CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Plantekst BestemmingsplanHeerhugowaard Zuid-West 2021

Gemeenteraad 13 september 2022, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: RV Vaststellen bestemmingsplan Heerhugowaard ‘Zuid-West 2021’41.204 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

De provincies kunnen ten aanzien van verboden handelingen ontheffing verlenen en bij verordening vrijstellingen geven. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vloeien voort uit de Europese richtlijnen (evenals de verboden handelingen). De verbodsbepalingen die gelden voor de overige soorten hebben betrekking op de soorten opgenomen in de Bijlage van de Wet natuurbescherming, behorende bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, onder Onderdeel A en Onderdeel B. In een ruimtelijk plan moeten de gevolgen voor ecologische waarden overwogen worden. Het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming is dat geen schade aan soorten mag worden toegedaan, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan (het nee, tenzij principe). Centraal staat hierbij dat de zorgplicht, dat inhoudt dat iedereen 'voldoende zorg' in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Aanvullend op de Wnb heeft de provincie Noord-Holland beleid vastgesteld ten aanzien van de gebiedsbescherming van weidevogels in de Weidevogelleefgebieden. Het beleid voor weidevogelleefgebieden voor de provincie Noord-

90

Holland is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) (juni 20149). De afweging voor ingrepen in weidevogelgebieden gaat volgens het “nee, tenzij-principe”. Belangrijk verschil met NNN-gebieden is, is dat voor weidevogelleefgebieden externe werking wel van toepassing is.

3.4.7.2 Toetsing Naar natuur in de stad is in Heerhugowaard geen onderzoek gedaan. Het bestemmingsplan Heerhugowaard ZuidWest 2021 maakt geen nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. De procedure die doorlopen wordt heeft niet tot doel nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Onderzoek in het kader van de actualisatie van dit bestemmingsplan is daarom niet noodzakelijk. Voor incidentele bouwplannen die zich binnen het voordoen wordt, indien nodig, afzonderlijk een natuurtoets opgesteld.

3.4.8 ErfGoed 3.4.8.1 Inleiding Erfgoedwet De Erfgoedwet heeft in 2016 de Monumentenwet 1988 vervangen als het gaat om gebouwde monumenten, archeologie en roerend erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De omgang met het cultureelerfgoed in onze leefomgeving wordt op termijn geregeld in de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: • vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • bescherming van stads- en dorpsgezichten. Modernisering Monumentenzorg (MoMo) Op 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd waarbij ondermeer artikel 3.1.6 tweede lid onder a van het Bro is aangevuld.

Deze wijziging houdt in dat een bestemmingsplan een paragraaf moet bevatten met "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grondaanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”. Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluitruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht om bij vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Dit betekent dat erfgoed aspecten in brede zin (archeologie, architectuurgeschiedenis en historische (steden)bouwkunde, bouwhistorie, landschap, tuinhistorie en historische geografie) meegenomen dienen te worden in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel al bij wet of verordening beschermde (“waardevaste elementen of gebieden”) als niet formeel beschermde objecten en structuren (“waardevolle elementen of gebieden”): van rijksmonument tot landschappelijke en stedenbouwkundige elementen. Cultureel erfgoed is de bron van het verhaal over de geschiedenis van een plek: het maakt het verleden zichtbaar en versterkt zo ons cultureel en historisch besef en daarmee onze identiteit. Het biedt ankerpunten om het heden te begrijpen én om over de toekomst na te denken.

Erfgoed wordt vaak vereenzelvigd met een tastbaar object, zoals een vondst, een plek, een schilderij of een gebouw. Voor een beter begrip van wat cultuurhistorisch erfgoed is, is het echter van belang verder te kijken dan het materiële object zelf en aandacht te besteden aan zijn betekenis, het verhaal (ook in beelden) dat erover wordt verteld, het gebruik ervan en de moeite (ook in geld) die ervoor wordt gedaan. Objecten of elementen worden niet in isolement beschouwd, maar in samenhang met ander erfgoed in de nabijheid (ensembles) en met hun niet-monumentale omgeving. Aandacht voor het laatste maakt een meer gebiedsgerichte erfgoedzorg mogelijk. Een goede zorg voor de omgeving van een monument ondersteunt het behoud ervan en de waarde van een monument straalt af op zijn omgeving. In sommige gevallen is het behoud van de functie van een monument letterlijk afhankelijk van wat er met de

91

omgeving gebeurt. Erfgoed is ook een inspiratiebron voor vernieuwing in vormgeving, beeldende kunst en bij ruimtelijke ontwikkelingen. En die ruimtelijke ontwikkelingen zijn een belangrijke drager van ons erfgoed.

3.4.8.2 Regime voor het bouwen en ontgrondingen Artikel 38a van de Monumentenwet verplicht de gemeenteraad om bij vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Dat betekent dat er een archeologisch onderzoek moet plaats vinden. De conclusie van het onderzoek kan zijn dat de bestemming zich verdraagt met de archeologische waarden, maar dat zal zelden het geval zijn. Gebieden met archeologische verwachtingswaarden zullen in veel gevallen dan ook de dubbelbestemming “Waarde –Archeologie” krijgen. In de voorschriften worden naast de categorie van het gebied, de relevante begrippen gedefinieerd en de archeologiegebieden als dubbelbestemming met voorrangsbepaling aangegeven. Voor gebieden met deze bestemming geldt met betrekking tot het bouwen, dat herbouw bij recht is toegestaan, mits de bestaande fundering niet wordt gewijzigd. Voor de overige bouwwerken die op grond van de andere bestemming in principe zijn toegestaan en waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist, geldt een bouwverbod waarvan met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De omgevingsvergunning wordt verleend als: 1. er geen archeologische waarden in het geding zijn; 2. de archeologische waarden in voldoende mate worden veiliggesteld; 3.

de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade voorkomen kan worden door het verbinden van regels aan de omgevingsvergunning; Die regels zijn: • het treffen van maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem behouden kunnen blijven; • het doen van opgravingen; • de begeleiding van de bouwwerkzaamheden door een archeologisch deskundige. Deze omgevingsvergunning is niet nodig voor vergunningvrije bouwwerken. Voor ontgrondingen is een omgevingsvergunning voor werken geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden vereist. Deze mgevingsvergunning wordt onder dezelfde voorwaarden verleend als beschreven bij de omgevingsvergunning voor bouwen. De aanvraag van een omgevingsvergunning gaat vergezeld van een rapport, waaruit blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag wordt verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Artikel 41a van de Monumentenwet bepaalt dat voornoemde regeling niet van toepassing is op projecten kleiner dan 100 m². De gemeenteraad kan hiervan afwijken en een andere oppervlakte vaststellen. De artikelen uit de Monumentenwet blijven op basis van het overgangsrecht Erfgoedwet hoofdstuk 9 van kracht tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

3.4.8.3 Archeologie Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aanhet verkrijgen van inzicht in menselijk handelen in het verleden. De uitgangspunten zijn, archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is en dat initiatiefnemers tot ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium moeten aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodem verstorende ingrepen zal worden omgegaan. Gebieden met archeologische verwachtingswaarden zullen dan ook de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie” met voorrangsbepaling krijgen. De Archeologienota ERF GOED met beleidskaart is de onderlegger voor bestemmingsplannen. Er zijn zones met verschillende gradaties in archeologische verwachtingen. Uit de verbeelding (kaart) en de regels van het bestemmingsplan is af te lezen waar archeologische waarden verwacht worden en onder welke voorwaarden onderzoek verplicht is. De archeologische verwachtingswaarde voor de Middenweg (onderdeel van het plangebied) is op perceelsniveau beoordeeld, waardoor er voor een strook langs de Middenweg met een breedte van 150 meter een milder regime

92

geldt. Alleen bij plannen groter dan 500 m² en een ontgraving dieper dan 40 cm is een archeologisch onderzoek vereist. Voor de hiervoor genoemde grotere percelen geldt een zwaarder regime en moet bij plannen groter dan 50 m² en een ontgraving dieper dan 40 cm een inventariserend veldonderzoek worden uitgevoerd, om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van resten van oude bewoning. Voor het overige plangebied geldt volgens de archeologienota een verwachtingswaarde categorie 5 (archeologisch onderzoek vereist bij plannen groter dan 10.000 m² en een diepte groter dan 0,40 meter). Het bestemmingsplan Heerhugowaard Zuid-West 2021 is echter een conserverend plan dat zulke grote ontwikkelingen niet mogelijk maakt. Gelet hierop is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5 niet opgenomen. Indien er sprake is van binnenstedelijke herontwikkelingen wordt een herziening van het bestemmingsplan opgesteld. Als deze binnenstedelijke herontwikkeling groter is dan 10.000 m2 zal in het kader van de herziening van het bestemmingsplan, conform de archeologienota, een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

3.4.8.4 Cultuurhistorie De ruimtelijke opzet van de gemeente maakt gebruik van de oude verkaveling patronen, die een herkenbare structuur geeft. De Middenweg is een historische geografische lijn van hoge waarde die kenmerkend is voor de landschappelijke structuur van de grootste droogmakerij binnen de West-Friese Omringdijk. De weg is een voorbeeld van de landschapsgenese van West-Friesland met zijn landaanwinningen. Deze polders zijn zeer rationeel ingericht. De wegen vormen hierin een zeer herkenbaar element. De waarde van de rechte polderwegen ligt met name in de hoge ruimtelijke en genetische samenhang tussen verkaveling, wegen, wonen langs wegen en het rationele afwateringspatroon. Ondanks de expansie van Heerhugowaard is de ruimtelijke en genetische samenhang tussenverkaveling, wegen, wonen langs wegen en het rationele afwateringspatroon nog steeds aanwezig. Een andere belangrijke ontsluitingsweg, de Zuidtangent, is naast de Westertocht gelegd en is daarmee drager geworden van de historische polder structuur. Voor de Middenweg is een visie opgesteld om de Middenweg haar verloren positie op sociaal-, economisch- en cultureel gebied terug te geven. Voor de overige wegen is de Lintenvisie relevant. Voor het hele grondgebied van Heerhugowaard is een historisch geografische inventarisatie opgesteld, deze inventarisatie is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.

3.4.8.5 Monumenten In de gemeente komen diverse objecten met monumentale waarde voor. Er zijn 54 gemeentelijke monumenten, 1 provinciaal monument en 7 rijksmonumenten. De Rijksmonumenten hebben een eigen register:https://cultureelerfgoed.nl/monumentenregister. In het gemeentelijke Erfgoedregister zijn alle Heerhugowaardse monumenten uitgebreid omschreven. De gemeentelijke monumenten weerspiegelen de ontwikkeling van een puur agrarische polder met enkel (stolp)boerderijen naar een droogmakerij met kleinschalige dorpsontwikkeling en voorzieningen niveau. Ook zijn een aantal beeldbepalende panden aangewezen. Wanneer een pand of terrein aangewezen wordt als gemeentelijk monument, betekent dit dat het cultuurhistorisch waardevol is. Voor nu, maar zeker ook voor toekomstige generaties. Voor de bescherming van die waarden heeft de gemeente regels opgesteld die aangeven wat wel en niet veranderd mag worden aan een monument en hoe deze veranderingen plaats mogen vinden. De bestaande situatie van het pand, object of terrein is het uitgangspunt. Overigens is er wel eens onduidelijkheid over de reikwijdte van de bescherming. Er circuleert de onjuiste gedachte dat bij de status van gemeentelijk monument alleen het exterieur van de gemeentelijke monumenten beschermd zou zijn. Het is de redengevende beschrijving die de beschermde elementen beschrijft.

Ook het interieur kan onder die bescherming vallen. De cultuurhistorische waarde van beeldbepalende panden wordt beschermd doordat de uitwendige hoofdvorm van het bestaande hoofdgebouw en bijgebouwen niet wezenlijk mag worden veranderd. Binnen het plangebied is één rijksmonument aanwezig: de stolpboerderij aan Middenweg 23. Verder zijn geen gemeentelijke of provinciale monumenten aanwezig. Wel is op Middenweg 19 een woonhuis aanwezig dat kan worden aangemerkt als karakteristiek pand. Planspecifiek Dit nieuwe bestemmingsplan Heerhugowaard Zuidwest betreft het opnieuw vastleggen van de bestaande situatie, er

93

worden geen nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Gelet hierop is alleen de dubbelbestemming Waarde-Archeologie tot en met categorie 4 opgenomen. De artikelen uit de Monumentenwet blijven op basis van het overgangsrecht Erfgoedwet hoofdstuk 9 van kracht tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

3.4.9 Landschap en ecologie De identiteit van Heerhugowaard wordt sterk bepaald door haar ontstaan als droogmakerij. De rationeel opgezette structuur en verkaveling van het polderland en de daarin geprojecteerde waterlopen en wegen heeft de basis gevormd voor de ontwikkeling van de eerste woonbebouwing in lange lint structuren en vervolgens voor de verdere ontwikkelingen van Heerhugowaard tot de kern die het nu is. In de huidige kern is die rationele basis nog steeds merkbaar, waarbij een aantal ruimtelijke elementen en aspecten opvallen. Vrijwel overal in de kern is de ruimte en de enigszins landelijke openheid voelbaar en heeft de rationele opzet van de droogmakerij geleid tot een orthogonalestructuur van wegen en wijken. Binnen deze structuur is aan de belangrijkste ontsluitingsroute het centrumgebied van de kern ontstaan. De uitstraling en de aanhechting hiervan op de omgeving zorgt voor herkenbare plekken en ruimtes. In de structuur is een klein aantal historische routes herkenbaar, waarvan de Middenweg de opvallendste is en een centrale rol speelt. Door de verschillen in bouwperiode en de daarmee gepaard gaande karakteristieken zijn de diverse wijken herkenbaar. In de Structuurvisie 2020 beschrijft de paragraaf 'Landschap met Identiteit' het ecologisch kapitaal van de gemeente. Onderwerpen zijn groen, water, lucht, natuur, landschap, milieu, beeldkwaliteit en erfgoed.

De ringvaart maakt deel uit van het Natuur Netwerk Nederland. Binnen de ringvaart zijn de linten zowel de dragers van de identiteit als van de belangrijke ecologische structuren. Doelstelling is het vergroten van de natuurwaarden van de groeninrichting door het zoveel als mogelijk toepassen van ecologisch groenbeheer en door het verbinden van gebieden met een hoge ecologische waarde of potentie. Op een aantal plekken in de gemeente zijn de afgelopen jaren natuurvriendelijke oevers aangelegd. De ecologische waarden worden verder versterkt door in bosplantsoenvakken meer verticale en horizontale gelaagdheid aan te brengen. Het versterken en uitbreiden van het groen blauwe (ecologisch en recreatief) netwerk van belang om een gezonde leefomgeving te kunnen bieden. Om een voldoende groene inrichting te realiseren en in stand houden moeten we maximaal op zoek naar aanvullende mogelijkheden. Daar waar de grond schaars is en de veelheid aan functies elkaar verdringen, liggen er enorme kansen in het realiseren van verticaal groen. Het verdient de aanbeveling nog eens goed na te denken hoe we dit aspect in de bestaande gebied kunnen toepassen. Met de toename van het aantal woningen in het gebied is het van belang voldoende groene verblijfsgebieden en speelterreinen te hebben. Groen is van belang omdat in een sterk versteend gebied er (grote kans op) hittestress is.

Er is nu te weinig groen. Het bomenkapbeleid zou hier aangepast moeten worden van 'Ja, mits geen monumentale boom' naar 'Nee, tenzij voldoende gecompenseerd'. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (Leidraad) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals woningbouw, agrarische bedrijfsontwikkeling, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De Leidraad beschrijft de kernkwaliteiten van de verschillende Noord-Hollandse landschappen. Gemeentelijke bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe ontwikkelingen in het landelijke gebied dienen rekening te houden met deze karakteristieke eigenschappen. De Leidraad geeft gebiedsgerichte én ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijkeontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. De gemeente heeft hiervoor de Nota ruimtelijke kwaliteit opgesteld. Het bestemmingsplan stuurt met name op de situering en de hoofdvorm. De nota ruimtelijke kwaliteit stuurt tezamen met het (gebiedsgerichte) beeldkwaliteitsplan op gevels, materialisatie en detaillering.

Het bestemmingsplan geeft een bouwrecht, maar geen bouwplicht en stuurt niet op beeldkwaliteit. Dit is de reden dat er een overlap aanwezig kan zijn tussen het bestemmingsplan en de Nota ruimtelijke kaliteit als het gaat om de situering en de hoofdvorm. Dit gaat voornamelijk op bij de landschapskenmerken in de historische linten, het buitengebied en

94

inbreilocaties. De Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet zijn per 1 januari 2017 opgegaan in de Wet natuurbescherming (Wnb). Naast een wijziging van het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies betekent dit ook een meer rechtstreekse doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Planspecifiek Van een bewust gecreëerde ecologische structuur is in Heerhugowaard nog geen sprake. Wel zijn er enkele lijnen aanwezig die in potentie kunnen worden ontwikkeld tot een ecologische verbindingszone. De ringvaart maakt deel uit van de provinciale ecologische hoofdstructuur. De Oostertocht kan ontwikkeld worden als centrale as voor de interne ecologische structuur. Daartoe is de aanleg van ecologische oevers en de verbetering van zichtbaarheid en toegankelijkheid van belang. De groene geledingszone tussen de woonwijken Edelstenenwijk en Butterhuizen en Rivierenwijk en Zuidwijk Huygenhoek kan dienen als dwarsverbinding door het kerngebied van Heerhugowaard. Hiervoor is een passende inrichting en verbinding met het buitengebied noodzakelijk. Een tweede dwarsverbinding is langs de Beukenlaan en de Vondellaan gedacht. Voor de vaststelling van het onderliggende bestemmingsplan Heerhugowaard Zuidwest vormt dit echter geen belemmering.

3.4.10 Duurzaamheid en energie Energieneutraal in 2030. Dit was de hoofddoelstelling van gemeente Heerhugowaard. Doelstelling in de voorliggende strategie is de verbreding van en verbinding met álle domeinen; sociaal, fysiek en economie. Vrij vertaald : People, Planet, Purpose. Energieneutraliteit is daarmee niet langer de duurzaamheidshoofddoelstelling, maar één van de doelstellingen die past binnen de verbreding. Samen bouwen aan een toekomstbestendige, vitale stad. In alle opzichten. Duurzaamheid, een woord met zo'n brede betekenis dat we in deze strategie voor de komende jaren dit woord ook daadwerkelijk breed willen gaan invullen. Dus niet alleen in relatie tot energieverbruik, maar ook in de betekenis van toekomstbestendigheid in ons sociale, economische en fysieke domein. Het uitgangspunt People,Planet, Purpose is een uiting van deze verbreding, dus geen Profit, dat misschien gelezen wordt alsof het alleen om economie gaat, terwijl duurzaamheid ook vertaald wordt naar winst op andere domeinen en ons steeds doet afvragen: wat willen we toevoegen aan onze stad? Toekomstbestendig ontwikkelen, streven naar voorspoed voor huidige en toekomstige generaties, houdt niet op na één collegeperiode. Dat kost tijd, en houdt nooit op. Toekomst schuift immers mee met het heden en blijft altijd. Een duurzaamheidsfilosofie vergt daarom een specifieke aanpak.

Niet langer is een klein team verantwoordelijk voor het realiseren van projecten die bijdragen aan een energieduurzaamheidsdoelstelling. People, Planet, Purpose het raakt ons allemaal. We kunnen, en zullen, allemaal onze bijdrage gaan leveren. Hoe klein en triviaal die bijdrage soms ook lijkt. Ontwikkelingen zijn onvoorspelbaar en gaan soms razendsnel. Dat hebben ook de afgelopen jaren opnieuw bevestigd. Soms maakt dit zaken ingewikkelder, en wordt de uitdaging daarmee groter. Vaak ontstaan echter nieuwe inzichten en nieuwe kansen. De Strategie Duurzame Ontwikkeling Heerhugowaard 2016-2019 geeft richting en biedt nog, in samenhang met de Woonvisie 2018-2050, voldoende houvast om ook na daarna te blijven bouwen aan een toekomstbestendig Heerhugowaard, waar iedereen meedoet en 'onze stad' vitaal en leefbaar wordt achter gelaten voor onze kinderen. Duurzame ontwikkeling betekent integraal vooruitgang boeken op zowel sociaal, fysiek als economisch terrein. Planspecifiek Omdat het voorliggende bestemmingsplan op hoofdlijnen behoudend van aard is, vindt er geen toetsing plaats aan concrete duurzaamheidsaspecten. Wie tegenwoordig een woning bouwt doet dit al (bijna) energieneutraal (EPC 0,4) en bij voorkeur met duurzame materialen.

Eventuele individuele en/of particuliere initiatieven op gebied van energie en duurzaamheid worden, indien en waar mogelijk, op grond van duurzaamheidsbeleid op individueel niveau gestimuleerd en gerealiseerd. Het vaststellen van het bestemmingsplan Heerhugowaard Zuidwest heeft geen gevolgen voor het thema duurzaamheid en energie.

3.4.11 Veiligheid

95

3.4.11.1 Brandveiligheid De huidige bebouwing van het plangebied zal door de actualisatie van het bestemmingsplan Heerhugowaard Zuidwest, niet wijzigen. De bestaande situatie wordt opnieuw vastgelegd.

3.4.11.2 Bereikbaarheid De bereikbaarheid van het plangebied voldoet aan de voorwaarde en uitgansgpunten zoals omschreven in de voor de Veiligheidsregio's opgestelde “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid”, uitgave 2019.

3.4.11.3 Bluswatervoorzieningen De bluswatervoorziening van het plangebied voldoet aan de voorwaarden en uitgangspunten zoals omschreven in de voor de Veiligheidsregio's opgestelde “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid”, uitgave 2019.

3.4.12 Externe veiligheid 3.4.12.1 Algemeen Externe veiligheid gaat over de opslag, transport en/of bewerking van gevaarlijke stoffen. Het beleid van de externe veiligheid is gelegitimeerd door de doelstelling dat de risico’s van bedrijfsmatige activiteiten met gevaarlijke stoffen beheerst worden en in wisselwerking hiermee andere ruimtelijke activiteiten in de nabijheid van risicobronnen.

3.4.12.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Met de inwerkingtreding van het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ is een aanzet gegeven tot het opstellen van normen voor externe veiligheid. Het besluit is gepubliceerd in het Staatsblad van 10 juni 2004 en in werking getreden op 27 oktober 2007. Het Bevi verplicht de bevoegde gezagen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) – de gemeenten en provincies – afstand te houden tussengevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi beperkt ook het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf. Gemeenten en provincies hanteren de normen uit het besluit bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De veiligheidsregio adviseert over de bestrijding en beperking van een ramp. Afstemming tussen de drie taakvelden ruimtelijke ordening, milieu en rampenbestrijding is van groot belang. De normen in het besluit zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansbenadering, de kans om te overlijden als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Gezondheidsschade, kans op verwonding of materiële schade tellen daarbij niet mee. In het Bevi is geen harde norm voor het groepsrisico vastgelegd.

Er is voor gekozen om de norm voor het groepsrisico als oriëntatiewaarde te handhaven, met een nadrukkelijke verantwoordingsplicht. In het besluit is een voorschrift opgenomen waarbij inzicht moet worden gegeven in de actuele hoogte van het groepsrisico en de bijdrage aan het groepsrisico van ruimtelijke ontwikkelingen of risicovolle activiteiten. Het doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo'n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden. Deze veiligheidsafstanden dienen ter bescherming van groepen en individuele personen. Planspecifiek Binnen het plangebied Zuidwest bevinden zich geen Bevi-inrichtingen. Het geactualiseerde bestemmingsplan Heerhugowaard Zuid-West 2021 voorziet niet in de komst van nieuwe risicobronnen. De N242 is op ruim 200 meter gelegen van het plangebied. De primaire waterwinning in de vorm van brandkranen is aanwezig in het plangebied. Er zijn calamiteiten denkbaar waarbij aanwezigen zullen moeten schuilen of vluchten. In die voorkomende situaties zullen de personen aanwijzingen van de overheid krijgen via NL-Alert/media.

3.4.12.3 Transportroute gevaarlijke stoffen

96

Het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de bijbehorende Regeling Basisnet zijn op 1 april 2015 inwerking getreden. Het Bevt regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Aan de hand van de risicokaart is in beeld gebracht of en zo ja welke risicovolle inrichtingen er in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Ook aangewezen transportroutes zijn op deze manier in beeld gebracht.

Figuur: Uitsnede van de risicokaart Planspecifiek Binnen het plangebied komen geen routes gevaarlijke stoffen voor. Het plangebied ligt echter wel nabij een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Omdat het plangebied buiten 200 meter van de weg (N242) is gelegen, heeft deze transportroute geen invloed meer op de hoogte van het groepsrisico.

3.4.12.4 Besluit externe veiligheid buisleidingen Het besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Planologische relevante buisleidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. De bestemming leiding wordt gecombineerd met de bestemming van de gronden waarin de leiding is gelegen en beperkt de rechten en het gebruik van die gronden (de zogenaamde dubbelbestemming). Planologisch relevante leidingen zijn: • hoofdtransportleidingen; • hoogspanningsleidingen van 50 KV en hoger; • buisleidingen voor het transport van brandbare gassen met een druk van 20 bar of hoger; • buisleidingen voor het transsport van brandbare vloeistoffen met een diameter van 400 mm en groter; • buisleidingen voor het transsport van giftige stoffen; • buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter en gelegen buiten de bebouwde kom;

97

• buisleidingen voor het transport van afvalwater van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier met een diameter van 400 mm en groter (hoofdleidingen van en naar de afvalwaterzuiveringsinrichting); • optisch vrije paden (straalpaden). Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming/regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen (riool(pers)leidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) vervullen uitsluitend een functie voor de aanwezige functies in het gebied (kavelaansluitingen) en kunnen ook zonder planologische regeling worden aangelegd. Deze leidingen zijn veelal aangelegd langs en/of in combinatie met aanwezige infrastructuur. Bij een technische uitwerking van het plan wordt de veiligheid van deze kabels en leidingen gewaarborgd via het KLIC-systeem. Planspecifiek In het plangebied Heerhugowaard Zuidwest zijn geen relevante buisleidingen aanwezig.

3.4.14 Milieueffectrapportage (MER) Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in de hoofdstuk 7 vande Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van een m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 'plannen' geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; c.

het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het betreffende plan of besluit gemotiveerd; d. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvije m.e.r.-beoordeling. Gemeenten zijn thans verplicht om voor m.e.r.-(beoordelings) plichtige activiteiten een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (mer). Planspecifiek Het bestemmingsplan Heerhugowaard Zuidwest omvat het opnieuw vastleggen van de bestaande situatie, er is geen sprake van de aanleg van een nieuw (stedelijk) ontwikkelingsproject.

Gelet op deze kenmerken en het feit dat het plangebied zich niet binnen of grenzend aan Natura-2000 en/of natuurgebieden van Natuur Netwerk Nederland (NNN) bevindt, is voor vaststelling van dit bestemmingsplan een m.e.r. beoordelingsplicht en/of het opstellen van een milieueffectrapportage niet aan de orde. Er zijn in het plangebied geen ingrijpende ruimtelijke wijzigingen met grote

98

effecten op het milieu voorzien.

3.5 Planbeschrijving 3.5.1 Inleiding Het gebied dat het bestemmingsplan Heerhugowaard Zuid-West beslaat is gerealiseerd tussen het begin van de jaren '70 en halverwege de jaren '90 van de vorige eeuw. De belangrijkste functie binnen het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft is wonen. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn vertaald naar de inhoud van het plan. Er wordt gemotiveerd aangegeven wat in het bestemmingsplan geregeld wordt en op welke wijze (beheersplan, ontwikkelingsplan). Zijn er specifieke ontwikkelingen in het plan dan zullen deze in het hoofdstuk beschreven worden. De systematiek van de planregels en bestemmingen is gebaseerd op de standaardregels van de gemeente Heerhugowaard en de huidige landelijke richtlijnen voor ROstandaarden.

3.5.2 Beheer Omdat het plangebied van Heerhugowaard 'Zuidwest' een bestaand bebouwd gebied is, ligt de nadruk van het bestemmingsplan op het beheer. Deze beheersfunctie komt tot uiting doordat in de planregels een gedetailleerde bestemmingsregeling is opgenomen voor alle private en bedrijfsmatige bestemmingen. Een gedetailleerd plan biedt directe rechtszekerheid aan de belanghebbenden en is een duidelijk toetsingskader voor het beoordelen van (bouw) aanvragen. De private bestemmingen zijn gedetailleerd in de regels en op de verbeelding opgenomen. De aan te houden bouwhoogten zijn vastgelegd op de verbeelding. De regels voor de openbare ruimte zijn daarentegen globaler beschreven. Deze regels staan binnen de betreffende bestemming een groot aantal functies toe. Hierdoor is het mogelijk om bij herinrichting van bijvoorbeeld groenbestemmingen in de woonwijk(en) maatwerk te leveren en waar mogelijk in te spelen op de wensen van de bewoners.

3.5.2.1 Carports in de voortuin Carports in de voortuin In de Edelstenwijk is op een aantal percelen in het verleden, toen dit nog vergunningvrij kon, een carport gerealiseerd aan de voorzijde van de woning (in de tuinbestemming). In de jaren negentig van de vorige eeuw liet de Woningwet/Bouwbesluit toe dat vergunningvrij een carport kon worden gebouwd in de voortuin. Onder de huidige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht is dit niet meer toegestaan. De carports zijn in twee typen te onderscheiden: een carport in het verlengde van de bestaande berging/garage en een carport tussen bestaande bergingen. De vraag is of dit in vergelijkbare situaties ook mogelijk gemaakt zou moeten worden. In het gebied zijn veel vergelijkbare gevallen waar een carport gerealiseerd zou kunnen worden. De Edelstenenwijk is een woongebied waarbij het openbaar gebied is ingericht als woonerf, ooit bedacht vanuit idealen maar deze sluiten niet meer aan bij de huidige behoeften. Daarbij gaat het niet zozeer om de woningen zelf maar meer de beleving van het openbare gebied. Oorzaken hiervan zijn ondermeer de versnipperde ruimte in het openbare gebied met als gevolg een rommelig beeld, onduidelijke achter- en voorkanten en overgangen openbaar - privé (schuttingen) en parkeren.

Het toegenomen autobezit met als gevolg de dominantie van de auto binnen de woonerven is in dit soort wijken voelbaar en pijnlijk zichtbaar. Gevolg hiervan is dat in veel voortuinen wordt geparkeerd, waar dat oorspronkelijk helemaal niet de bedoeling was. Een volgende stap is dat die auto in de voortuin onder een dak moet komen. Maar dat is ruimtelijk niet gewenst omdat de voortuin een belangrijke schakel vormt tussen het private en het publieke domein. Voor dit soort wijken is het van belang dat woningen duidelijk in relatie staan tot de openbare weg. Dit type wijk is opgezet vanuit de gedachte dat er een grote interactie is tussen het wonen en de openbare weg, het woonerf, met name aan de voorzijde. Het toestaan van extra bouwwerken in de zone waar de woning grenst aan de openbare weg is dan ook niet

99

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=7829ce31-8d52-49e5-ab34-b0681c6fe784