III van de Europese Richtlijn. In de daaropvolgende paragrafen worden de relevante kenmerken van het project nader toegelicht.
Criteria Omvang van het project (relatie met drempel D-lijst)
Beschrijving Activiteit D11.2 uit het Besluit m.e.r. De gestelde drempelwaarden zijn: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Conclusie: het totaal oppervlak van de ontwikkeling blijft onder de 100 hectare, tevens gaat het niet om 2.000 woningen of meer, en tot slot blijft de maximaal toe te voegen bedrijfsvloeroppervlakte ver onder de 200.000 m2.
Cumulatie met andere projecten
Gebruik natuurlijke hulpbronnen
Het project blijft onder de drempelwaarden van D.11.2. Daarom is voor dit project geen ‘formele’ m.e.r.-beoordeling, maar een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling nodig. Het stationsgebied wordt de komende jaren getransformeerd. De gemeente zet in op een hoogwaardige stationsomgeving met een divers aanbod van woningen en een mix van voorzieningen. In het stationsgebied van Dijk en Waard zijn verschillende ontwikkelingen gaande welke inmiddels al zijn vastgelegd in enkele postzegelbestemmingsplannen of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend (waaronder de nieuwbouw aan De Groene Trede, Stationsweg 101 e.o., Stationskwadrant en Pro6/Babbels). Deze plannen liggen op ruime afstand (ruim 350 meter) en niet binnen de contouren van het voorliggende project. Ze worden gescheiden van het voorliggende project door bestaande bebouwing en de Zuidtangent. Aan de zuidzijde wordt in de toekomst Westpoort ontwikkeld. Dit gebied wordt van het voorliggende gescheiden door het spoor en een weg. Onduidelijk is wanneer het project Westpoort gaat worden ontwikkeld en volgt daarom een eigen tijdspad. Van belang is dat zowel op voorliggend plangebied als Westpoort planologisch juridisch al stedelijke functies mogelijk zijn. In voorliggend plangebied zijn gemengde functies mogelijk (bedrijven, kantoren en maatschappelijke en educatieve doeleinden) en in Westpoort Maatschappelijke functies.
Het betreft hier dus een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. In voorliggende aanmeldingsnotitie worden daar waar relevant deze ontwikkelingen meegenomen in het kader van mogelijke cumulatieve effecten. Bij de aanleg van de voorgenomen activiteit zullen grondstoffen als hout, steen en andere bouwstoffen gebruikt worden. De voorgenomen activiteit betreft echter geen productieproces waarbij vervaardiging van producten centraal staat. Afgezien van de aanlegfase worden er weinig tot geen grondstoffen gebruikt. Er zijn geen andere natuurlijke
Productie afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. Bij de aanleg van de voorgenomen activiteit zal bouwafval tot de restproducten behoren. Er is geen sprake van productie van (gevaarlijke) afvalstoffen met nadelige milieugevolgen. Verontreiniging: Tijdens de aanlegfase kan door bouwverkeer mogelijk een tijdelijke verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Verkeersaantrekkende werking, als gevolg van de stijging van het aantal bewoners, kan in de gebruiksfase leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. De woningen worden niet aangesloten op het gasnet, maar worden op een duurzame manier verwarmd. Hierdoor ontstaan bij de verwarming van deze woningen geen emissies van stikstof. Uit de uitgevoerde stikstofberekeningen volgt dat als gevolg van het plan in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.3. Hinder: Tijdens de aanleg kan als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden, het bouwverkeer en de aanlegwerkzaamheden verkeershinder en geluidhinder optreden. Op mogelijke effecten als gevolg van hinder wordt nader ingegaan in paragraaf 4.3.
Risico op ongevallen Risico’s voor de menselijke gezondheid
Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht omdat er geen sprake is van een risicovolle inrichting. De verandering in luchtkwaliteit en de geluidshinder in de aanlegfase is tijdelijk en vormt geen risico voor de menselijke gezondheid. In de gebruiksfase kan de toename in verkeer leiden tot risico’s voor de menselijke gezondheid, als de achtergrondwaarden voor luchtkwaliteit en geluid reeds hoog zijn. Hierop wordt nader ingegaan onder 4.2 en 4.3.
4.2
Plaats van het project
Tabel 2 - Plaats van het project Criteria Het bestaande grondgebruik
Beschrijving
De relatieve rijkdom aan, de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen in het gebied
Onder natuurlijke hulpbronnen van het gebied wordt verstaan alle van nature aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn (zoals zoet water, delfstoffen, bos als houtleverancier).
De te ontwikkelen locatie bestaat in de bestaande situatie voornamelijk uit grasland met sloten en een verharde weg. Er is geen bebouwing aanwezig. Er zijn enkele bulten aanwezig waar grond ligt opgeslagen. Deze bulten zijn begroeid.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een grondwaterbeschermingsgebied en is geen bos. In het plangebied komen geen verdere bijzondere natuurlijke hulpbronnen voor. Het aanwezige water heeft geen economisch nut.
Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.
Natuur Natura 2000 Er zijn geen Natura 2000-gebieden aanwezig in of in de nabijheid van het plangebied. Derhalve zijn er geen directe effecten te verwachten op deze gebieden. Middels een AERIUS-berekening is onderzocht of er een effect kan ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.3. Soortenbescherming Uit het verkennend natuuronderzoek blijkt dat binnen het plangebied mogelijk marterachtigen voorkomen. Het vervolgonderzoek is inmiddels opgestart. Indien blijkt dat marterachtigen aanwezig zijn, dan kunnen in de nabijheid van het plangebied compenserende maatregelen worden getroffen in de vorm van het creëren van takkenhopen in de groengebieden. Een ontheffing is hiermee verleenbaar. Overige beschermde soorten als gierzwaluw en huismus worden niet verwacht. Voor vleermuizen die het gebied gebruiken als vluchtroute of foerageergebied worden geen negatieve effecten verwacht omdat het slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Door de ontwikkeling zal het gebied als onderdeel van een vliegroute niet veel veranderen waardoor er geen significante gevolgen worden verwacht.
Er zijn geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen op broedvogels met jaarrond beschermde nesten, deze zijn niet aangetroffen. Als er in de toekomst wel aanwezigheid van broedvogels te verwachten is, dan zijn belangrijke nadelige effecten te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Om vestiging van Oeverzwaluwen (cat. 5) te voorkomen wordt daarom aanbevolen om voor aanvang van de broedperiode (vóór 10 maart) de steile taluds van de aanwezige grondhopen af te vlakken (tot een hoek van minder dan 40 graden). Als alternatief kunnen steile wanden vóór 10 maart afgedekt worden met steigergaas om vestiging van Oeverzwaluwen te voorkomen. Door rekening te houden met de genoemde maatregelen in de rapportage worden negatieve effecten op soorten niet verwacht. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Ook bevinden zich geen NNN gebieden in de directe nabijheid van het plangebied. Derhalve zijn er geen effecten te verwachten op het NNN. Gebieden met natuurwaarden buiten het NNN Het plangebied ligt niet in een ganzenfoerageergebied en/of weidevogelleefgebied. De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden met natuurwaarden buiten het NNN.
Landschappelijke en cultuurhistorische waarden Voorliggend projectgebied bezit geen landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden. Het is niet gelegen binnen BPL of bijzonder gebied op grond van de Leidraad Landschap & Cultuurhistorie. Archeologie Op 7 juni 2022 heeft de gemeenteraad het archeologiebeleid Dijk en Waard vastgesteld. Uit de beleidsnota volgt dat de gronden in het plangebied deels zijn aangewezen als categorie 3 en deels zijn aangewezen als categorie 5. Voor de gronden in categorie 3 betekent dit dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² die dieper rijken dan 40 cm onder maaiveld. Voor de gronden in categorie 5 betekent dit dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² die dieper rijken dan 40 cm onder maaiveld. De archeologische verwachtingswaarde is met archeologische dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan opgenomen. De verstoringsnorm van categorie 3 wordt met het bouwplan overschreden. Ten behoeve van het plan zal archeologisch proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. De resultaten zijn voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan gereed. De wettelijke meldingsplicht bij het doen van toevalsvondsten aan het bevoegd gezag blijft te allen tijde gelden.
Bodemkwaliteit De informatie van het Bodemloket geeft voor de locatie aan dat de gronden voor het overgrote deel voldoende onderzocht danwel gesaneerd zijn. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen wordt een actueel verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Negatieve effecten op de bodem(kwaliteit) kunnen als gevolg van het voornemen worden uitgesloten. Water De regionale kering van Kanaal Alkmaar Omval-Kolhorn ligt op ruim 500 m afstand van het projectgebied. Hierdoor heeft de ontwikkeling geen nadelige invloed op de waterveiligheid. De beoogde ontwikkeling, zal, zoals gebruikelijk in het plangebied, voor de afvoer van afvalwater, niet zijnde 'schoon' hemelwater, worden aangesloten op het riool. Er vinden geen lozingen van afvalwater, niet zijnde 'schoon' hemelwater, plaats op oppervlaktewater of in het grondwater. ‘Schoon’ hemelwater wordt (vertraagd) afgevoerd naar het oppervlaktewater. De toename aan verharding wordt opgelost door het realiseren van water langs de randen van het plangebied. Hierover wordt overleg gepleegd met het HHNK. Negatieve effecten op de waterbelangen zijn niet te verwachten.
Luchtkwaliteit Uit een berekening met de NIBM-tool volgt dat het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden plangebied3 Stikstofdioxide: 17 - 20 µg/m3 Fijnstof (PM10): 15 - 16 µg/m3 Fijnstof (PM2,5): 7 - 8 µg/m3 Wettelijke grenswaarden4 Stikstofdioxide: 40 µg/m3 Fijnstof (PM10): 40 µg/m3 Fijnstof (PM2,5): 25 µg/m3 WHO advieswaarden voor de gezondheid van de mens5 Stikstofdioxide: 10 µg/m3 Fijnstof (PM10): 15 µg/m3 Fijnstof (PM2,5): 5 µg/m3 Op de effecten op luchtkwaliteit wordt nader ingegaan onder 4.3. Verkeer Er is onderzoek gedaan naar de verkeersafwikkeling als gevolg van de voorliggende ontwikkeling en die van Westpoort. Deze ontwikkelingen zijn samen beoordeeld omdat er op dit punt sprake kan zijn van cumulatie. Er wordt rekening gehouden met een doorsteek tussen de twee plangebieden onder het spoor door. Op het aspect verkeer wordt nader ingegaan in paragraaf 4.3. Geluid De nieuwe functies zijn geen functies die geluidhinder veroorzaken. Er is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van het spoorverkeer en het wegverkeer. De locatie is een geluidbelaste locatie, maar de geluidsniveaus op de gevel zijn niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde. Zowel voor het aspect wegverkeerslawaai als spoorweglawaai worden de voorkeursgrenswaarden overschreden.
Een hogere waarde kan worden verleend en er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.3. Externe veiligheid Vanwege de nabijheid van de N242 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd is een risicoanalyse uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat de toename van het groepsrisico t.o.v. de bestaande situatie zeer minimaal is en toeneemt met 3
Atlas Leefomgeving, Luchtkwaliteit (stikstofdioxide, fijnstof PM10, fijnstof PM2,5), RIVM, 2019. https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/regelgeving/wetmilieubeheer/beoordelen/grenswaarden/ 5 https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/regelgeving/wetmilieubeheer/beoordelen/grenswaarden/ 4
minder dan 10%. Een verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Het project voorziet zelf niet in een risicovolle inrichting. Negatieve effecten op het gebied van externe veiligheid zijn niet te verwachten.
4.3
Kenmerken van het potentiële effect
Criteria Het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
De aard van het effect
Grensoverschrijdende karakter van het effect Intensiteit en complexiteit effect
Beschrijving Effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen op enkele kilometers van het plangebied effect hebben op Natura 2000gebieden. Overige potentiële effecten als gevolg van hinder en verontreiniging zullen lokaal optreden, in of direct aangrenzend aan het plangebied. Hinder voor omwonenden beperkt zich tot de woningen aan de noordzijde van het plangebied. De hinder wordt beperkt door de aanwezigheid van de N242 die de woningen scheidt van De Scheg. De hinder langs aan- en afvoerroutes is tevens beperkt omdat er geen woningen langs de Gildestraat aanwezig zijn. Op de N242 gaat het bouwverkeer al op in het heersende verkeersbeeld. De effecten zijn beperkt en lokaal van aard. De effecten komen met name voort uit de wijziging in de verkeerssituatie als gevolg van het gewijzigde gebruik. Uit de beschrijving van het bereik van de potentiële effecten blijkt dat de beperkte effecten die optreden lokaal van aard zijn. Er is geen sprake van grensoverschrijdende effecten. Natuur De realisatie van het project leidt in de aanlegfase en de gebruiksfase niet tot een netto toename van stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de Natura 2000-gebieden. Beschermde soorten worden niet verwacht, waardoor er geen sprake zal zijn van strijd met de Wet natuurbescherming.
Hinder en verontreiniging (geluid en luchtkwaliteit) Verontreiniging/hinder als gevolg van aanlegfase: Tijdens de aanlegfase kan er geluidshinder ondervonden worden van de bouwwerkzaamheden. Ook kan tijdelijk de luchtkwaliteit verslechteren door bouw- en sloopwerkzaamheden en bijhorend verkeer. Het bouwverkeer zal voornamelijk via de Zuidtangent komen aanrijden waardoor de hinder(ervaring) wordt beperkt. Bovendien zijn er nog weinig woningen in de omgeving aanwezig. Verontreiniging/hinder in de gebruiksfase: Tijdens de gebruiksfase wordt een verkeersgeneratie verwacht die NIBM is. De achtergrondwaarden van de locatie overschrijden de advieswaarden van de WHO enigszins, maar blijven ruim beneden de wettelijke grenswaarde. Omdat de achtergrondwaarden van de luchtkwaliteit van het plangebied ver onder de wettelijke grenswaarden liggen, zal de verkeersgeneratie niet tot overschrijding leiden. Bovendien kan rekening worden gehouden met de planologisch reeds toegestane mogelijkheden, die wellicht meer uitstoot tot gevolg hebben dan de ontwikkeling die nu voor ligt. Op het punt van luchtkwaliteit kan er cumulatie optreden met Westpoort. Als beide ontwikkelingen worden opgeteld is er
echter nog steeds sprake van een NIBM-ontwikkeling. Bovendien zal er sprake zijn van verschillende ontsluitingswegen waardoor de uitstoot verspreid wordt. De geluidsbelasting ten gevolge van het voornemen overschrijdt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van Lden 48 dB tot maximaal 62 dB als gevolg van de N242. De hoogst berekende waarde als gevolg van het spoorweglawaai bedraagt 64 dB (voorkeursgrenswaarde is 55 dB). Eventuele maatregelen bieden geen mogelijkheid om de geluidsbelasting onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van Lden 48 en 55 dB te brengen. Bronmaatregelen als raildemper of het akoestisch slijpen van de rails en overdrachtsmaatregelen als ene geluidsscherm zijn financieel, landschappelijk en stedenbouwkundig niet uitvoerbaar. Door voldoende gevelisolatie zal een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal worden gerealiseerd. Er wordt met de berekende gecumuleerde waarden tevens voldaan aan het geluidbeleid van de gemeente.
De waarschijnlijkheid van het effect
de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Conclusie: De effecten zijn over het algemeen beperkt en zullen niet leiden tot belangrijk nadelige gevolgen. Voor de geluidsbelasting als gevolg van moeten hogere waarden worden verleend. De afgifte hiervan is ruimtelijk aanvaardbaar. In de aanlegfase zullen effecten optreden. Effecten treden op met betrekking tot hinder, (en mogelijke verstoring van soorten als gevolg daarvan). Deze zijn tijdelijk en lokaal van aard. Voor wat betreft de verstoring van soorten is dit uitvoerbaar met inachtneming van maatregelen. De maatregelen zullen de verstoring beperken, waardoor er - met een eventuele ontheffing voor marterachtigen - geen belangrijke nadelige effecten worden verwacht. In de gebruiksfase zijn er geen belangrijke nadelige effecten te verwachten. In de aanlegfase zullen effecten optreden. De effecten zullen een tot twee jaar duren is de verwachting. Na realisatie is de ontwikkeling onomkeerbaar. In de gebruiksfase zijn er geen effecten te verwachten.
5
Conclusie
In deze notitie zijn de milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling van De Scheg tussen het spoortraject Heerhugowaard - Alkmaar Noord en de N242 in Heerhugowaard beschreven. Gezien de omvang van de activiteiten in relatie tot de drempelwaarden en te verwachten effecten, zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu uit te sluiten. Er is daarom geen nader onderzoek in een planMER noodzakelijk.
Verantwoording Titel
M.e.r.-beoordeling
Projectnummer
510079958394
Referentienummer Revisie
Definitief
Datum
8 maart 2022
Auteur
G. Beentjes
E-mailadres
George.beentjes@sweco.nl
Gecontroleerd door
Ronald Dekker
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door Paraaf goedgekeurd Klik of tik om tekst i n te voer en.