CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Definitief advies MER Omgevingsvisie Diemen.pdf

Gemeenteraadsvergadering 27 januari 2022, gemeente DiemenBij agendapunt: Omgevingsvisie Diemen 20403.730 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Omgevingsvisie Diemen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 18 november 2021 / projectnummer: 3605

Advies over het MER in het kort Gemeente Diemen wil een omgevingsvisie vaststellen. Voor het besluit hierover is een

milieueffectrapport (MER) opgesteld. Gemeente Diemen heeft de Commissie gevraagd te

adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.

Wat blijkt uit het MER?

In het MER is onderzocht welke effecten vier strategische keuzes van de gemeente Diemen

hebben op de fysieke leefomgeving: ‘Ontmoeten en verbinden’, ‘Groen en gezonde leefomgeving’, ‘Duurzaam Diemen’ en ‘Groei binnen grenzen’. Deze strategische keuzes komen voort uit een intensief participatietraject. Het zijn denkrichtingen voor de manier waarop Diemen zich zou kunnen ontwikkelen. In het MER zijn deze keuzes eerst los van

elkaar beoordeeld. Daarna zijn elementen uit deze strategische keuzes samengevoegd tot een integrale visie. De integrale visie scoort volgens het MER op drie van de acht

beoordelingsthema’s neutraal, op vier positief en op één zeer positief en daarmee in totaal

positief.

Wat is het advies van de Commissie?

Voor de totstandkoming van de omgevingsvisie is een intensief participatietraject met

stakeholders en inwoners van de gemeente doorlopen. Het proces van milieueffectrapportage lijkt op het eerste gezicht nadrukkelijk in dat proces te zijn ingebed. Ook bevat het MER een

lijst met aanbevelingen die in de omgevingsvisie is overgenomen.

Het blijft echter onduidelijk welke rol het MER daadwerkelijk heeft gespeeld bij de

totstandkoming van het voorkeursalternatief (de uiteindelijke visie). Ook is de opzet van het toetsingskader niet helder en lijkt dit geen relatie te hebben met de kernkwaliteiten van

Diemen. Daarnaast is de effectbeoordeling niet altijd navolgbaar. Tezamen zorgt dit ervoor dat geen recht wordt gedaan aan de integrale benadering die de Omgevingswet voorstaat.

De Commissie signaleert bij toetsing van het MER een aantal tekortkomingen. Zij acht deze informatie bij de besluitvorming over de omgevingsvisie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang. Dit betreft: •

onduidelijkheid over de effecten van de omgevingsvisie op de kernkwaliteiten van

Diemen. Het gehanteerde toetsingskader, ontleend aan het ‘donutmodel’ van Kate

Raworth, wordt niet duidelijk gekoppeld aan deze waarden en speelt in de rest van het

MER geen rol meer; •

onduidelijkheid over de wijze waarop de effectbepalingen in het MER tot stand zijn gekomen en hoe die verschillende effecten onderling zijn gewogen binnen de beoordelingsthema’s;

•

onduidelijkheid over het proces om vanuit de vier ‘strategische keuzes’ tot de integrale

visie te komen en de rol die de effectbepalingen uit het MER hierbij gespeeld hebben; •

het ontbreken van robuustheidstoetsen van het voorgestelde beleid in relatie tot beleid van andere overheden en in relatie tot de Regionale Energiestrategie (RES).

-1-

De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen en dan pas een besluit te nemen over de omgevingsvisie.

In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.

Figuur 1 Integrale visiekaart (bron: MER)

Aanleiding MER De omgevingsvisie beschrijft het integrale beleid van de gemeente met betrekking tot de fysieke leefomgeving voor de middellange tot lange termijn. Omdat de omgevingsvisie een beleidskader vormt voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten, zoals woningbouw en winning van duurzame energie, is het nodig een plan-MER op te stellen. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van gemeente Diemen - besluit over de omgevingsvisie. De Commissie baseert haar oordeel op het MER, de omgevingsvisie en onderliggende stukken. Daarnaast heeft zij een gesprek met de gemeente gehad en een bezoek aan Diemen gebracht op 25 oktober 2021. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3605 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

-2-

Toelichting op de beoordeling In dit hoofdstuk licht de Commissie haar beoordeling toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Sommige van die aanbevelingen zijn opgenomen in een tekstkader en andere niet. Als deze in een kader staan dan is het uitvoeren ervan volgens de Commissie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij het besluit over de omgevingsvisie. Aanbevelingen die niet in een kader staan zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming - nu en in de toekomst - te verbeteren.

Rol van het MER bij totstandkoming omgevingsvisie De totstandkoming van de omgevingsvisie is nadrukkelijk in samenspraak met

maatschappelijke stakeholders en inwoners gebeurd. Uit het MER blijkt echter niet welke rol de milieueffecten van de vier strategische keuzes hebben gespeeld bij het samenstellen van

de integrale visie. De Commissie beschouwt dit als essentiële tekortkoming. Dit manifesteert zich in drie aspecten van het m.e.r.-proces: het toetsingskader (par. 2.2), de onderzochte

alternatieven (de strategische keuzes, par. 2.3) en de beschrijving van de effecten (par. 2.4 en 2.5).

Toetsingskader en monitoring In het MER is aangegeven dat het toetsingskader is gebaseerd op het model van de ‘donuteconomie’. Het ‘donut-model’ kan uitstekend gebruikt worden als kader van het MER 1, de omgevingsvisie en de monitoring, maar moet dan wel consistent worden toegepast.

Figuur 2 Visualisatie van de Nederlandse versie van het donutmodel (Bron: MER) 1

Dit is bijvoorbeeld gebeurd bij het MER voor de Omgevingsvisie Amsterdam

-3-

Dit betekent allereerst dat het algemene ‘donut-model’ zou moeten worden vertaald naar

criteria die specifiek in Diemen spelen en dat hiervoor duidelijke en meetbare indicatoren

worden geformuleerd 2. Het ligt voor de hand dit te koppelen aan de vijf kernkwaliteiten van

Diemen die in de omgevingsvisie genoemd worden: • • • • •

Rust en Ruimte nabij de grote stad; Groen en water in de buurt;

Dorps met een stedelijk karakter;

Centraal gelegen en goed bereikbaar; Divers Diemen.

Uit de omgevingsvisie blijkt niet of al deze waarden door de gemeente Diemen als even

belangrijk worden gezien of dat er een zekere hiërarchie is. Dit kan van belang zijn bij het

doen van ‘botsproeven’ tussen de vier strategische keuzes als belangrijke tussenstap om te komen tot de integrale visie.

Vervolgens had de huidige stand van zaken van deze indicatoren bepaald moeten zijn in de

‘leefomgevingsfoto’ (LOF) en had het effect van de autonome ontwikkelingen hierop bepaald

moeten worden. Het MER had een beeld moeten geven van het effect van de vier strategische keuzes op deze indicatoren. Tenslotte zouden deze indicatoren ook terug moeten komen in het monitoringssysteem. Doel van het MER is immers de effecten van beleidskeuzes in de

omgevingsvisie (aan de hand van indicatoren) inzichtelijk te maken om te laten zien in

hoeverre deze keuzes bijdragen aan de realisatie van doelen en ambities. Monitoring van

deze indicatoren maakt vervolgens duidelijk of de fysieke effecten van de gemaakte keuzes zich ontwikkelen zoals bedoeld of dat bijsturing nodig is.

Uit het MER kan niet worden opgemaakt wat de effecten van de strategische keuzes (de

onderzochte alternatieven) zijn op de kernkwaliteiten van Diemen. Doordat hiervoor geen indicatoren zijn geformuleerd is ook een herhaling van de metingen (in het kader van

monitoring) lastig of niet mogelijk.

Strategische keuzes (alternatieven) Het MER is opgesteld aan de hand van vier strategische keuzes: • • • •

‘Ontmoeten en verbinden’

‘Groene en gezonde leefomgeving’ ‘Duurzaam Diemen’

‘Groei binnen grenzen’.

Deze zijn in het MER beschreven alsof het alternatieven zijn voor het beleid wat de gemeente

Diemen wil voeren, terwijl zij dat eigenlijk niet zijn. Uit het MER blijkt niet hoe tot de invulling van deze strategische keuzes is gekomen. Uit het gesprek met de gemeente bleek dat er

geen sprake is van thematische prioritering (om de hoeken van het speelveld te verkennen) maar van reële keuzes die aansluiten bij de uitkomsten van het participatieproces

(uitwerkingen van thema’s die sterk leven onder de bevolking). Een motivatie van gemaakte

2

Bijvoorbeeld: ten aanzien van het aspect energie zouden mogelijke indicatoren kunnen zijn: de energieconsumptie van

huishoudens en bedrijven (onder te verdelen in fossiel en duurzaam), de productie van verschillende soorten (duurzame) energie en/of de energielabels van de woningvoorraad in de gemeente.

-4-

keuzes ontbreekt en daarmee ontbreekt ook inzicht in alternatieve keuzes die de gemeente heeft of had en die als varianten in het MER onderzocht hadden kunnen worden.

De gemeente heeft aangegeven dat bij het samenstellen van de integrale visie op

locatieniveau wel spanning zat tussen de strategische keuzes (alternatieven) en dat daarbij

steeds de meest gunstige optie vanuit milieuoogpunt is gekozen. Hoe dit precies is gegaan

wordt echter uit het MER niet duidelijk.

Figuur 3 Resultaten van het participatietraject (Bron: Omgevingsvisie)

Effectbeoordeling algemeen Navolgbaarheid scores

De beoordeling van effecten van de strategische keuzes is niet overal navolgbaar. Veel van de scores komen voort uit ‘expert judgement’. Dit is op zichzelf begrijpelijk, gezien het

strategische karakter van de omgevingsvisie en het feit dat keuzes in een later stadium nader uitgewerkt zullen worden. Het is echter wel belangrijk dat duidelijk is hoe de werkwijze is geweest en welke data hierbij zijn gebruikt. Dit zorgt ervoor dat de kwalitatieve (en

kwantitatieve) beoordelingen navolgbaar en qua methodiek herhaalbaar zijn, zodat de

beoordelingen in het MER en toekomstige monitoringsresultaten goed vergelijkbaar zijn. De schaalovergangen voor de beoordeling zijn in het MER niet gedefinieerd. Daardoor is

onduidelijk wat de betekenis is van een lichte of zware negatieve/positieve score. Hierdoor is de effectscore niet reproduceerbaar en blijft bovendien onduidelijk hoe zwaar scores gewogen moeten worden.

-5-

Uit het gesprek met de gemeente bleek ook dat de scores van subcriteria zijn opgeteld of

tegen elkaar weggeschreven. Bijvoorbeeld wanneer een aspect op bepaalde criteria gunstig scoorde, maar op andere ongunstig. In zo’n geval werd de score ‘neutraal’ toegekend. Een neutrale score wekt echter de indruk dat er niets verandert aan de staat van de fysieke leefomgeving, terwijl dit in werkelijkheid wel het geval is. 3

Referentiesituatie en autonome ontwikkelingen

Op p. 22 van het MER staat dat vanwege het strategische karakter van de omgevingsvisie de effecten zijn vergeleken met de huidige situatie, zonder de autonome ontwikkelingen. In de

‘leefomgevingsfoto’ (LOF) is de huidige stand van de fysieke leefomgeving in Diemen in beeld gebracht.

De in het MER gekozen referentiesituatie gaat hoe dan ook veranderen, zowel als gevolg van het huidige beleid van de gemeente zelf, als door ontwikkelingen ‘van buiten’; in MER-

termen: de autonome ontwikkelingen. Gezien de ligging van Diemen, ingebed in de

Amsterdamse agglomeratie, mag verwacht worden dat het beleid van de Metropoolregio

Amsterdam (MRA), het beleid van de gemeente Amsterdam (zoals recent uiteengezet in de

Omgevingsvisie Amsterdam) en het provinciaal beleid zullen zorgen voor autonome

ontwikkelingen die relevant zijn voor de leefomgeving in Diemen. De huidige situatie

inclusief autonome ontwikkelingen is derhalve de referentiesituatie, waarmee de effecten van

de te onderzoeken strategische keuzes vergeleken moeten worden.

Uit de effectbeschrijvingen in het MER wordt niet helder of het nu gaat om effecten van

bestaand beleid, effecten als gevolg van autonome ontwikkelingen buiten de gemeente of

effecten die veroorzaakt worden door de strategische keuzes zelf. Hierdoor zijn de effecten van de afzonderlijke strategische keuzes en van de integrale visie niet goed inzichtelijk.

Relatie effectbeoordeling en uiteindelijke visie

Doordat de effectbeoordeling op veel beleidsdomeinen niet transparant is, wordt niet

duidelijk of en zo ja waar de verschillende strategische keuzes conflicteren met elkaar en met de gestelde ambities en kernkwaliteiten. Daardoor is niet helder op grond waarvan de keuzes gemaakt zijn om te komen tot de integrale visie.

Doordat uit het MER niet duidelijk wordt of er spanning is tussen de vier strategische keuzes,

en zo ja waarin deze zich manifesteert en hoe dit vervolgens is opgelost in het

voorkeursalternatief, is de positieve beoordeling van het voorkeursalternatief niet goed

navolgbaar. De beoordeling lijkt op onderdelen ook strijdig met de beoordeling van de vier strategische keuzes. 4

3

Een voorbeeld is het effect op ruimtelijke kwaliteit; de subaspecten landschap en cultuurhistorie scoren in de strategische

keuzes 1 en 2 ‘zeer positief’, maar de uiteindelijke score wordt ‘positief’- mogelijk vanwege potentiële effecten op

archeologie. Anderzijds wordt bij de vertaling naar de uiteindelijke visie gesteld dat het effect op archeologie nihil is ‘omdat er toch rekening mee gehouden moet worden in ieder project’. Los van het feit dat dit voorbij gaat aan het beleid van ‘behoud in situ’ van het bodemarchief, maakt dit de totstandkoming van de scores niet inzichtelijk.

Een ander voorbeeld is de beoordeling van de aspecten ‘Natuur, groen en biodiversiteit’, waarbij Diemen veel ambities uitspreekt maar volgens het MER de verschillende scenario’s nauwelijks positief scoren. 4

In de beoordeling van het voorkeursalternatief is bijvoorbeeld geen effect op archeologie, omdat er ‘toch rekening mee

moet worden gehouden in ieder project’. Echter, dat is bij de vier strategische keuzes niet anders, terwijl daar een negatieve score wordt gegeven. Het behouden van landschap/erfgoed en ze beter bereikbaar maken, verhoogt misschien de beleving, echter, de kwaliteit en/of erfgoedwaarde neemt niet toe. Dus is de betere beoordeling niet direct navolgbaar.

-6-

Effectbeoordeling afzonderlijke beleidsdomeinen Ruimtelijke kwaliteit

Uit het gesprek met de gemeente bleek dat ruimtelijke kwaliteit als belangrijke factor naar

voren kwam in het participatietraject. Ook in het staande beleid is de ruimtelijke kwaliteit een

belangrijk aspect. Tijdens het bezoek dat de Commissie aan de gemeente bracht bleek dat de groenstructuren (met name het Diemense Bos) een belangrijke rol spelen in de beleving van de ruimtelijke kwaliteit van Diemen en dat er veel aandacht is voor de kwaliteit van de openbare ruimte.

Daarom zou te verwachten zijn, dat in het MER expliciet naar voren komt hoe de ruimtelijke kwaliteit bijdraagt aan de vijf geformuleerde kernkwaliteiten en welke (specifiek Diemense)

aspecten van de ruimtelijke kwaliteit effecten ondervinden van de vier onderzochte

strategische keuzes, waaronder ook de kansen voor de (her)inrichting van de gebouwde

omgeving. Dit is echter niet het geval. Het beoordelingskader is traditioneel ingestoken met

de aspecten ‘landschap’, ‘cultuurhistorie’ en ‘archeologie’. In de tekst lijkt het overigens alsof

impliciet ook andere criteria een rol hebben gespeeld. Zo loopt bijvoorbeeld ‘recreatie’ steeds door de beschrijving heen.

Mede hierdoor is de effectbeoordeling op ruimtelijke kwaliteit niet navolgbaar. De verschillen tussen ‘zeer negatief’ en ‘negatief’ of tussen ‘positief’ en ‘zeer positief’ zijn per aspect niet

gedefinieerd. Ook de optellingen van subcriteria zijn niet inzichtelijk (zie voetnoten 3 en 4).

In sommige gevallen lijken effecten de ene keer positief en de andere keer negatief te scoren; in de effectbeoordeling hebben wind- en zonne-energie een negatief effect op de ruimtelijke

kwaliteit, terwijl in Hoofdstuk 14 wordt aangegeven dat de energietransitie het landschap juist kan versterken.

Duurzaamheid

Het begrip ‘duurzaamheid’ is in het MER uitsluitend beoordeeld op ‘energie’ (en dan alleen de opwekking van duurzame energie, niet vermindering van energieverbruik) en ‘circulariteit’

(en dan met name het terugdringen van de restafvalstroom). Door deze benadering is geen

brug geslagen met andere beleidsdomeinen. Zo staat op pagina 59 dat verduurzaming geen raakvlak heeft met mobiliteit. Maatregelen om het energieverbruik van mobiliteit te

verminderen en tegelijkertijd de bereikbaarheid te verbeteren 5 blijven hierdoor buiten beeld.

Ook duurzaam ruimtegebruik en duurzaamheid in het sociale domein (zoals bijvoorbeeld het

vraagstuk van energiearmoede) blijven buiten beeld.

Voor de Regionale Energie Strategie (RES) is destijds een plan-MER opgesteld. De Commissie heeft in haar advies hierover 6 aangegeven dat de informatie in het MER voor de RES ook kan

worden gebruikt voor vergelijkbare besluiten zoals gemeentelijke omgevingsvisies. Ten opzichte van de zoekgebieden voor windenergie uit de RES zijn de zoekgebieden in de

Omgevingsvisie Diemen echter flink vernauwd. Uit het gesprek met de gemeente bleek dat dit vooral is gedaan vanwege geluidsbelasting op woningen. Dit betekent dat in het MER

tenminste zou moeten zijn onderzocht of de RES doelen ook in de verkleinde zoekgebieden haalbaar zijn en de informatie (met name op het gebied van natuur en landschap) dan nog

5

Denk bijvoorbeeld aan maatregelen om een verandering in de modal shift teweeg te brengen, het gebruik van deelauto’s of initiatieven op het gebied van Mobility As A Service (MAAS) te stimuleren.

6

https://www.commissiemer.nl/adviezen/3484

-7-

valide is. Zo ja, dan zou met een verwijzing naar het MER van de RES kunnen worden volstaan. In het MER ontbreekt echter enige verwijzing naar het MER voor de RES.

Bodem en water

De Commissie wijst erop dat klimaatverandering en bodemdaling voor woningbouw in

relatief laaggelegen delen van Nederland steeds grotere uitdagingen vormen. Tijdens het bezoek dat de Commissie aan de gemeente bracht bleek, dat de veenondergrond van de gemeente het ritme voor de vervangings- en renovatieopgaven van de openbare ruimte

dicteert. Dit impliceert dat bodemdaling en de daarmee gepaarde gaande problematiek voor de waterhuishouding relevante afwegingsaspecten zouden moeten zijn voor de

omgevingsvisie. Het gaat dan zowel om waterafvoer als waterkwaliteit. Indien zoute kwel een significante factor wordt kan dit bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de

toepassingsmogelijkheden van aardwarmte (en daarmee de energietransitie) en het beheer

van de openbare ruimte (bijvoorbeeld het Diemer Bos). Mogelijk is dit niet aan de orde, maar informatie hierover ontbreekt geheel in het MER.

Sociale aspecten

Uit het gesprek met de gemeente bleek dat de sociale effecten van het ruimtelijk beleid heel belangrijk worden gevonden. Tegelijkertijd moet een omgevingsvisie zich beperken tot de fysieke leefomgeving. In het MER is sociale inclusiviteit vooral vertaald als leefbaarheid. Zaken als participatie op economisch en sociaal gebied, toegang tot voorzieningen,

(ruimtelijke) segregatie van inkomensgroepen of ‘energiearmoede’ in het licht van de energietransitie zijn hierin niet betrokken.

Gezondheid

In het MER is ‘gezondheid’ beoordeeld op de effecten door luchtvervuiling, geluidshinder en

externe veiligheid. Er is niet gekeken naar de kansen die de strategische keuzes bieden voor

actieve gezondheidsbevorderingen, zoals verbetering van recreatie- of uitloopmogelijkheden en/of het stimuleren van beweging terwijl zowel in de omgevingsvisie als in de MER hier wel

aandacht voor is. 7

Uit het gesprek met de gemeente bleek dat de meeste zienswijzen op de omgevingsvisie gaan over gezondheidseffecten (en dan vooral door windturbines). De gemeente streeft

ernaar te voldoen aan de WHO-advieswaarden voor geluid. Uit het MER blijkt niet in hoeverre

dat realistisch is (mede doordat de autonome ontwikkelingen op dit vlak niet inzichtelijk zijn).

Mobiliteit

In de omgevingsvisie worden diverse ambities gepresenteerd met betrekking tot mobiliteit, onder andere op het gebied van parkeerbeleid, snelheidsbeperkingen op rijkswegen en verbetering van de tramverbindingen met Amsterdam. Veel van deze zaken zijn mede-

afhankelijk van wat andere overheden doen. De Commissie vraagt aandacht voor invulling van het mobiliteitsbeleid in samenspraak met de regio.

7

Omgevingsvisie par. 3.2.2.; MER par. 4.1.2 en 7.2.

-8-

Advies voor aanvulling van het MER Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het MER onvoldoende inzichtelijk maakt wat de

effecten van de strategische keuzen zijn op die aspecten van de fysieke leefomgeving die essentieel zijn voor de Diemense kernkwaliteiten.

Gezien het stadium van besluitvorming adviseert de Commissie een zelfstandige aanvulling op het MER te maken waarin een verband wordt gelegd tussen het donut-model, de

kernkwaliteiten, de keuzes in de omgevingsvisie en de monitoring. Zij adviseert daarin tenminste: •

te beargumenteren welke indicatoren gebruikt kunnen worden om effecten op de

(fysieke aspecten van) de Diemense kernkwaliteiten in beeld te brengen, waaronder in ieder geval de ruimtelijke kwaliteit;

•

de effecten van het voorkeursalternatief (de integrale visie) op deze indicatoren te

beschrijven en daarbij te beargumenteren hoe de onderlinge spanning tussen de vier strategische keuzes is opgelost;

•

duidelijk te maken waarom welke keuzes gemaakt zijn om van de vier strategische

•

te beschrijven hoe bovengenoemde indicatoren gemonitord gaan worden;

keuzes tot de integrale visie te komen;

•

een robuustheidstoets (‘botsproef’) op te nemen waarin de keuzes in de omgevingsvisie worden getoetst aan (A) het omgevingsbeleid van de Metropoolregio Amsterdam, de provincie Noord-Holland, het waterschap en de gemeente Amsterdam en (B) de Regionale Energie Strategie (RES).

In de laatste paragraaf (14.5) van het MER wordt een lijst met aandachtspunten per

milieuaspect gepresenteerd. Dit betreft aandachtspunten van zeer uiteenlopende aard.

Sommige zaken zijn absolute voorwaarden en potentiële show-stoppers (bijvoorbeeld de aandachtpunten met betrekking tot stikstof); andere bieden veel meer zelfstandige

keuzeruimte voor de gemeente. Ook wordt geen onderscheid gemaakt tussen keuzes die

spelen op het abstractieniveau van de omgevingsvisie (zoals het behouden van een divers aanbod werkgelegenheid) en keuzes die pas in de stappen daarna aan de orde zijn

(bijvoorbeeld het situeren van slaapkamers aan de stille zijde bij nieuwbouw). De Commissie beveelt aan deze lijst te structureren naar het soort instrumenten en besluiten waarvoor de aanbevelingen relevant zijn.

-9-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie

De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of

onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de

ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit

wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het

gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep

Bij dit project bestaat de werkgroep uit: drs. Diederik Bel

drs. John Dagevos

drs. Geertje Korf (secretaris)

Marja van der Tas (voorzitter) drs. Gerrit de Zoeten

Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Vaststellen Omgevingsvisie Diemen

Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld?

Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, of plannen die kaders stellen voo

zulke activiteiten, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit ‘stedelijke ontwikkeling (D11.2) en ‘winning van windenergie’

(D22.2) Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een plan -MER opgesteld.

Bevoegd gezag besluit

Gemeenteraad van Diemen Initiatiefnemer besluit

College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Diemen Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?

Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken.

Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld?

U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3605 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=ad3280af-45ab-48b5-aade-cc00728c7100