CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5. QS ecologie

Gemeenteraadsvergadering 30 januari 2025, gemeente DiemenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Rietschuurhof8.622 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORT Quick scan Wet natuurbescherming Rietschuur Diemen Klant:

Gemeente Diemen

Referentie: BG5657WATRP1903261011 Status:

Finale versie/P01.01

Datum:

26 maart 2019

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Laan 1914 no.35 3818 EX AMERSFOORT Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Quick scan Wet natuurbescherming Ondertitel: Rietschuur Diemen Referentie: BG5657WATRP1903261011 Status: P01.01/Finale versie Datum: 26 maart 2019 Projectnummer: BG5657 Opgesteld door: Tessa van Vreeswijk MSc Gecontroleerd door: Jobert Rijsdijk Datum/Initialen: 12-03-2019 Goedgekeurd door: Claudia Algra Datum/Initialen: 28-03-2019/CA

Classificatie Projectgerelateerd

Disclaimer No part of these specifications/printed matter may be reproduced and/or published by print, photocopy, microfilm or by any other means, without the prior written permission of HaskoningDHV Nederland B.V.; nor may they be used, without such permission, for any purposes other than that for which they were produced. HaskoningDHV Nederland B.V. accepts no responsibility or liability for these specifications/printed matter to any party other than the persons by whom it was commissioned and as concluded under that Appointment. The integrated QHSE management system of HaskoningDHV Nederland B.V. has been certified in accordance with ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 and OHSAS 18001:2007. 26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

i

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

1.1

Aanleiding

1

1.2

Doel

1

1.3

Werkwijze

1

1.4

Wettelijk en planologisch kader

1

2

Plangebied en voorgenomen ontwikkeling

3

2.1

Plangebied

3

2.2

Voorgenomen ontwikkeling

4

3

Mogelijk voorkomende soorten

5

3.1

Vaatplanten

5

3.2

Grondgebonden zoogdieren

5

3.3

Vleermuizen

6

3.4

Vogels

9

3.5

Amfibieën

10

3.6

Reptielen

11

3.7

Vissen

12

3.8

Ongewervelden

12

3.9

Samenvatting

13

4

Effectanalyse

14

4.1

Beschrijving effecten

14

4.1.1 4.1.2

Tijdelijke effecten Permanente effecten

14 14

4.2

Effecten op beschermde soorten

14

4.2.1 4.2.2 4.2.3

Vleermuizen Vogels Reptielen

14 15 15

4.3

Samenvatting

15

5

Mitigerende maatregelen

17

6

Conclusie en vervolgstappen

19

7

Literatuur

20

BIJLAGE 1 Wettelijk en planologisch kader

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

21

BG5657WATRP1903261011

ii

Projectgerelateerd

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Gemeente Diemen is van plan om de Rietschuur aan de Kriekenoord 7 te Diemen te renoveren. Hierbij worden onder meer dak en kozijnen vervangen. Daarnaast wordt in de huidige plannen uitgegaan van verwijdering van al het groen binnen het plangebied en aanpassing van de oevers van nabijgelegen watergangen. In het kader Wet natuurbescherming dienen ruimtelijke ingrepen, zoals deze, te worden beoordeeld op mogelijke negatieve effecten op beschermde natuurwaarden. Er moet een quick scan flora en fauna opgesteld worden waarin deze effecten in kaart worden gebracht. Gemeente Diemen heeft Royal HaskoningDHV gevraagd deze quick scan uit te voeren. In deze rapportage wordt verslag gedaan van een quick scan flora en fauna van aanwezigheid van natuurwaarden die onder de Wet natuurbescherming beschermd zijn.

1.2

Doel

Het doel van deze rapportage is het in kaart brengen van de te verwachten effecten op beschermde soorten in het plangebied en de directe nabijheid daarvan. Er wordt getoetst aan hoofdstuk 3 (Soorten) van de Wet natuurbescherming. Hierbij worden de volgende vragen beantwoord: • Welke beschermde soorten kunnen voorkomen in de invloedssfeer van het project? • Welke negatieve effecten op die soorten kunnen optreden door het project? • Welke mitigerende maatregelen zijn nodig om die effecten te voorkomen? • Wat zijn de juridische consequenties: is een ontheffingsaanvraag nodig? • Welk vervolgonderzoek is eventueel nodig om het voorkomen van soorten vast te stellen?

1.3

Werkwijze

Er is op d.d. 20 februari 2019 een bureaustudie uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten binnen een straal van ongeveer 1,5 kilometer van het plangebied, door raadpleging van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Er zijn daarbij gegevens van de laatste tien jaar opgevraagd. Tevens is aanvullend beschikbare literatuur geraadpleegd (i.e. de Natuurwaardenkaart en het Natuurbeleidplan van Gemeente Diemen). Vervolgens is op d.d. 28 februari 2019 een veldbezoek uitgevoerd, waarbij een beoordeling is gemaakt van de habitatgeschiktheid van het plangebied en omgeving voor de soorten die in de regio voorkomen. Ten aanzien van de soorten die op basis van geschikt habitat zouden kunnen voorkomen, is een inschatting gemaakt van mogelijke negatieve effecten die de geplande werkzaamheden kunnen hebben.

1.4

Wettelijk en planologisch kader

De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. Naast de bescherming van natuur en biodiversiteit voorziet de Wet natuurbescherming in de decentralisatie van taken en bevoegdheden en de vereenvoudiging van regelgeving. De Europese regelgeving, met name de Vogel- en habitatrichtlijn, vormt het kader en het uitgangspunt van deze wet. Het instrumentarium van de Wet natuurbescherming sluit aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

1

Projectgerelateerd

De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (Natura 2000-gebieden), hoofdstuk 3 (Soorten) en hoofdstuk 4 (Houtopstanden). Deze hoofdstukken worden in Bijlage 1 nader toegelicht, waarbij ook wordt ingegaan op het bevoegd gezag voor dit project. Voor dit project is alleen hoofdstuk 3 (Soorten) relevant. In dit rapport wordt derhalve enkel aan dit hoofdstuk getoetst.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

2

Projectgerelateerd

2

Plangebied en voorgenomen ontwikkeling

2.1

Plangebied

Het plangebied is het laatste gebied in de nieuwbouwwijk Plantage de Sniep in Diemen wat ontwikkeld wordt en speelt zich af rondom de oude Rietschuur, Kriekenoord 7, te Diemen. In Figuur 1 is de locatie en de globale begrenzing van het plangebied weergegeven. De oude Rietschuur is een voormalig pand en terrein van stichting Pantar. Het dak van de Rietschuur is aan het einde van zijn levensduur: op meerdere plekken is het riet verzakt of verdwenen. Van de muur aan de kopse kant aan de oostzijde heeft het voegsel op enkele plaatsen losgelaten en ontbreken er een paar stenen. De muren hebben geen stootvoegen. Hieraan kan worden afgeleid dat het pand geen spouwmuur bevat. Aan de kopse kant zijn muurankers te zien waaraan de dakbalken zijn opgehangen. Naar alle waarschijnlijkheid bevat het pand een traditionele open dakconstructie . Het terrein rond de Rietschuur is grotendeels verhard. Het plangebied wordt in het noorden, westen en zuiden begrensd door een sloot met een oever van enkele meters breed (Figuur 2). In het zuiden en westen wordt deze kort gehouden en groeit er vooral gras en algemene bermsoorten, zoals smalle weegbree, hondsdraf en herderstasje. Langs de waterkant groeit riet, wat ten tijde van het veldbezoek gemaaid was. In het noorden staan langs de oever meerdere bomen en struiken, van verschillende soorten met een ruige ondergroei van klimop en braam (Figuur 3).

Aan de voorzijde (aan de zuidkant) van de Rietschuur staan platanen langs een smalle beukenhaag. Ten zuidoosten van de Rietschuur ligt een stuk opgehoogd, braakliggend terrein (Figuur 4). Ten zuiden daarvan doorkruist het plangebied een watergang en omvat het een klein parkje met enkele bomen en picknicktafels (Figuur 4).

Figuur 1. Locatie en onderzoeksgebied (rood omlijnd).

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

3

Projectgerelateerd

Figuur 2. Vooraanzicht van de Rietschuur vanuit verschillende posities in de omgeving (links: westen; rechts: oosten). Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.

Figuur 3. Achterzijde van de Rietschuur (links) en de groenstrook ten noorden hiervan (rechts). Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.

Figuur 4. Het braakliggend terrein ten zuidoosten van de Rietschuur (links) en het parkje ten zuiden hiervan (rechts). Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.

2.2

Voorgenomen ontwikkeling

De gemeente is voornemens om de Rietschuur te renoveren. Hierbij worden onder meer dak en kozijnen vervangen. Daarnaast wordt mogelijk al het groen verwijderd en oevers aangepast. 26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

4

Projectgerelateerd

3

Mogelijk voorkomende soorten

3.1

Vaatplanten

In de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde vaatplanten in de omgeving van het plangebied bekend. Op basis van verspreidingsgegevens en hun biotoopeisen kan de aanwezigheid van de veelal kalkminnende beschermde vaatplanten in het plangebied worden uitgesloten. Het plangebied is grotendeels in cultuur gebracht of verhard en de bodem heeft een voedselrijk karakter. Hiermee ontbreekt het aan geschikt habitat voor beschermde vaatplanten. Conclusie De aanwezigheid van beschermde vaatplanten kan worden uitgesloten.

3.2

Grondgebonden zoogdieren

Uit de verspreidingsgegevens van het NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied eekhoorn, waterspitsmuis, wezel, hermelijn en bunzing zijn waargenomen. Daarnaast komen in de omgeving meerdere algemeen voorkomende zoogdiersoorten voor. In de oeverzones langs de waterkant is daarom de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van (spits)muizen, zoals de algemeen voorkomende veldmuis en aardmuis niet uit te sluiten. Voor deze soorten, beschermd onder art. 3.10 van de Wet Natuurbescherming, geldt echter binnen de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling voor het beschadigen of vernielen van vaste rust- en verblijfplaatsen. De eekhoorn komt voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos. De soort komt ook voor in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Wanneer er voldoende voedsel en nestgelegenheid beschikbaar is, komt de soort ook voor in bebouwd gebied. De eekhoorn heeft een voorkeur voor oudere bossen, omdat deze meer voedsel en nestgelegenheid bieden. In Diemen zijn geen lokale eekhoorn populaties bekend. Wel worden zwervende eekhoorns vlakbij Diemen waargenomen, bijvoorbeeld in de Bijlmerweide (Gemeente Diemen, 2017). De bomen binnen het plangebied zijn nauwkeurig geïnspecteerd op het voorkomen van nesten van de eekhoorn. Deze zijn niet aangetroffen.

Er is één boomholte aangetroffen, maar deze heeft geen potentie als nestholte voor de eekhoorn omdat in de nabije omgeving onvoldoende bos of parken met voedselbomen aanwezig zijn waar ze hun voedsel kunnen zoeken. Geschikt leefgebied voor de eekhoorn ontbreekt. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de eekhoorn binnen het plangebied is uitgesloten. De waterspitsmuis komt voor in en langs onverstoord, schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Dergelijk biotoop ontbreekt in het plangebied. De aanwezigheid van leefgebied van de waterspitsmuis is uitgesloten De hermelijn en wezel zijn zowel overdag als ‘s nachts actief, de bunzing voornamelijk ’s nachts. Bunzing, hermelijn en wezel slapen in verborgen hoekjes, meestal een hol. Ze graven nooit zelf een hol, maar maken gebruik van bestaande gaten en holten, zoals mollennesten, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels hooi- en strobalen en alle andere mogelijke schuilplaatsen die een erf of opslagplaats kan bieden. De dieren verplaatsen zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc.

Wezels eten voornamelijk woelmuizen en de aanwezigheid van deze muizensoort bepaalt mede de geschiktheid van een gebied voor de soort. Wezels komen daarom vooral voor in gevarieerde weidegebieden. Het plangebied en nabije omgeving biedt voor deze soort geen geschikt leefgebied, grote arealen aan grasland ontbreken. De aanwezigheid van de wezel kan worden uitgesloten.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

5

Projectgerelateerd

Een hermelijn is flink groter dan een wezel en kan ook grotere prooidieren aan, zoals konijn en haas. Natuurgebieden en extensief gebruikte terreinen vormen het huidige leefgebied in Noord-Holland, de bebouwde kom is niet het primaire leefgebied van de hermelijn. De bunzing is veruit de grootste en zwaarste marter van de drie. De bunzing komt in allerlei landschappen voor, maar wordt vooral gezien in kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Het plangebied ligt in een omgeving waar momenteel een woonwijk wordt gerealiseerd. Ten noorden van het plangebied ligt een sportpark. Het aanbod aan prooidieren is hier minimaal. Voor de hermelijn en bunzing ontbreekt in deze omgeving geschikt leefgebied. Op basis van bovengenoemde biotoopeisen kan aanwezigheid van hermelijn en bunzing in (de omgeving van) het plangebied worden uitgesloten. Conclusie De aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren kan worden uitgesloten.

3.3

Vleermuizen

Uit de NDFF blijkt dat in het verleden de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en watervleermuis zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied. Van voorgenoemde vleermuissoorten komen in stedelijke omgeving voornamelijk de gewone dwergvleermuis, en daarnaast ook ruige dwergvleermuis en laatvlieger voor. De laatste soort wordt doorgaans in de randen van bebouwde gebieden en in open gebieden gevonden. Ook kunnen minder algemene soorten als gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en meervleermuis in stedelijke omgeving voorkomen, afhankelijk van de aanwezigheid van geschikte verblijfplaatsen en/of brede wateren. Alle vleermuissoorten zijn beschermd op basis van bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn en onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de ruige dwergvleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Er zijn ook soorten die zowel gebouwen als bomen bewonen. Er wordt onderscheid gemaakt in typen verblijfplaatsen. Er zijn bijvoorbeeld kraamverblijven, paarverblijven en winterverblijven; deze zijn de belangrijkste voor de levenscyclus en populaties van vleermuizen. In het plangebied zijn enkele bomen met boomholten aangetroffen (Figuur 5).

Deze holten kunnen geschikt zijn als kraam-, zomer- of paarverblijfplaats. Veel soorten maken hier gebruik van, waaronder ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Het dak van de Rietschuur is op enkele plaatsen verzakt en biedt openingen naar binnen. Aan de kopse kant van het gebouw zijn aan de oostkant voegsel en enkele stenen losgekomen. Op deze plaatsen kunnen vleermuizen het gebouw binnen vliegen. Omdat het dak naar alle waarschijnlijkheid een open dakconstructie bevat (waarbij dakbeschot en isolatie ontbreken), biedt de zolder voornamelijk ruimte aan vrijhangende vleermuizen zoals gewone grootoorvleermuis. In het plangebied kunnen daarom verblijfplaatsen van zowel boom- als gebouwbewonende soorten niet worden uitgesloten. De vegetatie op het terrein kan daarnaast door meerdere vleermuissoorten worden gebruikt om langs te foerageren. Gezien de beperkte oppervlakte aan vegetatie kan echter bij voorbaat worden uitgesloten dat het hier essentieel foerageergebied betreft. Bijna alle vleermuissoorten maken daarnaast gebruik van lijnvormige elementen in het landschap als vliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied, of tussen zomer– en winterverblijven. Dit zijn vaak bomenrijen, maar soms ook watergangen, oevers, dijken, hoge taluds e.d.. Dergelijke lijnelementen 26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

6

Projectgerelateerd

ontbreken in het plangebied. Hierdoor is de aanwezigheid van migratieroutes en vaste vliegroutes uit te sluiten. Conclusie In het plangebied kunnen verblijfplaatsen van zowel boom- als gebouwbewonende soorten niet worden uitgesloten. De vegetatie op het terrein kan worden gebruikt om langs te foerageren. Het betreft echter geen essentieel foerageergebied. De aanwezigheid van essentiële vlieg- en migratieroutes kan worden uitgesloten.

Figuur 5. Potentiële vleermuisverblijven in boomholten. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

7

Projectgerelateerd

Figuur 6. Potentiële invliegopeningen voor vleermuizen: open delen in het dak (links- en rechtsboven), losgekomen voegsel en stenen in muur (links- en rechtsonder). Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

8

Projectgerelateerd

3.4

Vogels

In de omgeving van het plangebied kunnen algemene vogelsoorten van stedelijke omgeving broeden. In stedelijk groen (bomen en struiken) kunnen bijvoorbeeld houtduif, ekster, merel, koolmees, pimpelmees, zwarte kraai en winterkoning broeden. Langs de waterkant kunnen wilde eend, meerkoet en waterhoen broeden. In het plangebied zijn het voornamelijk de oeverzones en de platanen aan de voorzijde van de Rietschuur waar deze vogelsoorten zouden kunnen broeden. De gierzwaluw, huismus en zwarte roodstaart zijn ook relatief algemeen voorkomende broedvogels in bebouwde omgeving. De eerste twee soorten hebben jaarrond beschermde nestplaatsen. Huismussen broeden meestal onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Gierzwaluwen broeden ook onder dakpannen en dakranden, meestal in wat hogere gebouwen. Beide soorten zijn koloniebroeders. Gierzwaluw komt maar in geringe aantallen voor in Diemen (Gemeente Diemen, 2017). Oorzaak is vooral een gebrek aan nestgelegenheid doordat Diemen weinig oude gebouwen kent en in nieuwbouw tot nu toe weinig rekening werd gehouden met dieren die van huizen afhankelijk zijn. In de nieuwbouwwijk die rondom de Rietschuur is/wordt gebouwd zijn nog geen gierzwaluw- en huismuskolonies bekend (NDFF; Gemeente Diemen, 2017). Tijdens het veldbezoek zijn de bomen in het plangebied nauwkeurig geïnspecteerd op de aanwezigheid van grote nesten.

Hierbij is in twee platanen aan de voorzijde van de Rietschuur een eksternest en nest van een onbepaalde soort aangetroffen (Figuur 7). Verder zijn er geen grote nesten aangetroffen. De nesten in de platanen liggen dichtbij de ingang en los van andere bomen en struiken in de omgeving. Het is daarmee uitgesloten dat er in deze bomen buizerd, sperwer of andere roofvogels broeden waarvan het nest jaarrond beschermd is. Deze vogelsoorten broeden veelal hoger in bomen en op rustige(re), enigszins afgelegen locaties, bijvoorbeeld op boerderijen en in boomgaarden. In de nok van het dak van de Rietschuur is aan de westkant het riet verzakt, waardoor een opening is ontstaan die zeer waarschijnlijk vrije toegang geeft tot (een deel) van de zolder (Figuur 6). Hier zou een kerkuil zijn roestplaats voor overdag en mogelijk zelfs een nestplaats kunnen hebben. De aanwezigheid van een kerkuil, waarvan het nest jaarrond beschermd is, kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten. Conclusie Er broeden verschillende algemene soorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. De aanwezigheid van een kerkuil, waarvan het nest jaarrond beschermd is, kan niet op voorhand worden uitgesloten. Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten kunnen worden uitgesloten.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

9

Projectgerelateerd

Figuur 7. Het eksternest (links) en nest van onbepaalde vogelsoort (rechts). Foto’s: Royal HaskoningDHV.

3.5

Amfibieën

In de NDFF staan waarnemingen van rugstreeppadden in de strook tussen snelweg en spoorlijn, net ten zuiden van knooppunt Diemen. In de omgeving bevinden zich verder bij het Diemerpark en bij Driemond leefgebieden van de rugstreeppad. Deze leefgebieden liggen op meer dan 1,5 kilometer van het plangebied. Hoewel rugstreeppadden snel nieuwe gebieden kunnen koloniseren, is dit voor dit project vanwege tussenliggende infrastructuur (spoor- en snelwegen) niet te verwachten. Kolonisatie van het plangebied door deze soort tijdens de werkzaamheden kan worden uitgesloten. Langs de oevers kan de aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten als gewone pad, kleine watersalamander, bruine kikker, meerkikker en bastaardkikker niet worden uitgesloten. Deze soorten zijn beschermd onder art. 3.10 van de Wnb. Voor deze soorten geldt in de provincie Noord-Holland echter een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. De aanwezigheid van overige beschermde amfibieën kan op basis van hun biotoopeisen en/of verspreidingsgebied worden uitgesloten. Conclusie De aanwezigheid van beschermde amfibiesoorten kan worden uitgesloten.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

10

Projectgerelateerd

Figuur 8. De bekende leefgebieden van de rugstreeppad (gele ster) in de omgeving van het plangebied (globale ligging rood omlijnd). Kaart: GlobeSpotter by Cyclomedia.

3.6

Reptielen

In de NDFF zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen van ringslang bekend. Het betreft voornamelijk waarnemingen van individuen in de groene gebieden aan de rand van Diemen. In het plangebied zelf zijn geen ringslangen waargenomen. Andere beschermde reptielensoorten zijn niet gemeld. De aanwezigheid van deze reptielensoorten kunnen op basis van hun biotoopeisen en verspreidingsgegevens worden uitgesloten. De ringslang komt van oudsher langs de vroegere Zuiderzeekust voor. Door de sanering van het Diemerpark en de komst van IJburg is een deel van het leefgebied verloren gegaan. Door onder andere de aanleg van broeihopen en het verbeteren van ecologische verbindingen lijkt de populatie in gemeente Diemen weer te groeien. De populatie rond Diemen is één van de twee kernpopulaties in de omgeving van Amsterdam. De andere kernpopulatie bevindt zich bij de Poel in het Amsterdamse bos (Gemeente Diemen, 2017). Het plangebied heeft volgens de natuurwaardenkaart van gemeente Diemen geen functie voor de ringslang. Kerngebieden van de ringslang liggen even verderop ten noorden en oosten van het plangebied; langs het spoor en rond de rivier de Diem (Gemeente Diemen, 2017). Tijdens het veldbezoek zijn geen ringslangen waargenomen, maar daarvoor was het ook nog erg vroeg in het seizoen en waren de weersomstandigheden niet gunstig (winderig, bewolkt en koud).

Broeihopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied, waardoor het plangebied niet fungeert als voortplantingslocatie. Omdat ten noorden van het plangebied wel voortplantingslocaties bekend zijn (Gemeente Diemen, 2009), kunnen wel zwervende dieren in het plangebied worden verwacht. Langs de oevers van de watergangen rond het braakliggend terrein ten zuidwesten van de Rietschuur zouden deze dieren langs en in het riet kunnen jagen op amfibieën (Figuur 9). Hierdoor is niet met zekerheid uit te sluiten dat het plangebied kan

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

11

Projectgerelateerd

fungeren als foerageergebied en daarmee onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de ringslang. Het betreft dan wel een marginaal deel van het leefgebied. De ringslang overwintert op vorstvrije en droge plaatsen, veelal onder de grond in onder andere konijnenholen, in dijken, kruipruimtes en bunkers, tussen basaltblokken, onder en in broeihopen, takkenhopen en grote hopen vegetatie. Dergelijke overwinteringsplaatsen zijn in het plangebied niet aanwezig.

Figuur 9. De oevers ten zuidwesten van de Rietschuur rondom het braakliggende terrein. Foto’s: Royal HaskoningDHV, 2019.

Conclusie De beschermde ringslang kan incidenteel foeragerend in en langs het riet in het plangebied worden verwacht. Voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van de ringslang kunnen worden uitgesloten. Andere beschermde reptielen kunnen worden uitgesloten.

3.7

Vissen

In de omgeving van het plangebied zijn in de NDFF geen waarnemingen bekend van beschermde vissoorten. Het plangebied omvat een watergang waarvan mogelijk een deel gedempt moet worden. Beschermde vissoorten zijn in deze watergang niet te verwachten. De meeste beschermde vissoorten zijn namelijk soorten uit beken (elrits, beekdonderpad, beekprik), snelstromende rivieren (gestippelde alver), verlandende watergangen (grote modderkruiper), watergangen met koel en zuurstofrijk water (kwabaal) of vissoorten (houting, steur) die in rivieren of zijarmen hun paaiplaatsen hebben. Dergelijk biotoop ontbreekt in het plangebied. Hierdoor is het voorkomen van (beschermde) vissoorten uitgesloten. Conclusie De aanwezigheid van beschermde vissoorten kan worden uitgesloten.

3.8

Ongewervelden

In de omgeving van het plangebied zijn in de NDFF geen waarnemingen bekend van beschermde insecten of overige ongewervelde fauna. Het plangebied biedt geen potentie voor beschermde ongewervelden, het ontbreekt aan de juiste biotoopeisen en/of ligt buiten het verspreidingsgebied van de soorten. Conclusie De aanwezigheid van beschermde ongewervelden kan worden uitgesloten.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

12

Projectgerelateerd

3.9

Samenvatting

In Tabel 1 staan de mogelijk voorkomende soortgroepen en soorten samengevat. Beschermde zoogdieren en amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt, zijn niet weergegeven. Tabel 1. Samenvatting van mogelijk voorkomende beschermde soorten van de Wnb in en rondom het plangebied Soortgroep

Mogelijk voorkomende soorten

Belangrijke elementen

Functie

vaatplanten

-

-

-

grondgebonden zoogdieren

-

-

-

vleermuizen

gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis

de Rietschuur en de bomen en verblijfplaatsen in bomen en struiken op het terrein gebouwen, foerageergebied

vogels met jaarrond beschermd nest

kerkuil

zolder van de Rietschuur

roestplaats en/of nestlocatie

houtduif, ekster, merel, koolmees, vogels zonder jaarrond winterkoning, wilde eend, meerkoet, beschermd nest waterhoen etc.

oeverzone langs waterkant en bomen en struiken op het terrein

broed- en foerageerbiotoop

amfibieën

-

-

-

reptielen

ringslang

oeverzones langs sloten

marginaal foerageergebied

vissen

-

-

-

ongewervelden

-

-

-

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

13

Projectgerelateerd

4

Effectanalyse

4.1

Beschrijving effecten

Effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten (treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden) en permanente effecten (treden op als gevolg van gebruik van het gebied na afronding en van permanente veranderingen in de omgeving).

4.1.1

Tijdelijke effecten

Tijdens de werkzaamheden kunnen de volgende tijdelijke, voor dieren relevante, verstoringsfactoren optreden: - grondverzet en vernietigen van habitat door berijding met zwaar materieel; - geluidverstoring door herinrichtingswerkzaamheden; - optische effecten door langsrijdend materieel en aanwezigheid van mensen; - lichtverstoring door het gebruik van bouwlampen en verlichting van materieel wanneer er gewerkt wordt voor of tijdens zonsopkomst en na zonsondergang. Veel van deze factoren kunnen dieren belemmeren in het foerageren en rusten, wat nadelig is voor onder andere de energiebalans en de ongestoorde voortplanting. Daarnaast kan de afschrikkende werking ertoe leiden dat verblijfplaatsen worden verlaten of juist niet worden bereikt. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld eieren onvoldoende bebroed worden of jongen onvoldoende gevoed of beschermd worden en daardoor sterven.

4.1.2

Permanente effecten

De voorgenomen ontwikkeling voorziet vooralsnog in de mogelijke kap van enkele bomen en struiken die verspreid staan over het plangebied. Ook wordt als onderdeel van de renovatie van de Rietschuur het dak geheel vervangen en zullen de voegen en gaten in de buitenmuren worden gevuld. Door deze ingrepen in het plangebied kunnen landschappelijke functies en verblijfplaatsen verdwijnen.

4.2

Effecten op beschermde soorten

4.2.1

Vleermuizen

Tijdelijke effecten De effecten van de werkzaamheden zijn onder andere afhankelijk van het moment van uitvoering (periode in het jaar). Wanneer bij de werkzaamheden kunstverlichting wordt toegepast, is verstoring van foeragerende vleermuizen niet uit te sluiten indien de werkzaamheden (gedeeltelijk) plaatsvinden in het actieve seizoen van vleermuizen. Dit loopt grofweg van april t/m oktober. Ook kan de inzet van kunstverlichting leiden tot verstoring van de in bomen of Rietschuur verblijvende vleermuizen. Er kan daarom niet worden uitgesloten dat tijdens de werkzaamheden individuen worden verstoord en de functie van mogelijk aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen tijdelijk wordt aangetast. In de directe omgeving is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van tuinen en parken; significant negatief effect van deze functie voor in de omgeving verblijvende vleermuizen kan worden uitgesloten. Permanente effecten Het is op dit moment onvoldoende inzichtelijk of de bomen en de Rietschuur vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen herbergen. De voorgenomen kap van de bomen en renovatie van de Rietschuur kan daardoor leiden tot aantasting en vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

14

Projectgerelateerd

Conclusie Zowel tijdelijke als permanente negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet uit te sluiten. Hiermee kan sprake zijn van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk.

4.2.2

Vogels

Tijdelijke effecten Wanneer de werkzaamheden (gedeeltelijk) worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels worden verstoord en nesten worden vernietigd. Het broedseizoen valt voor veel soorten ongeveer binnen de periode half februari tot diep in september, maar ook daarbuiten is het mogelijk dat broedende vogels worden aangetroffen. Permanente effecten Er kan niet worden uitgesloten dat er een roestplaats en/of nest van een kerkuil op de zolder van de Rietschuur aanwezig is. Door de renovatie van het dak zal de roestplaats en/of nest van de kerkuil worden vernietigd. Dit is een overtreding van artikel 3.1 Wnb, lid 2. Conclusie Tijdelijke negatieve effecten op algemeen voorkomende broedvogels zijn niet op voorhand uit te sluiten. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarnaast mogelijk tot vernietiging van een jaarrond beschermde nest en/of verblijfplaats. Hiermee kan sprake zijn van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek naar kerkuil is noodzakelijk.

4.2.3

Reptielen

Tijdelijke effecten Met de grondverzetwerkzaamheden langs de waterkant kunnen eventueel aanwezige, foeragerende ringslangen worden gedood. Het opzettelijk doden van de ringslangen is een overtreding van artikel 3.10 Wnb, lid 1. Permanente effecten In het plangebied zijn voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen uitgesloten. Beschadiging of vernietiging van deze beschermde onderdelen van het leefgebied van de ringslang kunnen daarmee worden uitgesloten. Conclusie Tijdelijke negatieve effecten op de ringslang kunnen op voorhand niet worden uitgesloten, permanente negatieve effecten wel.

4.3

Samenvatting

De Tabel 2 geeft weer voor welke beschermde soort(groep)en het te verwachten is dat, zonder mitigerende maatregelen, negatieve effecten zullen optreden. Tabel 2. Samenvatting van mogelijke effecten op beschermde soorten van de Wnb als gevolg van het project Soortgroep

Soort(en)

vleermuizen

gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

Mogelijk of te verwachten effect vernietiging van verblijfplaatsen en essentiële migratie- en vliegroute

Overtreding Wnb artikel 3.5, lid 1, 2 en 4

BG5657WATRP1903261011

15

Projectgerelateerd

Soortgroep

Soort(en)

Mogelijk of te verwachten effect

vogels met jaarrond beschermd nest

kerkuil

verstoring van broedende vogels waardoor nest wordt verlaten en vernietiging of beschadiging van voortplantingsplaatsen

3.1, lid 2

vogels zonder jaarrond beschermd nest

houtduif, ekster, merel, koolmees, winterkoning, wilde eend, meerkoet, waterhoen etc.

verstoring van broedende vogels waardoor nest wordt verlaten en vernietiging of beschadiging van voortplantingsplaatsen

3.1, lid 2

reptielen

ringslang

opzettelijk doden van foeragerende ringslangen

3.10, lid1a

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

Overtreding Wnb artikel

BG5657WATRP1903261011

16

Projectgerelateerd

5

Mitigerende maatregelen

In dit hoofdstuk worden schadebeperkende maatregelen voorgesteld voor de soorten waar negatieve effecten op te verwachten zijn. Zorgplicht voor algemeen voorkomende amfibieën en grondgebonden zoogdieren Voorafgaand aan het verwijderen van het groen kan een ecoloog het plangebied nalopen en eventueel aanwezige (niet-beschermde) amfibieën en grondgebonden zoogdieren oppakken of verjagen naar omringend terrein. Zodoende worden de dieren gespaard van de verkeersbewegingen van wagens en graafmachines. Vleermuizen Om het verstoren van vleermuizen (en overtreding van verbodsartikelen van de Wnb) te voorkomen of te beperken zijn de volgende maatregelen te treffen:  ’s nachts geen bouwlampen op het terrein laten branden;  bij werkzaamheden waarbij verlichting gevoerd moet worden, moeten in de schemering en avonduren in het zomerseizoen (maart – begin november) de lampen zodanig geplaatst worden dat er zo weinig mogelijk verstrooiing naar buiten (buiten het werkgebied) of boven is (op lage palen, naar beneden gerichte armaturen). Bovendien is het wenselijk om geen fel licht te gebruiken, liefst zacht amberkleurig licht (zie Figuur 10). Hieraan blijken vleermuizen zich het minst te storen.

Figuur 10. Vleermuisvriendelijke verlichting, gedempt oranje licht, aangepaste armaturen zonder lichtverstrooiing en toepassen op korte palen.

Broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten Het verstoren van broedgevallen van vogels is te voorkomen door:  buiten het broedseizoen te werken, en/of;  te zorgen dat buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen gewerkt wordt, en/of;  voorafgaand aan het broedseizoen het broedbiotoop voor vogels ongeschikt te maken (bijvoorbeeld oeverruigtes maaien) en (gedurende het broedseizoen) te houden, en/of;  de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een – voor zover mogelijk – constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen kan worden. Het grote voordeel van deze methode is, dat de verstoringsafstand “automatisch” bepaald wordt: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand. Nadeel is dat de constante intensiteit (zowel in tijd als in ruimte) lastig te realiseren is.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

17

Projectgerelateerd

Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken zijn niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden. Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Wnb ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om maatregelen te treffen en het terrein kort voor aanvang van de werkzaamheden te laten inspecteren op aanwezigheid van broedende vogels. Het is in ieder geval raadzaam om opgaande beplanting (bomen, struiken en ruigten) in de winter te verwijderen. Sinds de inwerking treding van de Wet natuurbescherming is het, onder voorwaarden, toegestaan om sommige broedende vogelsoorten te verstoren. Dit is het geval indien zij niet zijn opgenomen in Bijlage II van het Verdrag van Bern of Bijlage I van het Verdrag van Bonn én wanneer de verstoring niet leidt tot wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Vooraf dient daarom door een deskundig ecoloog te worden bepaald of verstoring van een broedgeval is toegestaan. Ringslang Het opzettelijk doden of verwonden van zonnende of foeragerende ringslangen tijdens de werkzaamheden kan worden voorkomen door de water- en grondwerkzaamheden langs de oevers gefaseerd uit te voeren en één richting uit te werken.

Daarnaast kan ervoor gekozen worden om de oevervegetatie kort te maaien en kort te houden. Door het gebrek aan dekking zullen de dieren zich dan niet in de oeverzone ophouden. Hiermee krijgen dieren die zich in het werkgebied bevinden de mogelijkheid om het werkgebied te verlaten. De oevervegetatie dient dan wel gemaaid te worden in de winterperiode, wanneer de ringslang niet actief is.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

18

Projectgerelateerd

6

Conclusie en vervolgstappen

In het plangebied zijn diverse algemeen voorkomende, beschermde soorten aanwezig waarvoor de provincie Noord-Holland een vrijstelling heeft afgegeven in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Wel is voor deze soorten de algemene zorgplicht van de Wet natuurbescherming van kracht. Daarnaast ondervinden vleermuizen, algemene broedvogels, kerkuil en ringslang mogelijk negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Door het treffen van maatregelen kunnen deze mogelijke negatieve effecten deels worden gemitigeerd. Het is op voorhand echter niet uit te sluiten dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot aantasting en vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen van kerkuil en boom- en gebouwbewonende vleermuizen. In voorgenoemde gevallen is nader onderzoek noodzakelijk om te voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Voor het gebruik van de zolder door vleermuizen en kerkuil wordt geadviseerd om de zolder nader te inspecteren. Indien er op de zolder geen sporen van vleermuizen of kerkuil worden gevonden, kan de aanwezigheid van deze soorten op zolder worden uitgesloten en is nader onderzoek voor dit onderdeel niet nodig. Indien er wel sporen worden aangetroffen, zoals braakballen, krijtsporen, veren, en vleermuiskeutels, is nader onderzoek wel noodzakelijk.

Bovendien moeten de bomen nader onderzocht worden op verblijfplaatsen van vleermuizen. Het nader onderzoek naar kerkuil en vleermuizen kent zijn eigen methodologie en tijdstippen waarop deze uitgevoerd kan worden. De eisen hieraan zijn voor de kerkuil vastgelegd in het kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017) en voor vleermuizen in het Vleermuisprotocol 2017 (NGB, 2017). Een nader onderzoek naar vleermuizen bestaat uit de volgende onderdelen:  drie nachtelijke veldbezoeken in de kraamperiode (globaal van half mei tot half juli, met een tussentijd van 30 dagen).  twee nachtelijke veldbezoeken in de zomerperiode (globaal van half mei tot half augustus, met een tussentijd van minimaal 20 dagen);  twee nachtelijke veldbezoeken in de paarperiode (globaal van half augustus tot 1 oktober, met een tussentijd van 20 dagen). Een nader onderzoek naar kerkuil bestaat uit vier veldbezoeken tussen februari en half oktober:  drie nachtelijke veldbezoeken, waarbij gelet wordt op broedindicerend gedrag;  één veldbezoek overdag, waarbij gezocht wordt naar sporen die de aanwezigheid van een nestplek aannemelijk maken, zoals braakballen of krijtstrepen.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

19

Projectgerelateerd

7

Literatuur

BIJ12 (2017). Kennisdocument Kerkuil. Versie 1 juli 2017. BIJ12, Utrecht. Gemeente Diemen (2009). Natuurbeleidsplan Diemen. Gemeente Diemen (2017). Natuurwaardenkaart en andere kaarten van de Gemeente Diemen 2017. Netwerk Groene Bureaus (2017). Vleermuisprotocol 2017. https://www.netwerkgroenebureaus.nl/ Internet  www.ndff.nl  www.ravon.nl  www.rijksoverheid.nl  www.telmee.nl  www.verspreidingsatlas.nl  www.vleermuis.net  www.vogelbescherming.nl  www.zoogdiervereniging.nl

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

20

Projectgerelateerd

BIJLAGE 1 Wettelijk en planologisch kader De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Europese regelgeving, met name de Vogel- en habitatrichtlijn, vormt het kader en het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming. Het instrumentarium van de Wet natuurbescherming sluit aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (Natura 2000-gebieden), hoofdstuk 3 (Soorten) en hoofdstuk 4 (Houtopstanden). Naast de bescherming van natuur en biodiversiteit voorziet de Wet natuurbescherming in de decentralisatie van taken en bevoegdheden en de vereenvoudiging van regelgeving. In de provincie Noord-Holland – waar dit project plaatsvindt - is het beleid ten aanzien van de Wet natuurbescherming op 6 september 2016 door Gedeputeerde Staten en de verordeningen op 3 oktober 2016 door Provinciale Staten vastgesteld.

In het kader van dit project zijn de volgende provinciale verordeningen en beleidsregel relevant:  de Verordening vrijstellingen soorten;  de Verordening Natura 2000-gebieden;  de Verordening houtopstanden;  de Beleidsregel natuurbescherming.

1

Gebiedsbescherming

In het kader van gebiedsbescherming voorziet het Rijk in een Nationale Natuurvisie, waarin kaders en ambities op nationaal niveau zijn geschetst. Genoemde kaders en ambities worden door de afzonderlijke provincies doorvertaald naar een Provinciale Natuurvisie. Deze heeft als doel om de landelijke staat van instandhouding van gebieden en soorten te realiseren, instandhouding van het Natuurnetwerk Nederland op eigen grondgebied te waarborgen en (als een provincie dat wil) beleid vast te leggen ten aanzien van bijzondere provinciale natuurgebieden. Tot slot dienen landschap en cultuurhistorie ook een integraal onderdeel van de Provinciale Natuurvisie te zijn. Bescherming van gebieden verloopt over twee sporen, namelijk via de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) voor Natura 2000-gebieden en via een planologisch beschermingsregime voor het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige EHS (hierna: NNN). Hieronder worden beiden beknopt toegelicht.

1.1

Natura 2000

Hoofdstuk 2 van de Wnb richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Met deze Europese richtlijnen worden habitats en soorten van Europees belang beschermd. Deze gebieden staan bekend als Natura 2000-gebieden. Naast beschermde Natura 2000-gebieden was er vroeger ook sprake van Beschermde Natuurmonumenten. Deze zijn niet meer als zodanig beschermd en zijn, indien zij niet zijn opgenomen in een Natura 2000-gebied, al dan niet onder het NNN geschaard en als zodanig planologisch beschermd. Om schade aan de natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen (of momenteel nog zijn aangemeld), te voorkomen, bepaalt de Wnb dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op 26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

21

Projectgerelateerd

instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet mogen plaatsvinden zonder vergunning (conform artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wnb). In Aanwijzingsbesluiten wordt door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bescherming van de Natura 2000-gebieden juridisch vastgelegd. Centraal in de Aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden, natuurlijke habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten, waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen ofwel Natura 2000-doelen, geven een concretisering van de hoofddoelstelling van het Natura 2000-netwerk voor Nederland. Instandhoudingsdoelstellingen zijn gericht op het in gunstige staat van instandhouding brengen of houden van habitattypen en soorten. In de Natura 2000-beheerplannen wordt aangegeven hoe de beheerders deze doelen willen realiseren. Het aanwijzingsbesluit definieert naast de instandhoudingsdoelstellingen de precieze omvang en begrenzing van het aangewezen gebied. Provincies en Rijksoverheid zijn verantwoordelijk voor de realisatie van maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Aanwijzingsbesluiten hebben een onbepaalde looptijd en worden vastgesteld door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit).

Let wel, niet alleen activiteiten binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied kunnen invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt ‘externe werking’ genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloedgebied van een instandhoudingsdoelstelling en een invloedgebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000-gebied en waarvoor de instandhoudingsdoelstelling gevoelig is. Voor de vergunningverlening betekent dat ook voor activiteiten buiten het gebied getoetst dienen te worden in het kader van de Wnb.

1.2

Programma aanpak stikstof

Per 1 juli 2015 is de Nbwet 1998 aangepast waarbij de Programma aanpak stikstof (hierna: PAS) in werking is getreden. De PAS is per 1 januari 2017 in de Wnb opgenomen. De PAS heeft onder andere als doel de vergunningverlening voor initiatieven die stikstofdepositie veroorzaken vlot te trekken. In de PAS zijn 117 Natura 2000-gebieden opgenomen waarvan de habitattypen en/of leefgebieden van soorten stikstofgevoelig zijn. In de overige Natura 2000-gebieden is op dit moment geen sprake van een stikstofprobleem. Per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied is een herstelstrategie en passende beoordeling opgesteld waarmee onderbouwd is in hoeverre ontwikkelruimte voor stikstof beschikbaar is. De ontwikkelruimte is verdeeld over vier componenten: a) Autonome groei: stikstofruimte verbonden aan algemene autonome ontwikkeling voor wonen en verkeer (zonder vergunning); b) Stikstofruimte voor prioritaire projecten van nationaal belang; c) Stikstofruimte voor projecten onder de grenswaarde1 waarvoor een melding volstaat:  grenswaarde 1,00 mol N/ha/j;

Zie Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof artikel 2 lid 3 en de daarin opgenomen verwijzing naar artikel 19kn Nbw 1998.

1

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

22

Projectgerelateerd

bij benutting van 95% wordt grenswaarde van 1,00 mol N/ha/j verlaagd2 naar 0,05 mol N/ha/j en is hetgeen onder d) van toepassing;  bij een bijdrage onder de 0,05 mol N/ha/j is geen melding nodig; d) Vrije ontwikkelruimte voor projecten > 1 mol N/ha/j (vergunningplicht); hiervoor is de ruimte beperkt, de verdeling van de ruimte is afhankelijk van provinciale regels maar in principe geldt: wie het eerst komt wie het eerst maalt.

De PAS geldt voor een periode van 6 jaar (2015-2021). Hierbij wordt de beschikbare depositieruimte doorgaans in twee tijdvakken van elk 3 jaar uitgegeven. De provincie en het ministerie van LNV hebben als bevoegd gezag de mogelijkheid om de verdeling over de 6 jaren anders in te vullen.

1.3

Natuurnetwerk Nederland

Met het oog op het eerste lid, art. 1.12 Wnb draagt de provincie Noord-Holland zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). De provincie wijst daartoe gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het NNN heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Hierdoor kunnen planten en dieren zich gemakkelijker verspreiden en zijn gebieden beter bestand tegen klimatologische veranderingen en negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden is bovendien een grotere soortendiversiteit te verwachten. Gedeputeerde staten kunnen gebieden gelegen buiten het NNN aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘’bijzondere provinciale natuurgebieden’’ en ‘’bijzondere provinciale landschappen’’. Binnen het NNN zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. Als na mitigatie nog significante aantasting van het NNN of de natuurverbinding overblijft, dan is het nodig om deze te compenseren.

Hoe dat moet, is vastgelegd in de provinciale Uitvoeringsregeling natuurcompensatie Noord-Holland. De kern van de regeling is dat een initiatiefnemer de natuurwaarden die verloren gaan op eigen kosten moet compenseren. Hoe en wanneer de compensatie wordt uitgevoerd, 2

De verlaging geldt alleen voor projecten binnen dit segment en niet voor prioritaire projecten.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

23

Projectgerelateerd

moet worden vastgelegd in een compensatieplan, met daarbij een compensatie overeenkomst, die wordt afgesloten tussen de initiatiefnemer en de provincie.

2

Soortbescherming

2.1

Beschermingsregimes

De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1) Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2) Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

2.2

Verbodsbepalingen

Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De verbodsbepalingen in de paragrafen 3.1 en 3.2 zijn een-op-een overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen en zijn uitsluitend van toepassing op de in deze richtlijnen en verdragen genoemde soorten. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. Tabel 3. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

24

Projectgerelateerd

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2

Beschermingsregime andere soorten § 3.3

Art. 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art. 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Art. 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen

Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art. 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art. 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art. 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Art. 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

2.3

Ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden

Artikelen 3.3, 3.8 en 3.11 bevatten de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden van de genoemde verboden. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vrijstelling worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna). Onder de Wet natuurbescherming zal voor deze soorten een ontheffingsplicht gaan gelden, behalve als het bevoegd gezag, de provincie of het ministerie van LNV, door middel van een zogenoemde vrijstelling anders besluit. De bevoegdheid voor het verlenen van een ontheffing of vrijstelling wordt overgeheveld naar de provincie3. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de vergunningplicht vaststellen middels een verordening. Door de Provincie Noord-Holland zijn deze vrijstellingen in de Verordening vrijstellingen soorten vastgelegd, welke op 3 oktober 2016 door de Provinciale Staten vastgesteld. Voor ruimtelijke ingrepen geldt hierdoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht voor een aantal meer algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën.

2.4

Zorgplicht soortenbescherming

Voor alle planten en dieren (dus ook voor soorten, die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb art. 1.11. Deze plicht houdt in dat eenieder ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving (LNV, 1998). Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen en dat bij de inrichting aandacht moet worden besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier.

3

Met uitzondering van aantal in art 1.3 van de Wet natuurbescherming genoemde projecten (van nationaal belang)

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

25

Projectgerelateerd

De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is.

Opzettelijkheid

In de Wet natuurbescherming is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Nietopzettelijke handelingen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden. Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen4: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”. Wezenlijke invloed

Met de term ‘wezenlijke invloed’ wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of er sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht. Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese stand van de soort. Op welk van deze niveaus de effecten op een soort moeten worden onderzocht, hangt af van de soort (zie voorbeelden). Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de soort. In alle gevallen geldt proportionaliteit. Effecten op een zeer zeldzame soort zullen op een lager niveau moeten worden bezien dan een zeer algemene soort. Bij soorten die zich niet over grote afstanden kunnen verplaatsen, zoals amfibieën, reptielen, planten en veel soorten insecten, is eerder sprake van een wezenlijk negatieve invloed dan bij soorten die zich over grotere afstanden kunnen verplaatsen. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is.

Van tijdelijke effecten kan een populatie van een soort zich over het algemeen gemakkelijker herstellen dan wanneer het om een aanhoudend negatief effect gaat.

2.5

Bescherming van bossen

De voormalige Boswet is grotendeels overgenomen in hoofdstuk 5 van de Wnb. Bij de kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen buiten de 'bebouwde kom Houtopstanden' is een kapmelding verplicht. Een kapmelding wordt ingediend bij de provincie. De meldplicht geldt niet voor:  houtopstanden in de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming' (informeer bij twijfel bij uw gemeente)  houtopstanden op erven en in tuinen  onderhoud om de groei van het overblijvende groen te bevorderen (dunning)  periodiek kappen van hak- of griendhout  houtopstanden waarvoor vrijstelling is verleend  wegbeplantingen en eenrijige beplantingen die bestaan uit populieren of wilgen, op of langs landbouwgronden en waterwegen Ook bij de volgende boomsoorten hoeft u de kap niet te melden:  vruchtbomen en windschermen om boomgaarden 4

EHvJ zaak C-103/00 en zaak C -221/04

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

26

Projectgerelateerd

  

naaldbomen van maximaal 20 jaar oud, bedoeld als kerstbomen kweekgoed beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen voor de productie van houtige biomassa als zij:  tenminste eens per 10 jaar worden geoogst.  een aaneengesloten beplantingseenheid zijn die bestaat uit minstens tienduizend stoven per hectare en die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken, breder dan 2 meter.  na 1 januari 2013 zijn aangelegd.

De Wet natuurbescherming hanteert het principe van 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht. Kap van bos en bomen in beschermde natuurgebieden als onderdeel van het NNN dienen mogelijk extra gecompenseerd te worden conform provinciale beleidsregels. Overigens is het mogelijk dat de provincie een kapverbod instelt, bijvoorbeeld ten behoeve van bescherming van natuur- en landschapswaarden, voor de duur van telkens maximaal 5 jaar per besluit.

2.6

Bevoegd gezag

De provincies zijn het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag (art. 1.3, lid 5). Dit betreffen handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, Tracéwet, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, activiteiten Koninklijk Huis, etc.

26 maart 2019

RIETSCHUUR DIEMEN

BG5657WATRP1903261011

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=223e1d49-97a5-4002-9beb-214fb04d3383