Verkeersstructuur Diemen Zuid_vastgesteld_1_Toelichting_Bijlage 9 Quickscan ecologie.pdf
Tekst van het document
RAPPORT Natuurtoets Boven Rijkersloot In het kader van de Wet natuurbescherming Klant:
Gemeente Diemen
Referentie: BG8415WATRP1912191015 Status:
Definitief/P01
Datum:
19-12-2019
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Laan 1914 no.35 3818 EX AMERSFOORT Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Natuurtoets Boven Rijkersloot Ondertitel: Referentie: BG8415WATRP1912191015 Status: P01/Definitief Datum: 19-12-2019 Projectnaam: BG8415 Projectnummer: BG8415 Auteur(s): Anoek van den Bosch Opgesteld door: Anoek van den Bosch Gecontroleerd door: Jobert Rijsdijk Datum/paraaf: 23-10-2019 J.R. Goedgekeurd door: Claudia Algra Datum/paraaf: 19-12-2019
Classificatie Projectgerelateerd
Disclaimer No part of these specifications/printed matter may be reproduced and/or published by print, photocopy, microfilm or by any other means, without the prior written permission of HaskoningDHV Nederland B.V.; nor may they be used, without such permission, for any purposes other than that for which they were produced. HaskoningDHV Nederland B.V. accepts no responsibility or liability for these specifications/printed matter to any party other than the persons by whom it was commissioned and as concluded under that Appointment. The integrated QHSE management system of HaskoningDHV Nederland B.V. has been certified in accordance with ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 and ISO 45001:2018. 19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
i
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doelstelling
1
1.3
Methode
2
1.4
Leeswijzer
2
2
Juridisch kader
3
2.1
Inleiding Wet natuurbescherming
3
2.2
Beschermde soorten (Wnb hoofdstuk 3)
3
2.3
Natura 2000 (Wnb hoofdstuk 2)
6
2.4
Natuurnetwerk Nederland
8
2.5
Houtopstanden (Wnb hoofdstuk 4)
8
3
Plangebied en voorgenomen ingreep
9
3.1
Plangebied
9
3.2
Voorgenomen ingreep
11
4
Gebiedsbescherming
12
4.1
Natura 2000
12
4.2
Natuurnetwerk Nederland
13
4.3
Het belang als ecologische verbindingszone
14
4.4
Houtopstanden
16
5
Beschermde soorten
17
5.1
Vaatplanten
17
5.2
Grondgebonden zoogdieren
17
5.3
Vleermuizen
18
5.4
Broedvogels
20
5.5
Amfibieën
20
5.6
Reptielen
21
5.7
Vissen
21
5.8
Ongewervelden
21
5.9
Samenvatting
22
6
Effectbeschrijving – en beoordeling
23
6.1
Vleermuizen
23
6.2
Broedvogels
24
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
ii
Projectgerelateerd
6.3
Samenvatting
24
7
Mitigerende maatregelen
25
7.1
Algemene zorgplicht
25
7.2
Vleermuizen
25
7.3
Broedvogels
26
8
Conclusie en aanbevelingen
27
8.1
Beschermde soorten
27
8.2
Natura 2000-gebieden
27
8.3
Natuurnetwerk Nederland
27
8.4
Het belang als ecologische verbindingszone
27
8.5
Houtopstanden
27
8.6
Aanbevelingen
28
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
iii
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
De gemeente Diemen is voornemens de nieuwe woonwijk Holland Park beter te laten aansluiten op de rest van Diemen voor fietsers, voetgangers, openbaar vervoer en autoverkeer. In de huidige situatie is er een wegverbinding tussen Holland Park en het centrum van Diemen Zuid. Deze route loopt via de Boven Rijkersloot maar is echter niet ontworpen als directe verbinding tussen deze gebieden. Om de verbinding geschikt te maken voor alle vervoersmodaliteiten is de gemeente voornemens de huidige busbaan aan te passen en open te stellen voor autoverkeer en om een rotonde in te passen ter hoogte van de Beukenhorst. Voor deze ruimtelijke ingreep worden mogelijk enkele bomen gekapt en worden enkele bermpercelen aangetast of verwijderd. Deze ingreep kan leiden tot negatieve effecten op onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten en gebieden. Om deze reden is het noodzakelijk om de mogelijke effecten van de ingreep op beschermde dier- en plantensoorten en gebieden in kaart te brengen. De gemeente Diemen heeft Royal HaskoningDHV verzocht een natuurtoets uit te voeren.
1.2
Doelstelling
Het doel van deze natuurtoets is om de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten in kaart te brengen. Ook worden de mogelijke effecten van de voorgenomen ingreep op aanwezige beschermde soorten en gebieden bepaald. Op basis daarvan wordt bepaald of overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) te verwachten zijn en of dit voorkomen kan worden door het treffen van gerichte (mitigerende) maatregelen of dat een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk is. De onderzoeksvragen voor deze natuurtoets zijn: Welke beschermde soorten en gebieden kunnen voorkomen binnen het plangebied? Welke negatieve effecten zijn te verwachten op deze soorten en gebieden? Zijn er mitigerende maatregelen te treffen om deze effecten te voorkomen? Is er nader veldonderzoek nodig om de aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen of uit te sluiten? Is een passende beoordeling nodig om te bepalen of de voorgenomen ingreep leidt tot significant negatieve effecten op beschermde gebieden? Is compensatie noodzakelijk? Is het noodzakelijk om een ontheffing of vergunning in het kader van de Wnb aan te vragen?
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
1
Projectgerelateerd
1.3
Methode
Om na te gaan wat het belang is van het plangebied voor de wettelijk beschermde soorten en gebieden zijn de volgende stappen gevolgd: 1. Inventarisatie van beschermde soorten en gebieden Er zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) voor het plangebied en de nabije omgeving (een straal van één kilometer rondom het plangebied) van de afgelopen 10 jaar.1 Ook is er op 16 oktober 2019 een veldbezoek uitgevoerd (15 °C, bewolkt, droog, windkracht 2) door een ecoloog van Royal HaskoningDHV. Daarnaast zijn de NDFF en de gebiedendatabase2 gebruikt voor het inventariseren van beschermde gebieden in en rondom het plangebied. 2. Effectbeoordeling soorten en gebieden Beknopte analyse van het project in relatie tot de habitat/biotoopeisen van de beschermde soorten en gebieden in de omgeving van het gebied. 3. Effectbeoordeling waardevolle ecologische structuren voor de gemeente Diemen Beknopte analyse van het project in relatie tot waardevolle natuurwaarden zoals bestempeld door de gemeente. 4. Conclusie Beschrijving van de conclusies, vervolgstappen en voorstellen voor eventueel benodigde mitigerende maatregelen.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het juridisch en beleidskader weergegeven waarin de wet- en regelgeving van de Wnb beschreven wordt. In hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ingreep en het plangebied met de directe omgeving besproken. In hoofdstuk 4 wordt de toetsing aan gebiedsbescherming beschreven en worden mogelijke effecten op beschermde gebieden beschreven. In hoofdstuk 5 is de toetsing aan de soortbescherming beschreven. In Hoofdstuk 6 worden de mogelijke effecten op beschermde soorten beschreven. In Hoofdstuk 7 worden mogelijke mitigerende maatregelen beschreven. Hoofdstuk 8 bevat de conclusies en aanbevelingen van de toetsingen.
1 2
https://ndff-ecogrid.nl/, geraadpleegd op 11 oktober 2019 https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k&groep=0, geraadpleegd op 11 oktober 2019
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
2
Projectgerelateerd
2
Juridisch kader
2.1
Inleiding Wet natuurbescherming
De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. Naast de bescherming van natuur en biodiversiteit voorziet de Wnb in de decentralisatie van taken en bevoegdheden en de vereenvoudiging van regelgeving. De Europese regelgeving, met name de Vogelen Habitatrichtlijn, vormt het kader en het uitgangspunt van deze wet. Het instrumentarium van de Wnb sluit aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. De uitwerking van de wet is vastgelegd in de regeling en het besluit natuurbescherming3.
2.2
Beschermde soorten (Wnb hoofdstuk 3)
De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Het gaat om de volgende beschermingsregimes (verwezen wordt naar de paragrafen van de wet):
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1) Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
2.2.1
Verbodsbepalingen
Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De verbodsbepalingen in de paragrafen 3.1 en 3.2 (van de wet) zijn een-opeen overgenomen uit de genoemde richtlijnen (zie Tabel 2-1) en verdragen en zijn uitsluitend van toepassing op de in deze richtlijnen en verdragen genoemde soorten. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen.
3
http://wetten.overheid.nl/BWBR0038662/2017-01-01
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
3
Projectgerelateerd
Tabel 2-1 Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1
Beschermingsregime Habitatrichtlijn § 3.2
soorten Beschermingsregime andere soorten § 3.3
Art. 3.1 lid 1 Art. 3.5 lid 1 Art. 3.10 lid 1a Het is verboden in het wild levende Het is verboden soorten in hun natuurlijk Het is verboden soorten opzettelijk te vogels opzettelijk te doden of te vangen. verspreidingsgebied opzettelijk te doden doden of te vangen. of te vangen. Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art. 3.1 lid 3 Art. 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren te rapen en deze Het is verboden eieren van dieren in de onder zich te hebben. natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Art. 3.1 lid 4 en lid 5 Art. 3.5 lid 2 Niet van toepassing Het is verboden vogels opzettelijk te Het is verboden dieren opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van verstoren. wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing
Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bij de toetsing aan het soortbeschermingsdeel van de Wnb wordt bepaald of er beschermde plant- en diersoorten kunnen voorkomen in het plangebied en of de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten aangetast wordt als gevolg van het project, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar komt.
2.2.2
Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden
In beginsel moet met mitigerende maatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast. Lukt dat niet en worden dus verbodsbepalingen overtreden, dan is een ontheffing nodig. Het beschermingsregime van de soort bepaalt de mogelijkheid tot het verkrijgen van een ontheffing. Artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wnb bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of dwingende reden van groot openbaar belang). Onder de Wnb geldt voor deze soorten een ontheffingsplicht, behalve als het bevoegd gezag door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit4. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. In specifieke gevallen geldt een
4
Met uitzondering van een aantal in art 1.3 van de Wnb genoemde projecten (van nationaal belang)
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
4
Projectgerelateerd
vrijstelling van ontheffingsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode. De provincies zijn het bevoegd gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wnb. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag5. Het bevoegd gezag voor dit project is de provincie Noord-Holland.
2.2.3
Mitigerende maatregelen
Indien door mitigerende (verzachtende) maatregelen de negatieve effecten volledig kunnen worden opgeheven, waardoor overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Het gaat erom dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort wordt behouden. De mitigerende maatregelen moeten als randvoorwaarde meegegeven worden aan de aannemer. Indien dit niet wenselijk of mogelijk is moet voor het overtreden van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd.
2.2.4
Zorgplicht soortenbescherming
Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten, die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb artikel 1.11. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is.
5
Besluit Wnb 11 oktober 2016, https://wetten.overheid.nl/BWBR0038662/2018-01-01
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
5
Projectgerelateerd
Opzettelijkheid In de Wnb is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Niet-opzettelijke handelingen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden. Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”. Wezenlijke invloed Met de term ‘wezenlijke invloed’ wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of er sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht. Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese stand van de soort. Op welk van deze niveaus de effecten op een soort moeten worden onderzocht, hangt af van de soort (zie voorbeelden). Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de soort.
In alle gevallen geldt proportionaliteit. Effecten op een zeer zeldzame soort zullen op een lager niveau moeten worden bezien dan een zeer algemene soort. Bij soorten die zich niet over grote afstanden kunnen verplaatsen, zoals amfibieën, reptielen, planten en veel soorten insecten, is eerder sprake van een wezenlijk negatieve invloed dan bij soorten die zich over grotere afstanden kunnen verplaatsen. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is. Van tijdelijke effecten kan een populatie van een soort zich over het algemeen gemakkelijker herstellen dan wanneer het om een aanhoudend negatief effect gaat.
Werkwijze bij ruimtelijke ingrepen Bij ruimtelijke ingrepen dient beoordeeld te worden welke negatieve gevolgen de ingrepen zullen hebben voor de eventueel aanwezige beschermde inheemse soorten. Hierbij is het van belang dat de volgende aspecten duidelijk worden: Welke beschermde plant- en diersoorten komen in en rondom het gebied voor? Leidt het realiseren van de plannen of de uitvoering van de geplande werkzaamheden tot handelingen die strijdig zijn met de verbodsbepalingen van de Wnb betreffende planten op hun groeiplaats of dieren in hun natuurlijke leefomgeving? Kunnen de plannen of de voorgenomen werkzaamheden zodanig aangepast worden dat dergelijke handelingen niet of in mindere mate gepleegd worden? Is om de plannen te kunnen uitvoeren of de werkzaamheden te kunnen verrichten ontheffing (ex. art. 3.3, 3.8 of 3.10 van de Wnb) van de verbodsbepalingen van de Wnb vereist?
2.3
Natura 2000 (Wnb hoofdstuk 2)
Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb), die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. 19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
6
Projectgerelateerd
De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de (ontwerp-)aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingsdoelstellingen beschrijven voor de (in ontwerp) aangewezen habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten in het gebied of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is, of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Projecten of handelingen die negatieve effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden en bijbehorende instandhoudingsdoelen zijn conform artikel 2.7 van de Wnb in beginsel niet toegestaan. Een voortoets in de oriëntatiefase kan uitsluitsel geven of het plan geen negatieve effecten heeft (geen vervolg) of dat er een verslechteringstoets of passende beoordeling vereist is (Figuur 2-1).
Figuur 2-1. Schematische weergave van de toetsing van projecten aan Natura 2000-doelen
Bij een verslechteringstoets worden de verslechtering en/of verstoring (niet significant) en mitigerende maatregelen in beeld gebracht om de negatieve effecten te verzachten. In de passende beoordeling worden het projecteffect beoordeeld, in cumulatie met overige vergunde projecten en/of handelingen, die gevolgen hebben voor dezelfde instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied waar het project effect op heeft. Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significant negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, dient eerst gekeken te worden of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten op te heffen. Zijn mitigerende maatregelen niet mogelijk dan volgt de ADC-toets, waarbij eerst gekeken moet worden of er geen alternatieven zijn, of er dwingende redenen van groot belang van toepassing is en of compensatie mogelijk is om de significant negatieve effecten op te lossen.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
7
Projectgerelateerd
2.4
Natuurnetwerk Nederland
De provincie Noord-Holland zorgt binnen haar gebied voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, en vormt daarmee onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie heeft daartoe gebieden aangewezen die tot dit netwerk behoren. Tevens wijst de provincie aan deze gebieden natuurdoelen met specifieke wezenlijke kenmerken en waarden toe. Gedeputeerde Staten kunnen gebieden gelegen buiten het NNN aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘’bijzondere provinciale natuurgebieden’’ en ‘’bijzondere provinciale landschappen’’. In geval van directe negatieve effecten op de aangewezen wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden die onder het NNN vallen, geldt een compensatieplicht.
2.5
Houtopstanden (Wnb hoofdstuk 4)
In hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming is de bescherming van houtopstanden geregeld. De kern is dat er een herplantplicht geldt als houtopstanden worden geveld en dat velling alleen is toegestaan na melding. De wet geldt niet voor onder andere houtopstanden binnen de bebouwde kom, erven of tuinen, uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden (artikel 4.1). Voor herplant op een andere locatie is een ontheffing nodig. Houtopstanden zijn gedefinieerd als zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. Een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b. Bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaalaantal rijen. Dit onderdeel van de wet natuurbescherming heeft geen betrekking op: a. Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. Houtopstanden op erven of in tuinen; c. Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. Kweekgoed; f. Uit populieren of wilgen bestaande: 1. Wegbeplantingen; 2. Beplantingen langs waterwegen, en 3. Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. Het dunnen van een houtopstand; h.
Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. Ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. Zijn aangelegd na 1 januari 2013.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
8
Projectgerelateerd
3
Plangebied en voorgenomen ingreep
3.1
Plangebied
Het plangebied is gelegen in het westelijk deel van Diemen. Het betreft een gedeelte van de Boven Rijkersloot, de aansluitende busbaan parallel aan het Aalscholverpad en de kruising van de Boven Rijkersloot met de Beukhorst (Figuur 3-1). Het plangebied bevindt zich geheel in een stedelijke omgeving met hier en daar wat groen. De locaties waar werkzaamheden gaan plaatsvinden zijn weergegeven in geel (de busbaan) en met rode sterren (de mogelijk te kappen bomen).
Legenda Plangebied Mogelijk te kappen bomen Huidige busbaan
Figuur 3-1. Het plangebied Boven Rijkersloot, gelegen in Diemen.
Figuur 3-2 geeft de bomen in het noordelijk deel van het plangebied weer, het betreft hier gewone plantaan. Figuur 3-3 geeft een impressie van het noordelijk deel van de busbaan en de daar aanwezige bomen. Het betreft hier verschillende boomsoorten. Figuur 3-4 geeft een impressie van de bomen in het zuidelijk deel van het plangebied. Het betreft hier meelbes.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
9
Projectgerelateerd
Figuur 3-2.Een Impressie van de bomen (gewone plataan) in het noorden van het plangebied. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.
Figuur 3-3 Een impressie van het noordelijk deel van de busbaan en de bomen in de omgeving. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
10
Projectgerelateerd
Figuur 3-4 Een impressie van de twee bomen (meelbes) in het zuiden van het plangebied. Foto: Royal HaskoningDHV, 2019.
3.2
Voorgenomen ingreep
Om de wijk Holland Park beter aan te laten aansluiten op de rest van Diemen wordt de verkeersituatie binnen het plangebied gewijzigd. In het noordelijk deel van het plangebied, bij de kruising tussen de Boven Rijkersloot en de Beukenhorst wordt een rotonde aangelegd. Hiervoor worden mogelijk vijf gewone platanen langs de Beukhorst (zie Figuur 3-2, links) en twee gewone platanen langs de Boven Rijkersloot gekapt (zie Figuur 3-2, rechts). Daarnaast wordt de busbaan, weergegeven in Figuur 3-1, opengesteld voor autoverkeer. Dit houdt in dat de weg verbreed gaat worden. Een deel van de aangrenzende berm, bestaande uit struweel, bodembedekkers en gras (zie Figuur 3-3) wordt hiervoor aangetast of verwijderd. Tevens worden mogelijk twee bomen langs het noordelijk deel van de huidige busbaan gekapt. Als laatste zullen in het zuiden van het plangebied werkzaamheden plaatsvinden aan het fietspad. Hiervoor worden mogelijk de twee meelbessen langs het pad (zie Figuur 3-4) gekapt. Gedurende de uitvoering van de natuurtoets is de scope van het plangebied veranderd. Bomen die in niet expliciet in deze natuurtoets benoemd zijn, maar die op de nominatie staan om gekapt te worden moeten daarom nader onderzocht worden op de aanwezigheid van boomholten en/ of nesten.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
11
Projectgerelateerd
4
Gebiedsbescherming
4.1
Natura 2000
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Figuur 4-1 laat de ligging van het plangebied zien ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is Markermeer & IJmeer op minimaal 4,5 km afstand van het plangebied. Negatieve effecten door verstoring (geluid, licht, optische effecten) kunnen vanwege de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Er zal een stikstofdepositieberekening worden uitgevoerd (separate rapportage).
Figuur 4-1. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
12
Projectgerelateerd
4.2
Natuurnetwerk Nederland
Figuur 4-2 laat de ligging van het plangebied zien ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zoals af te leiden uit de figuur maakt het plangebied geen deel uit van het NNN. Er is daarom geen sprake van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden die onder het NNN vallen. Er is geen sprake van compensatieplicht.
Figuur 4-2. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN).
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
13
Projectgerelateerd
4.3 Het belang als ecologische verbindingszone Het plangebied heeft een lage score op de gemeentelijke natuurwaarde-schaal (zie Figuur 4-3). De delen met een hoge natuurwaarde en natuurlijkheid liggen meer in het buitengebied van de gemeente, zoals het Diemerbos, de Diemer Vijfhoek en de Eerste en Tweede Diem.
Figuur 4-3. Natuurwaardenkaart van gemeente Diemen; het plangebied is rood omcirkeld. Bron: Gemeente Diemen (2017).
Figuur 4-4 toont de ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de Hoofdgroenstructuur van de gemeente Diemen. Te zien is dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de Hoofdgroenstructuur als “groene corridor” (weergegeven als donkergroene lijn). Met de Hoofdgroenstructuur wordt bestaande natuur optimaal verbonden via “buurtgroen”. De Hoofdgroenstructuur bestaat uit de structuur van groenstroken en waterlopen binnen de bebouwde kom, inclusief de gemeentelijke hoofdbomenstructuur (Natuurbeleidsplan Diemen, 2009).
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
14
Projectgerelateerd
Figuur 4-4. De Hoofdgroenstructuur van de gemeente Diemen ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd)
Het plangebied maakt tevens deel uit van de gemeentelijke hoofdbomenstructuur (zie Figuur 4-5).
Figuur 4-5 Hoofdbomenstuructuur van de gemeente Diemen ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd)
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
15
Projectgerelateerd
De te kappen bomen vormen geen lijnvormig element, waardoor ze geen belangrijke corridor vormen voor vleermuizen. Daarnaast hebben platanen maar weinig waarde als voedselboom voor inheemse insecten of vogels. Wel kunnen ze dienen als verblijfplaats voor vleermuizen of nest locatie voor broedvogels. Een soort als meelbes kan in de zomer wel dienen als voedselboom voor broedvogels. De waarde van de meelbes in de ecologische corridor kan behouden blijven door deze elders terug te planten. Daarnaast kan in het nieuwe ontwerp ecologische meerwaarde gecreëerd worden door een heterogene inheemse boombeplanting terug te planten. Door beplanting te kiezen die op afwisselende momenten in het jaar bloeit kan over een langer periode voedselaanbod gecreëerd worden voor onder andere inheemse insecten en voor broedvogels. Vanwege de lage natuurwaarde van het plangebied en de afstand tot belangrijke groenstructuren, zijn negatieve effecten op deze structuren uitgesloten. Er wordt daarnaast geen afbreuk gedaan aan de huidige functie van de “ecologische corridor” en de doelstellingen van het gemeentelijk beleid.
4.4
Houtopstanden
Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom van Diemen ligt, vallen de te kappen bomen niet onder Hoofdstuk 4 van de Wnb. Hierdoor is er geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van houtopstanden. Wel is er een kapvergunning nodig wanneer er bomen worden gekapt die op 1,30 m hoogte een stamomtrek hebben van minimaal 32 cm6. Ook moet een kapvergunning worden aangevraagd voor bomen waarvan 30 procent of meer van de takken die de kroon vormen worden weggesnoeid. Daarnaast geldt een herplantplicht. De te kappen bomen kennen een stamomtrek van minimaal 32 cm. Er is dan ook een kapvergunning benodigd voor de kapwerkzaamheden.
6
http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/historie/Diemen/49139/49139_1.html, geraadpleegd op 22 oktober 2019
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
16
Projectgerelateerd
5
Beschermde soorten
5.1
Vaatplanten
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van één beschermde vaatplant. Het betreft de grote leeuwenklauw. Deze soort is niet waargenomen tijdens het veldbezoek. De grote leeuwenklauw komt voor in bermen langs onverharde wegen (in de strook vlak langs de rijweg), akkers (graanakkers), waterkanten (rivieroeverwallen en sloothellingen), braakliggende grond, bij veevoerkuilen, dijken, tuinen en langs spoorwegen. De soort staat op zonnige, open plaatsen op vochtige tot vrij droge, goed gedraineerde, matig voedselrijke tot voedselrijke, kalkhoudende grond (lemig zand, löss, leem, zavel en klei)7. Het plangebied bestaat grotendeels uit verhard terrein en is daarmee ongeschikt als groeiplaats voor de soort. De niet-verharde delen worden gevormd door wegbermen. Deze worden intensief en traditioneel beheerd. Dat betekent dat het aanwezige gazon altijd kort is en de omliggen struiken periodiek gesnoeid worden. Binnen het plangebied is daarom voor de grote leeuwenklauw geen geschikt habitat aanwezig. De soort wordt hier daarom niet verwacht. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde vaatplanten afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vaatplanten kan daarom worden uitgesloten.
5.2
Grondgebonden zoogdieren
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten beschermde grondgebonden zoogdieren. Het gaat om de bunzing, wezel, hermelijn en eekhoorn. Tijdens het veldbezoek is geen van deze soorten waargenomen. Kleine marterachtigen Bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen8. In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen9 aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou. Wezel heeft een voorkeur voor open en droog natuur- en cultuurlandschap, maar komt tevens voor in allerlei andere soorten habitat zoals bossen, duinen, wei- en akkerland.10 Hermelijn komt ook in allerlei soorten habitat voor zoals akkers, bossen, duinen, houtwallen en vochtig terrein. Voor alle drie de soorten kleine marters geldt dat goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van geschikt voedsel (met name woelmuizen) een vereiste is voor het voorkomen. 7
https://www.verspreidingsatlas.nl/0074#, geraadpleegd op 17 oktober 2019 Pertoldi, C., Breyne, P., Cabria, M. T., Halfmaerten, D., Jansman, H. A. H., Van Den Berge, K., ... & Loeschcke, V. (2006). Genetic structure of the European polecat (Mustela putorius) and its implication for conservation strategies. Journal of Zoology, 270(1), 102115. 9 Birks, J. D. S. (1998). Secondary rodenticide poisoning risk arising from winter farmyard use by the European polecat Mustela putorius. Biological conservation, 85(3), 233-240. 10 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel, geraadpleegd op 17 oktober 2019 8
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
17
Projectgerelateerd
Het plangebied ligt in een sterk verstedelijkte omgeving. Er is veel verharding aanwezig. Opgaand groen is grotendeels afwezig. Groene gebieden zoals de Diemerpolder en het Diemenbos liggen op relatief grote afstand van het plangebied. Hierdoor ontbreekt het in de directe omgeving van het plangebied aan voldoende beschutting. Daarnaast is er in het plangebied onvoldoende voedsel aanwezig. De aanwezigheid van kleine marterachtigen in het plangebied kan daarom worden uitgesloten. Eekhoorn De eekhoorn is een echte boombewoner. De soort komt voornamelijk voor in bossen, maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Wanneer er genoeg voedsel beschikbaar is komt eekhoorn ook voor in bebouwd gebied. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden zoals eikels, noten en kegels van naaldbomen 11 . Binnen het plangebied is een zeer beperkt aantal bomen aanwezig. Dit betreft voornamelijk platanen. Geschikte voedselbomen ontbreken. Door een gebrek aan geschikt leefgebied en voedsel kan aanwezigheid van eekhoorn in het plangebied worden uitgesloten. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde grondgebonden zoogdieren afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van grondgebonden zoogdieren kan daarom worden uitgesloten.
5.3
Vleermuizen
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten beschermde vleermuizen. Het gaat om gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en kleine dwergvleermuis. Van deze soorten hebben rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis verblijfplaatsen in bomen. De overige soorten hebben hun verblijfplaats in gebouwen. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen, waarvan op dat moment bekend was dat die op de nominatie staan om gekapt te worden, gecontroleerd op geschikte holtes. Twee platanen in het noorden van het plangebied (zie Figuur 6-1.) bevatten holtes die mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats van rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (zie Figuur 5-1).
11
https://www.zoogdiervereniging.nl/eekhoorn-sciurus-vulgaris, geraadpleegd op 24 mei 2019
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
18
Projectgerelateerd
Figuur 5-1 Potentiele vleermuisverblijfplaatsen in de mogelijk te kappen platanen in het noorden van het plangebied. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.
De overige bomen waarvan bekend is dat ze waarschijnlijk gekapt gaan worden, zijn relatief jong en in goede conditie. Deze bomen bevatten dan ook geen geschikte holtes. De aanwezigheid van verblijfplaatsen in deze bomen wordt dan ook uitgesloten. Het plangebied omvat geen gebouwen waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonde vleermuissoorten kan worden uitgesloten. In de directe omgeving van het plangebied staan echter wel veel gebouwen, de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen is daar niet op voorhand uit te sluiten. In en in de omgeving van het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig, welke potentie hebben als veermuisvliegroute. Tevens is er potentieel vleermuis foerageergebied aanwezig binnen het plangebied. Dit is echter niet essentieel. Het plangebied biedt maar weinig dekking voor zowel vleermuizen als insecten. Daarnaast heeft het plangebied door de lage hoeveelheid bloeiende en opgaande vegetatie maar een lage aantrekking op insecten. In de omgeving is bovendien geschikter foerageergebied aanwezig in de vorm van bomenrijen langs het water in en rondom de woonwijk. Deze bomenrijen bieden dekking en hebben een hogere aantrekkingskracht op insecten dan de relatief verharde omgeving van het plangebied. Conclusie: In het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van verschillende soorten boombewonende vleermuizen aanwezig.
Verblijfplaatsen van gebouwbewonde vleermuizen zijn uit te sluiten binnen het plangebied, maar dat geldt niet voor de directe omgeving van het plangebied. Daarnaast zijn er lijnvormige elementen aanwezig binnen het plangebied welke een potentiële functie hebben als vliegroute voor vleermuizen. Als laatst vormt het plangebied marginaal foerageergebied voor vleermuizen.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
19
Projectgerelateerd
5.4
Broedvogels
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. Soorten broedvogels met jaarrond beschermde nesten waarvan in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn, zijn boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, ooievaar, roek en sperwer. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels waargenomen. Binnen het plangebied zijn gebouwen afwezig. Hierdoor is de aanwezigheid van nestlocaties van huismus en gierzwaluw uitgesloten. In en in de omgeving van het plangebied is daarnaast sprake van relatief veel verstoring in de vorm van geluid (verkeer) en aanwezigheid van mensen. Het plangebied kan tevens slechts fungeren al marginaal foerageergebied. Overige broedvogels met jaarrond beschermde nesten worden daarom ook niet verwacht in het plangebied. Wel kunnen er broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten worden verwacht. Zo is er in de te kappen platanen in het noorden van het plangebied een oud (potentieel) duivennest waargenomen. Conclusie: In het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn broedvogels met jaarrond beschermde nesten afwezig. Hierdoor kan een overtreding van de Wnb ten aanzien van jaarrond beschermde nesten worden uitgesloten.
Door het nemen van mitigerende maatregelen kan het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb t.a.v. broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten worden voorkomen. Dit kan gevolgen hebben voor de planning/uitvoering van de aanlegwerkzaamheden.
5.5
Amfibieën
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van de onder de Wnb beschermde alpenwatersalamander, vroedmeesterpad en vuursalamander. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën waargenomen. Alpenwatersalamander Alpenwatersalamander geldt als weinig kritisch. In allerlei wateren vindt voortplanting plaats. De soort heeft wel een significante voorkeur voor beschaduwde wateren, veel voortplantingswateren van de soort liggen dan ook in of nabij bos12. De landhabitat van de alpenwatersalamander wordt gevormd door allerlei typen loofbos. Op het land worden als schuilplaatsen allerlei vochtige plekken gebruikt. De dieren worden onder hout, stenen, mos en afval aangetroffen. Vroedmeesterpad De waarnemingen van de vroedmeesterpad liggen buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van de soort. Het betreft daarom waarschijnlijk een uitzetting of ontsnapping. De vroedmeesterpad stelt weinig eisen aan het voortplantingswater. De pad plant zich voort in typische pionierswateren in groeven, in betonnen drinkbakken en in diepe koude bronpoelen langs hellingbossen. De vroedmeesterpad is een soort van voornamelijk ruderaal terrein (groeven), halfnatuurlijke graslanden en steden en dorpen. Zomer- en winterbiotoop zijn stenige, open hellingen en hellingbossen en graften met een stenige ondergrond.
Overwintering is ook vastgesteld in kalksteengroeven, kalkovens en in andere bebouwing.13
12 13
http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=587434, geraadpleegd op 17 oktober 2019 https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/vroedmeesterpad, geraadpleegd op 22 oktober 2019
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
20
Projectgerelateerd
Vuursalamander De waarnemingen van de vuursalamander liggen buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van de soort. Het betreft daarom waarschijnlijk een uitzetting of ontsnapping. De vuursalamander plant zich meestal voort in bronbeekjes: heldere, koele, stromende en zuurstofrijke wateren. Het land habitat wordt in grote lijnen gekarakteriseerd als loofbos, doorsneden met bronbeekjes en is vaak gesitueerd in heuvelachtige gebieden14. In het plangebied zijn geen oppervlaktewateren aanwezig. De aanwezigheid van voortplantingswateren van alle drie de soorten binnen kan daarom worden uitgesloten. Tevens ontbreekt geschikt landhabitat van zowel de alpensalamander als de vroedmeesterpad en vuursalamander. Er kan daarom worden uitgesloten dat het plangebied een functie heeft als zomer- of winterbiotoop voor de soorten. Alpensalamander, vroedmeesterpad en vuursalamander worden hier daarom niet verwacht. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde amfibieën afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van amfibieën kan daarom worden uitgesloten.
5.6
Reptielen
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van ringslang. De soort is tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Ringslang is een watergebonden slang en wordt vaak zonnend aangetroffen op dijkjes in de buurt van water. De soort komt veelal voor in waterrijke habitat op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden.15 In het plangebied zelf is vanwege een gebrek aan flauwe, ruig begroeide oevers en plekken om te zonnen geen geschikt leefgebied aanwezig voor ringslang. Het plangebied ligt te ver van geschikte natte gebieden zoals de Diemerpolder. De ringslang wordt hier daarom niet verwacht. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde reptielen afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van reptielen kan daarom worden uitgesloten.
5.7
Vissen
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater, kan het voorkomen van beschermde vissoorten binnen het plangebied worden uitgesloten. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde vissoorten afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vissen kan worden uitgesloten.
5.8
Ongewervelden
Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF komen geen waarneming naar voren van beschermde ongewervelden in en in de directe omgeving het plangebied. Op basis van de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied, bestaande uit gazon en traditioneel plantsoen en afwezigheid van geschikte waardplanten, vennen en poelen, kan het voorkomen van strenger beschermde dagvlinders, libellen en overige ongewervelden verder uitgesloten worden. Conclusie: Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van ongewervelden kan daarom op voorhand worden uitgesloten. 14 15
http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=587433 https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/ringslang, geraadpleegd op 17 mei 2019
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
21
Projectgerelateerd
5.9
Samenvatting
In onderstaande tabel (Tabel 5-1. Mogelijk aanwezige soorten in het plangebied.) is weergegeven welke beschermde soorten mogelijk voorkomen in het plangebied. Daarnaast is weergegeven welke functie het plangebied mogelijk heeft voor deze soorten en tot welke beschermingscategorie ze behoren. Tabel 5-1. Mogelijk aanwezige soorten in het plangebied. Soortgroep
Mogelijk voorkomende soorten
Functie van plangebied
Bescherming onder Wnb
Vaatplanten
-
Grondgebonden zoogdieren
-
Vleermuizen
Rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en kleine dwergvleermuis.
Marginaal foerageergebied, potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes
Art. 3.5
Broedvogels
o.a. ekster, zwarte kraai en stadsduif.
Nesten (niet-jaarrond beschermd)
Art. 3.1
Amfibieën
-
Reptielen
-
Vissen
-
Ongewervelden
-
Vaatplanten
-
Grondgebonden zoogdieren
-
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
22
Projectgerelateerd
6
Effectbeschrijving – en beoordeling
In dit hoofdstuk worden de mogelijke effecten van de voorgenomen activiteiten beschreven op beschermde soorten (Wnb-soortenbescherming), voor zover die kunnen voorkomen in de omgeving van het project. Effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Permanente effecten kunnen een gevolg zijn van de uitvoering van de werkzaamheden en daarnaast ook van gebruik van het gebied na afronding. Bij de uitvoering van het project worden diverse werkzaamheden uitgevoerd waarbij materieel wordt ingezet. Tijdens de werkzaamheden kunnen de volgende storingsfactoren optreden in het plangebied: - Geluidseffecten door materieel; - Lichtuitstraling door materieel en bouwlampen; - Optische effecten door rijdend materieel, beweging van materialen en mensen; - Trillingen door rijdend materieel en beweging van materialen.
6.1
Vleermuizen
Indien ’s nachts wordt gewerkt met gebruik van bouwverlichting, in de periode april t/m oktober, is het niet op voorhand uitgesloten dat vleermuizen worden verstoord bij het foerageren of migreren. Wanneer verlichting tevens gericht wordt op de gebouwen in de omgeving van het plangebied, is ook verstoring van potentiële verblijfplaatsen in gebouwen, niet uit te sluiten. Beide verstoringen zijn een overtreding van art. 3.5 lid 2 van de Wnb. In de periode november t/m maart is verstoring uitgesloten omdat vleermuizen dan in winterrust zijn. Door het kappen van de bomen gaat er mogelijk foerageergebied verloren. Omdat het plangebied van beperkte waarde is als foerageergebied en er alternatieve gelijkwaardige en grotendeels hoogwaardigere plekken in de buurt zijn, is de eventuele verstoring geen aantasting van de functionaliteit van foerageergebied. Een overtreding van de verbodsbepaling van de Wnb is daarom uitgesloten. In en in de omgeving van het plangebied zijn potentiele vliegroutes aanwezig. Door het kappen van de enkele bomen wordt echter geen lijnvormig element aangetast of onderbroken. Een overtreding van de verbodsbepaling van de Wnb is daarom uitgesloten. Wel kunnen bij het kappen van bomen in het noorden van het plangebied eventuele vleermuisverblijfplaatsen verloren gaan en kunnen vleermuizen worden verstoord en gedood. Dit is een overtreding van art.
3.5, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. De bekende boomholten zijn aangegeven in Figuur 6-1.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
23
Projectgerelateerd
Figuur 6-1 De betreffende gewone plantanen in het noordelijk deel van het plangebied met boomholten.
6.2
Broedvogels
Indien tijdens het broedseizoen wordt gewerkt, kunnen tijdens de aanlegfase nesten van niet-jaarrond beschermde broedvogels worden beschadigd/vernield. Ook kunnen hierbij vogels worden verstoord en gedood. Dit is een overtreding van art. 3.1, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. Omdat het hier echter algemeen in Nederland voorkomende soorten betreft, heeft eventuele verstoring geen wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van deze soorten. Hierdoor is, conform art. 3.1, lid 5, art. 3.1 lid 4 niet van toepassing.
6.3
Samenvatting
Tabel 6-1 geeft weer voor welke beschermde soort(groep)en het te verwachten is dat negatieve effecten zullen optreden. Tabel 6-1. Mogelijke effecten op beschermde soorten in het plangebied. Soortgroep
Mogelijk voorkomende soorten
Tijdelijke effecten
Permanente effecten
Overtreding Wnb
Vleermuizen
Rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis gewone dwergvleermuis, laatvlieger en kleine dwergvleermuis.
Verstoring van individuen
Vernietigen verblijfplaatsen en doden van individuen
Art. 3.5, lid 1, 2 en 4
Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten
o.a. ekster, zwarte kraai en stadsduif.
Vernietigen nesten en doden van individuen
Art. 3.1, lid 1 en 2
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
24
Projectgerelateerd
7
Mitigerende maatregelen
In deze paragraaf worden schadebeperkende maatregelen voorgesteld voor soorten waar (mogelijk) negatieve effecten op te verwachten zijn. Daarnaast wordt beschreven of aanvullend onderzoek noodzakelijk is en in welke vorm dit dient te gebeuren.
7.1
Algemene zorgplicht
Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht. Onderstaand wordt een aantal maatregelen beschreven om aan de algemene zorgplicht te voldoen: De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht; Er wordt één richting opgewerkt, zodat kleine (zoog)dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben; Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden kan een ecoloog het plangebied nalopen en eventueel aanwezige (niet-beschermde) amfibieën en grondgebonden zoogdieren oppakken of verjagen naar omringend geschikt terrein. De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden, en ontziet daarbij plaatsen met begroeiing en/of beplanting zoveel mogelijk. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten voorkomen; Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog.
7.2
Vleermuizen
Om het verstoren van foeragerende of migrerende vleermuizen en mogelijke vleermuisverblijfplaatsen in gebouwen in de omgeving van het plangebied (en overtreding van verbodsartikelen van de Wnb) te voorkomen zijn maatregelen nodig: Geen onnodige bouwverlichting laten branden op werk- en opstelplaatsen gedurende de nacht; De aanleg- en kapwerkzaamheden bij daglicht uit te voeren van zonsopkomst tot zonsondergang of bij nachtelijke werkzaamheden aangepaste verlichting te gebruiken die gericht is op de bouwplaats en niet op het omringende landschap (gebouwen); Of te werken buiten de actieve periode van vleermuizen van november t/m februari. Om het vernietigen van mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in de te kappen bomen (en overtreding van verbodsartikelen van de Wnb) te voorkomen zijn maatregelen nodig in het noordelijk deel van het plangebied: Wanneer nog niet geïnspecteerde bomen gekapt moeten worden, dienen deze voorafgaand geïnspecteerd te worden op aanwezigheid van holtes. Indien mogelijk, de betreffende bomen met holten sparen. Als de kap van de bomen met holtes niet voorkomen kan worden, kan overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is nodig om de functie van de holte als verblijfplaats aan te tonen of uit te sluiten.
Het nader onderzoek naar vleermuizen kent zijn eigen methodologie en tijdstippen waarop deze uitgevoerd kan worden; de eisen hieraan zijn vastgelegd in het Vleermuisprotocol 201716. Op basis van de uitkomst van het nader onderzoek dient dan bepaald te worden of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn of dat er een ontheffingsaanvraag gedaan moet worden. 16
https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/soortinventarisatieprotocollen/vleermuisprotocol, geraadpleegd op 22 okotber 2019 19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
25
Projectgerelateerd
7.3
Broedvogels
Ontheffing voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het voorkomen van (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen noodzakelijk is. Het verstoren van broedgevallen van vogels zonder jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door: Buiten het broedseizoen te werken, of; Te zorgen dat buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen gewerkt wordt, en/of; Voorafgaand aan het broedseizoen de broedbiotoop voor vogels ongeschikt te maken (bijvoorbeeld struiken en bomen rooien) en (gedurende het broedseizoen) te houden, en/of; De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een, voor zover mogelijk, constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen kan worden. Het grote voordeel van deze methode is, dat de verstoringsafstand “automatisch” bepaald wordt: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand. Nadeel is dat de constante intensiteit (zowel in tijd als in ruimte) lastig te realiseren is. Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken zijn niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden. Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Wnb ten aanzien van broedvogels te voorkomen.
Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om bovengenoemde maatregelen te treffen en het terrein kort voor aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog te laten inspecteren op aanwezigheid van broedende vogels. Het is in ieder geval raadzaam om opgaande beplanting (bomen, struiken en ruigten) in de winter te verwijderen.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
26
Projectgerelateerd
8
Conclusie en aanbevelingen
8.1
Beschermde soorten
In het plangebied komen mogelijk beschermde vleermuizen voor. In het gehele plangebied kunnen nesten aanwezig zijn van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. Door het nemen van de mitigerende maatregelen, zoals genoemd in hoofdstuk 7, wordt overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor broedvogels en voor gebouwbewonende vleermuizen voorkomen. Voorgenoemde maatregelen dienen altijd door (of ten minste onder begeleiding van) een ecologisch deskundige te worden uitgevoerd. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Dit ecologisch werkprotocol dient tijdens de werkzaamheden op locatie aanwezig te zijn. Voor boombewonende vleermuizen kan een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming niet worden uitgesloten. Indien aanwezig in de boomholten binnen het plangebied, leiden de geplande werkzaamheden tot de vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen en potentieel tot doding of verwonding van individuen. Dat is een overtreding van de verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming (artikel 3.5) en daarvoor moet een ontheffing worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Nader onderzoek is daarom nodig.
8.2
Natura 2000-gebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 4,5km afstand van het plangebied. Negatieve effecten door verstoring (geluid, licht, optische effecten) kunnen vanwege de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie zijn niet op voorhand uit te sluiten. Er zal een stikstofdepositieberekening worden uitgevoerd (separate rapportage).
8.3
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het toetsingskader van het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden daardoor op voorhand uitgesloten. Er is geen sprake van compensatieplicht.
8.4 Het belang als ecologische verbindingszone Vanwege de lage natuurwaarde van het plangebied en de afstand tot belangrijke groenstructuren, zijn negatieve effecten op deze structuren uitgesloten. Er wordt daarnaast geen afbreuk gedaan aan de huidige functie van de “ecologische corridor” en de doelstellingen van het gemeentelijk beleid.
8.5
Houtopstanden
In het voornemen is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van houtopstanden. Wel is er een kapvergunning nodig wanneer er bomen worden gekapt die op 1,30 m hoogte een stamomtrek hebben van minimaal 32 cm 17 . Ook moet een kapvergunning worden aangevraagd voor bomen waarvan 30 procent of meer van de takken die de kroon vormen worden weggesnoeid. Daarnaast geldt een herplantplicht.
17
http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/historie/Diemen/49139/49139_1.html, geraadpleegd op 22 oktober 2019
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
27
Projectgerelateerd
8.6
Aanbevelingen
Na afronding van het veldbezoek is een wijziging in de scope van het plangebied opgetreden. Hierdoor is een deel van de te kappen bomen niet meegenomen binnen voorliggend onderzoek. Het is daardoor mogelijk dat een deel van de te kappen bomen potentiele vleermuisverblijfplaatsen bevat. Om deze reden wordt geadviseerd om de bomen die op de nominatie staan gekapt te worden en die niet gecontroleerd zijn tijdens het veldbezoek uitgevoerd op 16 oktober, te controleren op aanwezigheid van holtes, spleten en loszittende bast. Wanneer aanwezigheid van geschikte holtes en spleten uit dit veldbezoek blijkt, moet er nader onderzoek worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebied.
19-12-2019
BG8415WATRP1912191015
28