CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5.1 Mededeling ‘project-mer-beoordeling’ 12 flexwoningen Diemerdreef

Gemeenteraadsvergadering 27 maart 2025, gemeente DiemenBij agendapunt: Bindend advies over omgevingsvergunning 12 flexwoningen Diemerdreef5.341 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Mededeling ‘project-mer-beoordeling’ Flexwoningen Diemerdreef te Diemen Datum: Status:

18 december 2024 Definitief

1. Inleiding 1.1.

Aanleiding Gemeenten, veiligheidsregio’s en andere betrokken partijen werken samen met de Rijksoverheid om vluchtelingen uit Oekraïne veilige en humane opvang te bieden. Het aantal vluchtelingen uit Oekraïne dat naar Nederland komt is fors. De veiligheidsregio’s en gemeenten werken samen om ongeveer 50.000 opvangplekken te realiseren. Daarnaast zijn er ook nog andere vluchtelingen en statushouders die een behoefte hebben aan fatsoenlijke opvang en huisvesting. Dit gaat gepaard met het nijpend tekort aan met name betaalbare woningen en woningen voor andere bijzondere doelgroepen, economisch daklozen en andere groepen met tijdelijke woonbehoeften. Dit vraagt om op korte termijn een enorme hoeveelheid aan woningen te realiseren, waaronder ook een goede huisvesting voor genoemde groepen te zorgen. In november 2023 is reeds voor 30 modulaire flexwoningen een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor deze locatie. Gezien de grote en ook blijvende vraag naar extra woningen, is het de wens om aanvullend een tijdelijke omgevingsvergunning aan te vragen voor nog 12 woningen in een derde gebouw voor een periode van 10 jaar. Het voornemen past niet in het geldende Omgevingsplan voor Diemen. Voor vergunningverlening moet worden uitgegaan van een Buitenplanse OmgevingsPlan Activiteit (BOPA) op grond van de Omgevingswet.

Ten behoeve van de omgevingsvergunningaanvraag is tevens een motivering BOPA opgesteld. De benodigde onderzoeken ten behoeve van de ruimtelijke procedure, waar de motivering voor dient, zijn reeds uitgevoerd en deze worden ook beschreven in de voorliggende notitie.

1.2.

Wettelijk kader De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, wordt afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

1

Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Dit zijn veelal instrumenten uit de Omgevingswet, zoals een omgevingsvergunning of omgevingsplan. Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. De voorgenomen ontwikkeling valt onder categorie J 11 “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”.

De voorliggende mededeling bevat de informatie op basis waarvan het bevoegd gezag kan en moet besluiten of er sprake is van "aanzienlijke milieueffecten", die het doorlopen van de m.e.r.procedure wenselijk/noodzakelijk maken. De toets is gedaan op basis van dezelfde criteria die ook gelden bij een m.e.r.-beoordeling. Deze beoordeling is dus gekoppeld aan de richtlijnen in bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie criteria met uitgangspunten per criterium benoemd: kenmerken van de activiteit, plaats van de activiteit en kenmerken van het potentiële effect (zie volgende tabel).

2

Criterium Beoordelingscriterium 1. Kenmerken Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden van de genomen: projecten • de omvang van het project, • de cumulatie met andere projecten, • gebruik van natuurlijke hulpbronnen, • de productie van afvalstoffen, • verontreiniging en hinder, • risico van ongevallen, vooral gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. Plaats van Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de de projecten projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bestaande grondgebruik, • relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, • het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: 1. wetlands 2. kustgebieden 3. berg- en bosgebieden 4. reservaten en natuurparken 5. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn 6. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 7. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid 8. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang 3.

Kenmerken Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang van het met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden potentiële genomen: effect • het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), • het grensoverschrijdende karakter van het effect • de waarschijnlijkheid van het effect, • duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

1.3.

Naam en adresgegevens initiatiefnemer De initiatiefnemer is Gemeente Diemen, D.J. den Hartoglaan 1, 1111 ZB Diemen .

3

2. Kenmerken van het project 2.1.

Aanleiding van de activiteit De gemeente Diemen is van plan om 12 extra woningen toe te voegen aan de 30 tijdelijke woningen, waarvoor reeds in november 2023 een tijdelijke omgevingsvergunning is verleend. De extra woningen worden in een derde gebouw voor een periode van 10 jaar gerealiseerd. Het voornemen past niet in het geldende Omgevingsplan voor Diemen. Voor vergunningverlening moet worden uitgegaan van een Buitenplanse OmgevingsPlan Activiteit (BOPA) op grond van de Omgevingswet.

2.2.

De locatie van het project De projectlocatie ligt aan de Diemerdreef direct naast de Gooiseweg ter hoogte van de afrit ‘Duivendrecht/Diemen Zuid’ te Diemen Zuid. Ten zuiden bevindt zich Amsterdam Zuidoost en ten westen de woonkern Duivendrecht. Op de volgende afbeeldingen is de ligging en begrenzing van het projectgebied weergegeven.

Afbeelding: ligging en begrenzing projectlocatie (indicatief)

4

2.3.

Een beschrijving van de activiteit Zoals in paragraaf 2.1 aangegeven, is er vorig jaar een vergunning verleend voor 30 tijdelijke flexwoningen voor vluchtelingen en andere behoeftige doelgroepen. De woningen zijn nog niet gerealiseerd. De nu voorliggende aanvraag ziet op het toevoegen van 12 extra woningen aan de reeds vergunde 30 woningen. Voorliggende aanvraag heeft dan ook alleen betrekking op de 12 extra woningen. De woningen worden gerealiseerd in een derde bouwblok in drie bouwlagen en een bouwhoogte van circa 9 meter. Het bouwblok heeft een oppervlak van 230 m2.

Afbeeldingen: toekomstige situatie met 30 tijdelijke woningen, projectgebied onderhavige aanvraag rood omrand

De afstand van de woningen tot de Gooiseweg en bijbehorende oprit is minimaal circa 50 meter. Centraal op het perceel worden verblijfsruimte en groen gerealiseerd. Daarnaast komen er 14 parkeerplaatsen aan de westrand van de locatie. Hier bevindt zich ook een mogelijkheid voor groot verkeer (afvalinzameling etc.) om te keren. Aan de noordrand wordt de locatie ontsloten via de Diemerdreef. Aan de noordoostrand bevinden zich de fietsparkeerplaatsen en een fietspad, die aan zal sluiten op de fietspad langs de Diemerdreef (Reigerpad). Naast het fietspad komt ook een voetpad.

Afbeelding: impressie tijdelijke woningen

5

2.4.

Het tijdspad van de activiteit Nadat de BOPA-omgevingsvergunning is verleend kan de nieuwbouw beginnen. Een oplevering in 2025/26 is realistisch. De ontwikkeling is voor bepaalde tijd (10 jaar).

2.5.

Productieproces of wijze van aanleg Gelet op de aard van de ingreep en de locatie van het project is geen sprake van grootschalig gebruik van natuurlijke hulpbronnen of van productie van afvalstoffen. Wel is sprake van afvoer van bouwafval, en in de gebruiksfase van productie en verwijdering van huishoudelijk- en bedrijfsafval e.d. De doelstelling hierbij is de grondstoffen zo veel mogelijk in gesloten kringlopen te houden, ofwel door hergebruik/revisie/upcyclen ofwel door middel van herinvoering in productieprocessen. Voor de afvoer van huishoudelijk afval worden de reguliere procedures en processen gevolgd, waardoor geen sprake is van belangrijke (rest)effecten in relatie tot een m.e.r.-procedure.

2.6.

Cumulatie-effecten met nabijgelegen projecten De projectlocatie bevindt zich tussen diverse stedelijke woongebieden en is samen met de reeds vergunde 30 woningen een opzichzelfstaande ontwikkeling. Er zijn in omgeving geen relevante projecten waarmee hier rekening moet worden gehouden. Er is dan ook geen sprake van cumulatie met andere ontwikkelingen, behalve de reeds vergunde 30 woningen. Voor het project wordt dus in totaal uitgegaan van 42 woningen.

6

3. Plaats van het project Een voorgenomen activiteit vindt altijd plaats in een bepaalde omgeving, bijvoorbeeld een binnenstedelijk gebied, een historisch veenlandschap of een gebied met hoge ecologische waarden. Deze verschillende gebieden zijn in meer of mindere mate kwetsbaar voor nieuwe activiteiten. Het projectgebied is gelegen aan de zuidrand van Diemen Zuid, in een brede groenstrook direct naast de Gooiseweg. De locatie wordt omringd door de Diemerdreef, rotonde met afrit Gooiseweg en de Gooiseweg.

Afbeelding: projectlocatie (rood omcirkeld) en de omgeving

Ten westen bevindt zich de woonkern van Duivendrecht (gemeente Ouder-Amstel) en ten oosten de woonwijk Diemen Zuid. De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich op meer dan 60 meter afstand van de locatie. Op circa 350 meter loopafstand ten zuidwesten bevindt zich het trein-, busen metrostation Diemen-Zuid. Hierdoor is de locatie uitstekend per OV te bereiken. Geconcludeerd kan worden dat de projectlocatie in een stedelijk gebied ligt. Van een voor nieuwe activiteiten kwetsbaar gebied is geen sprake.

7

4. Kenmerken van het potentiële effect De voorgenomen ontwikkeling kan nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In dit hoofdstuk zijn (de uitkomsten van de onderzoeken naar) de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling per onderwerp onderzocht en beschreven. Zoals beschreven in hoofdstuk 2 behelst het project de nieuwbouw van 42 tijdelijke woningen (inclusief 30 reeds vergunde woningen) voor vluchtelingen. Het bereik van het mogelijke effect beperkt zich tot de directe omgeving, omdat significante wijzigingen op de omgeving op het gebied van verkeer, geluid of luchtkwaliteit niet worden verwacht. Ook is er geen sprake van grensoverschrijdende effecten. Deze conclusie volgt uit de uitgevoerde onderzoeken die worden beschreven verderop in dit hoofdstuk. Het projectgebied is het gebied waar de woningen worden voorzie. Het studiegebied is het gebied tot waar de effecten als gevolg van de voorgenomen activiteit kunnen reiken. In geval van de voorliggende ontwikkeling omvat het studiegebied grofweg de omliggende wegen, die zorgen voor de ontsluiting voor autoverkeer. Er is in dit geval sprake van een omkeerbare (tijdelijke) ontwikkeling. 4.1.

Verkeer Voor de berekening van de verkeersproductie wordt gebruik gemaakt van de kencijfers Verkeersgeneratie & Parkeren van het CROW. Op grond van de verkeerskencijfers van het CROW voor huurappartementen midden/goedkoop met 2,8 motorvoertuigbewegingen (mvt) per woning per etmaal wordt een verkeerproductie van het project van 118 mvt’s per etmaal berekend. Hierbij zijn ook de reeds vergunde 30 woningen meegenomen. Vanwege de bijzondere doelgroepen zal de verkeersproductie in de praktijk duidelijk lager uitvallen. Het verkeer kan veilig en zonder problemen op de bestaande wegen in de omgeving afgewikkeld worden. De situatie geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

4.2.

Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 Bkl opgenomen. In par. 5.1.4.5 Bkl wordt bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is 8

opgenomen in bijlage Va van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeenten moeten: • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Aangetoond dient te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde nieuwe gebruik.

In augustus 2022 is door onderzoeksbureau Stantec een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Uit het onderzoek is gebleken, dat de locatie geschikt is voor het voorgenomen bodemgebruik ‘wonen met tuin’. Er zijn geen bronnen voor een PFAS-verontreiniging op of nabij de locatie geconstateerd. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk en zijn er geen sanerende maatregelen van toepassing. Op basis van de CROW 400 geldt dat binnen het gehele projectgebied bij eventuele graafwerkzaamheden gewerkt kan worden volgens veiligheidsklasse ‘Basishygiëne’. De milieuhygienische kwaliteit van de bodem vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een mer. 4.3.

Geluid Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is akoestisch onderzoek verplicht voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen die worden gerealiseerd binnen het aandachtgebied van industrieterreinen, wegen of spoorwegen. In opdracht van de gemeente Diemen heeft daarom onderzoeksbureau M+P in november 2024 een onderzoek verricht van het omgevingsgeluid ten behoeve van de beoogde woningen (zie bijlage). Wegverkeer Vanwege de gemeentewegen bedraagt de geluidsbelasting maximaal Lden ≤ 62 dB. Deze waarde overschrijdt de standaardwaarde met 9 dB. De waarde blijft onder de grenswaarde.

9

Railverkeer De locatie Diemerdreef bevindt zich in het geluidsaandachtsgebied van het spoor. Het is dan van belang om te onderzoeken wat het geluid op de gevels van de woningen bedraagt ten gevolge van het railverkeer. Op de kaart van het CVGG Geluidregister is af te lezen dat het geluidproductieplafond op het punt direct ten zuidoosten van onderzochte locatie 53,9 dB bedraagt. Gezien de afstand zal het geluid op de gevel van de onderhavige flexwoningen voldoen aan de standaardwaarde vanwege het railverkeerslawaai. Zodoende kan hier gesteld worden dat het railverkeer in deze situatie niet relevant is. Luchtvaartlawaai Volgens Infomil bevindt de locatie Diemerdreef 10-39 zich binnen de Lden = 48 dB contour van luchtvaartlawaai. Daarmee is het luchtvaartlawaai niet relevant. Gezamenlijke geluid Het gezamenlijke geluid waarmee volgens het Bbl de geluidswerende maatregelen bepaald moeten worden is berekend volgens de Omgevingsregeling. Het gezamenlijke geluid is in dit geval gelijk aan de geluidsbelasting ten gevolge van de gemeentelijke wegen. Het gezamenlijke geluid bedraagt maximaal 62 dB aan de achtergevel bij woonblokken 1, waarop voorliggende aanvraag betrekking heeft. De vereiste karakteristieke geluidswering bedraagt maximaal 29 dB. Hiervoor zijn maatregelen nodig om te voldoen aan de eisen uit het Bbl.

Voor een tijdelijke vergunning gelden minder zware eisen dan voor permanente bouw. Conclusie en maatregelen Geconcludeerd kan worden dat de belangrijkste geluidsbron de Gooiseweg is. Hier wordt de standaardwaarde duidelijk overschreden, maar niet de grenswaarde. Onderzocht zijn diverse maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren: 1. Bij de Gooiseweg is reeds een stil wegdek toegepast. 2. Het toepassen van verlaging van de snelheid in combinatie met drietal gebouwhoge schermen tussen de drie bouwblokken is een effectieve maatregel, waarbij het scherm tussen bouwblok 1-3 een doorgang heeft van 4,2 meter hoogte. 3. Verlaging van de snelheid over de Diemerdreef heeft slechts beperkt effect omdat met name de Gooiseweg een belangrijke bron is voor wegverkeerslawaai. En stiller wegdek, akoestisch geoptimaliseerd SMA of een dunne deklaag, kan overwogen worden voor de Gooiseweg, maar is kostbaar en ook in verband met een hogere slijtage en de tijdelijkheid van het project niet reëel. Ook het plaatsen van schermen is gezien de tijdelijkheid van het project financieel niet haalbaar. De gemeente onderzoekt of een verlagen van de snelheid op de Diemerdreef tot 30 km/u mogelijk is en in verhouding staat tot een mogelijke geluidsvermindering.

10

Het binnenklimaat van de woningen voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de geluidssituatie ter plaatse niet ideaal, maar zeker voor deze tijdelijke situatie, de urgentie en de doelgroep (overwegend korter verblijf) aanvaardbaar is. Het aspect geluid vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER. 4.4.

Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaat men het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Het project voorziet niet in nieuwe functies die voor een belemmering van bedrijven in de omgeving kunnen zorgen. Evenmin bevinden zich ook geen gevoelige functies in de omgeving die door de woningen hinder kunnen ondervinden. De meest nabij gelegen woning bevindt zich op een afstand van minimaal 70 meter, zodat geen sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. Dit aspect vorm geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

4.5.

Luchtkwaliteit Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet toetst de overheid minder (ruimtelijke) projecten aan de regels voor luchtkwaliteit. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de volgende (ruimtelijke) besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied: • De gemeente laat in een omgevingsplan activiteiten toe die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking). Of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit volgt uit artikel 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). • De provincie deelt in een omgevingsverordening functies aan locaties toe (artikel 7.1 en afdeling 5.1 Bkl). • Een projectbesluit draagt in betekenende mate bij aan de concentratie van NO2 of PM10 (artikel 9.1 en afdeling 5.1 Bkl).

11

De agglomeratie Amsterdam/Haarlem is aangewezen als aandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijnstof. Dit staat in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. Net als eerder is er een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl). Valt een project binnen de genoemde categorieën, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan kan via detailberekeningen aannemelijk gemaakt worden dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een kwalitatieve beschrijving of met behulp van de NIBM-tool.

In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen" is voor een aantal specifieke projecten een berekening gemaakt bij welk bouwprogramma er nog sprake is van “niet in betekenende mate”. Dit is als het project betrekking heeft op maximaal 1.500 woningen of 100.000 m² kantoren (bij één ontsluitingsweg) of een combinatie van beide. Bij de NIBM-toets zet de toetsende partij de toename van de luchtverontreiniging af tegen de autonome ontwikkeling. Autonome ontwikkeling betekent: alle toekomstige ontwikkelingen en activiteiten die redelijkerwijs te verwachten of te voorzien zijn zonder het voorgenomen project. Het onderhavige project blijft met 42 woningen (waarvan 30 reeds vergund) ver onder de genoemde aantallen, zodat geconcludeerd kan worden dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor de volledigheid is ook nog een berekening gemaakt met behulp van de NIBM-tool (zie volgende afbeelding).

12

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie

2025

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

118

Aandeel vrachtverkeer

5,0%

NO2 in μg/m3

0,11

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Tabel: toepassing NIBM-tool (versie 24 april 2024)

Op de website van de gemeente Amsterdam (zie https://maps.amsterdam.nl/no2/) is te zien dat de luchtkwaliteit ter plaatse van meetpunt ‘Polderland’, circa 140 meter ten zuiden van de projectlocatie sprake is van een voor dit gebied normale en aanvaardbare luchtkwaliteit.

Afbeelding: luchtkwaliteit NO2 meeting (meetpunt ‘Polderland’ rode pijl, projectlocatie blauw omrand)

Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project en geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

13

4.6.

Omgevingsveiligheid/Externe veiligheid Het transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water brengt risico’s met zich mee doordat bij een ongeval gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Het risico voor personen die verblijven in de omgeving van een dergelijke transportroute wordt gevat onder het begrip externe veiligheid (EV). Onder de Omgevingswet blijft de beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s op basis van een plaatsgebonden risico (PR) en een groepsrisico (GR) bestaan. Het PR is de kans op overlijden van een onbeschermd persoon die continu op één plek aanwezig is als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Voor de beoordeling van het GR moet rekening gehouden worden met de kans op overlijden van 10 of meer personen als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen (artikel 5.15 Bkl). De locatie bevindt zich in de nabijheid van risicobronnen. Daarom is in oktober 2024 door onderzoeksbureau AVIV onderzoek verricht naar externe veiligheid (zie bijlage). Hieruit is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling buiten het brand- en explosieaandachtsgebied ligt van spoorlijn Duivendrecht - Diemen en rijksweg A10. De Gooiseweg is geen basisnetroute zodat aandachtsgebieden niet van toepassing zijn op deze weg. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project en geeft geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER.

4.7.

Water Weging van waterbelang: voorheen watertoets De watertoets is het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten, zoals bij een BOPA. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld watercompensatie in verband met toenemende verharding of om bebouwing, die niet wenselijk is in verband met waterwinning. Waterschapsverordening vervangt Keur en Keurbesluit Voorheen stonden alle regels van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht nog in de Keur en het Keurbesluit. Deze is vervangen door 1 nieuw document: de Waterschapschapsverordening. Daarin staan alle regels over wat men wel of niet mag doen bij water, dijken en gemalen. In de Waterschapsverordening staan ook de taken van het waterschap: het beheren van de watersystemen in de regio, het schoonmaken van afvalwater en het onderhouden van wegen die het waterschap beheert.

In de Waterschapsverordening staan ook regels over wanneer men bijvoorbeeld vergunning moet aanvragen of wanneer men iets moet melden. Ook staan er regels in voor het oppompen van grondwater en het lozen van bepaalde stoffen in oppervlaktewater. 14

Watercompensatie In de huidige situatie is 2.912 m2 van de locatie verhard. In de nieuwe situatie (inclusief reeds vergunde woningen) is dat 1.997 m2, een afname van 915 m2. Er is geen sprake van demping van water. Watercompensatie is daarom niet aan de orde. Grondwater Het bouwplan voorziet niet in nieuwe ondergrondse bebouwing en heeft geen gevolgen voor het grondwater. Waterkering De projectlocatie is niet gelegen nabij een waterkering en leidt niet tot nieuwe ondergrondse bebouwing. Het project heeft zodoende geen gevolgen voor de waterkerende functie van een waterkering. Riolering Er wordt een gescheiden systeem aangelegd voor hemelwaterafvoer (HWA) en droogweerafvoer (DWA). Waterkwaliteit Voor de toekomstige bebouwing wordt uitgegaan van een gescheiden rioolstelsel zodat het hemelwater separaat kan worden afgevoerd. De huisaansluitingen zullen, net als elders, worden aangesloten op het gemeentelijk riool. Er zullen geen uitlogende materialen (zoals lood, zink en koper) worden gebruikt. Conclusie Er zijn voor wat betreft de waterhuishouding geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die aanleiding geven voor het uitvoeren van een MER. 4.8.

Archeologie en cultuurhistorie Een deel van de locatie is voorzien van de dubbelbestemming Archeologie 2. Op basis hiervan is onderzoek nodig indien op een oppervlak van minimaal 50 m2 dieper dan 0,5 meter wordt gegraven. Voor de flexwoningen zal niet dieper gegraven worden dan 0,5 meter, zodat archeologisch onderzoek niet nodig is. Er bevinden zich geen cultuurhistorische waarden in het gebied waarmee rekening moet worden gehouden. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

15

4.9.

Ecologie en stikstofdepositie Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten. Deze bescherming is geregeld in de Omgevingswet. De voormalige Wet natuurbescherming is hierin per 1 januari 2024 opgegaan. De regels uit de Wet natuurbescherming werden beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Indien uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling. In juli 2024 is door onderzoeksbureau NWC advies een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage). Uit het onderzoek is het volgende gebleken: Soortenbescherming Vleermuizen De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kan met zekerheid uitgesloten worden. Daarnaast zullen vleermuizen het plangebied mogelijk wel gebruiken om te foerageren maar betreft het geen essentieel foerageergebied en/of vliegroute. Voor vleermuizen zijn er vanuit de Omgevingswet geen verdere verplichtingen dan de zorgplicht.

Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied die mogelijk in gebruik zijn door soorten als de Buizerd of de Sperwer, waardoor er vanuit de Omgevingswet geen verdere verplichtingen dan de zorgplicht zijn voor vogels met een vaste verblijfplaats. Algemene broedvogels Algemene broedvogels zijn beschermd tijdens het broedseizoen wanneer deze een nest met eieren en/of jongen hebben. Het verwijderen van vegetatie dient buiten het broedseizoen (globaal van maart tot en met augustus) te worden uitgevoerd om verstoring van broedgevallen te voorkomen. Grondgebonden zoogdieren Doordat er geen geschikte verblijf- en schuilmogelijkheden in het plangebied aanwezig zijn kan geconcludeerd worden dat het plangebied geen essentiële functie bevat voor (strikt) beschermde grondgebonden zoogdieren. Er zijn vanuit de Omgevingswet geen verdere verplichtingen dan de zorgplicht. Reptielen en amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte plaatsen gevonden voor reptielen en amfibieën. Ook de zandvlakte op het terrein is niet geschikt doordat het geïsoleerd ligt tussen de omliggende wegen. Door de isolatie van het gebied en de dichtstbijzijnde waarneming van een rugstreeppad op meer 16

dan 2 kilometer is, worden er daarom door het project geen effecten op deze soortengroep verwacht. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld: • Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tij-dens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; • in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd; • in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen (15 maart - 15 juli) uitgevoerd; • in verband met verstoring van aanwezige dieren wordt er zo min mogelijk verlichting gebruikt, wordt er gebruik gemaakt van rode verlichting en zijn de lichtbronnen naar beneden gericht; • waar nodig kan er gebruik gemaakt worden van ecologische begeleiding tijdens de werkzaamheden voor bijvoorbeeld het herkennen van een beschermde plant, het aanwijzen van een exacte locatie van een nest, groei-, of rustplaats, het op juiste wijze plaatsen of verwijde ren van amfibieschermen, nestkasten, etc.. Gebiedsbescherming Vanwege de afstand en de omvang van het project zijn significante gevolgen op Natura 2000gebieden uitgesloten. Dat geldt ook voor stikstofdepositie. Ter bevestiging is in juli 2024 door onderzoeksbureau Cauberg Huygen een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Uit deze berekening volgt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.

Er is geen sprake van (significante) effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlak en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. Het plangebied maakt geen deel uit van Bijzonder Provinciale gebieden. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. De aspecten ecologie en stikstofdepositie geven geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

17

4.10.

Bezonning en windhinder Er bevinden zich geen woningen in de directe omgeving. Bestaande woningen bevinden zich op zodanige afstand, dat een effect op de bezonning afwezig is Dit aspect geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER. De woningen worden uitgevoerd in drie bouwlagen. Hierdoor is windhinder niet relevant en vormt geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

4.11.

Trillingen De locatie bevindt zich op circa 250 meter afstand tot het spoortraject Diemen – Duivendrecht en de Metro Gaasperdam – Amsterdam Centraal. De afstand is zodanig dat een relevant effect op trillingen uitgesloten kan worden. Dit aspect vormt geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

18

5. Conclusie In onderstaande tabel worden de effecten van de beoogde tijdelijke woningbouw op het milieu samengevat. Milieuaspect Verkeer Bodem Geluid Milieuzonering Luchtkwaliteit Externe veiligheid Water Archeologie en cultuurhistorie Ecologie en stikstofdepositie Bezonning en windhinder Trillingen

Effecten Het verkeer neemt beperkt toe en kan veilig en zonder problemen op bestaande wegen afgewikkeld worden. De milieuhygiënische kwaliteit van de grond is geschikt voor woningbouw. Door de Gooiseweg is wordt de standaardwaarde duidelijk overschreden, maar niet de grenswaarde. Maatregelen zijn nodig en mogelijk.. Milieuzonering vormt geen probleem. Het voornemen kwalificeert als ‘niet in betekenende mate'. De situatie levert geen problemen op. Er zijn voor wat betreft de waterhuishouding geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er worden geen archeologische of cultuurhistorische waarden aangetast. Er is geen negatief effect op ecologie of stikstofdepositie te verwachten. Deze aspecten zijn hier niet relevant. De afstand tot het spoor is zodanig dat hinder op voorhand kan worden uitgesloten.

Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten ter plaatse. Tevens blijkt voor de getoetste aspecten dat er geen significant negatieve effecten optreden. Er is geen sprake van cumulatie met andere ontwikkelingen. De situatie geeft geen aanleiding voor het uitvoeren van een MER.

19

Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.

Verkennend bodemonderzoek, Stantec d.d. 11 augustus 2022 Akoestisch onderzoek, M+P d.d. 24 november 2024 Externe veiligheid, Aviv d.d. 21 oktober 2024 Quickscan Flora en Fauna, NWC Advies d.d. juli 2024 Stikstofdepositie, Cauberg Huygen d.d. 18 juli 2024

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=667dd1b4-1a94-401f-8479-f32a9e39fcc3