CConstaterende datDijk en Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Verordening Jeugd en Wmo gemeente Dijk en Waard - inclusief toelichting (getekend)

Gemeenteraad 10 oktober 2023, gemeente Dijk en WaardBij agendapunt: Harmonisatie verordening Jeugd en Wmo14.135 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 4. Het onderzoek 4.1 Het onderzoek 4.1.1 De Jeugdwet stelt geen eisen ten aanzien van het onderzoek. Dat betekent dat de eisen van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd moeten worden. De Wmo 2015 bepaalt in artikel 2.3.2 lid 4 welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak van 1mei 2017 (ECLl:NL:CRVB:2017:1477) bepaald dat in het kader van de Jeugdwet het onderzoek bepaalde stappen moet volgen. Dit zogenaamde stappenplan van de Centrale Raad van Beroep volgt datgene dat in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo 2015 is voorgeschreven. Later heeft de Centrale Raad van Beroep in een uitspraak uit 2018 (ECLl:NL:CRVB:2018:819) dit stappenplan ook voor de Wmo 2015 voorgeschreven. Het stappenplan is iets uitgebreider dan de inhoud van artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo 2015 en wordt inmiddels door rechters in zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015 als toetsingskader gehanteerd om te beoordelen of een besluit zorgvuldig is voorbereid. Het grote voordeel van deze ontwikkeling is dat het onderzoek zowel in de Jeugdwet als in de Wmo 2015 op gelijke wijze uitgevoerd dient te worden.

Met betrekking tot de Jeugdwet heeft de Centrale Raad van Beroep de volgende omschrijving gegeven: 'Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden.

Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.' In de uitspraak over de Wmo 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep de volgende formulering gebruikt: 'Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de

hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo 2015 in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken (vergelijk de uitspraak van de Raad van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477).' Uit deze omschrijvingen komen de vijf stappen: 1. Vaststellen van de hulpvraag; 2.

Vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet) of het vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (Wmo 2015); 3. Vaststellen welke hulp of ondersteuning naar aard en omvang nodig is; 4. Vaststellen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen; 5. Vaststellen wat na aftrek van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de behoefte aan jeugdhulp of ondersteuning overblijft om in het kader van de Jeugdwet of de Wmo 2015 een individuele voorziening of maatwerkvoorziening te verstrekken. 4.1.2 In dit lid is bepaald dat een gesprek zo nodig onderdeel uitmaakt van het onderzoek. 4.2 Advisering Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is. Als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek te doen, is het zelfs verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de jeugdige en zijn ouders of de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 8.1.2 lid 3 Jeugdwet en in artikel 2.3.8 lid 3 van de Wmo 2015 is een medewerkingsplicht opgenomen.

De jeugdige, ouders en cliënt zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Jeugdwet en Wmo 2015. 4.3 Het verslag en de aanvraag (Wmo 2015) Dit artikel is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Het artikel is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de Wmo 2015 opgenomen. Artikel 4.3.1 borgt dat er altijd een verslag wordt gemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo 2015. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken I1 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de omvang van de weergave van de uitkomsten van het onderzoek afhankelijk zijn van wat er uit het onderzoek is gekomen. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen

zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt het verslag ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Artikel 4.3.2 slaat een brug tussen de melding en de aanvraag. Het zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering. Dit is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de Wmo 2015, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerkingkomt.

De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Algemene wet bestuursrecht worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In deze verordening wordt hierover niets bepaald, wat betekent dat een aanvraag schriftelijk moet worden ingediend. Naast de cliënt kan alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.

Artikel 6. De beschikking 6.2 Eigen bijdrage Wmo 2015 Artikel 6.2.1 dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 2.1 .4b, eerste lid, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang en een rolstoel, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.

Artikel 7. Het persoonsgebonden budget Een persoonsgebonden budget is geen hulp of voorziening, maar de verzilveringvorm van een toegekende jeugdhulp- of maatwerkvoorziening. De jeugdige of zijn ouders of de cliënt zal gemotiveerd moeten aangeven waarom een persoonsgebonden budget meer passend is dan een maatwerkvoorziening in natura. In de verordening moeten ook wat betreft het persoonsgebonden budget, volgens de Centrale Raad van Beroep, tenminste de essentialia worden vastgelegd. Wat het persoonsgebonden budget betreft is dat in ieder geval de wijze waarop de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald, zodat dit voor iedereen transparant is.

In dit artikel worden de voorwaarden bepaald waaronder de jeugdhulp- of maatwerkvoorziening kan worden verzilverd in de vorm van een persoonsgebonden budget. Tevens zijn in dit artikel bepalingen opgenomen die tot doel hebben de kwaliteit van de hulp te borgen en te borgen dat de besteding van het persoonsgebonden budget werkelijk ten goede komt aan de ondersteuning van de kwetsbare jeugdige, zijn ouders of de cliënt. Artikel 7.2.3 Dat bij de vaststelling van het tarief geen rekening wordt gehouden met de opleiding of professionaliteit van degene uit het sociaal netwerk die met het persoonsgebonden budget wordt ingehuurd is omdat personen uit het sociaal netwerk door de logische netwerkproblemen niet in staat zijn tot professionele hulp. Dit volgt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 augustus 2021 (ECLl:NL:CRVB:2021:1999).

Artikel 8. Besteding en verantwoording persoonsgebonden budget, intrekking bij niet gebruik De Jeugdwet en Wmo 2015 bepalen dat het persoonsgebonden budget wordt aangeboden in de vorm van trekkingsrecht dat wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank. Dit artikel biedt de juridische basis om de burger te committeren aan de voorwaarden die hiervoor gelden. Voor een pgb dat niet loopt via de Sociale Verzekeringsbank geldt eveneens dat een pgb kan worden ingetrokken als het binnen 6 maanden niet aangewend is voor het doel waarvoor het is verstrekt. Artikel 9. Financiële tegemoetkoming In dit artikel wordt aangegeven in welke situaties een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt. Een financiële tegemoetkoming is geen volledige compensatie van kosten in het kader van de zelfredzaamheid en participatie. Het is veelal een keuze van een cliënt voor de tegemoetkoming in plaats van een eventuele maatwerkvoorziening. Artikel 11. Wijziging situatie: nieuwe feiten en omstandigheden Als zich feiten en omstandigheden voordoen die van invloed kunnen zijn op de verstrekte hulp of voorziening dient de jeugdige, zijn ouders of de cliënt hier zelf melding van te doen bij het college. Het niet doen van melding kan later aanleiding zijn tot het vaststellen dat hulp of een voorziening ten onrechte is verstrekt en leiden tot intrekking en eventueel terugvordering.

Artikel 12. Herziening, intrekking en terugvordering Het herzien of intrekken van een beslissing tot verlening van een individuele voorziening is een bevoegdheid van het college en geen verplichting. Hiermee krijgt het college ruimte om de te nemen beslissingen af te stemmen op lokaal beleid en specifieke omstandigheden. In artikel 8.1.4 van de Jeugdwet staan gronden vermeld op grond waarvan het college de beslissing tot verlening geheel of gedeeltelijk kan herzien of intrekken. Op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan dit alleen indien de belanghebbende redelijkerwijs kan begrijpen dat het feit of de omstandigheid aanleiding kan zijn voor een heroverweging van een eerdere beslissing (artikel 8.1.2 van de Jeugdwet). 12.1 Jeugdwet In artikel 12.1.1 wordt het bepaalde in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing verklaard op een beslissing aangaande zorg in natura. De reden hiervoor is dat artikel 8.1.4 beperkt is tot het persoonsgebonden budget. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d van de Jeugdwet in deze verordening uitgebreid met de individuele voorziening in natura. Zonder aanschijns van de vorm waarin de individuele

voorziening wordt verstrekt kan de verlening van de voorziening derhalve worden herzien of ingetrokken. Artikel 12.1.2 regelt dat het college bevoegd is terug te vorderen indien er sprake is van een beschikking waarin het recht op de individuele voorziening wordt herzien of ingetrokken overeenkomstig een situatie zoals benoemd in artikel 8.1.4, eerste lid van de Jeugdwet dan wel artikel 11 van deze verordening. Artikel 12.1.3 regelt dat als de voorziening aan zowel de jeugdige als aan de ouders is toegekend, de jeugdige en de ouders aangesproken kunnen worden op de terugbetaling van de teveel of ten onrechte verleende individuele voorziening. Het uitgangspunt daarbij is dat beiden gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de vordering en daarmee ook voor de terugbetaling van de vordering. Wat de een betaalt, wordt de ander van bevrijd. Zolang de jeugdige niet over een periodiek inkomen op minimaal bijstandsniveau beschikt, zal de invordering alleen bij de ouders plaatsvinden. 12.2 Wmo 2015 Artikel 12.2.1 en 12.2.3 bevatten (deels) een herhaling van hetgeen al in de tekst van de Wmo 2015 is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 ).

Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Artikel 12.2.2 is bepaald dat als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het persoonsgebonden budget nog geen voorziening is getroffen, het college de bevoegdheid heeft om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Dit artikel is te zien als een verbijzondering van hetgeen is opgenomen in artikel 12.2.1, onder e (dat tevens opmaatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken // 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.

157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; 'omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.'

Artikel 13. Kwaliteitseisen jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Dit artikel betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De kwaliteitseisen die gelden in het kader van de Wmo 2015 zijn voor zover die aanvullend ook van toepassing zijn op de Jeugdwet in dit artikel meegenomen. Het is op grond van de Wmo 2015 aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de Memorie van Toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt

zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning en/of afspraken hierover vast te leggen in het contract dat met aanbieders wordt gesloten. In artikel 13.1 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in artikel 13.2 genoemde jaarlijkse cliënt ervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015.

Artikel 14. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een individuele voorziening Dit artikel betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9 onder d van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet dan wel de Wmo 2015. Handhaving is enerzijds gericht op bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen. Oneigenlijk gebruik en misbruik ondermijnen het sociale draagvlak voor die voorzieningen en werken kostenverhogend (hogere uitgaven voorziening en hogere uitgaven uitvoering). Preventie staat dan ook voorop. Een goede op de situatie toegesneden voorlichting en informatieverstrekking zijn daartoe de belangrijkste instrumenten. Indien onverhoopt toch blijkt dat de verstrekking van de voorziening niet terecht heeft plaatsgevonden dan dient deze situatie te worden rechtgezet (repressie). Bestrijding betreft dus zowel preventie als repressie, waarbij preventie prevaleert. Handhaving is echter anderzijds ook gericht op het bestrijden van niet-gebruik van voorzieningen (positieve handhaving).

Het ervan bewust zijn dat door onbekendheid met regelgeving dan wel door zorgmijdend gedrag onvoldoende of geen gebruik gemaakt wordt van voorzieningen, die in de betreffende situatie wel als noodzakelijk aan te merken zijn. Handhaving is bij het bestrijden van niet-gebruik gericht op het ontwikkelen van instrumenten die de bekendheid met de regelgeving vergroten en de toegang laagdrempelig maken. Daarbij zijn de integrale aanpak en het in kaart brengen van motieven tot het vermijden van zorg en het daarop inspelen middelen om zorgmijdend gedrag ten positieve te keren. Doel van deze vorm van handhaving is het voorkomen dat een voorziening niet (tijdig genoeg) wordt ingezet waardoor de situatie onnodig verergert. Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet en Wmo 2015 door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 Jeugdwet en artikel 2.6.3 van de Wmo 2015). In de Wmo 2015 wordt hierop als uitzondering de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt gemaakt.

Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11 lid 2 Jeugdwet en artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015). Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat de voorziening in ieder geval een bijdrage moet leveren aan het oplossen van het ondervonden probleem. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.

Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 16. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig artikel 16.4 kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 17. Aanwijzing toezichthouder De Jeugdwet kent, in tegenstelling tot de Wmo 2015, niet de verplichting voor de gemeenten om een gemeentelijke toezichthouder aan te wijzen maar sluit ook het aanwijzen van een gemeentelijk toezichthouder niet uit. Dit lid stelt dat, ondanks het ontbreken van een verplichting vanuit de Jeugdwet zelf, gemeenten wel, op basis van artikel 5.11 van de Algemene wet bestuursrecht een toezichthouder aanwijzen die belast is met het houden van (rechtmatigheids)toezicht op de naleving van hetgeen in de Jeugdwet is bepaald.

Artikel 18. Klachtregeling gemeente en aanbieders De gemeente is op grond van de Algemene wet bestuursrecht in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In artikel 18.1 is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid.

Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

In artikel 18.3 zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Artikel 19. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels over medezeggenschap bij aanbieders geheel aan gemeenten overgelaten. In artikel 19.1 is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015). In artikel 19.2 zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

Artikel 20. Betrekken van inwoners bij beleid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. Wat betreft de Jeugdwet zijn de mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen is geregeld in artikel 4.2.4 en artikel 4.2.5 Jeugdwet. Opgemerkt wordt dat de regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet. Wat betreft de Wmo 2015 geeft dit artikel uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 20.1 is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening Dijk en Waard. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid en het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op hulp of ondersteuning.

Artikel 21. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Dit artikel betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van de Wmo 2015 uit gekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Artikel 22. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Dit artikel betreft een uitwerking van artikel 2.1. 7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de

zelfredzaamheid en de participatie. De tegemoetkoming kan op aanvraag kan verstrekt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking. Artikel 23. Antispeculatiebeding woonvoorzieningen Bij duurdere woningaanpassingen waarbij door de aanpassing de woning aanzienlijke meerwaarde heeft kan aanleiding bestaan een deel van deze meerwaarde terug te betalen. Dit zal op afschrijvingsbasis gebeuren volgens het in dit artikel genoemde schema. De meerwaarde zal bepaald worden door op het moment van verkoop de woning zowel met als zonder aanpassing te laten taxeren.

Artikel 24. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In artikel 24.2 is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordeningen. In artikel 24.3 is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In artikel 24.4 is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordeningen worden afgedaan. Artikel 25. Evaluatie De resultaten van de evaluatie worden ter kennisname aan de Raad en de Cliënten-adviesraad gestuurd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=DijkenWaard&id=c38a8ae9-7b51-4d00-817a-05e703e266ff