CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

rv&b Omgevingswet.docx

Gemeenteraadsvergadering 27 januari 2022, gemeente DiemenBij agendapunt: Omgevingswet3.889 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsvoordracht

Onderwerp:

Raadsbesluiten Omgevingswet

Datum:

30 november 2021

Portefeuillehouder:

A.J.M. Scholten

Team:

Ruimtelijk beleid

Steller:

A. Pet en D.C. van der Vecht +31 203144874 Anke.Pet@diemen.nl

Gevraagde beslissing 1. de lijst van gevallen in de zin van artikel 16.15a, sub b, van de Omgevingswet vast te stellen (bijlage 1: advies- en instemmingsbevoegdheid van de raad bij aangewezen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten); 2. de lijst van gevallen in de zin van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet vast te stellen (bijlage 2: verplicht stelling participatie aan aanvrager omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit); 3. de volgende bevoegdheden aan het college te delegeren (conform artikel 2.8 Omgevingswet): a. Verwerken buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in het omgevingsplan; b. Het wijzigen van het omgevingsplan voor een plan dat volledig in lijn is met een wijzigingsbevoegdheid uit het voormalige bestemmingsplan/omgevingsplan van rechtswege; c. Het doorvoeren van correcties van kennelijke verschrijvingen, schrijffouten en het herstel van technische (teken)fouten in het omgevingsplan; 4. in te stemmen om af te zien van het consulteren van de raad door het college bij: a. anterieure overeenkomsten die worden overeengekomen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die niet op de bovengenoemde lijst (onder beslispunt 1.) voorkomen; b. of anterieure overeenkomsten met een beperkt financieel belang (overeengekomen bedragen kleiner of gelijk aan € 100.000); 5.

deze vier besluiten gelijktijdig met de Omgevingswet in werking te doen treden.

Relevante achtergrondinformatie Voorgeschiedenis Via informatiebrieven en tweemaal een sessie over de rol van de raad bij invoering van de Omgevingswet bent u geïnformeerd over deze besluitvorming. Deze twee sessies waren: 8 december 2020: Omgevingswet en omgevingsplan van Diemen (Themasessie) 1 juni 2021: Omgevingswet – rol van de raad bij omgevingsvergunningen (commissie Fysiek Domein) Concrete aanleiding Naar verwachting treedt op 1 juli 2022 de Omgevingswet in werking. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning gaan vanaf dat moment de bepalingen uit de Omgevingswet gelden. De wetgever heeft een viertal verbeterdoelstellingen geformuleerd in het kader van de Omgevingswet. Het omgevingsrecht moet: 1. inzichtelijker worden; 2. de leefomgeving centraal laten staan;

1

3. meer ruimte bieden voor maatwerk; 4. procedures sneller en beter laten verlopen. De wettelijke aanpassingen aan de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hebben vooral te maken met de doelstelling om procedures sneller en beter te laten verlopen. Omgevingsplanactiviteiten zijn er in twee smaken: 1. Binnenplans als er sprake is van een activiteit die voldoet aan de regels van het omgevingsplan maar waarvoor wel een vergunningsplicht geldt. 2. Buitenplans als de activiteit strijdig is met het omgevingsplan. Versnelling van de procedure wordt eenvoudig bereikt door meer dan nu gebruik te maken van de reguliere procedure van de Awb (daarover later meer). Verbetering van besluitvorming heeft, onder meer, geleid tot een herpositionering van de rol en bevoegdheid van het college en de raad bij de behandeling van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. De door ons voorgestelde besluiten zijn enerzijds opgesteld om de verbeterdoelstellingen van de Omgevingswet te bereiken en anderzijds opgesteld om de goede aspecten uit het huidige stelsel te continueren op een wijze die passend is bij de gemeente Diemen.

Toelichting Inhoud van de voordracht Over de volgende onderwerpen worden voorstellen gedaan over hoe hiermee om te gaan onder de Omgevingswet: 1. Advies- en instemmingsbevoegdheid bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten; 2. Consultatie raad bij anterieure overeenkomsten; 3. Initiatiefnemer verplichten participatietraject te doorlopen bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten; 4. Delegatiebesluit om het college de bevoegdheid te geven om delen van het omgevingsplan vast te stellen. Ad 1) Advies- en instemmingsbevoegdheid bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Net zo als dat nu middels een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van een bestemmingsplan, kan er van de regels van het omgevingsplan middels een omgevingsvergunning worden afgeweken. In de Omgevingswet heet dit een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Procedureel zijn er drie grote verschillen tussen het huidige recht en de buitenplanse omgevingsplanactiviteit: 1) Momenteel doorlopen de grotere afwijkingen van het bestemmingsplan, omdat dit wettelijk is voorgeschreven, de uitgebreide procedure van de Wabo (= beslistermijn van 26 weken + 6 weken verlengen). Een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit doorloopt in beginsel de reguliere procedure van de Awb (= beslistermijn van 8 weken + 6 weken verlengen).

Het college kan overigens bij grotere afwijkingen de uitgebreide procedure van toepassing verklaren (=beslistermijn van 26 weken + 6 weken verlengen); 2) In de gevallen waarin de uitgebreide procedure van de Wabo van toepassing is, is de gemeenteraad middels de Verklaring van geen bedenkingen het orgaan dat beslist over de planologische toelaatbaarheid van een activiteit. Onder de Omgevingswet ligt deze bevoegdheid in beginsel bij het college, tenzij u gebruik maakt van het aanwijzen van gevallen waarvoor een advies- en instemmingsbevoegdheid van de raad geldt; 3) U kunt gevallen benoemen, voor zover het een buitenplanse omgevingsplanactiviteit betreft, waarbij een initiatiefnemer verplicht is om een participatietraject te doorlopen. De uitkomsten van dit traject maken deel uit van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Zie verder onder Ad 2). Uitgebreide procedure toepassen: Er is geen directe koppeling tussen de advies- en instemmingsbevoegdheid van de raad en de mogelijkheid om de uitgebreide procedure te mogen toepassen. Aanvragen die onder de advies- en instemmingsbevoegdheid van de raad vallen, moeten in beginsel binnen de reguliere proceduretermijn afgehandeld worden. Het college kan in een concreet geval de uniforme openbare

voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb) van toepassing verklaren (26 weken + 6 weken verlengen). Voorwaarde hiervoor is dat: • er sprake moet zijn van een significant effect als gevolg van de ontwikkeling; • er naar verwachting veel belanghebbenden zijn die een zienswijze tegen de ontwikkeling willen indienen; • de aanvrager de kans krijgt een zienswijze in te dienen wat betreft het toepassen van de uitgebreide procedure. Drie keuzemogelijkheden: Voor het besluit tot het aanwijzen van gevallen waarbij de raad een advies- en instemmingsbevoegdheid verkrijgt zijn, in essentie, drie keuzes mogelijk: a) In de geest van de Omgevingswet: zoveel mogelijk bevoegdheid bij het college, alleen zaken die niet binnen de Omgevingsvisie passen, worden voorgelegd aan de raad; b) Alles wat in de huidige situatie de uitgebreide procedure volgde, wordt voorgelegd aan de raad; c) Middenweg: alle zaken die een significant effect hebben op de fysieke leefomgeving gaan naar de raad. Argumenten per keuze: Ad a) In de geest van de Omgevingswet: zoveel mogelijk bevoegdheid bij het college, alleen zaken die niet binnen de Omgevingsvisie passen, worden voorgelegd aan de raad.

• de raad geeft globale kaders aan zoals in de Omgevingsvisie; • het college gaat over de praktische invulling; • er wordt dus niet zozeer naar de omvang van het plan gekeken, maar of het plan past binnen de Omgevingsvisie. In dit stelsel wordt de rol van de raad bij de inrichting van de fysieke leefomgeving fors kleiner. Alleen op hoofdlijnen wordt er nog sturing gegeven, zelden op concrete aanvragen. Dit lijkt ons bij de schaal van Diemen en de betrokkenheid van uw raad niet passend. Ad b) Alles wat in de huidige situatie de uitgebreide procedure volgde, wordt voorgelegd aan de raad. • Onder de Omgevingswet vindt een groter deel van de besluitvorming plaats binnen de reguliere procedure. De uitgebreide procedure is alleen afdwingbaar bij een significant effect als gevolg van de ontwikkeling en waar naar verwachting veel belanghebbenden een zienswijze tegen die ontwikkeling willen indienen. • Knelpunt bij deze keuze: de gemeenteraad moet ook besluiten nemen over kleinere plannen die onder de reguliere korte procedure afgehandeld moeten worden. Dit is niet passend binnen de bestaande raadscyclus en het is de vraag of het wenselijk is dat de raad zich met kleinere plannen bezig moet houden.

Ad c) Middenweg: alle zaken die een significant effect hebben op de fysieke leefomgeving (en waarvan te verwachten is dat meerdere belanghebbende zienswijzen tegen het plan hebben) gaan naar de raad. • Meer evenwicht tussen aanvragen met een klein effect op de fysieke leefomgeving die snel afgehandeld kunnen worden door het college en de aanvragen met een groot effect op de fysieke leefomgeving die aan de raad voorgelegd worden. Uiteraard geldt bij alle keuzes dat het college handelt binnen de ruimte van door de raad vastgesteld beleid. Ons voorstel: In de commissie Fysiek Domein van 1 juni 2021 is het voorstel om te kiezen voor de 3e keuzemogelijkheid, de middenweg, besproken en is een mogelijke uitwerking hiervan toegelicht. Alle zaken die een significant effect op de fysieke leefomgeving hebben worden voorgelegd aan de raad. In de raadsinformatiebrief d.d. 30 juni 2021 is aangekondigd dat het college deze middenweg verder zal uitwerken. De concrete uitwerking hiervan is het opstellen van een lijst met gevallen die voor advies en instemming aan de raad voorgelegd worden. Voor het opstellen hiervan is de huidige wettelijke kruimellijst als leidraad gebruikt. Op deze kruimellijst staan alle zaken die nu door het college (via een

3

reguliere procedure) afgehandeld mogen worden. De nieuwe lijst is een tegenpool hiervan, hier komen dus juist de zaken op die het college niet zelf mag afhandelen, maar waar de raad een adviesen instemmingsbevoegdheid voor krijgt. Voor een groot deel van de aanvragen verandert er niets aan de rol van de raad. Wanneer nu al een Verklaring van geen bedenkingen nodig was, is er onder de Omgevingswet sprake van advies- en instemmingsbevoegdheid. Op een aantal punten wordt er in geest met de Omgevingswet iets meer bij het college gelaten. Praktisch is dat wenselijk omdat dit veelal de gevallen zijn die niet in aanmerking komen voor de uitgebreide procedure. Hiervoor is het vanwege de behandeltermijnen procedureel eigenlijk onhaalbaar om de aanvraag voor advies en instemming tijdig aan de raad voor te leggen (er zou dan binnen 2 à 3 weken na aanlevering van de stukken van het college aan de raad al een raadsbesluit moeten zijn). Op de lijst (bijlage 1) worden ook een aantal algemene categorieën benoemd: activiteiten die niet binnen de doelen van het omgevingsplan, de Omgevingsvisie of de doelen van een programma passen gaan sowieso naar de raad voor advies en instemming. In de toelichting bij de lijst wordt per punt een nadere uitleg gegeven en aangegeven of dit een verandering is ten opzichte van de huidige bevoegdheden.

Ad 2) Consultatie raad bij anterieure overeenkomsten Naast het behandelen van aanvragen om een omgevingsvergunning bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, loopt er vaak ook nog een kostenverhaal-traject. Als er sprake is van een kostenverhaalplichtig bouwplan, dan moet de gemeente kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit leggen we bij voorkeur vast door middel van een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer (met als stok achter de deur de publiekrechtelijke mogelijkheid om het kostenverhaal eenzijdig op te leggen). Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het sluiten van de overeenkomst. In de huidige situatie is het goed gebruik om de raad conform Gemeentewet1 wel de mogelijkheid te geven om wensen en bedenkingen in te dienen bij anterieure overeenkomsten en daarom wordt de anterieure overeenkomst voorafgaande aan ondertekening dan ook ter consultatie aan de raad gezonden. Vanwege de nieuwe situatie, zoals beschreven onder Ad 1) zou het kunnen voorkomen dat de raad geen advies- en instemmingsbevoegdheid heeft bij een aanvraag), maar zou de raad wel de mogelijkheid krijgen om wensen en bedenkingen mee te geven aangaande de anterieure overeenkomst. De lijst van gevallen waar een kostenverhaalplicht geldt, is namelijk ruimer dan de lijst met gevallen die voor advies en instemming aan de raad voorgelegd worden.

Voor bijvoorbeeld de bouw van vijf woningen passend binnen de Omgevingsvisie is wel kostenverhaal verplicht, maar zal dit plan in de nieuwe situatie niet (meer) aan uw raad worden voorgelegd voor de planologische beoordeling. Wij vinden dit echter een onwenselijke situatie; dat bij deze projecten de raad dan wel de anterieure financiële aspecten uit de overeenkomst ter consultatie krijgt voorgelegd, en niet de planologische aspecten. En dit zou ook niet in de geest van de Omgevingswet zijn. Onder de Omgevingswet is het namelijk zo dat indien er sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit én het is B&W onverhoopt niet gelukt om in goed overleg een anterieure overeenkomst te sluiten, het ook B&W is die bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit het bevoegde gezag is om kostenverhaalsvoorschriften op te leggen bij de afgifte van de omgevingsvergunning. Om bovenstaande redenen stellen wij dan ook voor om in een aantal gevallen bij anterieure overeenkomsten de raad niet meer vooraf te consulteren om eventuele wensen of bedenkingen mee te geven. Maar verantwoording hierover achteraf af te leggen door hierover te rapporteren in de jaarlijkse actualisatie bij het Meerjarenperspectief Grondzaken.

Het gaat om: a) Anterieure overeenkomsten die worden overeengekomen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die niet op de lijst voorkomen van gevallen die voor advies en instemming aan de raad voorgelegd worden. Daarnaast is ook één van de doelen van de Omgevingswet om procedures sneller en beter te laten verlopen. Om de totstandkoming van de anterieure overeenkomst sneller te laten verlopen en efficiënter te kunnen werken (verminderen ambtelijke last) wordt ook voorgesteld om anterieure overeenkomsten waarin relatief kleine bedragen zijn gecontracteerd en dus vrijwel geen ingrijpende

Conform artikel 169 lid 4 Gemeentewet is het college eraan gehouden om de raad vooraf inlichtingen over o.a. het sluiten van overeenkomsten te verstrekken, indien de raad daarom verzoekt of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen (bijvoorbeeld financiële) kan hebben voor de gemeente. 1

financiële gevolgen te verwachten zijn, ook niet meer aan de raad te zenden voor consultatie. Het gaat om: b) Anterieure overeenkomsten met een beperkt financieel belang (overeengekomen bedragen kleiner of gelijk aan € 100.000). Ook hierover zal voortaan achteraf verantwoording worden afgelegd door hierover te rapporteren in de jaarlijkse actualisatie bij het Meerjarenperspectief Grondzaken. In veel gevallen zullen de gevallen onder a en b benoemd, dezelfde zijn. Immers bij plannen met een kleine ruimtelijke impact die door het college worden behandeld, zal ook het kostenverhaal veelal relatief bescheiden zijn. Bij anterieure overeenkomsten waarbij over grotere bedragen (groter dan € 100.000) wordt gecontracteerd én de raad de planologische afweging maakt door ofwel haar advies- en instemmingsbevoegdheid bij buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ofwel vaststelling Omgevingsplan, blijft de werkwijze conform de huidige situatie; de overeenkomst wordt voorafgaande aan ondertekening door B&W ter kennisgeving aan de raad toegestuurd, opdat de raad eventuele wensen of bedenkingen kan meegeven. In anterieure overeenkomsten worden vaak ook andere zaken geregeld dan enkel het kostenverhaal, denk aan programma, zelfbewoningsplicht, et cetera.

Ook voor deze onderwerpen geldt dat wanneer de raad de planologische beoordeling doet, deze aspecten ook middels de anterieure overeenkomst aan de raad voorgelegd worden voor wensen en bedenkingen. Wanneer het college bevoegd is een aanvraag af te handelen, is het logisch dat zij ook alle anterieure aspecten zelfstandig afweegt. Hier is immers sprake van gevallen die een geringe impact hebben. Ad 3) Initiatiefnemer verplichten participatietraject te doorlopen bij buitenplanse omgevingsplanactiviteit Vroegtijdige participatie is een uitgangpunt van de Omgevingswet. Het is echter niet bij wet verplicht gesteld dat aanvragers om een omgevingsvergunning zelf een participatietraject initiëren. Wel moet er, indien geen participatie plaatsgevonden heeft, in de aanvraag aangegeven worden dat dit niet gedaan is. Indien er wel participatie plaatsvindt, is het de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om een adequate vorm te kiezen hiervoor. In de aanvraag dient aangegeven te worden hoe vormgegeven is aan de participatie en wat de uitkomsten hiervan waren. De uitkomsten van de participatie worden vervolgens in de besluitvorming meegenomen. Als het participatietraject, naar ons oordeel onvoldoende of van onvoldoende kwaliteit is geweest, kan dit mee wegen in de besluitvorming.

Ook is denkbaar dat wij bij de behandeling van een concrete aanvraag in een dergelijk geval zelf alsnog actief zienswijzen zullen opvragen. De Omgevingswet geeft uw raad de mogelijkheid om gevallen van activiteiten aan te wijzen waarbij de aanvrager verplicht wordt om participatie en overleg met derden te doen plaatsvinden voordat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt ingediend. De aanvrager is in grote mate vrij om zelf te bepalen hoe en met wie deze participatie plaatsvindt. Als de aanvrager bij zo’n aangewezen geval niet of onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten. Wel moet het college de aanvrager de gelegenheid geven het gebrek te herstellen. Bij voorkeur wordt gedurende het participatietraject al bijgestuurd indien duidelijk is dat dit niet goed loopt. Wij zien twee mogelijke raadsbesluiten om participatie verplicht te stellen alvorens een omgevingsvergunning om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kan worden ingediend: 1. Voor alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten deze verplichting opnemen (mogelijke uitzondering: de gevallen die onder de nu geldende kruimelregeling vallen); 2. Aansluiting te zoeken bij de lijst van gevallen waarvoor de advies- en instemmingsbevoegdheid geldt.

Dit zijn immers gelet op de inhoud van dat besluit de ruimtelijke onderwerpen met de meeste impact op de omgeving. Indien bij alle omgevingsvergunningaanvragen om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit participatie verplicht gesteld wordt, moet ook voor kleine, particuliere initiatieven, bijvoorbeeld een dakopbouw, participatie plaatsvinden. Dit is een erg grote stap in één keer. Het uitzonderen van de voormalige kruimelgevallen, zal dit sterk beperken. Het is echter niet heel logisch om bij het werken onder de Omgevingswet te verwijzen naar een kruimellijst die onder oude wetgeving bestond.

5

Voorgesteld wordt om te beginnen met het verplicht stellen van participatie bij activiteiten met een significant effect op de fysieke leefomgeving (optie 2). De lijst met activiteiten die opgesteld is voor de advies- en instemmingsbevoegdheid van de raad geeft een lijst van activiteiten die een significant effect hebben op de fysieke leefomgeving. Voor het verplicht stellen van het doorlopen van een participatietraject geldt ditzelfde criterium; een participatietraject is met name van belang bij activiteiten met een significant effect op de fysieke leefomgeving. Voorstel is om dezelfde lijst van activiteiten van toepassing te laten zijn op het verplicht doorlopen van een participatietraject (bijlage 2). Doel van participatie: De belangrijkste reden dat wij participatie in deze gevallen verplicht willen stellen is om ervoor te zorgen dat uw raad een degelijke en volledige afweging kan maken in het geval van een vergunningaanvraag met een groter effect op de fysieke leefomgeving. Kortom de participatie zorgt er mede voor dat u in staat wordt gesteld om een goede belangenafweging te maken. Dit geeft ook meteen de ondergrens aan waar de participatie aan moet voldoen. Inzichtelijk moet worden gemaakt wie er betrokken zijn, waarover gesproken is en wat er met de inzichten uit het participatietraject is gedaan.

Het middel en de manier waarop de aanvrager de participatie vorm geeft, is in beginsel aan de aanvrager. Wel kan er altijd contact op worden genomen met de gemeente en kan er inspiratie gehaald worden uit het gemeentelijke participatiebeleid. Ook nu komt het al geregeld voor dat wij initiatiefnemers adviseren om voordat zij een aanvraag doen, een participatietraject te doorlopen met de relevante betrokkenen. In de praktijk leidt dit tot wijzigingen (en verbeteringen) van een plan en zodoende worden in sommige gevallen juridische procedures voorkomen. In andere gevallen komt naar voren dat er weerstand bestaat tegen een plan, die niet of niet geheel is weg te nemen. In een dergelijke situatie zorgt een vroegtijdig participatietraject ervoor dat de verschillende visies snel duidelijk zijn. De uiteindelijke afweging of aan een initiatief wordt meegewerkt ligt zowel nu, als in de toekomst, bij het college dan wel de raad. Bij de grotere projecten waarbij de gemeente vaak ook betrokken is kunnen uiteraard privaatrechtelijk afspraken gemaakt worden over het participatietraject welke in een intentieovereenkomst of in de anterieure overeenkomst vastgelegd kunnen worden. Generieke besluiten: Voor de besluiten genoemd in Ad 1) tot en met Ad 3) geldt dat dit generieke besluiten zijn. Ze kunnen niet per aanvraag aangepast worden.

Wel kan de raad deze generieke besluiten altijd weer aanpassen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Ad 4) Delegatiebesluit om het college de bevoegdheid te geven om delen van het omgevingsplan vast te stellen De Omgevingswet geeft uw raad de mogelijkheid om de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders. Het is zowel mogelijk om een algemeen delegatiebesluit te nemen als één of meer gebiedsgerichte delegatiebesluiten. Wij stellen voor op dit moment drie onderwerpen te delegeren aan het college: - Het verwerken van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in het omgevingsplan. De Omgevingswet, gaat op termijn bepalen dat buitenplanse omgevingsplanactiviteiten binnen vijf jaar moeten worden verwerkt in het omgevingsplan. Dit is puur een administratieve handeling; - Het opstellen van een omgevingsplan dat volledig in lijn is met een huidige wijzigingsbevoegdheid uit het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan van rechtswege; deze bevoegdheid ligt nu ook al bij het college. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kan een wijzigingsplan echter niet meer in procedure worden gebracht; - Tenslotte de mogelijkheid om correcties van kennelijke verschrijvingen, schrijffouten en het herstel van technische (teken)fouten door te voeren.

Hiermee worden in eerste instantie enkel niet-gevoelige aanpassingen van het omgevingsplan aan het college gedelegeerd. Deze zijn puur administratief, technisch van aard of betreffen uitvoering binnen reeds door de raad vastgestelde concrete kaders (in geval van de voormalige wijzigingsbevoegdheden). We stellen dit voor om een efficiënte besluitvorming te bewerkstelligen,

zonder de inhoudelijke rol van de raad te beperken. Het blijft op elk moment mogelijk dit besluit uit te breiden met extra onderwerpen (of juist onderwerpen niet meer te delegeren). Argumenten en keuzemogelijkheden Zie hierboven per onderwerp

Gevolgen en risico’s Financieel N.v.t. Juridisch Tegen deze ‘technische’ besluiten staat geen rechtsgang open. Duurzaamheid N.v.t. Andere risico’s? N.v.t.

Wat merkt de burger van de te nemen beslissing? Een aanvrager om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet in de aangewezen gevallen zorg dragen voor het uitvoeren van een participatietraject (bijlage 2) en krijgt bij dezelfde gevallen te maken met een procedure via de gemeenteraad (bijlage 1). Adviesraden N.v.t.

Opmerkingen over de uitvoering Communicatie De besluiten worden op de wettelijk voorschreven wijze bekendgemaakt. Als onderdeel van bredere informatieverstrekking over de Omgevingswet worden deze besluiten ook meegenomen. Informatie over het vergunningentraject komt, onder meer, op de gemeentelijke website te staan. Participatie N.v.t. Projectmatig N.v.t.

Bijlagen 1) Bijlage 1: lijst van gevallen in de zin van artikel 16.15a, sub b, van de Omgevingswet (adviesen instemmingsbevoegdheid van de raad bij aangewezen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten). 2) Bijlage 2: lijst van gevallen in de zin van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet (verplicht stelling participatie aan aanvrager omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit). Burgemeester en wethouders van Diemen, de secretaris, T. Kemper

de burgemeester, E. Boog

7

Raadsbesluit

Onderwerp:

Raadsbesluiten Omgevingswet

De gemeenteraad van Diemen in vergadering bijeen, Gelet op de voordracht van het college d.d. 30 november 2021

Gelet op Artikel 16.15a, 16.55 en 2.8 van de Omgevingswet

Besluit 1. de lijst van gevallen in de zin van artikel 16.15a, sub b, van de Omgevingswet vast te stellen (bijlage 1: advies- en instemmingsbevoegdheid van de raad bij aangewezen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten); 2. de lijst van gevallen in de zin van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet vast te stellen (bijlage 2: verplicht stelling participatie aan aanvrager omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit); 3. de volgende bevoegdheden aan het college te delegeren (conform artikel 2.8 Omgevingswet): a. Verwerken buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in het omgevingsplan; b. Het wijzigen van het omgevingsplan voor een plan dat volledig in lijn is met een wijzigingsbevoegdheid uit het voormalige bestemmingsplan/omgevingsplan van rechtswege; c. Het doorvoeren van correcties van kennelijke verschrijvingen, schrijffouten en het herstel van technische (teken)fouten in het omgevingsplan; 4. in te stemmen om af te zien van het consulteren van de raad door het college bij: a. anterieure overeenkomsten die worden overeengekomen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die niet op de bovengenoemde lijst (onder beslispunt 1.) voorkomen; b. of anterieure overeenkomsten met een beperkt financieel belang (overeengekomen bedragen kleiner of gelijk aan € 100.000); 5. deze vier besluiten gelijktijdig met de Omgevingswet in werking te doen treden.

Aldus besloten tijdens de gemeenteraadsvergadering van 27 januari 2022, De voorzitter,

De griffier,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=7667d7ff-34bf-45d7-a3a8-6fb09a1a9920