-bijlage 1 bij bijlage 3 Visiedocument IHP Dijk en Waard
Tekst van het document
Toekomstbestendige huisvesting voor onderwijs, kinderopvang en zorg Visiedocument in kader integraal huisvestingsplan onderwijs gemeente Dijk en Waard
Opdrachtgever Gemeente Dijk en Waard
Datum 10 augustus 2023
Referentienummer 2230056/20230627Lh01
Auteur(s) Leonoor Clemens Maarten Groenen Nienke Hakenberg
│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV
1. Gezamenlijke visie Gemeente en schoolbestuurders van het basis-, voortgezet- en (voortgezet) speciaal onderwijs werken samen aan een nieuw perspectief voor de huisvesting in de vorm van een integraal huisvestingplan (IHP). Het IHP geeft voor de komende 16 jaar richting aan de benodigde plannen en investeringen in de huisvesting. Een belangrijk vertrekpunt voor het ontwikkelen van een toekomstbestendig IHP is het formuleren van een gezamenlijke visie. In de gemeente Dijk en Waard worden kwalitatief hoogstaand onderwijs, opvang en zorg aan alle kinderen in de gemeente geboden. In Dijk en Waard is voor ieder kind een passende opvang- en onderwijsplek te vinden. Verschillende partijen rondom het kind, zoals opvang, onderwijs en zorg, werken intensief samen om dit mogelijk te maken. Een doorgaande ontwikkellijn van 0 - 23 jaar is daarbij het streven, bij voorkeur samengebracht in één gebouw. De samenwerking tussen partijen is er op gericht de overgang tussen opvang, primair, voortgezet en hoger onderwijs soepel te laten verlopen. De eerste stappen hierin zijn reeds gezet, maar de ambitie ligt hoger. In de gemeente Dijk en Waard bieden de aanwezige schoolbesturen in het primair onderwijs ook allen kinderopvang aan. Vanuit een eenduidige pedagogische visie worden opvang en onderwijs van 0 - 12 jaar geboden binnen integrale kindcentra.
Met tieneronderwijs (10 - 14-jarigen) wordt de overstap van de basisschool naar de middelbare school laagdrempelig vormgegeven. Schoolbesturen uit het primair en voortgezet onderwijs zetten zich in om het tieneronderwijs in Dijk en Waard op de kaart te zetten en verder uit te rollen op plaatsen waar dit kansrijk is. Tenslotte zoeken de partijen ook naar kansen om de overgang van het voortgezet onderwijs naar het middelbaar beroepsonderwijs te verkleinen. De samenwerking met het Horizon College is al tot stand gebracht en wordt de komende jaren verder versterkt. Partijen verkennen met elkaar de mogelijkheden om aanwezige voorzieningen te delen op basis van een inhoudelijke samenwerking. Kansengelijkheid is voor alle kinderen in Dijk en Waard belangrijk. Niemand wordt buitengesloten. Ook voor kinderen met ondersteunningsbehoefte wordt er, in het kader van inclusie, gezocht naar een passende plek binnen het reguliere onderwijs. Waar mogelijk komt de benodigde expertise en zorg naar de kinderen toe, zodat voor ieder kind thuis nabij opvang, onderwijs en zorg wordt gegarandeerd. Naast een intensieve samenwerking tussen verschillende partijen draagt ook de huisvesting bij aan een goed ontwikkelklimaat voor de kinderen en aan een inspirerende werkomgeving voor professionals. De huisvesting is zowel kwalitatief en kwantitatief op orde voor haar gebruikers.
Gebouwen zijn multifunctioneel en flexibel en bieden onderdak aan verschillende partijen rondom het kind, zodat de doorgaande ontwikkellijn tot stand komt. De samenwerking komt hiermee optimaal tot zjin recht en er wordt efficient omgegaan met de beschikbare ruimten. Het huisvesten van anderen partijen dan onderwijs vraagt om heldere kaders ten aanzien van de investering, het eigendom en het beheer. Gemeente en schoolbesturen maken hier op voorhand heldere afspraken over. Op het gebied van duurzaamheid is de gemeente Dijk en Waard koploper. Veel onderwijsgebouwen beschikken over zonnepanelen, zijn gasloos en zelfs Nul-op-de-meter (NOM). De gemeente en schoolbesturen willen koploper blijven en leggen de lat graag hoger. Het streven is niet alleen bij nieuwbouw of renovatie verduurzaming toe te passen, maar ook de bestaande gebouwen te verduurzamen en het binnenklimaat te verbeteren. Daarnaast gaan de schoolbesturen en gemeente aan de slag met circulair bouwen. De komende jaren wordt actief ervaring opgedaan met circulaire bouwprojecten en hierbij ingezet op kennisdeling. Vooruitlopend op de wetswijziging, om renovatie een formule status te geven, zien schoolbesturen en de gemeente het als een kans om renovatie toe te passen als alternatief voor nieuwbouw. Met een renovatie wordt de levenscyclus van grondstoffen verlengd en de ecologische foortprint beperkt.
Niet ieder gebouw leent zich voor een renovatie. De afweging voor renovatie wordt dan ook vanuit een breder perspectief gemaakt. Vanuit deze gezamenlijke visie is er bij een aantal thema’s met elkaar nadacht over de concrete invulling. In de volgende paragrafen wordt hier toelichting op gegeven en worden kaders en randvoorwaarden voor het IHP beschreven.
www.icsadviseurs.nl
2/11
1.1 Doorgaande ontwikkellijn Gemeente, schoolbesturen en opvang- en zorgpartners zien integrale kindcentra (IKC), waarin partijen die bijdragen aan de ontwikkeling van een kind van 0 - 14/23 jaar, als basisvoorziening voor kinderen en ouders. In een IKC werken minimaal onderwijs, opvang en (jeugd)zorg nauw samen. Het is per situatie maatwerk aan welke aanvullende voorzieningen behoefte is. Dit kan ook per kern of wijk verschillen. In de kleinere kernen of wijken, waar de leefbaarheid in het geding kan komen, is het de ambitie ook wijkvoorzieningen te koppelen aan het IKC. Het IKC is in dat geval een basisvoorziening voor de kern of de wijk, waar de bewoners elkaar kunnen ontmoeten. Aan de hand van wijk-gerelateerde maatschappelijke vraagstukken kan het aanbod binnen het IKC worden uitgebreid. Het belang van het kind dient te allen tijde voorop te staan. Het realiseren van een doorgaande ontwikkellijn en integraal samenwerken en – wonen vraagt om flexibele gebouwen met ruimten die multifunctioneel zijn en door diverse partijen gebruikt kunnen worden. Voor het ontwikkelen van IKC’s is het van belang om op voorhand afspraken te maken over de financiering van ruimten buiten het onderwijs, het eigendom van het IKC, het ruimtegebruik en het beheer. De gemeente heeft momenteel enkel een wettelijke zorgplicht voor onderwijsruimten.
Daar kan verandering in komen als het kabinet besluit de het kinderopvangstelsel te herzien en er een basisvoorziening van te maken. Het plan om dit in te voeren is uitgesteld en gaat vermoedelijk pas in 2027 in. De consequenties voor de financiering en huisvesting van deze maatregel zijn dan ook nog niet bekend. Voorstel IHP Gemeente, schoolbesturen, opvang- en zorgpartijen hebben gezamenlijk uitgangspunten geformuleerd over de financiering, het eigendom en het ruimtegebruik van’ brede voorzieningen zoals IKC’s en het expertisecentrum. Deze uitgangspunten dragen bij aan het functioneren en de toekomstbestendigheid van IKC’s en dienen voor concrete projecten verder te worden uitgewerkt. ▪ Ruimtelijke verweving tussen de verschillende functies binnen brede voorzieningen draagt bij aan het tot stand brengen van een optimale samenwerking tussen partijen. Met een ruimtelijke verweving komt de inhoudelijke samenwerking tussen partijen en daarmee de ontwikkeling van het kind het beste tot zijn recht. Ruimtelijke verweving zorgt daarnaast voor een efficiënt ruimtegebruik en maakt gedeeld ruimtegebruik toepasbaar. ▪ Gemeente heeft geen inhoudelijke rol bij de vorming van inhoudelijke afspraken tussen het schoolbestuur, kinderopvang en zorgaanbieders.
De partijen gaan een (langjarige) samenwerking met elkaar aan op basis van een gedeelde inhoudelijke en pedagogische visie op de ontwikkeling van het kind. ▪ (Voor)financiering door de gemeente: Vanuit de zorgplicht heeft de gemeente de verantwoordelijkheid voor nieuwbouw of uitbreiding van onderwijshuisvesting. Het heeft de voorkeur dat de gemeente voor de overige voorzieningen binnen brede voorzieningen de voorfinanciering verstrekt aan de bouwheer. Om de financiële risico’s voor de gemeente te minimaliseren stelt de gemeente voorwaarden aan deze voorfinanciering. De gemeente dient zich te houden aan de Wet Markt en Overheid, die onder andere voorschrijft dat de gemeente geen staatssteun mag verlenen en daarom marktconforme tarieven moet doorberekenen. De verdere voorwaarden dienen nader te worden uitgewerkt. ▪ Eigendom ligt in één hand: Gezien het belang van het multifunctioneel en gedeeld ruimtegebruik heeft het de voorkeur het eigendom van brede voorzieningen bij één partij te beleggen. Gesplitst eigendom en het daarmee gepaard gaande splitsbaarheid van het gebouw gaat slecht samen met de ruimtelijke visie. Het heeft de voorkeur het juridisch eigendom bij het schoolbestuur te beleggen, omdat daarmee de meeste invloed op de organisatie en de samenwerking tussen partijen ontstaat.
Het schoolbestuur treedt in deze constructie op als verhuurder richting de andere gebruikers binnen de brede voorziening. Er vindt een afdracht plaats van de huurinkomsten naar de gemeente, ter dekking van de gedane investering. Het is noodzakelijk om aanvullende afspraken te maken over de afdracht van de huurinkomsten in geval van leegstand. Het Didam-arrest is niet van toepassing op deze
www.icsadviseurs.nl
3/11
▪
▪
constructie, omdat het schoolbestuur optreedt als verhuurder. Indien het eigendom bij de gemeente komt te liggen dient er wel rekening gehouden te worden met de consequenties van het Didam Arrest1. Zeker als er ook wijkfuncties in het gebouw ondergebracht worden, ligt het voor de hand dat de gemeente het eigendom op zich neemt. Het voordeel van het beleggen van het eigendom bij één partij is dat als de samenwerking stopt het gehele gebouw terugvalt aan de gemeente. Partijen willen langjarige zekerheid. Dit is te bereiken door het afsluiten van langjarige huurovereenkomsten. Met langjarige overeenkomsten wordt het risico op leegstand voor de investeerder en eigenaar van de ruimte voor kinderopvang/zorg verkleind. Andersom is het vanuit de opvang/zorgpartij het uitgangspunt dat de ruimten waar zij gebruik van maken niet vorderbaar zijn door het onderwijs. Hier dienen goede afspraken over te worden gemaakt. Groei of krimp van het aantal kinderen dat gebruik maakt van de brede voorziening heeft gevolgen voor de ruimtebehoefte van alle aanwezigen voorzieningen. Groei en krimp is daarmee een gezamenlijk probleem van de participerende partijen. Gedeeld leegstandsrisico: Alle partijen hebben baat bij het goed functioneren van brede voorzieningen. Leegstand brengt een investerings- en exploitatierisico met zich mee.
Het leegstandrisico dient dan ook zoveel mogelijk gespreid te worden, zodat alle partijen de noodzaak voelen om nieuwe huurders of gebruikers te vinden zodat de voorziening in stand blijft. Het leegstandsrisico kan worden verkleind door het afsluiten van langjarige huurovereenkomsten. Daarnaast is het verstandig het investerings- en exploitatierisico over verschillende partijen te spreiden.
1.2 Inclusie Inclusief onderwijs gaat ervan uit dat het onderwijs voor alle leerlingen toegankelijk is en niemand wordt uitgesloten op basis van beperkingen. Leerlingen leren, spelen en werken samen en iedereen kan zich optimaal ontwikkelen met ondersteuning die daarvoor nodig is. Leerlingen hebben hiermee gelijke kansen op school, maar ook in de maatschappij. In de gemeente Dijk en Waard zetten gemeente, schoolbesturen en opvang- en zorgpartijen zich in voor het tot stand brengen van inclusie. Partijen zetten zich in om voor zoveel mogelijk leerlingen een passende plek in het reguliere onderwijs, thuis nabij, te creëren. Speciaal (voortgezet) onderwijs blijft bestaan voor leerlingen die dit nodig hebben. Er wordt gezocht naar oplossingen binnen de scholen in de gemeente Dijk en Waard zodat passende ondersteuning thuis nabij geboden wordt. Daarnaast wordt vanuit het expertisecentrum Vaandel Zuid speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs en revalidatie geboden aan leerlingen met meervoudige handicaps en leerproblematieken. Partijen zien het als een kans om de aanwezige expertise in het expertisecentrum in te zetten op reguliere scholen. In het IHP zetten we de eerste stappen naar inclusievere huisvesting. Met verschillende partijen zijn de randvoorwaarden voor de huisvesting om inclusief onderwijs te faciliteren geformuleerd.
Geïnventariseerd is welke functies nodig zijn om inclusief onderwijs te kunnen bieden en wat dit van de huisvesting vraagt. Expertisecentrum Vaandel-Zuid Het expertisecentrum Vaandel-Zuid is sinds het voorjaar van 2023 in gebruik. Het expertisecentrum biedt huisvesting aan SBO en SO leerlingen met specifieke en complexe ondersteuningsbehoeften. Naast onderwijs wordt er revalidatie geboden en beschikt het gebouw over gymzalen en een therapiebad. Onderwijs en zorg professionals werken in het experticecentrum nauw samen om de leerling de beste ondersteuning te bieden.
1 https://www.waarborgfondskinderopvang.nl/sites/default/files/bestanden/kennisbank/Kennisdocument_gevolgen_Didam-
arrest_voor_ontwikkeling_kindcentra.pdf
www.icsadviseurs.nl
4/11
In het kader van inclusief en thuis nabij onderwijs is het de wens dat de kennis en expertise vanuit het expertisecentrum (S(B)O) en het Dijk en Waard College (VSO) ‘outreachend’ opereert richting de wijken en kernen in Dijk en Waard. Op de scholen Om inclusief onderwijs op de scholen, zowel in het primair als voorgezet onderwijs, aan te bieden is er behoefte aan aanvullende functies op scholen. Partijen zien onderstaande functies als belangrijk onderdeel van een inclusief aanbod: Regulier onderwijs (PO en VO) Speciaal onderwijs Kinderopvang (regulier en specialistisch) Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) Jeugdhulp Testen en diagnostiek Preventie (Vroeg)signalering Logopedie Gymzaal, sporthal, sportveld Buitenruimte met geschikte inrichting 10-14 onderwijs
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Het integreren van dergelijke functies op de scholen vraagt om een ander en aanvullend (flexibel) ruimtegebruik, bijvoorbeeld (neven)ruimtes waar onder begeleiding, zelfstandig of in kleine groepen gewerkt kan worden door leerlingen, maar ook door externe zorgaanbieders of begeleiders zoals logopedisten.
Voorstel IHP ▪
▪ ▪ ▪
▪
Het integreren van inclusieve functies aan het reguliere onderwijs is maatwerk en zal per school en locatie verschillen. Per project wordt de behoefte aan aanvullende functies die bijdragen aan inclusie in kaart gebracht. De (extra) ruimten die nodig zijn om inclusieve huisvesting te realiseren zijn flexibel inzetbaar en multifunctioneel. In de eerste plaats wordt onderzocht of de benodigde (neven)ruimten reeds aanwezig zijn en op basis van dubbel gebruik door andere partijen ingezet kunnen worden. Als deze ruimten binnen bestaande gebouwen niet voorhanden zijn of als er sprake is van nieuwbouw dan kan er extra bouwvolume (aanvullend op de ruimtebehoefte vanuit het onderwijs) worden toegevoegd. Met circa 20 - 50 m² bvo extra kunnen er spreekkamers en behandelruimten worden toegevoegd aan het gebouw. De exacte aanvullende capaciteit is maatwerk en wordt verder uitgewerkt op basis van een businesscase. Hierbij dient aandacht te zijn voor eigendom, financiering en beheer. In het IHP wordt gezocht naar de permanente huisvesting voor het Dijk en Waard College (VSO). Hierbij wordt onderzocht of koppeling met regulier onderwijs gemaakt kan worden in het kader van inclusie.
www.icsadviseurs.nl
5/11
1.3 Samenwerking MBO Een toekomstbeeld van een doorlopende leerlijn van 0 - 23 jaar vertaalt zich ook in de samenwerking tussen het voortgezet onderwijs en het MBO. Deze samenwerking begint in principe inhoudelijk door bijvoorbeeld het realiseren van een aansluitend en samenhangend onderwijsaanbod. Daarnaast is het van belang dat het onderwijs aansluit bij de behoefte van de arbeidsmarkt en regio. Door een passend onderwijsaanbod kunnen de leerlingen en studenten in de stad en regio beter worden behouden. Hierbij liggen ook kansen voor samenwerking met de opleidingsbedrijven. Kansen voor samenwerking kunnen ook ontstaan door het delen van ruimten en faciliteiten. Het efficiënter inzetten van bijvoorbeeld dezelfde type praktijkruimten wordt gezien als een gezamenlijk streven. Daarnaast trekken het voortgezet onderwijs en MBO graag samen op bij het vinden van oplossingen voor ruimteoverschotten en -tekorten bij de scholen. Het Horizon College is de enige MBO instelling binnen de gemeente. In de praktijk vindt er al beperkte inhoudelijke en ruimtelijke samenwerking plaats, maar de ambities liggen hoger. Beide partijen zoeken elkaar steeds meer op om de kansen en mogelijkheden te verkennen. De samenwerking richt zich hierbij niet alleen op het VMBO - MBO. Ook in de samenwerking tussen HAVO - MBO worden kansen gezien.
Om de kansen te verzilveren is het belangrijk dat er op bestuurlijk niveau periodiek overleg is tussen het voortgezet onderwijs, MBO en de gemeente. Met deze samenwerking kan overkoepelend gekeken worden naar diverse huisvestingsvraagstukken. Voorstel IHP ▪
▪
Bij het onderzoeken en formuleren van oplossingsrichtingen voor huisvestingsvraagstukken voor het voortgezet onderwijs wordt in het IHP, naast de mogelijkheden binnen de beschikbare accommodaties voor voortgezet onderwijs, ook gekeken naar mogelijkheden binnen de bestaande huisvesting van het MBO Voorwaarde voor het delen van huisvesting (ruimten en/of faciliteiten) is inhoudelijke samenwerking.
1.4 Sport en bewegen In de gemeente Dijk en Waard wordt ieder kind uitgedaagd om veel te bewegen tijdens, maar ook na schooltijd. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om op redelijke afstand van ieder schoolgebouw een binnensportaccommodatie te bieden zodat het bewegingsonderwijs op een laagdrempelige manier kan worden ingevuld. Voor de behoefte aan bewegingsonderwijs voor het primair onderwijs gelden vanaf het schooljaar 2023 - 2024 aangescherpte normen. Het wordt een verplichting om iedere bovenbouwgroep 1,5 klokuur bewegingsonderwijs te geven, verdeeld over 2 lessen en onder leiding van een vakleerkracht. Voor het voortgezet onderwijs gelden deze aangepaste normen niet. Voor het voortgezet onderwijs gelden de richtlijnen uit de verordening onderwijshuisvesting Dijk en Waard. Deze lessen vinden zoveel mogelijk plaats in een binnensportaccommodatie. De schoolbesturen zien ook kansen om voor het bewegingsonderwijs het schoolplein of faciliteiten in de buurt, zoals sportvelden of parken, te benutten. Om dit mogelijk te maken, dienen buitenterreinen geschikt gemaakt te worden om bewegingsonderwijs te kunnen faciliteren en aan alle nodige leerlijnen aan te kunnen bieden. Maar ook het
www.icsadviseurs.nl
6/11
inzetten van alternatieven voor een gymzaal, zoals een beweegbox, wordt verder onderzocht. De gemeente ziet het als haar rol om de wettelijke taak voor het bieden van bewegingsonderwijs optimaal te combineren met de behoeften van verenigingen, ondernemers en inwoners. Vanuit de gemeente Dijk en Waard worden sporthallen gezien als accommodaties waar sporten, bewegen, ondernemen en ontmoeten samenkomen. Een sporthal fungeert als epicentrum voor verschillende sportverenigingen, zet de gemeenschap aan om deel te nemen aan sportactiviteiten en vervult een belangrijke rol in het accommoderen van het bewegingsonderwijs. Naast het betrekken van verenigingen, sportstimulering en bewegingsonderwijs, kan een sporthal ook een hub worden voor sportondernemers. Door sportondernemers de mogelijkheid te geven om hun bedrijven in of rond de sporthal te vestigen, ontstaat er een diversiteit aan sport-gerelateerde activiteiten. Voorstel IHP ▪ ▪
In het IHP inventariseren we de capaciteit van het bewegingsonderwijs per kern en beoordelen we of de capaciteit toereikend is om het bewegingsonderwijs te faciliteren. Oplossingen voor het bewegingsonderwijs volgen de scenario’s van de schoolgebouwen. Ook de resultaten uit het onderzoek van Mulier Instituut worden in de oplossingen meegenomen. Daarbij gezocht wordt naar mogelijkheden om sporthallen te realiseren.
1.5 Duurzaamheid Duurzaamheid is een belangrijk thema bij het creëren van toekomstbestendige onderwijshuisvesting. In het Klimaatakkoord zijn concrete doelstellingen geformuleerd voor het reduceren van de CO2-emissie. Voor 2030 is het streefdoel een reductie van 55% (ten opzichte van 1990) en voor 2050 is een hard einddoel van een reductie van 95% afgesproken. In het kader van deze energietransitie is het tevens het doel om in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. De onderwijsportefeuille in Dijk en Waard moet aan deze eisen gaan voldoen. Gemeente en schoolbesturen hebben nog 27 jaar de tijd om dit te bereiken. Naast het klimaatakkoord heeft Nederland zich gecommitteerd aan het Delta Plan Ruimtelijke Adaptatie, waarin wordt gestreefd de leefomgeving in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig te hebben ingericht. Om richting te geven aan deze ambities benaderen we het containerbegrip duurzaamheid vanuit de onderstaande 5 duurzaamheidspijlers. Bij het formuleren van de visie maken we tevens onderscheid in de visie bij nieuwbouw en de visie ten aanzien van bestaande gebouwen (die verder niet in het IHP als project worden opgenomen).
www.icsadviseurs.nl
7/11
1.5.1 Nieuwe gebouwen Onder nieuwe gebouwen worden de schoolgebouwen verstaan die opgenomen zijn/worden in het IHP en binnen een afzienbare tijd een grootschalige ingreep krijgen in de vorm van nieuwbouw of vernieuwbouw. Het doel van de ingreep is het verhogen van de kwaliteit en daarmee de mate van duurzaamheid. Energie Het is de ambitie om bij nieuwe schoolgebouwen maximaal bij te dragen aan de verduurzamingsopgave. Nieuwe schoolgebouwen zijn aardagasvrij en het streven is te gaan voor Nul-op-de-meter. Dit houdt in dat zowel het gebouw- als gebruiksgebonden energieverbruik nul is en daarmee ook de CO2-emissie. Hiermee wordt de lat bij nieuwbouw hoger gelegd dan het wettelijke minimum van BENG (Bijna energie neutraal gebouw). Verder wordt bij de nieuwbouw van scholen tevens aangesloten bij warmtetransitie binnen de gemeente. Gezondheid Het Programma van Eisen Frisse Scholen geeft duidelijke richtlijnen ten aanzien van luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid in schoolgebouwen. De normen uit het bouwbesluit zijn vergelijkbaar met Frisse Scholen Klasse B. Op het gebied van gezondheid is het streven minimaal Frisse Scholen Klasse B te behalen en waar mogelijk, of op onderdelen, Frisse Scholen Klasse A. Aandachtspunt hierbij is ook de temperatuur in de schoolgebouwen (vooral in de zomer).
Er wordt bij nieuwe schoolgebouwen ingezet op het realiseren van koeling, op een zo duurzaam mogelijke manier. Grondstoffen Het is de ambitie om in de nieuwbouwprojecten van het IHP ervaringen op te gaan doen met circulair bouwen. Dit betekent dat onder andere het hergebruik van materialen, bouwen met biobased materialen, losmaakbaar bouwen en het administreren hiervan middels een gebouw- en materialenpaspoort en demontageplannen. De ervaringen en kennis uit de projecten worden gedeeld met de gemeente en schoolbesturen, om deze in de toekomst gerichte doelen te kunnen formuleren. Natuurinclusief Er wordt ingezet op de realisatie van natuurinclusieve schoolgebouwen en schoolterreinen. De schoolgebouwen en schoolterreinen worden waterrobuust en klimaatbestendig ingericht, rekening houdende met het dan geldende beleid van de gemeente. Gebruikswaarde Duurzame gebouwen kunnen goed inspelen op veranderingen. Dit betekent dat schoolgebouwen flexibel en aanpasbaar moeten zijn richting de toekomst. In paragraaf 1.7. is dit verder uitgewerkt.
www.icsadviseurs.nl
8/11
Voorstel IHP ▪ ▪
▪ ▪
▪
De budgetten in het IHP sluiten aan bij genoemde ambities en in de projecten wordt op deze ambities gestuurd. Per project wordt op basis van een TCO-benadering (levensduurkosten) onderzocht in hoeverre schoolbesturen kunnen bijdragen aan deze ambities. Gemeente en schoolbesturen maken hierover verdere afspraken. Een revolverend fonds van de gemeente kan worden ingezet om een deel van de meerkosten te dekken, samen met een exploitatiebijdrage vanuit het schoolbestuur. Bij de planvorming in het IHP wordt rekening gehouden met warmtetransitie binnen de gemeente (en de planning daarvan). De nieuwbouw vormt een natuurlijk moment om de school gasloos te maken. Kennisontwikkeling en -deling is een voorwaarde om genoemde ambities te realiseren. In de projecten wordt hier actief op gestuurd door onder andere het selecteren van partijen met de benodigde expertise. Verder is binnen de overlegstructuur tussen gemeente en schoolbesturen specifiek aandacht voor dit thema. Om duurzaamheid bij de nieuwbouw of vernieuwbouw van schoolgebouwen aan te jagen worden de volgende maatregelen uitgevoerd: ─ We selecteren twee pilotprojecten, waarin we ervaring met circulair bouwen gaan opdoen. We onderzoeken welke specifieke maatregelen daarbij haalbaar zijn en een meerwaarde hebben.
Denk daarbij onder andere aan het invoeren van een gebouw- en materialenpaspoort en het uitvoeren van een scan naar de herbruikbaarheid van sloopmateriaal. ─ Bij elk nieuwbouwproject wordt tijdens de ontwerpfase vanuit het TCO-principe in beeld gebracht wat de financiële consequenties zijn voor het realiseren van een Nul-op-de-meter-gebouw. ─ In het ontwerp van elk nieuw schoolgebouw en -terrein worden maatregelen opgenomen die bijdragen aan de klimaatadaptie en natuurinclusie. Gemeente en schoolbesturen geven hierin het goede voorbeeld. ─ Bij elk nieuw schoolgebouw wordt regenwatergebruik onderzocht.
1.5.2 Bestaande bouw Onder bestaande bouw vallen de gebouwen die binnen de looptijd van het huidige IHP in stand worden gehouden. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep krijgen, in de vorm van nieuwbouw of vernieuwbouw, is ook voor deze categorie nagedacht over hoe kan worden bijgedragen aan de verduurzaming en het verbeteren van het binnenklimaat in lijn met de landelijke klimaatdoelen. Het betreft het merendeel van de gebouwen en over 27 jaar dienen ook deze gebouwen CO2 neutraal te zijn. Schoolbesturen zijn in beginsel verantwoordelijk voor de instandhouding van hun schoolgebouwen en hebben de ambitie om deze verder te verduurzamen. De gemeente omarmt deze ambitie en is bereid hiervoor financiële ondersteuning te bieden door middel van een revolverend fonds. Energie Schoolbesturen stellen voor hun schoolgebouwen een duurzaam meerjaren onderhoudsplan op om hiermee tevens de energieprestatie van hun schoolgebouwen te verbeteren. Daarnaast voeren schoolbesturen de zogenaamde ‘Erkende maatregelen energiebesparing’ van het Activiteitenbesluit uit, als zij daartoe wettelijk verplicht zijn. Verder wordt ingespeeld op de warmtetransitie binnen de gemeente, waarbij ook de bestaande schoolgebouwen aardgasvrij moeten worden. Op natuurlijk momenten, zoals het vervangen van een cv-ketel, wordt onderzocht op welke wijze het schoolgebouw gasloos kan worden gemaakt.
Het verbeteren van de energieprestatie en ook het gasloos maken, doen de schoolbesturen vanuit de lumpsum vergoeding vanuit het Rijk. De gemeente omarmt deze ambitie en wil onderzoeken of de financiële ondersteuning hiervoor kan worden geboden in de vorm van een revolverend fonds, indien deze vergoeding van het Rijk ontoereikend blijkt.. Uitgangspunt van het revolverend fonds is dat de gemeente bijdraagt aan de
www.icsadviseurs.nl
9/11
eenmalige investering en het schoolbestuur het exploitatievoordeel jaarlijks bijdraagt. Het is daarbij tevens van belang om de maatregelen voor verbetering van de energieprestaties in samenhang te bezien met maatregelen die zich richten op het verbeteren van het binnenklimaat. Gezondheid Een belangrijk aandachtspunt binnen schoolgebouwen is een goed binnenklimaat. Met behulp van de SUVISregeling en het gemeentelijke revolverend fonds worden het komende jaar verbeteringen gerealiseerd. Het streven is om binnen 10 jaar alle schoolgebouwen aan Frisse Scholen klasse B te laten voldoen. Hierbij dient ook aandacht te zijn voor de koeling in gebouwen. Ook richting de toekomst wordt ingezet op het verkrijgen van landelijke subsidies en financiering vanuit het revolverend fonds van de gemeente. De financiële impact van deze ambitie is op dit moment nog niet helder en dient verder te worden onderzocht. Natuurinclusief Schoolbesturen werken ook bij hun bestaande scholen aan het vergroenen van hun buitenterrein. Daarbij wordt er tegelijk ingezet om deze zoveel mogelijk klimaatbestendig te maken, zoals het opvangen en vasthouden van water en het bieden van voldoende schaduw. Aandachtspunten hierbij zijn het beheer, gevolgen voor de schoonmaak en extra slijtage. Ten aanzien van de pijlers grondstoffen en gebruikswaarde is geen specifieke visie geformuleerd. Voorstel IHP ▪
▪
Een revolverend fonds van de gemeente wordt ingezet om bij te dragen aan het verduurzamen van de bestaande gebouwen. Het fonds is vooral gericht op de verbetering van de energieprestatie en gezondheid van schoolgebouwen. Uitgangspunten en randvoorwaarden voor dit fonds moeten verder worden uitgewerkt voor de bredere toepasbaarheid dan alleen de SUVIS-projecten. Er wordt ingezet op het verkrijgen van landelijke subsidies (zoals de DUMAVA-subsidie, duurzaam maatschappelijk vastgoed) bij het verduurzamen van de schoolgebouwen.
1.6 Renovatie Renovatie is een actueel thema, maar vooralsnog hanteert de (onderwijs)wet het begrip renovatie niet. PO-Raad, VO-Raad en VNG hebben recent de minister geadviseerd om renovatie een formele status te geven en een wetwijziging wordt momenteel voorbereid. Het is de ambitie om, vooruitlopend op de aanstaande wetwijziging, in het IHP, naast de in de verordening opgenomen voorzieningen ‘nieuwbouw’ en ‘uitbreiding’ uitgangspunten op te nemen ten aanzien van de oplossingsrichting ‘renovatie’. Gemeente en schoolbesturen zien renovatie als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw. We spreken in het vervolg daarom van het begrip ‘vernieuwbouw’ in plaats van renovatie. Vernieuwbouw wordt alleen dan toegepast waarbij de volgende zaken worden gewaarborgd: ▪
▪
Er wordt een afweging gemaakt tussen de klimaateffecten van verbeterde energieprestaties van het gebouw enerzijds, versus de klimaateffecten die het realiseren van het project (nieuwbouw of vernieuwbouw) zelf met zich meebrengt; Er dient een goed onderbouwde vergelijking op diverse facetten, onder andere onderwijsinhoudelijk, bouwkundig en planologisch, gemaakt te worden. Per situatie wordt er een weging aan deze facetten toegekend. Gemeente en schoolbesturen dienen vooraf een eenduidig afwegingskader op te stellen.
www.icsadviseurs.nl
10/11
Voorstel IHP In het IHP wordt gerekend met één investeringsbudget voor zowel vernieuwbouw als (vervangende) nieuwbouw. De ruimtebehoefte voor nieuwbouw vormt de basis voor de indicatieve investeringskosten, waaruit ook een vernieuwbouw bekostigd kan worden. De afweging voor nieuwbouw of vernieuwbouw wordt gemaakt na het opstellen van het IHP, in een businesscase. In de businesscase wordt de haalbaarheid van vernieuwbouw ten opzichte van nieuwbouw nader onderzocht op basis van een technische, functionele, ruimtelijke en financiële verkenning, met aandacht voor de impact die vernieuwbouw of nieuwbouw heeft op het milieu/klimaat. Indien bij vernieuwbouw een gelijkwaardige kwaliteit als bij nieuwbouw wordt behaald is de afschrijftermijn voor vernieuwbouw gelijkwaardig aan de afschrijftermijn voor nieuwbouw.
1.7 Flexibiliteit Maatschappelijke ontwikkelingen hebben invloed op de vraag naar onderwijshuisvesting. Binnen de gemeentegrenzen van Dijk en Waard is er sprake van grootschalige woningbouw, met een toename van het aantal leerlingen als gevolg. Ook zorgt de oorlog in Oekraïne voor een grotere toestroom aan nieuwkomers waar, in de vorm van ISK of een taalklas, onderwijs aangeboden wordt. Tenslotte vraagt de gewenste verbreding en inclusie om multifunctionele en flexibele huisvesting. Om in te spelen op groei en krimp en mogelijke veranderingen in het gebruik is het de ambitie om flexibele huisvesting te realiseren. Flexibele schoolgebouwen zijn gebouwen die eenvoudig aanpasbaar zijn aan een veranderende ruimtevraag. Het zijn gebouwen die over ruimten beschikken die voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet en waar verschillende gebruikers multifunctioneel gebruik van maken. Dit vraagt om een flexibele inrichting en het mogelijk maken van dubbelgebruik. Een huidig voorbeeld in deze gemeente hiervan is het project IKC de Nieuwe Draai. Voorstel IHP Flexibiliteit houdt in de eerste plaats verband met het aanpassen van de onderwijscapaciteit aan de wijkbrede behoefte. In het IHP wordt deze behoefte, nu en in de toekomst, per wijk op basis van de leerlingenprognoses bepaald. De vastgestelde woningbouwontwikkelingen worden hierin meegenomen.
In iedere wijk dient in deze toekomstbestendige huisvestingsbehoefte te worden voorzien. We zoeken daarbij tevens naar kansen om fysieke koppelingen te maken tussen het PO, VO, (V)SO en het MBO. Het realiseren van flexibele onderwijshuisvesting vraagt na het IHP, in de planvormingsfase, rekening te houden met: ▪
▪
▪
De (interne) aanpasbaarheid. Denk hierbij aan flexibele indeelbaarheid van het gebouw. Hierbij dient onder andere aandacht te zijn voor een passend installatieconcept. Modulaire bouwmethoden, waarbij gewerkt wordt met gestandaardiseerde en demontabele onderdelen, worden als een kans gezien; De toekomstige uitbreidbaarheid van het gebouw. Dit kan in de vorm van een grondgebonden aanbouw of als verdieping op het bestaande gebouw. In ruimtelijk-planologische zin dient hier rekening mee gehouden te worden, door in het bestemmingsplan en bij het bepalen van het terrein oppervlak te anticiperen op een toekomstige uitbreiding. De mogelijkheid het gebouw in de toekomst te transformeren naar een andere functie, zonder de bruikbaarheid van het gebouw voor het onderwijs teniet te doen.
www.icsadviseurs.nl
11/11