CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Plantekst BestemmingsplanHeerhugowaard Zuid-West 2021

Gemeenteraad 13 september 2022, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: RV Vaststellen bestemmingsplan Heerhugowaard ‘Zuid-West 2021’41.204 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

51

bijbehorende eisen voor locatie en inrichting; b. een op grond van de functie te verwachte benodigde ruimte voor het laden of lossen van goederen; c. het gemiddelde van de bandbreedte voor de betreffende functie van de meest recente CROW parkeerkencijfers; d. de parkeergelegenheid die is vereist, vergund en aangelegd ook als zodanig in stand wordt gelaten.

23.2 Afwijkingsbevoegdheid In afwijking van het bepaalde in artikel 23.1 kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. Het afwijkingsbesluit moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder geval blijkt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening, een optimaal te gebruiken parkeersituatie geborgd is. Bij deze motivering dient (zodra vastgesteld) de gemeentelijke parkeerbeleidsnota Heerhugowaard 2021 dan wel de rechtsopvolgers daarvan en de meest recente uitgave van het CROW, thans 'toekomstbestendig parkeren, 2018' als leidraad te worden gebruikt.

23.3 Bouwwerken in het water bij woningen Bouwwerken zoals steigers, oeverbeschermingen en dergelijke in het water zijn toegestaan indien: a. deze voldoen aan de algemene regels zoals deze zijn gesteld door de waterbeheerder; b. deze direct grenzend aan het woonperceel worden gerealiseerd; c. deze uitsluitend dienen voor eigen gebruik.

23.4 Strijdig gebruik Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruik van gronden en bouwwerken op een andere wijze dan is omschreven in de bestemmingsomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. een gebruik van gronden of bouwwerken waarbij de parkeergelegenheid die is vereist en aangelegd op grond van artikel 23.1 niet in stand wordt gelaten; b. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond, puin en afvalstoffen, met uitzondering van eenzodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; c. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines,voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie; e. het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van risicovolle inrichtingen; f. het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; g. het gebruik van gronden voor het (op)slaan van materialen, pallets en (kuubs)kisten tot een grotere hoogte dan 4.00 meter.

23.5 Nadere eis Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 23.1 ten einde een hogere parkeereis en/of zwaardere eisen ten aanzien van de bijbehorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading toe te passen indien omgevingsfactoren in relatie tot de omvang of aard van het bouwplan of het gebruik, aanleiding kunnen geven voor het stellen van nadere eisen aan parkeren, ontsluiting of bevoorrading. Het besluit tot het stellen van de nadere eis moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder geval blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en een goede parkeersituatie in de omgeving te borgen.

artikel 24 Algemene aanduidingsregels 24.1 overige zone - Evenemententerrein Luipaardpark

52

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Evenemententerrein- Luipaardpark' zijn, behalve voor de daarvoorkomende bestemmingen, mede bestemd als evenemententerrein voor evenementen.

24.1.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding Evenemententerrein zijn 2 evenementen per jaar toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. de duur van het evenement (exclusief op- en afbouwdagen) is maximaal 1 dag per jaar; b. er zijn uitsluitend evenementen in maximaal geluidscategorie 3 toegestaan; c. het bezoekersaantal mag niet meer zijn dan tegelijkertijd 15.500 aanwezige personen, mits wordt voorzien in voldoende parkeervoorzieningen. Het werkelijke maximaal aantal toegestane bezoekers wordt bij elke vergunningaanvraag bepaald op basis van de inrichting van het evenement en de tentijde van het evenement aanwezige risicofactoren. Doorgaans is dit 50% van het onder lid c genoemde aantal.

24.2 veiligheidszone - Gasdrukmeet- en regelstation Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - gasdrukmeet- en regelsation' is een gasdrukmeet- en regelstation toegestaan. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van beide stations is op grond van het genoemde in artikel 3.12 lid 6 van het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer, op de verbeelding een bijbehorende veiligheidscontour opgenomen van 4 meter voor beperkt kwetsbare objecten en 6 meter voor kwetsbare objecten. De aanduiding betreft de regelstations aan de Kameleon 8 en Smaragd 27.

artikel 25 Algemene afwijkingsregels 25.1 Algemene afwijkingsregels Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, afwijken van de bouwregels, van het bepaalde in het plan en toestaan dat: a. de op de verbeelding aangeduide en/of in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages worden vergroot; b. het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling of het beloop van vaarwegen ingeringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of de intensiteit daartoe aanleiding geeft; c. dat bestemmings- of bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; d. dat wachthuisjes ten behoeve van openbaar vervoer, telefooncellen, toiletgebouwtjes en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, onder voorwaarde dat: 1. de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 100 m3; 2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebowuen zijnde, niet meer bedraagt dan 10,00 meter; e. de hoogte ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot niet meer dan 40,00 meter; f.

de maximale (bouw)hoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen,luchtkokers, liftschachten en/of airco-units en lichtkappen wordt vergroot, mits; 1. de oppervlakte van de plaatselijke verhoging niet meer bedraagt dan 10,00 meter; 2. de hoogte van de plaatselijke verhoging niet meer bedraagt dan 1,25 keer de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw; En afwijken van de bestemmingsregels voor het toestaan van: g. utilitaire bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, waarvan:

53

1. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3.00 meter; 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5,50 meter; 3. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 25m3.

25.2 Afwijkingsregels mantelzorg Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen afwijken van het bepaalde in de artikelen 12 lid 2.2 onder b en 13 lid 2.2 onder b, voor het bouwen van tijdelijke woonruimte voor mantelzorg onder de voorwaarde dat; a. door een deskundige is aangetoond dat de verzorging in verband met medische-, psychische-en/of sociale omstandigheden noodzakelijk is en de aanvrager in staat is om die zorg te leveren; b. het totale oppervlak van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 100 m², met dien verstande dat bij de bestemming "Wonen" het gezamenlijk bebouwd oppervlak voor bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 75 % van de gronden waarop bouwwerken mogen worden gebouwd, tot een maximum van 100 m²; c. door de bouw van extra woonruimte er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van belangen van omwonenden en bedrijven; d. parkeren plaatsvindt op eigen erf; e. er geen extra ontsluiting op de openbare weg nodig is; f. bij de aanvraag voor de afwijking een bouwkundig rapport overlegd wordt waarin een overzicht wordt gegeven van: 1. de bestaande bouwkundige- en gebruikssituatie; 2. de te treffen voorzieningen; 3. de nieuwe inrichtingssituatie; g. de voor mantelzorg gerealiseerde vrijstaande bijbehorende bouwwerken, na het beëindigen van de mantelzorgsituatie, niet gebruikt worden voor zelfstandige bewoning.

artikel 26 Algemene wijzigingsregels 26.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn, met in achtneming van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd om de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer-1' te wijzigen in een bestemming 'Tuin', 'Tuin-1', 'Tuin-2', 'Wonen', 'Wonen-1', 'Wonen-2' of in een combinatie van die bestemmingen, waarbij de volgende regels in acht worden genomen: a. de wijzigingsbevoegdheid is alleen van toepassing op gronden met de bestemming "Groen" of "Verkeer-1" die in het kader van onderhoud en beheer zijn of worden afgestoten; b. de gronden waarvan de bestemming wordt gewijzigd, moeten aansluiten op gronden die reeds die bestemming hebben; c. indien aan de voorzijde van de woning geen tuinbestemming aanwezig is, wordt de bestemming van de gronden gewijzigd in een voor die woning passende tuinbestemming; d. de wijzigingsbevoegdheid heeft geen betrekking op het vestigen of uitbreiding van bouwvlakken.

26.2 Waarde - cultuurhistorie Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie toe te voegen met

54

dien verstande dat: a. toevoegen uitsluitend mogelijk is indien een object aangewezen is als monument of beeldbepalend pand op basis van artikel 3 van de gemeentelijke Erfgoedverordening 2010 of de dan geldende verordening die de Erfgoedverordening 2010 vervangt; b. de procedure voor het middels deze wijzigingsprocedure toevoegen van de dubbelbestemming, indien gewenst, gelijktijdig kan worden gevoerd met de besluitvorming op basis van de gemeentelijke Erfgoedverordening 2010 of de dan geldende verordening die de Erfgoedverordening 2010 vervangt.

artikel 27 Overige regels 27.1 Parkeernorm Het gebruiken en/of bebouwen van gronden is uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de parkeernormen zoals die gelden volgens de CROW richtlijn of op dat moment geldende gemeentelijk parkeerbeleid (met bijbehorende eisen voor locatie en inrichting) ten behoeve van (vracht)auto's en overige verkeersvoertuigen en de bijhorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

27.2 Afwijken Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3 lid 1 indien: a. het voldoen aan de bepalingen gezien het gebruik en/of het bouwplan van het desbetreffende plangebied, mede gezien de omgeving, niet noodzakelijk is en/of op overwegende bezwaren stuit, of; b. op een andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien; c. strikte toepassing van de normen leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd. Het afwijkingsbesluit moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder geval blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit / leefbaarheid en een goede parkeersituatie geborgd is.

27.3 Strijdig gebruik Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruiken dan wel laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij de parkeergelegenheid die is vereist en aangelegd op grond van artikel 3 lid 2 niet in stand wordt gelaten.

27.4 Nadere eis Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 3 lid 1 ten einde een hogere parkeereis en/of zwaardere eisen ten aanzien van de bijbehorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading toe te passen indien omgevingsfactoren in relatie tot de omvang of aard van het bouwplan of het gebruik, aanleiding kunnen geven voor het stellen van nadere eisen aan parkeren, ontsluiting of bevoorrading. Het besluit tot het stellen van de nadere eis moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder geval blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit en een goede parkeersituatie te borgen.

55

hoofdstuk 4 Overgangs- en Slotregels artikel 28 Overgangsrecht 28.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%; c. het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

28.2 Overgangsrecht gebruik a. het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, als bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. Indien het gebruik, als bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

artikel 29 Slotregel Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan "Heerhugowaard Zuid-West 2021 van de gemeente Heerhugowaard.

56

BIJLAGEN BIJ REGELS

57

1 Staat van bedrijfsactiviteiten 1 Staat van bedrijfsactiviteiten

58

2 Uitbouw aan voor- en zijgevel 2 Uitbouw aan voor- en zijgevel

59

3 Wijze van meten 3 Wijze van meten

60

TOELICHTING

61

3.1 Inleiding 3.1.1 Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is geregeld dat op grond van artikel 3.1 lid 2 van de Wro, de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan eenmaal in de tien jaar dient te worden herzien. Op 1 juli 2018 is de Wet actualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen in werking getreden. Als gevolg voor de inwerkingtreding van de Wetactualiseringsplicht bestemmingsplannen en beheersverordeningen zijn gemeenten echter niet langer verplicht om bestemmingsplannen binnen de periode van 10 jaar opnieuw vast te stellen. De actualiseringsplicht is echter niet voor alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen afgeschaft. Met het oog op de kenbaarheid van de geldende bestemmingsregeling voor burgers en bedrijven is de wet uitsluitend van toepassing op die plannen en verordeningen die elektronisch (beschikbaar gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl) raadpleegbaar zijn. Voor de overige plannen blijft de actualiseringsplicht gelden tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De afschaffing van de actualiseringsplicht brengt echter geen verandering in de mogelijkheid dat gemeenten, al dan niet op verzoek, bestemmingsplannen actualiseren danwel aanpassen.

Ten opzichte van het huidige bestemmingsplan Heerhugowaard Zuid-West, vastgesteld 16 november 2012, en de huidige situatie in het plangebied is duidelijk dat er in de loop der jaren op ruimtelijk gebied tal van kleine wijzigingen zijn geweest. Bovendien zijn er een aantal afzonderlijke actualisatieplannen voor Heerhugowaard vastgesteld die thans in het bestemmingsplan 'Heerhugowaard Zuid-West 2021' moeten worden opgenomen. Dit betreft de Actualisatieplannen Heerhugowaard 2014, 2015, 2016 en 2017. Gelet op bovenstaande zijn de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels niet meer in overeenstemming met een wettelijke goede ruimtelijke ordening en dient het bestemmingsplan Heerhugowaard Zuid-West aan de huidige actuele situatie te worden aangepast. Dit nieuwe bestemmingsplan 'Heerhugowaard Zuid-West 2021' is als digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar plan opgezet. Verder wordt er gestreefd naar vrijwel identieke regels. Deze regels zijn eenvoudig opgesteld, zodat ze heldere richtlijnen geven voor de bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied en het gebruik van de gronden en gebouwen in het plangebied. In het kader van digitale dienstverlening wordt het daarmee voor iedereen mogelijk om de verbeelding (bestemmingsplankaart) en voorschriften ook thuis, digitaal te raadplegen via het internet.

3.1.2 Plangebied Het plangebied waarvoor het bestemmingsplan Heerhugowaard Zuid-West 2021 de bestemming, de bouwmogelijkheden, het gebruik van de gronden en de bebouwing regelt, is noordoostelijk gelegen ten opzichte van het hoofdcentrumgebied van Heerhugowaard en wordt gevormd door bestaande wijken. Het plangebied wordt als volgt begrensd: • de Westtangent; • de Robijn; • de Jade; • de Diamant; • de Middenweg en • de waterloop achter de Keizerfazant, Zwarte Dolfijn en Monniksrob. Het plan bestaat uit: • een plantoelichting met bijlagen; • planregels met bijlagen; • een verbeelding.

62

Figuur 1 Ligging van het plangebied

3.1.3 Doel Met de herziening van het bestemmingsplan wordt een actueel juridisch-planologisch kader voor de bestaande activiteiten opgesteld. Daarbij wordt rekening gehouden met mogelijke toekomstige wensen. Bovendien worden verschillende voor het plangebied geldende regelingen in het bestemmingsplan opgenomen. Een bestemmingspan heeft twee functies: enerzijds een functie om dat wat er al is, vast te leggen en te beheersen en anderzijds een functie om iets nieuws mogelijk te maken. Met dit bestemmingsplan wordt de huidige bestaande ruimtelijke situatie in het plangebied van Heerhugowaard Zuid-West opnieuw vastgelegd. Om te voorkomen dat voor elke kleine ontwikkeling zoals bijvoorbeeld het uitbreiden van een woning steeds een herziening van het bestemmingsplan nodig is, wordt in het bestemmingsplan daarvoor al ruimte geboden, afgestemd op wat in de situatie ter plaatse ruimtelijk toelaatbaar is.

3.1.4 Geldende planologische regelingen Het bestemmingsplan 'Heerhugowaard Zuid-West 2021' vervangt de volgende planologische regelingen: 1. Bestemmingsplan Heerhugowaard Zuid-West (NL.IMRO.0398.BP10HHWZUIDWEST00-VA01); 2. Actualisatieplan Heerhugowaard 2016 (NL.IMRO.0398.BP59ACTUALISATIE3-VA01); 3. Actualisatieplan Heerhugowaard 2017 (NL.IMRO.0398.BP70ACTUALISATIE4-VA01); 4. Middenweg 27, omgevingsvergunning Korund 74-112 project 'Zonnesteen', tekeningnummer DA00034599; 5. Bestemmingsplan 'Wonen en parkeren' (NL.IMRO.0398.BP83WONENPARKEREN-VA01), deelgebied Heerhugowaard Zuid-West.

3.1.5 Opzet van de toelichting Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en verbeelding. De digitale kaart van het bestemmingsplan wordt 'verbeelding' genoemd, deze kaart vormt samen met de regels het juridisch bindende gedeelte van het plan. Op de verbeelding worden de bestemmingen aangegeven. Per bestemming worden regels gegeven met betrekking tot de functie of het doel van de gronden, de gebouwen en het gebruik. Daarop wordt een toelichting gegeven waarin wordt gemotiveerd waarom met uitvoering van het plan sprake is van een (wettelijke) goede ruimtelijke ordening. In de onderhavige toelichting worden de uitgangspunten voor het bestemmingsplan 'Heerhugowaard Zuid-West'

63

weergegeven. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk beleid dat op de beoogde ontwikkeling van toepassing is. De milieu- en duurzaamheidsaspecten worden behandeld in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het plan beschreven en in hoofdstuk 6 de juridische vorm van het bestemmingsplan. De financieel-economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 7 aan de orde en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de maatschappelijke toetsing en het (voor)overleg behandeld.

3.2 Huidige situatie 3.2.1 Ontstaansgeschiedenis Het gebied dat nu de gemeente Heerhugowaard vormt was omstreeks 800 bedekt met veen. De ontginning van het veen door de mens zorgde voor landbouwgrond. Maar in combinatie met stormvloeden ontstonden ook een aantal grote meren, waaronder de Huygenwaert. Rijke kooplieden en notabelen in de gouden eeuw zagen nieuwe beleggingsmogelijkheden in het inpolderen van de meren in Noord - Holland. De Alkmaarse regenten, met name Nanning van Foreest en Floris van Teylingen, namen het voortouw bij de inpoldering van Heerhugowaard. In 1631 viel de polder Heerhugowaard droog. Waar de droogmakerijen de Beemster en de Schermer goede landbouwgrond opleverde, viel dat in Heerhugowaard erg tegen. De nieuwe polder bleek moeilijk droog te houden en de grondkwaliteit was maar matig. Nog geen veertig jaar later gingen er stemmen op om de hele Waert maar weer onder te laten lopen. Als viswater zou het gebied meer opleveren dan als landbouwgrond. Zo ver is het niet gekomen maar tot circa 1850 leidde de polder een kommervol bestaan. Door de komst van kunstmest konden de opbrengsten van de gronden verbeterd worden en werden de inwoners iets welvarender. Tot achttienhonderd waren het vooral de regenten uit Alkmaar en Amsterdam, die de grond in Heerhugowaard bezaten.

In de negentiende eeuw kwam daar verandering in en kwamen de boerderijen met de bijbehorende grond steeds meer in handen van de mensen die er woonden en werkten. De landbouwcrisis van 1875 was de oorzaak van een verandering in de agrarische structuur. Van extensieve landbouw schakelde men over op intensieve tuinbouw, omdat daarvoor veel minder grond nodig was. Dat betekende meer bedrijven. De meeste boeren kochten niet meer grond dan zij zelf konden bewerken. De grond waarvan voorheen één landbouwer leefde, leverde nu inkomsten op voor een veelvoud aan tuinbouwers met hun gezinnen. Rond negentienhonderd was de bevolking dan ook behoorlijk uitgebreid. Voldoende voor de vestiging van een kleine middenstand. Er kwamen bakkers, kruideniers, wagenmakers, manufacturiers én een kerk. Tot eind jaren twintig bloeide het Heerhugowaardse ondernemersleven. De economische crisis van de jaren dertig en direct daarna de Tweede Wereldoorlog brachten echter minder goede tijden. Pas na de oorlog bloeide Heerhugowaard economisch weer op. De ruilverkaveling van eind jaren zestig en de komst van het kassengebied Alton veranderde het landschap. Door de aanleg van fietspaden verdwenen de karakteristieke sloten aan weerszijden van de Middenweg. Veel boerderijen, ook in Heerhugowaard de Noord, werden gesloopt en vervangen door gewone huizen. Na de oorlog was er veel vraag naar grond voor woningbouw.

In Nederland heerste grote woningnood. De eerste bouwgolf vond voornamelijk in de grote steden plaats. De tweede bouwgolf voltrok zich rond de zogenaamde groeikernen. Hoewel Heerhugowaard nooit als zodanig is aangewezen werd de gemeente vanaf halverwege de jaren zestig een groeikern. Nog steeds is zichtbaar dat de groei van Heerhugowaard begonnen is vanuit de toen dominante functionalistische visie: wonen, werken en recreëren moesten zoveel mogelijk van elkaar gescheiden worden en bewoners moeten zich gemakkelijk van de ene naar de ander 'functie' kunnen verplaatsen. Rond het centrale dorp verrezen de nieuwbouwwijken, het Recreatiepark bood de nodige sport- en ontspanningsmogelijkheden. Het bedrijventerrein ontstond aan de andere kant van de spoorlijn. Maar alles wel binnen de oorspronkelijke verkavelingsstructuur van de droogmakerij. De groei van de gemeente ging verder in zuidelijke richting en er werd nagedacht over een nieuw centrum. Dat centrum is het Stadshart geworden waar omheen de stad verder zou gaan groeien. Met de Rivierenwijk en de Edelstenenwijk in de jaren zeventig, Butterhuizen en Oostertocht in de jaren tachtig en negentig. In 1986 is de gemeente aangewezen als Vinex locatie en zijn de woonwijken Zuidwijk, Huygenhoek en tenslotte Stad van de Zon gerealiseerd.

Daarnaast zijn de wijken De Draai en De Broekhorn in een vergevorderd stadium qua woningbouwontwikkeling. Gemeente Heerhugowaard telt in 2021 circa 58.000 inwoners.

64

3.2.2 Bestaande situatie 3.2.2.1 Ruimtelijke structuur Het plangebied Heerhugowaard Zuid-West bestaat uit de wijken Edelstenenwijk en Butterhuizenwijk. De Edelstenenwijk is een woongebied met een kleinschalige opbouw en inrichting, met veel eengezinswoningen, een enkel blok met gestapelde woningen en veel groen. De gemiddelde woningdichtheid bedraagt hier 22 woningen per hectare. De inrichting van de Edelstenenwijk is opgezet volgens, het in de jaren zeventig en tachtig gangbare idee van een woonerf. Dat wil zeggen dat er een grote interactie is tussen het wonen en de openbare weg, met name aan de voorzijde. In de jaren negentig van de vorige eeuw liet de Woningwet/Bouwbesluit toe dat vergunningvrij een carport kon worden gebouwd in de voortuin. Op een aantal percelen is een dergelijke carport toen gerealiseerd. Onder de huidige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht is dit niet meer toegestaan. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het niet gewenst om in vergelijkbare situaties dit ook mogelijk te maken (zie verder hfdst. 5.2 Beheer). De Butterhuizenwijk is een ruim opgezette wijk met veel groen. Er is een grote variatie aan bebouwing. In verhouding met de Edelstenenwijk staan hier meer vrijstaande en twee onder kapwoningen en zijn er wat meer gestapelde woningen. De gemiddelde woningdichtheid bedraagt hier 23 woningen per hectare.

Door het plangebied loopt de stadsgracht. Tussen Butterhuizen en de Edelstenenwijk is de Stadsgracht breed met aan weerszijden een brede groenstrook die aan de westzijde van het plangebied overgaat in het Luipaardpark. Woonwagenlocatie Diamant Binnen het plangebied bevindt zich aansluitend aan het Stadshart een woonwagenlocatie gelegen aan de Diamant. Ongeveer 34 jaar terug is het regionale centrum Vrooneroord opgeheven. Heerhugowaard kreeg hierdoor een taakstellling opegelegd voor de realisatie van 42 standplaatsen. Deze standplaatsen zijn toendertijd gerealiseerd op drie locaties, te weten Kopermolen, Diamant en Van Veenweg. De Kopermolen is in 1982 gerealiseerd, De locaties aan de Diamant en Van Veenweg zijn in 1986 gerealiseerd. In de loop der jaren zijn de eisen die worden gesteld aan standplaatsen en woonwagens dusdanig veranderd dat plaatsing van een woonwagen in het bestemmingsplan moet passen. De woonwagenlocatie aan de Diamant maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Omdat naast veranderende wetgeving ten aaznien van woonwagens ook voor woonwagenbewoners de woon- en leefruimte in het algemeen ambiteuzer is geworden is, in dit bestemmingsplan Zuidwest een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden de woonlagenlocatie te wijzigen in een locatie voor de realisatie van grondgebonden woningen.

3.2.2.2 Functionele structuur In de Edelstenenwijk staan 1380 woningen. Dit is ca. 6 % van de woningvoorraad in Heerhugowaard. Van de 1.415 huishoudens zijn er 575 (41%) huishoudens met kinderen. Er zijn 520 (37%) huishoudens zonder kinderen en 330 (23%) alleenstaanden. Van de 3.400 bewoners ziet de bevolkingspyramide er als volgt uit: • leeftijdscategorie 0 - 19 jaar: 748 personen, 22% • leeftijdscategorie 20 - 39 jaar: 711 personen, 23% • leeftijdscategorie 40 - 59 jaar: 916 personen, 27% • leeftijdscategorie 60 - 79 jaar: 890 personen, 26% • leeftijdscategorie 80 en ouder: 74 personen, 2%. In de Butterhuizenwijk staan 1.580 woningen. Dit is ca. 6,5% van de woningvoorraad in Heerhugowaard. Van de 1.565 huishoudens zijn er 695 (44%) huishoudens met kinderen. Er zijn 460 (29%) huishoudens zonder kinderen en 415 (27%) alleenstaanden. Van de 3.870 bewoners ziet de bevolkingspyramide er als volgt uit: • leeftijdscategorie 0 - 19 jaar: 983 personen, 25% • leeftijdscategorie 20 - 39 jaar: 876 personen, 23% • leeftijdscategorie 40 - 59 jaar: 11622 personen, 30% • leeftijdscategorie 60 - 79 jaar: 781 personen, 20%

65

• leeftijdscategorie 80 en ouder: 97 personen, 3%.

Binnen het plangebied bevinden zich drie basisscholen en een buurthuis. Deze voorzieningen zijn gelegen binnen de Edelstenenwijk. In het plangebied Butterhuizenwijk bevinden zich geen scholen of andere maatschappelijk voorzieningen. Wel is nog een basisschool aanwezig aan de zuidzijde van de Middenweg grenzend aan de wijk Butterhuizen.

3.3 Beleidskaders 3.3.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste beleidsdocumenten op rijks-, provinciaal-, regionaal- en lokaal niveau samengevat, voor zover deze documenten relevant beleid en/of besluiten omvatten ten aanzien van dit bestemmingsplan.

3.3.2 Europees beleid Europese Kaderrichtlijn Water Water is van essentieel belang voor mens, dier en plant maar ook voor de economie. De bescherming en het beheer ervan overstijgen de nationale grenzen. Sinds 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Bij de KRW van de EU is een kader vastgesteld voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswateren, kustwateren en grondwater. Hierin staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Beoogd wordt vervuiling te voorkomen en beperken; duurzaam gebruik van water te bevorderen en waarborgen; het aquatische milieu te beschermen en te verbeteren en de effecten van overstromingen en droogten in te perken. Bij ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening worden beoordeeld of de gewenste watertoestand uit de KRW van de EU en de Wet op de waterhuishouding (Wwh-plannen) in gevaar wordt gebracht. Als nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of bestemmingen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de watertoestand zijn maatregelen nodig. Ruimtelijke ontwikkelingen en -besluiten moeten worden voorafgegaan door een watertoets.

Doel van deze watertoets is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een zo evenwichtig mogelijke wijze in beschouwing worden genomen. Het verband tussen de Kaderrichtlijn Water en ruimtelijke plannen is bij uitstek onderwerp van de watertoetsprocedure welke in samenspraak met het Waterschap wordt uitgevoerd.

66

Nederland is een waterland en Heerhugowaard is een gemeente met een van oorsprong waterrijk gebied. Bij beheer maar ook bij ruimtelijke ontwikkelingen worden de kaders gehanteerd en de ambities nagestreefd zoals genoemd in het landelijke Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Planspecifiek In het plangebied Heerhugowaard Zuid-West worden geen nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen en bestemmingen toegevoegd. Op grond hiervan is er geen sprake van gevolgen voor de huidige situatie van de waterhuishouding in het plangebied.

3.3.3 Rijksbeleid 3.3.3.1 Ladder voor duurzame verstedelijking Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte als het gaat om nieuwe ruimtelijke stedelijke ontwikkelingen. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, hierbij is een nieuwe Laddersystematiek geintroduceerd waaraan een nieuwe ruimtelijke stedelijke ontwikkeling moet worden getoetst. In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte van de betreffende ontwikkeling bevat én, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, een motivering is opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Planspecifiek De ladder hoeft alleen doorlopen te worden als er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.Onderhavig plan betreft een actualisatie van een plangebied waarbij geen nieuwe (grootschalige) ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De bestaande situatie wordt opnieuw vastgelegd.

De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan.

3.3.3.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in, en worden vervangen door, de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet inwerking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De Omgevingswet geeft aan de NOVI mee dat deze ‘met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en het b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’.

Fysieke leefomgeving De NOVI is de eerste integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet en hanteert dan ook dezelfde brede opvatting van het begrip fysieke leefomgeving: de natuurlijke omgeving met grote wateren en natuurlandschappen, agrarische cultuurlandschappen, de gebouwde omgeving met steden, dorpen, bedrijventerreinen, netwerken en infrastructuur voor het verkeer van personen, goederen, data, stoffen en energie, en het cultureel erfgoed. De ontwikkeling van de leefomgeving moet zo veel als mogelijk in balans zijn met bescherming van waarden als gezondheid, veiligheid, landschap, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. De fysieke leefomgeving is verweven met de sociale leefomgeving. Naast de ruimtelijk-functionele indeling van de leefomgeving

67

gaat het ook om de activiteiten die een effect hebben op de leefomgeving in brede zin, waaronder het milieu, water, bodem, lucht en het natuurlijk kapitaal. Boven- en ondergrond zijn daarbij onlosmakelijk met elkaar verbonden. De opgaven vragen om een aanpak op korte, middellange en lange termijn. Voor de ontwikkelingen en aanpak wordt er vooruit gekeken naar 2050. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de (sectorale) doelen die al eerder door het kabinet voor het jaar 2050 zijn neergezet. Duidelijk is dat veel doelen op de lange termijn al in de aankomende jaren vragen om handelen. Echter, moet er worden voorkomen dat met het stellen van tussentijdse doelen de lange termijn ambities verwateren. Alles wat er gedaan wordt op de korte en middellange termijn, moet ook bijdragen aan de realisatie van de doelen voor 2050. Nationaal en internationaal De NOVI is gericht op de nationale schaal, waarbij het conform de Omgevingswet gaat om Europees Nederland inclusief de territoriale wateren, exclusief het Caribisch deel van ons Koninkrijk. Inhoudelijk beperkt de visie zich niet tot Nederland. In de NOVI, en daaraan gerelateerde programma’s, zijn de relevante internationale regels en afspraken vertaald. Veel vraagstukken vragen een grensoverschrijdende aanpak.

Afspraken over vliegen en varen worden bijvoorbeeld al langer gemaakt in EU-verband en wereldwijd aan internationale tafels (ICAO, IMO). Ook over riviermanagement worden er al langer afspraken gemaakt met België, Frankrijk, Zwitserland, Duitsland en Luxemburg voor bijvoorbeeld het gehele stroomgebied van de Rijn of de Maas. Samenwerking en uitvoering De NOVI-aanpak is gebaseerd op brede maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden, burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Partners in de samenleving dragen actief bij aan het verbeteren van de leefomgeving en het verduurzamen van de manier waarop er wordt gewoont, gewerkt en gerecreeërd. Dit vraagt een Rijksoverheid die samenwerkt en faciliteert waar wenselijk en nodig, en regisseert en richting geeft waar het moet. Deze samenwerking moet tot stand komen onder de volgende hoofddoelstellingen: a. Gezamenlijke verantwoordelijkheid van betrokken overheden; b. De sturingsfilosofie van de Omgevingswet gebaseerd op vertrouwen; c. Toepassen van het Omgevingsrecht; d. Strategisch verbinden; e. Werken met de Uitvoeringsagenda. De status van strategisch beleid en niet-strategisch beleid in bestaande beleidsdocumenten Na de vaststelling van de NOVI staan belangrijke beleidsbeslissingen, beleidskeuzes en -uitgangspunten niet alleen in de NOVI, maar soms ook nog in bestaande beleidsdocumenten.

In veel gevallen zullen alleen de hoofdlijnen van bestaand strategisch beleid in de NOVI zijn opgenomen. De concretisering en uitwerking daarvan, ofwel het nietstrategische beleid, staat nog steeds in het bestaande beleidsdocument. Als voorbeeld kan worden gewezen op de uitwerking van het hiervoor al genoemde Nationaal Milieubleidsplan. Al deze bestaande beleidsdocumenten (met en zonder wettelijke grondslag) blijven gelden na inwerkingtreding van de Omgevingswet, en het Rijk blijft daaraan nog steeds gebonden. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijksbeleid zoals genoemd in de op 13 maart 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is, behalve enkele onderdelen van bijlage 6: 'Essentiële onderdelen Nota Mobiliteit, geheel opgegaan in de NOVI. NOVI definitief De definitieve versie van de NOVI en de uitvoeringsagenda zijn op 11 september 2020 aangeboden aan de Tweede kamer. Inmiddels is de definitieve versie van de Nationale Omgevinsgvisie vastgetseld en inwerking getreden per 26 maart 2021. Planspecifiek De nationale belangen en uitgangspunten die in het NOVI zijn vertaald, zijn niet zo zeer van betekenis voor het actualiseren van onderhavig bestemmingsplan. Het uiteindelijke meest relevante beleidskader wordt gevormd door de provincie Noord-Holland, regionale samenwerkingsverbanden en de gemeente zelf.

68

3.3.3.3 Uitvoeringsagenda Nationale Omgevingsvisie 2021-2024 Het Rijk geeft met de hiervoor genoemde NOVI richting en helpt keuzes te maken waar dat moet. De NOVI is een visie, maar ook het begin van een proces. Een proces, waarin we – als één overheid – samen met de samenleving werken aan de doelen, ambities en prioritaire opgaven uit de NOVI. Alleen als Rijk, regio en samenleving het samendoen en de opgaven integraal aanpakken, kunnen we met succes werken aan een duurzaam, economisch sterk en leefbaar Nederland, juist ook voor de lange termijn. In de Uitvoeringsagenda NOVI 2021-2024 wordt visie omgezet in actie. Er wordt, op basis van de uitgangspunten voor uitwerking en samenwerking zoals geformuleerd in de NOVI, uitwerking gegeven aan vier prioriteiten en de beleidskeuzes uit de NOVI: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio's; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om uitvoering te kunnen geven aan de genoemde prioriteiten en NOVI beleidskeuzes moet gebiedsgericht worden gewerkt. De regio is in toenemende mate de meest relevante schaal om opgaven voor de fysieke leefomgeving op te pakken en keuzes te maken.

Gegeven de verantwoordelijkheden van het Rijk op nationaal niveau is een samenspel nodig tussen regio en Rijk om tot regionaal maatwerk te komen: gezamenlijk optrekken, steeds passend bij de opgave. Hiervoor hebben het Rijk en de mede overheden Samenwerkingsafspraken gemaakt. Gebiedsgericht werken betekent ook ‘samen met de samenleving’. Partners, initiatiefnemers en burgers worden met deze werkwijze actief bij het inrichten van de fysieke leefomgeving betrokken. Aan het gebiedsgericht werken wordt vorm gegeven met behulp van de Omgevingsagenda's, de Gebiedsagenda’s Grote Wateren, de NOVI gebieden, de Regio Deals en andere regionale programma’s en nationale programma’s met een gebiedsgerichte aanpak. Hierbij worden bestuurlijke afspraken gemaakt welke vervolgens doorwerken van Rijksniveau op Provinciaal, Regionaal en lokaal niveau. Planspecifiek De vier genoemde prioriteiten en beleidskeuzes die in het NOVI zijn vertaald, zijn niet van directe betekenis voor het actualiseren van onderhavig bestemmingsplan. Het uiteindelijke meest relevante beleidskader voor NoordHolland wordt gevormd door de provincie Noord-Holland en vervolgens, waar mogelijk, in samenwerkingsverbanden door de regio en gemeenten zelf.

3.3.3.4 Nationaal Waterprogramma 2022 - 2027 Nederland is een waterland. We leven met, naast, op en in het water. Onder de Waterwet moeten iedere zes jaar twee nationale plannen worden opgesteld. Voor beleid is dat het Nationaal Waterplan, en voor beheer is dat het Beheer - en ontwikkelplan voor de rijkswateren. Deze twee plannen zullen voor de periode 2022 - 2027 in één Nationaal WaterProgramma worden samengebracht. Hiermee bereidt het rijk zich voor op de komst van de Omgevingswet. Op dit moment is nog het 'Nationaal Waterplan 2016 - 2021' van toepassing. Dit is het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) dat is vastgesteld in december 2015. Het NWP2 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie, hetgeen betekent dat het nationaal hoofdlijnen bevat voor het door de gemeente te voeren (ruimtelijk) beleid. De eerder in deze paragraaf genoemde NOVI geldt als wijziging van enkele onderdelen van het NWP2 op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet is bedoeld. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn het nieuwe beleid op het gebied van waterveiligheid, het beleid

69

voor het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de Stroomgebied beheerplannen. Als bijlage bij het ontwerp Nationaal Waterplan zijn beleidsnota's toegevoegd over waterveiligheid, het IJsselmeergebied en de Noordzee. Deze beleidsnota's vormen een nadere uitwerking en onderbouwing van de keuzes die in de hoofdtekst staan van het Nationaal Waterplan en dienen in samenhang ermee te worden gelezen. Bij de ontwikkeling van locaties in de stad wordt ernaar gestreefd dat de hoeveelheid groen en water per saldo gelijk blijft of toeneemt. Dit moet stedelijk gebied aantrekkelijk en leefbaar maken en houden. Planspecifiek Het bestemmingsplan ‘Heerhugowaard De Noord’ betreft een actualisatie en gaat hierbij uit van behoud en opnieuw vastleggen van de bestaande situatie. Het bestaande water- en groenareaal is als zodanig bestemd.

3.3.3.5 Structuurvisie voor de ondergrond Er gebeurt steeds meer in de grond. Uit de ondergrond worden bijvoorbeeld drinkwater, aardgas en olie gewonnen. Daarnaast liggen er kabels en buisleidingen en worden er tunnels in gegraven. Ook wordt steeds vaker warmte en koude in de grond opgeslagen, om de temperatuur van huizen en bedrijven mee te regelen. Het gebruik van de ondergrond is belangrijk voor bijvoorbeeld drinkwatervoorziening en energievoorziening. De ondergrond kan woningen of bedrijfspanden aardwarmte geven. Het kan dus belangrijk zijn om te weten welke mogelijkheden de bodem heeft. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninrijksrelaties op 8 juni 2018 de Structuurvisie Ondergrond vastgesteld. De Structuurvisie Ondergrond is in samenwerking met bedrijven, burgers, provincies, gemeenten, waterschappen, kennisinstellingen en belangengroepen tot stand gekomen en gaat over het beschermen van belangrijke bronnen in de diepe bodem die voor ons hele land belangrijk zijn: voldoende goed drinkwater en (duurzame) energie. In de Structuurvisie voor de ondergrond staan afspraken over nieuwe activiteiten in de diepe bodem, waaronder mogelijkheden voor de winning van grondwater voor drinkwaterwinning in de diepe ondergrond.

Planspecifiek: De inhoud van de Structuurvisie Ondergrond heeft geen directe doorwerking voor het actualiseren van onderhavig bestemmingsplan. Het uiteindelijke meest relevante beleidskader wordt gevormd door de provincie Noord-Holland. Provincies hebben het voortouw bij het aanwijzen van gebieden voor drinkwatervoorziening.

3.3.4 Provinciaal en regionaal beleid 3.3.4.1 Omgevingsvisie Noord Holland 2050 In wat voor Noord-Holland willen we wonen, werken, recreëren en bezoekers ontvangen? Provincie Noord-Holland heeft een omgevingsvisie opgesteld samen met overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en inwoners. De Omgevingsvisie Noord Holland 2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten vastgesteld en vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 20152018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 zorgt voor balans tusseneconomische groei en leefbaarheid. Met de kaders en richtlijnen van de Omgevingsvisie kan voor toekomstige generaties het welvaarts-en welzijnsniveau in Noord-Holland op een hoog niveau gehouden worden. Dit betekent dat in Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd; de ruimte voor economische ontwikkeling wordt altijd in samenhang gezien met een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier. De Omgevingsvisie geeft dan ook enerzijds richting, en daarmee houvast naar een onbekende toekomst, en anderzijds voldoende ruimte en handelingsperspectief om te anticiperen op nieuwe ontwikkelingen.

Er wordt dus geen eindbeeld voor 2050 gepresenteerd, maar in algemene zin wat de ontwikkelprincipes zijn voor de hele provincie om een hoge leefomgevingskwaliteit te bieden. Ook worden er vijf samenhangende bewegingen beschreven. Bewegingen die laten zien hoe de provincie omgaat met

70

opgaven die op de samenleving afkomen en die zij graag wil faciliteren. De provincie geeft hier een aantal ontwikkelingsprincipes en randvoorwaarden aan mee om de beweging naar de toekomst te kunnen maken. Het gaat om de volgende bewegingen, waarbij wordt uitgegaan van het principe 'lokaal wat kan, regionaal wat moet': • Dynamisch schiereiland – hier is het benutten van de unieke ligging leidend waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd; • Metropool in ontwikkeling – hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad gaat functioneren en dat de reikwijdte van de metropool groter wordt. Door het ontwikkelen van een samenhangend metropolitaan systeem wordt de agglomeratiekracht vergroot; • Sterke kernen, sterke regio’s – deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden; • Nieuwe energie – in deze beweging gaat het over het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie; • Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving – deze beweging gaat over het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.

Gemeenten Heerhugowaard en Langedijk zijn aangemerkt als groenstedelijke kern direct ten noorden van centrumstad Alkmaar. Groenstedelijke kernen zijn aanvullend en versterkend op de centrumstad en bieden woon- en werkmilieus passend bij dit type kern. Op basis van regionale afstemming en met als basis de mografischeontwikkeling en prognoses zorgen regio's dat er in de verschillende gemeenten een goed en complementair woningaanbod is. Hierbij wordt gelet op de diversiteit in de regio en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving. Planspecifiek In het plangebied 'Heerhugowaard Zuid-West' wordt de bestaande situatie opnieuw vastgelegd. Het beleid van de voormalige Structuurvisie Noord-Holland 2040 is, voor zover het een bindende werking moet hebben, neergelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening - nieuwe Omgevingsverordening NH2020. In voornoemde Omgevingsvisie NoordHolland 2050 staan geen (beleids)richtlijnen waarmee de actualisatie van dit bestemmingsplan in strijd is.

3.3.4.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland In een Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) staan regels en voorwaarden waaraan een (gemeentelijk) ruimtelijk (bestemmings)plan in Noord-Holland moet voldoen. Er zijn regels voor het gehele provinciale grondgebied en regels voor het landelijk gebied. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de PRV regelmatig aangepast en vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. De recentste versie van het PRV is op 7 juni 2019 in werking getreden. In tegenstelling tot de Omgevingsvisie Noord Holland 2050 is de Provinciale Omgevingsverordening NH2020 bindend. Inmiddels hebben Gedeputeerde Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de nieuwe omgevingsverordening zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker geworden om te zien welke regels waar gelden. De provincie wil een eenvoudiger, duidelijker en meer integraler systeem van regels. Met meer ruimte voor lokaal en regionaal maatwerk en bestuurlijke afwegingsruimte wil de provincie NH ontwikkelingen als woningbouw en windenergie mogelijk maken én het waardevolle Noord-Hollandse landschap beschermen. Provinciale Staten heeft op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld.

De definitieve Omgevingsverordening NH2020 is op 16 november 2020 inwerking getreden. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan is getoetst aan de laatste versie van de PRV zoals deze op 7 juni 2019 in werking is getreden. Met de actuallisatie van het bestemmingsplan Heerhugowaard Zuid-West wordt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. De inhoud sluit aan bij de provinciale belangen zoals genoemd zowel in de PRV als in de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening NH 2020 zijn geen regels opgenomen waarmee het bestemmingsplan 'Heerhugowaard-Zuid-West' in strijd is. Wel dient er, op grond van artikel 33 van de PRV, in een

71

bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect duurzaamheid. In dat kader wordt verwezen naar paragraaf 4.5.10.

3.3.4.3 Het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan De behoefte aan mobliteit neemt steeds verder toe. Hierbij worden verplaatsingspatronen steeds duidelijker en de impact en snelheid van technologische veranderingen, omkleed met tal van onderzekerheden, steeds groter. De Provincie NH zorgt ervoor dat u vlot en veilig door Noord-Holland kunt reizen. Zij is verantwoordelijk voor comfortabel en frequent openbaar vervoer, legt nieuwe wegen aan en onderhoudt bestaande infrastructuur. Bij deze wegwerkzaamheden staat verkeersveiligheid voorop. In 2018 is het Provinciale verkeers- en vervoerbeleid (PVVP) tegelijkertijd met de vaststelling en inwerkingtreding van de Provinciale Omgevingsvise NH2050, ingetrokken. Het provinciale verkeers- en vervoersbeleid maakt met het programma mobiliteit, anticiperend op de nieuwe Omgevingswet, onderdeel uit van de Omgevingsvisie NH2050. In november 2018 is het Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur (PMI) 2019-2025 door Provinciale Staten vastgesteld. Naast het beheer en onderhoud van de infrastructuur heeft de provincie een groot aantal projecten in voorbereiding en uitvoering om de provinciale infrastructuur te verbeteren en uit te breiden. Al deze projecten zijn opgenomen in het Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur (PMI). Het PMI is een voortschrijdend vijfjarenprogramma dat nog jaarlijks wordt herzien.

Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan gaat uit van de bestaande situatie. Het bestemmingsplan 'Heerhugowaard-ZuidWest' voorziet niet in verkeerskundige aanpassingen. Vaststelling van dit bestemmingsplan levert geen belemmeringen op ten aanzien van de huidige verkeerskundige situatie en beleidsuitgangspunten.

3.3.4.4 Provinciale woonvisie, het Regionaal Actie Programma en de Regionale Woonvisie Op 27 september 2010 hebben Provinciale Staten de Provinciale Woonvisie "Goed Wonen in Noord-Holland 20102020" vastgesteld. In deze visie staat als doelstelling: "In 2020 beschikken de inwoners van Noord-Holland over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu". Om hiertoe te komen zijn de volgende drie speerpunten benoemd: 1. betere afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten en vooral voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning; 2. betere afstemming van voorzieningen in de woonomgeving op de vraag van bewoners; 3. verbetering van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving. De Regionale Actieprogramma’s (RAP’s) zijn voor de provincie het instrument om dit doel te bereiken. De RAP voor de regio Alkmaar is in 2012 door Gedeputeerde Staten vastgesteld en herzien en vastgesteld in 2017. In 2005 hebben de regiogemeenten de regionale Woonvisie Noord-Kennemerland 2005-2015 vastgesteld. Sindsdien is er veel veranderd. De gegevens van de RAP geven een actueler beeld van de woningmarkt en de nieuwbouwprojecten die in voorbereiding zijn. Daarom is, aan de hand van de RAP, de Regionale Woonvisie regio Alkmaar 2013-2020 vastgesteld (Heerhugowaard, d.d. 27-08-2019).

De woonvisie geeft aan dat er in de regio getalsmatig nog geen grote knelpunten zijn. Op den duur krijgt de regio te maken met vergrijzing en kan er schaarste ontstaan in de goedkope woningvoorraad. Er is sprake van een beperkte doorstroming in zowel koop als huur. Naast een kwantitatieve balans is er een verdelingsvraagstuk. Om de markt zijn werk te laten doen en ook in de toekomst de aantallen woningen in balans te houden met de behoefte, zal in de regio Alkmaar slimmer moeten worden omgegaan met de huidige voorraad, verstandig moeten worden toegevoegd en 'vinger aan de pols' moeten worden gehouden ten aanzien van de betaalbaarheid. In de regionale woonvisie is geconstateerd, dat er meer woningen gepland zijn dan nodig om te voorzien in de behoefte. Tegelijkertijd blijken er minder woningen gebouwd te worden dan waar behoefte aan is. In de woonvisie is dan ook afgesproken dit te monitoren. De Regionale Woonvisie sluit aan op het provinciale- en rijksbeleid.

72

Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard en gaat uit van het bestaande woningareaal. De uitwerking van het RAP en de woonvisie vindt plaats in afstemming met de regio. Vaststelling van dit bestemmingsplan heeft geen belemmeringen voor d eujitvoering van het Regionale Actieporogramma Wonen en de Regionale woonvisie.

3.3.4.5 Provinciaal Milieubeleidsplan Met de vaststelling en inwerkingtreding van de Omgevingsvisie NH2050 is ook het Provinciale Milieubeleidsplan 20152018 komen te vervallen. Het provinciale Milieubeleid maakt met het programma Milieu én mobiliteit, anticiperend op de nieuwe Omgevingswet, onderdeel uit van de Omgevingsvisie NH2050. Hierin wordt voorgesorteerd op de integrale Omgevingsvisie met een Visie-deel en het sectoraal milieubeleid is conform de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet uitgewerkt in een Programma-deel. Beide delen hebben een andere insteek, maar zullen elkaar wel over en weer beïnvloeden. De kwaliteit van bodem, water en lucht is in de loop der jaren verbeterd. We willen gezond en veilig wonen, werken en recreëren in Noord-Holland. Nu èn in de toekomst. De provincie blijft, met de in de Omgevingsvisie NH2050 gestelde richtlijnen en kaders, minimaal voldoen aan de wettelijke vereiste basiskwaliteit. Daarnaast heeft de provincie de ambitie kansen te creëren en te benutten gericht op een duurzamer, gezonder en veiliger Noord-Holland. Verdere verbetering is echter grotendeels afhankelijk van lokale, maar zeker ook landelijke en zelfs internationale regelgeving en nieuwe technologie.

De 'hamvraag' daarbij is, hoe geven we metelkaar invulling aan de opgave voor gezonde luchtkwaliteit bij een groeiende verstedelijking en mobiliteit? Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan gaat uit van de bestaande situatie en voorziet niet in nieuwe grootschalige ruimtelijke (woningbouw)ontwikkelingen. Vaststelling van dit bestemmingsplan heeft geen belemmeringen voor de milieukwaliteit en -situatie ter plaatse van het plangebied.

3.3.4.6 Archeologie De provincie heeft een wettelijke taak op het gebied van archeologie. In het Verdrag van Malta ligt vast dat de provincie vindplaatsen in de bodem moet beschermen. Wanneer vindplaatsen verstoord worden, moet er een archeologisch onderzoek plaatsvinden. En, archeologische vondsten moeten toegankelijk zijn voor het grote publiek. Het archeologische beleid van het provinciaal bestuur van Noord-Holland ligt vast in de Provinciale Cultuurnota. Verder geeft de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie informatie over onder andere archeologische verwachtingen. In paragraaf 4.8 wordt het (lokale) aspect Cultuurhistorie en archeologie verder uitgewerkt.

3.3.4.7 Klimaatadaptatie Essentieel is dat zowel het landelijk als het stedelijk gebied beschermd wordt tegen de gevolgen van klimaatverandering. Dat vergt aanpassingen in zowel de ruimtelijke inrichting als het watersysteem. Met name in gebieden waar sprake is van verder gaande verstedelijking en verdichting, waardoor bij wateroverlast en droogte de schade aan gebouwen en infrastructuur groot kan zijn. Dit speelt helemaal sterk wanneer ook sprake is van bodemdaling. We zorgen ervoor dat we voldoende zijn voorbereid op wateroverlast, hittestress, verdroging, verzilting en de gevolgen van een overstroming. Nieuwe ontwikkelingen moeten klimaatbestendig en waterrobuust zijn. Ook zijn in sommige bestaande situaties aanpassingen nodig, bijvoorbeeld bij vitale infrastructuur voor energie, drinkwater, ICT en mobiliteit. Met name in stedelijk gebied moet ruimte worden geboden voor het tijdelijk opvangen van water, dat vaker in piekbuien valt. In het landelijk gebied houden we daarnaast ook rekening met verdroging en verzilting.

73

De provincie onderzoekt samen met waterschappen en gemeenten, de mogelijkheid om het waterpeil in bepaalde gebieden niet meer kunstmatig laag te houden, maar om het water ruimte te geven en de functie van het gebied daarop aan te passen. Denk aan bepaalde veenweidegebieden, zoals Laag Holland en het Groene Hart, waar de bodemdaling dan wordt tegengegaan, gestopt en waar mogelijk hersteld. Dat heeft enerzijds consequenties voor het grondgebruik dat moet veranderen, anderzijds helpt het tegen de uitstoot van CO2 en methaan – gassen die bijdragen aan klimaatverandering. Zo kan het tegengaan van bodemdaling bijdragen aan, als ook plaatsvinden door, slimme natuurontwikkeling. Met vergroting van de biodiversiteit en in sommige gevallen zelfs bodemaangroei als gevolg. Ook ontstaan er mogelijkheden voor andere vormen van landbouw. Met de vaststelling van de Omgevingsvisie NH 2050, is in november 2018 de provinciale Watervisie 2021 'Buiten de Oevers', ingetrokken. Beleidsuitgangspunten uit deze Watervisie, voortkomend uit de Stroomgebiedbeheerplannen uit de Europese Kaderrichttlijn Water, zijn geactualiseerd en eveneens, anticiperend op de nieuwe Omgevingswet, integraal uitgewerkt in de Omgevingsvisie NH 2050 en een uitvoeringsprogramma die jaarlijks wordt geactualiseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=7829ce31-8d52-49e5-ab34-b0681c6fe784