CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke Onderbouwing Loopakker 3

Gemeenteraad 28 mei 2024, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van 13 appartementen Loopakker, Zuid-Scharwoude12.655 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

AMvB en Regeling niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 μg/m 3

voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen. Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan wordt gesteld dat de voorgenomen planontwikkeling, met de bouw van 13 appartementen, niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2020.

Uit bovenstaande figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 langs de Westerweg nabij het plangebied voor de voorgenoemde stoffen achtereenvolgens maximaal

17,1 en 16,0 μg/m³ zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 μg/m3 voor PM2,5. Deze is in de nabijheid van het plangebied maximaal 7,7 μg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6,0 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd. Tabel 5: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10 Maximale achtergrondwaarde [μg/m³]

Jaargemiddelde grenswaarde [μg/m³]

PM2,5

7,7

25

PM10

16,0

40

NO2

17,1

40

Stof

Conclusie luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

4.9

Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).

Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. In de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied.

Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit. De aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron telt niet mee voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied gelegen zijn. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risico-contouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.

Risicovolle inrichtingen Rondom het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Er is geen belemmering van risicovolle inrichtingen of op risicovolle inrichtingen. Kwetsbare objecten Rondom het plangebied bevinden zich een meerdere kwetsbare objecten, waaronder: 1. Onderwijsinstellingen: 2. Publiekgebouwen. De nieuwe woningen hebben geen negatieve invloed op de kwetsbare objecten. Andersom vormen de kwetsbare objecten voor geen risicovolle aspecten op de nieuwe woningen. Immers Zijn in de huidige situatie al meerdere woningen om het plangebied aanwezig. Er is geen belemmering van en op kwetsbare objecten. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Er bevindt zich geen weg in de nabije omgeving van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over wegen die van negatieve invloed op het planvoornemen zijn. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Daardoor is er geen negatief effect op het planvoornemen. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over een spoorlijn. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich geen buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Dit aspect vormt geen belemmering voor planvoornemen. Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol (LIB) Zoals eerder al vermeld onder de provinciale verordeningen in hoofdstuk 3, ligt het plangebied ver buiten de invloedssferen van het LIB. Luchtvaart vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Nader onderzoek is niet benodigd. Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom bevat het planvoornemen geen risicovolle activiteiten en belemmeringen in het kader van de externe veiligheid voor de omgeving.

4.10

Watertoets

Algemeen Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.

2.

Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling); Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.

Watervisie 2021 provincie Noord-Holland In de Watervisie 2021 heeft de provincie Noord-Holland het regionale waterbeleid tot 2040 beschreven en de prioriteiten van de provincie op het gebied van waterveiligheid en schoon en voldoende (drink)water genoemd. De belangrijkste geofysische en maatschappelijke ontwikkelingen zijn klimaatverandering, bodemdaling en verdere verstedelijking. Daarentegen wordt duurzaamheid een steeds belangrijkere kwaliteitseis. In de visie worden de doelen uiteengezet, waar het waterbeleid zich tot 2021 op moet gaan richten. Deze doelen hebben betrekking op de kwaliteit van oppervlakte- en bodemwater, maar ook op samenwerkingsopgave om met de verschillende partners een duurzame en klimaatbestendige leefomgeving te realiseren. Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is met name het beleid van het Waterschap Hoogheemraadschap HollandsNoorderkwartier’ (hierna HHNK) relevant voor het plangebied. Zij heeft als taak te zorgen voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het op peil houden van het waterpeil in de wateren.

Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het HHNK.

Waterprogramma 2016-2026, Hollands Noorderkwartier Het plangebied maakt in waterstaatkundig opzicht deel uit van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, dat als waterkwantiteitsbeheerder voor de polderwateren optreedt. Het hoogheemraadschap beheert ook de waterkwaliteit van boezem- en polderwater. Met het Waterprogramma geeft het Hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer tussen 2016 en 2026. De komende jaren staat het Hoogheemraadschap voor de taak het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort en schoon water. Ten aanzien van waterveiligheid gelden drie doelen: 1. Veiligheid voor iedereen. Iedereen in Nederland die wordt beschermd door een dijk, duin of dam, heeft een kans van niet meer dan 1 op de 100.000 per jaar (10-5) om te overlijden door een overstroming; 2. Zoveel mogelijk voorkomen van slachtoffers en schade; 3. Bescherming van vitale en kwetsbare functies. Er is extra bescherming voor infrastructuren zoals nutsvoorzieningen, wegen, ziekenhuizen en communicatiemiddelen die tijdens en na een ramp cruciaal zijn voor het functioneren van een gebied. Dit geldt ook voor functies die grote milieu- of gezondheidsschade kunnen opleveren wanneer ze door een overstroming worden getroffen.

Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier In de keur van het hoogheemraadschap staan de regels beschreven die betrekking hebben op water. De werkzaamheden bij nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan de regels die in de keur, met bijbehorende uitvoeringsregels, staan beschreven. Zo staan er regels in over het graven en dempen van water, maar ook over het toevoegen van verharding. De regels voor wat betreft het toevoegen van verharding is in artikel 4.2 van de Keur beschreven: Op grond van artikel 4.2 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur neerslag versneld tot afvoer te laten komen: a. door bebouwing of verharding van 800 m² of meer onverharde grond; b. door realisatie van verscheidene min of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte van 800 m² of meer; c. door aanleg van nieuw verhard oppervlak dat meer dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilgebied beslaat; d. door uitbreiding van het verhard oppervlak met minder dan 800 m², indien het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer niet kan verwerken.

Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het HHNK biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling

plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Beoordeling planvoornemen In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een groen terrein, met een gebouw in het midden van het perceel. Aan de zuidkant van het perceel ligt een deel verharding. Dit is de aansluiting op de Korteweide en zijn parkeerplaatsen. In de gewenste situatie bestaat het plangebied uit een appartementencomplex met omliggende verharding en delen met onverhard terrein. Met het planvoornemen neemt het totaal verhard oppervlak lichtelijk toe. Dit is onder andere door het wandelpad en de verharding met betrekking tot parkeren. Onderstaand is volledigheidshalve de toename van het verhard terrein berekend: Tabel 6: Toename verharding

Toepassing

Oppervlakte

Oppervlakte

Bestaande situatie

Nieuwe situatie

2

[m ] Verhard terrein

Saldo

2

[m ] 585

535

-50

0

0

0

Bebouwing

341

395

54

Deeltotaal

926

930

4

Groen

285

281

-4

Water

0

0

0

Half verhard terrein

0

0

0

285

281

-4

1.211

1.211

Half verhard terrein Verhard

Onverhard

Deeltotaal Totaal

Vanuit de bovenstaande berekening wordt geconcludeerd dat het totaal aan verhard oppervlak toeneemt met circa 4 m². Onderstaande afbeeldingen tonen de verandering in beeld aan. Geconcludeerd wordt dat de het verhard oppervlak met minder toeneemt dat 800 m². Op grond van artikel 23 van de algemene regels bij de Keur geldt dat geen vergunning nodig is. Compensatie ten behoeve van de toename van verharding is niet nodig.

Digitale watertoets Het plan is ingevoerd in de digitale watertoets. Hierbij is uitgegaan van een nieuwe ontwikkeling waarbij het bestaande wordt gesloopt. het verhard oppervlak neemt niet met meer dan 800 m² toe en er is uitgegaan van de afvoer via een gemengd stelsel. Het plan is geen onderdeel van een groter plan en er vinden geen activiteiten plaats waardoor het water verontreinigd van kan raken. Vanuit de ingevoerde gegevens ontstaat het volgende resultaat:

De digitale watertoets geeft als resultaat dat de korte procedure kan worden doorlopen en advies dient te worden aangevraagd bij het Waterschap, in dit geval het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Legger van oppervlaktewateren Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft een Leggerkaart waarop beschermde oppervlaktewateren en regionale waterkeringen staan afgebeeld. Binnen de kernzone en beschermzones van deze wateren is niet alles mogelijk. Vanuit de onderstaande uitsnede van de leggerkaart wordt geconcludeerd dat het plangebied niet nabij of binnen een zone van een waterkering of oppervlaktewater bevindt. Er vinden daarom geen veranderingen van wateren plaats. Er is geen vergunning benodigd vanuit dit aspect.

Op de bovenstaande leggerkaart is te zien dat zich direct naar het plangebied een secundaire oppervlaktewater bevindt. Aangezien geen wijzigingen plaatsvinden binnen de beschermingszone van het secundaire oppervlaktewater zijn geen maatregelen of vergunning nodig. Het beoogde plan zorgt niet voor belemmering voor het aspect water. Wel wordt geadviseerd in overleg te treden met het Hoogheemraadschap om het plan voor te leggen en advies in te winnen.

Conclusie Watertoets Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het water voor geen belemmering zorgt. Er is geen compensatie van water nodig en er hoeven geen vergunningen te worden aangevraagd.

4.11

Duurzaamheid

Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14% van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is.

Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vervangen de EPC. Structuurvisie Langedijk In de structuurvisie staan een aantal opgaven beschreven om tot een duurzaam Langedijk te komen: •

• • •

Langedijk wil op termijn ‘CO2-neutraal’ zijn. Hoewel de ruimtelijke impact op dit moment nog moeilijk is vast te stellen, wil de gemeente ontwikkelingen op het gebied van groene energie (zonne-, wind-, biogas e.d.) faciliteren. Een ’zo duurzaam mogelijk’ energiegebruik binnen de gemeente. Duurzaam ruimtegebruik; waar mogelijk eerst ‘inbreiden’ en met behoud van de ‘dorpse waarden’. Plaatsen windturbines.

In Langedijk lijken er goede mogelijkheden en perspectieven aanwezig voor elektrisch vervoer, zowel over land als over water. Een autoluw centraal lint met daaraan gekoppeld de huisvesting van veel eenpersoonshuishoudens, waaronder die voor ouderen, biedt – op korte of lange termijn - mogelijkheden voor elektrisch vervoer van personen en kleine vracht (pakketten). Prestatieafspraken Langedijk 2018 In deze prestatieafspraken zijn een aantal afspraken gemaakt over de duurzaamheid van woningen en de kwaliteit van woningen. Vanuit kaderafspraken zijn de volgende prestatieafspraken geformuleerd: 1. Woningbouwvereniging Langedijk levert in 2018 69 nieuwbouwwoningen op, waarbij de woningen zonder gasaansluiting worden gebouwd. Er wordt gestart met de ontwikkeling van maximaal 20 Nul-Op-de-Meter woningen; 2. Eind 2018 hebben we een (concept)visie van de energieopgaven

(aardgasloos/energieneutraal) die op ons afkomen. Goed voorbeeld daarbij is de brede samenwerking in Heerhugowaard tussen corporaties, gemeenten, HHNK, Alliander etc, 3. Huurders kunnen door bewust gebruik een belangrijke bijdrage energiebesparing realiseren. Beoordeling planvoornemen Met het planvoornemen wordt rekening gehouden met duurzaamheidaspecten. Zo worden de appartementen gasloos opgeleverd en worden er daar waar mogelijk duurzame materialen gebruikt. De woningen worden aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering van Langedijk. Binnen het plan is rekening gehouden met de invulling van openbaar groen en afwatering. Daar waar mogelijk wordt er aangesloten op de ‘groene long’ van het huidige aanwezige groen door de groenstructuur te versterken.

Conclusie Duurzaamheid Het plan voldoet aan de landelijke en gemeentelijke eisen en sluit aan op de ambities op het gebied van duurzaamheid.

4.12

M.e.r.-beoordeling

Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3.

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarde van 2.000 woningen wordt met dit planvoornemen niet gehaald. Dat neemt niet weg dat in dat geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU): 1. Kenmerken van het project; 2. Plaats van het project; 3. Kenmerken van het potentiële effect. Gelet op de aard en omvang van het beoogde plan, namelijk het toevoegen van 13 appartementen op de plaats van voormalige bebouwing, is het niet doelmatig een aanmeldnotitie op te stellen. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Het plan ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland en ligt niet op een beschermd landgoed- en kasteelbiotoop, waardoor er geen potentiële effecten ontstaan met het planvoornemen. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen de vrijwaringszone van een beschermd molenbiotoop. Het plangebied ligt ook niet op cultuurhistorische gronden, zoals de Romeinse limes met archeologische waarden of binnen een beschermd dorps- of stadsgezicht. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor geen belemmering op milieugevoelige thema’s.

Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Gelet op het bovenstaande vormt het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Uitvoerbaarheid 5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning, die gezien de buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan de uitgebreide procedure kent. Op grond van artikel 2.12 van de Wabo is op de voorgenomen planontwikkeling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit zes weken ter inzage wordt gelegd. Iedereen kan mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen betreffende het ontwerpbesluit. Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging wordt beslist over de vaststelling. Participatie Op 23 maart 2022 heeft de eerste participatieronde plaatsgevonden in het huidige gebouw op de Loopakker 3. De uitnodiging is als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. naar schatting zijn er in een tijdsbestek van 2 uur circa 40 geïnteresseerd buurtbewoners langsgekomen om de plannen te bekijken. De reacties waren overwegend positief. Op de avond waren er diverse personen ook al geïnteresseerd in de verkoopbrochure. Deze volgt echter pas later. De reacties zijn verwerkt in de tekeningen en diverse personen hebben contactgegevens achter gelaten om op de hoogte te blijven van de verdere ontwikkelingen. Bij de verder ruimtelijke procedure wordt er uiteraard weer aandacht gegeven aan participatie. Meer informatie is te vinden via de website www.bbvd.eu.

5.2

Financiële uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. De kosten voor de hiervoor beschreven gewenste ontwikkeling en eventuele daaruit voortvloeiende planschadeclaims komen in zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht. 5.3

Eindconclusie

Geconcludeerd kan worden dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en plangebied, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen. Er zijn naar onze mening geen zwaarwegende bezwaren aan te voeren tegen de realisatie van het plan. IDDS Ruimte & Ontwikkeling B.V. Noordwijk (ZH)

Bijlagen • • • • • • • • • • • • • •

Bijlage 1. Plattegronden, gevels en doorsneden Bijlage 2. Parkeeronderzoek Bijlage 3. Bodemonderzoek Bijlage 4. Quickscan ecologie Bijlage 5. Bomen Effect Analyse Bijlage 6. Stikstofonderzoek (vervallen) Bijlage 7. Digitale Watertoets Bijlage 8. Uitnodiging Participatie Loopakker 3 23 maart 2022 Bijlage 9. Uitnodiging Participatie Loopakker 3 04 april 2024 Bijlage 09a. Verspreidingsgebied Analoge Uitnodiging Participatieavond 04 april 2024 Bijlage 09b. Verslag Participatieavond Loopakker 3 04 april 2024 Bijlage 10. Bijlage 10 Notitie Aerius-berekening Loopakker 3 Zuid-Scharwoude Bjilage 11. Bijlage 11 AERIUS_projectberekening_Realisatiefase_Loopakker 3 Zuid-Scharwoude Bijlage 12. Bijlage 12 AERIUS_projectberekening_Gebruiksfase_Loopakker 3 Zuid-Scharwoude

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=40deb14c-8242-41c3-9d95-64cac6b49d2a