Antwoorden Technische vragen Sociaal Domein
Tekst van het document
Technische vragen n.a.v. agenda tafels d.d. 7 februari 2023 Stand van zaken sociaal domein Vragen van CDA, D66 en VVD: - In paragraaf 4.1 van de uitwerking van de pilot staat het volgende: Huidige grens bijzondere bijstand is 120% van Wettelijk Sociaal Minimum, voor de pilot gaat dit naar 150%. Hierdoor worden mogelijk 2000 extra huishoudens bereikt. Tot 120%: aangevraagde bedrag steun = 100% van normbedrag. Van 120-150%: aangevraagde bedrag steun = 50% van normbedrag Gemiddelde bedrag gezin bijzondere bijstand / jaar = € 365,- 2000 x 50% x €365 = € 365.000,Vraag 1: Het budget van 365K is de verwachte maximale extra uitgave voor deze doelgroep van 120-150% WSM. In de praktijk zal niet iedereen van die 2000 extra huishoudens gebruik hoeven maken van deze regeling, wat zijn de ervaringscijfers van de huidige regeling?
In de presentatie is aangegeven dat uitgegaan wordt van 10% = 200. Dat betekent dat de verwachte budgetbesteding circa 40K is? Algemeen: om de cijfers op hun juiste waarde te kunnen schatten, is vermelding van cijfers in hun context van de totale populatie van groot belang. Vraag 2: Kan in de rapportage van de getallen bij de tussentijdse evaluatie van de pilot een opstelling worden gegeven waarin de indicatoren per doelgroep (bv. tot 100% 120% - 150% / totale populatie boven 150%) worden weergegeven met de aantallen huishoudens? Hierdoor is het gemakkelijker vergelijkingen te maken tussen doelgroepen en effecten van maatregelen en is het zicht op de relatieve omvang mogelijk.
De ervaringscijfers van de huidige regeling is dat er in 2021 11.950 verstrekkingen zijn gedaan voor een totaal aantal minimahuishoudens van 2.793. Er is gemiddeld € 365 verstrekt per minimahuishouden voor alleen de bijzondere bijstand. Het is niet uit het systeem te halen hoeveel van die verstrekkingen unieke verstrekkingen zijn en hoeveel hiervan vallen in de bijstandsgroep (100%) en hoeveel in de groep 100-120%. Dat klopt. 200 x €365=€73.000. Hiervan 50% =€36.500 (de vergoeding is namelijk 50%).
Voor zowel de doelgroep tot 120% als de doelgroep 120-150% worden de volgende indicatoren gemeten en bij de tussenevaluatie gedeeld: 1. Het aantal aanvragen 2. Het aantal toekenningen 3. De gemiddelde vergoeding per jaar 4. Het soort vergoeding 5. Welke doelgroep (bijv. AOW/bijstand/senioren)
Inkomens boven de 150% behoren niet tot de doelgroep en betreffen feitelijk de rest van de huishoudens. -
Maatregelen Dijk en Waardpas
Vraag 3: De Seniorentoeslag op de pas is een maatregel. Het succes wordt afgemeten aan het aantal senioren dat gebruik maakt van de extra ruimte. Dat wil zeggen: als zij meer dan 130 Euro uitgeven op de pas? - Een andere maatregel is de verbreding van de bestedingsmogelijkheden voor alle pasgebruikers. Vraag 4: Is straks een onderscheid te maken tussen de effecten van deze twee maatregelen?
De gemiddelde onderbesteding is 40%. Alles wat meer uitgegeven wordt dan 40% van €130 is een verbetering.
Er wordt naar gestreefd om dit mogelijk te maken door gebruik te maken van de managementinformatie van het nieuwe passensysteem.
- Vrijwilligerspremie Vraag 5: Wordt de vrijwilligerspremie ook toegekend aan vrijwilligers met bijstand die momenteel vrijwilligerswerk doen maar geen of een kleine vergoeding krijgen, maar waarbij die vergoeding lager is dan 1800 Euro, of is het alleen voor bijstandsgerechtigden die nog geen vrijwilligerswerk doen (en hoe is dat te beoordelen)?
- Project preventie en vroegsignalering en Project integrale uitvoering (armoede/schulden/Jeugd/WMO) Vraag 6: Welke maatregelen worden binnen deze twee projecten genomen?
De vrijwilligerspremie kan tot maximaal het belastingvrije bedrag (€1.900,- 2023) per kalenderjaar worden toegekend en is bedoeld voor de langdurig bijstandsgerechtigden, met een grote afstand tot de arbeidsmarkt die nog geen vrijwilligerswerk doen. Het onderzoek of er mogelijk vrijwilligerswerk gedaan kan worden en wat voor soort vrijwilligerswerk, gaat in overleg met de klantmanager. De premie kan alleen worden toegekend als er bij de organisatie waar vrijwilligerswerk wordt gedaan geen aanspraak op kan worden gemaakt. Het project preventie en vroegsignalering gaat om de ontwikkeling van een samenhangend en vroegtijdig aanbod, in samenwerking met de preventieve partijen. Het project integrale uitvoering gaat om op casusniveau een goede werkwijze te ontwikkelen voor ondersteuningsvragen over armoede/schulden die samenloop hebben met jeugdhulp/Wmo. Het doel is om vroegtijdig meervoudige problematiek in beeld te krijgen en hiervoor een samenhangend aanbod te kunnen bieden.
Vraag 7: Betreft dit vooral inzet van ambtelijke capaciteit of zijn er ook rechtstreekse aangrijpingspunten voor de doelgroep, waardoor hun problemen direct worden aangepakt?
Project preventie/vroegsignalering: inzet van ambtelijke capaciteit en van de preventieve partijen, juist bedoeld om direct problemen of de gevolgen van armoede en schulden aan te kunnen pakken en in te kunnen spelen op de maatschappelijke ontwikkelingen. Project integrale uitvoering: dit betreft voornamelijk ambtelijke capaciteit, met het doel direct problemen te kunnen aanpakken in samenhang voor onze inwoners
- Naast het tonen van de relevante cijfers in hun context is het ook van belang om een heldere startsituatie te hebben als de maatregelen worden ingevoerd. Vraag 8/9: Wanneer is de 0-meting uitgevoerd? Hoe ziet de 0-meting er uit?
Voor alle onderdelen, wordt de nulmeting uitgevoerd. Dat zijn de cijfers van 2022. Deze cijfers worden nog verzameld. In het eerste halfjaarbericht van september 2023 voor de raad wordt de nulmeting meegenomen.
- Het hogere doel van de pilot is het terugdringen van de armoede, het voorkomen dat mensen in de schulden raken, het verminderen van de effecten van armoede. De doelen van de pilot dragen bij aan het bereiken van het hogere doel, de vraag is wel of de maatregelen van de pilot merkbaar effect hebben en of maatregelen al dan niet zullen worden gecontinueerd. Vraag 10: Hoe loopt het besluitvormingsproces rondom de evaluatie?
Vraag 11: Is er een mogelijkheid voor de raad om tijdens het evaluatiemoment bij te sturen en een maatregel tussentijds te stoppen? Vraag 12: Wanneer is (een deel van) de pilot geslaagd, alleen als de doelstellingen van die maatregel(en) worden behaald?
De raad ontvangt het kwantitatieve eerste halfjaarbericht in september 2023 en september 2024 ter kennisname. De tussenevaluatie over het jaar 2023 (kwantitatief en kwalitatief) kan aanleiding zijn voor het college om de raad een voorstel te doen om de kaders bij te stellen. Zie het antwoord op vraag 10
Dat blijkt uit de kwalitatieve en kwantitatieve evaluaties en de conclusies die daaruit getrokken kunnen worden.