Bijlage 2. Verkennend en nader bodemonderzoek
Tekst van het document
Verkennend en nader bodemonderzoek Rietschuur (nabij Kriekenoord nr. 13) te Diemen Concept
Verkennend en nader bodemonderzoek Rietschuur te Diemen Nabij Kriekenoord nummer 13 Concept
In opdracht van: Gemeente Diemen Opgesteld door: Sarah Hinborch Projectnummer: M18B0225 Documentnaam: m18b0225.r01 Datum: 15 januari 2019
Versie
Vrijgegeven door
Concept
Rik Pijnenburg
Paraaf
Datum 15 januari 2019
2001 + 2002
Postadres Postbus 270 2600 AG DELFT T 015 7511600
Bezoekadres Poortweg 4 2612 PA DELFT www.stantec.com
KVK Haaglanden 27 18 43 23 BNP Paribas 22 76 53 920 IBAN NL75BNPA0227653920 BIC BNPANL2A Stantec BV is ISO9001:2015, 14001:2015 en VCA* gecertificeerd
Stantec | m18b0225.r01 1
Inhoudsopgave 1.0 Inleiding 1.1 Doel van het onderzoek 1.2 Referentiekader 1.3 Betrouwbaarheid
3 3 3 4
2.0 Vooronderzoek 2.1 Beschrijving van de locatie 2.2 Historische gegevens 2.3 Voorgaande onderzoeken 2.4 Locatie-inspectie 2.5 Hypothese en onderzoeksstrategie
5 5 5 7 8 10
3.0 Veldwerk en chemische analyses 3.1 Kwaliteit 3.2 Algemene onderzoeksstrategie en werkwijze 3.3 Resultaten veldwerk 3.4 Analysestrategie 3.5 Chemische analyses
11 11 12 13 15 17
4.0 Bespreking onderzoeksresultaten 4.1 Algemene bodemkwaliteit 4.2 Indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit 4.3 Samenvattende tabel bodemkwaliteit en veiligheidsklasse 4.4 Toetsing hypothese
18 18 19 20 21
5.0 Conclusies en aanbevelingen
22
Bronvermeldingen
23
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 5: Bijlage 6:
Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:750) Verklarende woordenlijst Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Analysecertificaten en gaschromatogrammen Foto’s onderzoekslocatie
Stantec | m18b0225.r01 2
1.0
INLEIDING
Op 6 september 2018 is door gemeente Diemen aan Stantec B.V. opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van Rietschuur nabij Kriekenoord 13 te Diemen (bijlagen 1 en 2). De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door voorgenomen bestemmingsplanwijziging alsmede woningbouw.
1.1
DOEL VAN HET ONDERZOEK
Het doel van dit onderzoek is: • inzicht te verkrijgen in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik heeft geleid tot verontreiniging van de bodem; • inzicht te verkrijgen in de te verwachten bodemkwaliteitsklassen van eventueel vrijkomende grond (en indien van toepassing de kwaliteit van aanwezige bouwstoffen); • vaststellen van de benodigde veiligheidsklassen van de grondwerkzaamheden. Aan de hand van de onderzoeksresultaten wordt vastgesteld of bij de geplande werkzaamheden meldingen in het kader van de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn. Tevens zal duidelijk worden of conform de Arbowet in milieuhygiënisch opzicht veilig met de bodem kan worden gewerkt. Daarbij zullen de veiligheidsklassen voor de bodem bepaald worden aan de hand van de CROW 132 (bron 10) en de CROW 400 (bron 11).
1.2
REFERENTIEKADER
De onderzoeksstrategie is afgeleid van de NEN 5740 (bron 1). In overeenstemming met deze norm is voorafgaand aan het veldonderzoek een vooronderzoek uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5725 (bron 2). Het verkennend onderzoek bestond uit vooronderzoek, veldonderzoek, chemische analyses, toetsing en interpretatie. In het geval van nader onderzoek is een onderzoeksopzet gebaseerd op de NTA 5755 (bron 3). De analyseresultaten voor grond en grondwater zijn getoetst aan de normering zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (bron 7) en de Regeling bodemkwaliteit (bron 8). De in het laboratorium gemeten gehalten zijn omgerekend naar standaard bodem op basis van de gemeten lutum- en organische stofpercentages.
Stantec | m18b0225.r01 3
In dit rapport wordt de volgende terminologie voor grond gehanteerd: • Kleiner of gelijk aan de achtergrondwaarde (AW) of detectiegrens: geen sprake van een verhoogd gehalte; niet verontreinigd. • Groter dan AW kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (T): licht verhoogd gehalte; licht verontreinigd. Voor de tussenwaarde (T) geldt de volgende berekening: (achtergrondwaarde + interventiewaarde)/2. • Groter dan T, kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (I): matig verhoogd gehalte; matig verontreinigd. • Groter dan I: sterk verhoogd gehalte; sterk verontreinigd. De terminologie voor grondwater is als volgt: • Kleiner of gelijk aan de streefwaarde (S) of detectiegrens: geen sprake van een verhoogde concentratie; niet verontreinigd. • Groter dan de streefwaarde (S), kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (T): licht verhoogde concentratie; licht verontreinigd. Voor de tussenwaarde (T) geldt de volgende berekening: (streefwaarde + interventiewaarde)/2. • Groter dan T, kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (I): matig verhoogde concentratie; matig verontreinigd. • Groter dan I: sterk verhoogde concentratie; sterk verontreinigd. De betekenis van de streef-, achtergrond-, tussen- en interventiewaarde is opgenomen in de verklarende woordenlijst (bijlage 3.1).
1.3
BETROUWBAARHEID
Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Aan de hand van de uit de bronnen verzamelde informatie is een onderzoeksstrategie afgeleid, waarvan het aannemelijk wordt geacht dat deze representatief is voor de locatie. Er wordt op gewezen dat de geraadpleegde bronnen mogelijk onvolledig zijn of dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Voor elk bodemonderzoek geldt dat het is gebaseerd op een beperkt aantal monsterpunten en analyses. De hiervoor voorgeschreven onderzoeksstrategie geeft een goed beeld van de algemene bodemkwaliteit. Tevens wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek een momentopname is. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Indien na het onderzoek op of nabij de locatie (bodembedreigende) activiteiten of calamiteiten plaatsvinden en/of in de omgeving (mobiele) verontreinigingen aanwezig zijn, kan de bodemkwaliteit hierdoor worden beïnvloed.
Stantec | m18b0225.r01 4
2.0
VOORONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het vooronderzoek besproken. Dit resulteert in een hypothese over de mogelijke verontreinigingssituatie op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (bron 2). Omdat op percelen in de (directe) omgeving van de onderzoekslocatie potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, heeft het vooronderzoek zich ook gericht op aangrenzende percelen.
2.1
BESCHRIJVING VAN DE LOCATIE
De regionale ligging van de onderzoekslocatie is zichtbaar in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Diemen, sectie A, nummers 5922, 5925, 5927 en 5932 (allen gedeeltelijk). De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 10.000 m2. Momenteel is de locatie in gebruik als kantoor op een bedrijventerrein. De toekomstige bestemming van de locatie is wonen met tuin.
2.2
HISTORISCHE GEGEVENS
Voor het historisch onderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 1. Informatie aangeleverd door de opdrachtgever; 2. Archieven van de gemeente Diemen; 3. Diverse naslagwerken en internet. Ten behoeve van het vooronderzoek zijn door de gemeente Diemen gegevens aangeleverd. Er is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • historisch kaartmateriaal; • bodemarchief; • bodemkwaliteitskaart. Overige bronnen zijn niet geraadpleegd aangezien deze op basis van de aard van het onderzoek en de historie van de locatie niet relevant werden geacht.
Stantec | m18b0225.r01 5
Informatie aangeleverd door de opdrachtgever Via de mail is informatie over de onderzoekslocatie verkregen van de gemeente Diemen. Uit deze informatie blijkt dat: • Op basis van bij de gemeente bekende informatie de locatie niet verdacht is op noemenswaardige bodemverontreinigingen; • De locatie is voor zover bekend niet opgehoogd (er waren eerder geen ontwikkelingen voorzien); • In 2008 is de locatie door de BK deels onderzocht, zie paragraaf 2.3; • Er is op voorhand geen aanwijzing voor de aanwezigheid van asbest op of in de bodem, of ondergrondse tank; • Op Kriekenoord 9 is rond 2007 een ondergrondse dieseltank (5 m3) gesaneerd/verwijderd en een grondsanering uitgevoerd, zie paragraaf 2.3. Het pand Kriekenoord 9, de kleine rietschuur, is in juli 2014 gesloopt. Tevens is een bodemonderzoek in 2014 uitgevoerd, zie paragraaf 2.3; • Door de gemeente Diemen (contactpersoon de heer W. Kippers) is aangegeven dat in 2003 op de locatie puin onder certificaat is toegepast. Op basis van historische informatie is bekend dat de Rietschuur dateert uit 1952. Hiervoor had de locatie een agrarische functie. Het bedrijventerrein ontwikkelt zich door de jaren heen met een snelle start in de jaren ’70. Aan de noordzijde van het terrein bevindt zich een sloot. De bebouwing is gerealiseerd binnen de voormalige sloten (ter plaatse van de voormalige weilanden), de meeste sloten zijn behouden.
Op de locatie bevindt zich één gedempte sloot (zie bijlage 2).
Bodemarchief Uit het bodemarchief van de gemeente Diemen blijkt dat in het verleden op en nabij de locatie bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. In paragraaf 2.3 zijn globaal de betreffende onderzoeksresultaten weergegeven.
Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente (bron: Bodemkwaliteitskaart Regio Amstelland Meerlanden, 09K189, februari 2012) bevindt de locatie zich in zone I1. Dit betekent dat in de bovengrond licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie kunnen worden verwacht. In de ondergrond kunnen licht tot matig verhoogde gehalten aan zware metalen worden verwacht.
Stantec | m18b0225.r01 6
2.3
VOORGAANDE ONDERZOEKEN
In het verleden is op of nabij de locatie bodemonderzoek uitgevoerd. Op 7 januari 2004 is een brief Instemming evaluatierapport bodemsanering locatie Kriekenoord 7 te Diemen afgegeven. De exacte locatie wordt niet vermeld. In de instemming staat dat in afwijking van het saneringsplan onnodig bemaling heeft plaatsgevonden. Uit de resultaten van de putwand- en putbodembemonstering zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. De matig tot sterk verhoogde gehalten, als gevolg van de bodembedreigende activiteit, zijn niet meer aangetroffen. Met de sanering wordt niet aan de zorgplicht voldaan, in verband met het achterblijven van lichte verontreinigingen, maar het bevoegd gezag acht de resultaten als voldoende. Ter plaatse van Kriekenoord 9 is in 2014 een onderzoek 1 uitgevoerd. Nummer 9 is gelegen aan de zuidoostzijde van het perceel van de Rietschuur. Op het perceel heeft een pand gestaan van Stichting Cordaan. Het pand is begin juli 2014 gesloopt. Dit onderzoek is uitgevoerd op een gedeelte van de huidige onderzoekslocatie (nabij boringen 03 en 04). De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot een diepte van circa 1,0 m-mv uit klei, gevolgd door veen tot de maximale boordiepte (2,5 m-mv). Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Zowel visueel als analytisch is in het opgegraven materiaal geen asbest aangetoond.
In het opgeboorde materiaal zijn bodemvreemde bijmengingen aangetroffen met brokken beton en sporen puin. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen en PCB gemeten. In de kleiige ondergrond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties zware metalen gemeten. Ter plaatse van Kriekenoord 7 is tevens in 2014 onderzoek 2 uitgevoerd. Nummer 7 maakt deel uit van onderhavige onderzoekslocatie en bevindt zich op het oostelijk deel van het terrein. Op dit perceel heeft een pand gestaan genaamd de Kleine Rietschuur van de firma Pantar, dat in 1952 is gebouwd. Het pand is begin juli 2014 gesloopt. Op de locatie bevond zich ten noorden van de schuur een kwekerij. Voor dit onderzoek zijn ook boringen in de openbare weg Kriekenoord verricht. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal tot een diepte van circa 1,0 m-mv uit klei, gevolgd door veen tot de maximale boordiepte (2,5 m-mv). Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Zowel visueel als analytisch is in het opgegraven materiaal geen asbest aangetoond. In het opgeboorde materiaal zijn bodemvreemde bijmengingen aangetroffen met baksteen en brokken slakken. In de grond zijn licht verhoogde gehalten zware metalen en PAK gemeten. De bovengrond met klasse industrie is afgevoerd.
Uit de putbodembemonstering blijkt dat de grond voldoet aan bodemkwaliteitsklasse Achtergrond en Wonen. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie barium gemeten. De puinverharde weg voldoet aan de maximale emissiesamenstelling voor niet gevormde bouwstoffen.
1 Verkennend bodemonderzoek Kriekenoord 9 te Diemen, MWH B.V., m13b0015.r06, 15 september 2014. 2 Verkennend bodemonderzoek Kriekenoord 9 te Diemen, MWH B.V., m13b0015.r07, 15 september 2014.
Stantec | m18b0225.r01 7
Ter plaatse van de basisschool Kriekenoord 13 is in 2018 een asbestinventarisatie 3 uitgevoerd. Er is ten tijde van het onderzoek een asbesthoudende toepassing aangetroffen. Deze toepassing vormt, in de huidige situatie, geen direct risico. Het uitgevoerde onderzoek heeft diverse beperkingen opgeleverd. Voorafgaand aan werkzaamheden aan deze bouw- en constructiedelen dient er een aanvullende asbestinventarisatie uitgevoerd te worden.
2.4
LOCATIE-INSPECTIE
De terreininspectie levert vooral gegevens op met betrekking tot het huidige gebruik. Daarnaast kan ook kennis over historisch gebruik wordt middels een interview met de gebruiker verkregen (contactpersoon: Michiel Horsman, Pantar). Tijdens het terreinbezoek zijn de volgende punten geïnspecteerd: • de aanwezigheid en (geschatte) ouderdom van gebouwen, de aanwezigheid en typering van wegen en andere verhardingen, vegetatie, de aanwezigheid van muren, hekwerken en andere terreinafzettingen, watergangen enz.; • op welke wijze de onderzoekslocatie wordt benut en is onderhouden; • of delen of restanten zichtbaar zijn van ondergrondse infrastructuur, zoals funderingen van voormalige gebouwen, putten van rioolsystemen, deksels of ontluchtingen van tanks, duikers enz.; • of in het terrein tekenen zichtbaar zijn van gedempte putten, sloten of andere watergangen, oude bebouwing, (voormalige/recente) stortactiviteiten enz.; • of asbestverdachte bijmengingen, verhardingsmaterialen en/of asbestresten zichtbaar zijn aan het bodemoppervlak, dan wel dat informatie uit archieven en/of van de opdrachtgever of derden aanleiding geeft de bodemonderzoekslocatie te beschouwen als ‘asbestverdacht’. Op 26 september 2018 is een locatie-inspectie uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzingen die duiden op voormalige kassen, gedempte sloten of gesloopte gebouwen (anders dan reeds bekend).
Tijdens de terreininspectie is geconstateerd dat op een groot deel van het noordelijk terreindeel een split/puinverharding aanwezig is. Op aangeven van de gemeente Diemen betreft dit de toegepaste puinlaag uit 2003. Er zijn tijdens de inspectie van de locatie geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen op het maaiveld. Op het noord gedeelte van de onderzoekslocatie is een gronddepot aangetroffen (zie bijlage 2). De boringen kunnen hier rondom worden geplaatst. Daarnaast zijn er op de onderzoekslocatie twee verdachte deellocaties aangetroffen in de vorm van brandstofopslagplaatsen. Ook is de verharding van de onderzoekslocatie in beeld gebracht. Een gedeelte is verhard met asfalt en stelconplaten.
3 Asbestinventarisatie Basisschool De Kersenboom Kriekenoord 13 te Diemen, Ingenieursbureau Broomans BV, 78838,
1 februari 2018.
Stantec | m18b0225.r01 8
Tijdens de terreininspectie is geconstateerd dat het meest zuidelijk gelegen eiland van de onderzoekslocatie onbereikbaar is omdat de brug buiten gebruik is genomen. Ter plaatse zijn derhalve geen boringen geplaatst. Ter plaatse zijn geen bodembedreigende activiteiten geconstateerd. De foto's van de locatie-inspectie staan in bijlage 6.
Stantec | m18b0225.r01 9
2.5
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE
Op basis van de bovenstaande historische informatie is onderstaande hypothese geformuleerd. Ten behoeve van de uitvoering van het onderzoek is de bijbehorende onderzoeksstrategie gevolgd (bron 1, bijlage b). Uit het vooronderzoek blijkt dat er in de grond en het grondwater geen verontreinigende stoffen worden verwacht boven de streefwaarde/AW of boven de in het betreffende gebied geldende achtergrondgehaltes. Er is derhalve voor de uitvoering van het perceelsdekkende onderzoek uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV) uit de NEN 5740. Aanvullend is ter plaatse van de twee verdachte deellocaties (de brandstofopslagplaatsen), op grond van de beschikbare informatie is uitgegaan van de hypothese ‘verdachte locatie’. Er is bij de uitvoering van het onderzoek op de deellocaties uitgegaan van de onderzoeksstrategie verdacht met een plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern (VEP) uit de NEN 5740. Het gronddepot op het noordoostelijk terreindeel maakt geen onderdeel uit van het onderhavig onderzoek. Het depot is aanwezig in het kader van de bouwwerkzaamheden ten oosten van de onderzoekslocatie. De kwaliteit van de grond is bekend en uitloging naar de onderliggende bodem wordt op basis van het naleven van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet verwacht.
In onderhavig onderzoek worden geen boringen verricht in de bebouwing, er wordt derhalve geen beeld verkregen van de bodemkwaliteit onder de bebouwing. Op basis van het vooronderzoek is aldaar sprake van een onverdachte bodem en wordt een zelfde bodemkwaliteit verwacht als op de overige terreindelen.
Stantec | m18b0225.r01 10
3.0
VELDWERK EN CHEMISCHE ANALYSES
In dit hoofdstuk worden de kwaliteitseisen uit de beoordelingsrichtlijnen, de gekozen onderzoeksstrategie, de resultaten van het veldwerk en de uitgevoerde chemische analyses besproken.
3.1
KWALITEIT
De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform een gecertificeerd kwaliteitssysteem (ISO9001:2015, ISO14001:2015 en VCA*). Voor dit project is Rik Pijnenburg van ons kantoor te Arnhem opgetreden als senior adviseur. Het veldwerk is uitgevoerd onder het procescertificaat van de BRL SIKB 2000: ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’ (bron 4), protocol 2001: ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’ (bron 5) en protocol 2002: ‘Het nemen van grondwatermonsters’) (bron 6).
2001 + 2002
Alle procesonderdelen van het nader onderzoek (uitvoering veldwerk, begeleiding erkend projectleider, overdracht monsters aan laboratorium, en rapportage) zijn uitgevoerd door en onder het certificaat van Stantec B.V. Stantec B.V. is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Kiwa Nederland B.V. (certificaatnummer K95554/03). Bij de uitvoering van de monsternemingen op 07 december 2018 zijn de volgende personen ingezet, betreffende de, voor de BRL SIKB 2000 relevante kritische werkzaamheden: • G. Pisa (boormeester, persoon is geregistreerd voor het uitvoeren van deze werkzaamheden bij Rijkswaterstaat Leefomgeving). De procesonderdelen van het verkennend onderzoek, uitvoering veldwerk en overdracht monsters aan laboratorium zijn uitbesteed aan Ground Research B.V. (certificaat K41104/08). De uitvoering van de monsterneming is gedaan op 4 oktober 2018. Het veldwerk en de watermonstername is uitgevoerd door de heer J. Kipp. Hij is erkend en geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. De procesonderdelen, begeleiding erkend projectleider en rapportage zijn uitgevoerd door Stantec B.V. Stantec B.V. is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Kiwa Nederland B.V. (certificaatnummer K95554/03). De uitgevoerde kernboringen vallen niet onder een specifieke BRL of protocol.
Wij verklaren dat de beschreven uitvoering van kritische functies onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd conform de eisen die de BRL daartoe stelt vanuit de Regeling bodemkwaliteit. De kwaliteitsborgingsformulieren zijn opgenomen in bijlage 4.2. Stantec B.V. en Ground Research B.V. hebben geen financiële of juridische belangen met betrekking tot het eigendom van de locatie.
Stantec | m18b0225.r01 11
3.2
ALGEMENE ONDERZOEKSSTRATEGIE EN WERKWIJZE
De gehanteerde onderzoeksstrategie is gebaseerd op de in hoofdstuk 2 gestelde hypothese. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van alle uitgevoerde veldwerkzaamheden en de analyses van grond en grondwater. In de hierop volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de veldwerkzaamheden en de chemische analyses. Tabel 1: Overzicht uitgevoerde veldwerkzaamheden en analyses Aanleiding/deellocatie
Veldwerk Aantal boringen
Analyses
Aantal peilbuizen
Grond
Grondwater
Algemene bodemkwaliteit 0,0-0,5 m-mv 0,0-1,0 m-mv 0,0-2,0 m-mv 0,0-3,0 m-mv
7 NEN-grond1
11 24 4
2 NEN-grondwater2
2
2
2
2
2 minerale olie / BTEXN3
2 minerale olie / BTEXN
6
-
5 zink
-
Verdachte deellocaties 0,0-2,0 m-mv Nader onderzoek 0,0-1,5 m-mv Totaal 1 NEN-grond:
2 NEN-grondwater:
3 BTEXN:
4
26 4 lutum- en organisch stofpercentage, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM) en polychloorbifenylen (PCB). barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen (som o,m,p), styreen, naftaleen, vinylchloride, 1,1dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen, bromoform en minerale olie. vluchtige aromatische koolwaterstoffen: benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen (som o,m,p) en naftaleen. De boringen zijn tot 1,0 meter doorgezet als gevolg van de aanwezigheid van het gronddepot.
De boorlocaties zijn weergegeven in bijlage 2. De boringen zijn gelijkmatig over de locatie verspreid geplaatst, dan wel geplaatst op basis van de historische informatie (verdachte (deel)locaties e.d.).
Stantec | m18b0225.r01 12
3.3
RESULTATEN VELDWERK
Het veldwerk van het verkennend onderzoek is uitgevoerd op 4 oktober 2018. Het veldwerk voor het nader onderzoek is uitgevoerd op 7 december 2018. Voor aanvang van de boorwerkzaamheden is de locatie visueel geïnspecteerd. Op het maaiveld van het terrein zijn geen verontreinigingen of asbestverdachte materialen waargenomen. In bijlage 4 zijn de gedetailleerde boorbeschrijvingen weergegeven met de bodemopbouw, de diepten waarop grondmonsters zijn genomen en de diepten waarop eventuele peilfilters geplaatst zijn. De zintuiglijke waarnemingen en eventuele afwijkingen zijn eveneens in deze bijlage weergegeven.
Bodemopbouw De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: De bovengrond bestaand voornamelijk uit matig fijn, zwak siltig of kleiig zand. Bij boringen 04, 05, 07, 09, 10, 14, 15, 17, 18, 19 en 20 is de bovengrond (tot maximaal 0,5 m-mv) een fundatielaag aangetroffen. Bij boringen 09, 10, 101, 103, 105 en 106 is sprake van asfaltverharding. Bij boringen 101 en 103 is tot 0,7 m-mv een fundatielaag aangetroffen. Onder de zandlaag of fundatie is variërend in diepte en dikte (0,5-1,7 m-mv) een kleilaag aangetroffen. Daaronder is variërend in diepte (vanaf 0,5-1,0 m-mv) een veenlaag aangetroffen. Zintuiglijk zijn er in boringen 06, 14 en 16 in de zandlaag zwak puinhoudende bijmengingen aangetroffen. Boring 10 is van 0,4-0,7 m-mv sterk puinhoudend. In de overige boringen zijn geen bijmengingen aangetroffen. De bijmengingen zijn hoogstwaarschijnlijk het gevolg van het opmengen van de puinlaag met de bodem. Ter plaatse van boring 04 is geen afwijkende bodemopbouw geconstateerd als gevolg van een eventuele slootdemping met niet gebiedseigen materiaal.
Grond Visueel zijn in het opgegraven en opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. Van het bodemmateriaal is maximaal per halve meter en/of per bodemlaag een monster genomen. Voor de bemonstering van grond ten behoeve van de analyses op vluchtige parameters is gewerkt met steekbussen.
Grondwater Voor de bemonstering van het grondwater is boring 06, 16, A01 en A02 afgewerkt met een peilbuis. Conform NEN 5740 is de bovenzijde van het peilfilter circa 0,5 m beneden de grondwaterstand geplaatst.
Stantec | m18b0225.r01 13
Het grondwater is bemonsterd op 11 oktober 2018. Bij de grondwaterbemonstering is het grondwater waargenomen op een diepte van circa 0,4-0,6 m-mv. Tijdens de bemonstering zijn aan het grondwater geen afwijkingen waargenomen. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (Ec) en de aanwezigheid van niet-opgeloste deeltjes (troebelheid) van het grondwater zijn tijdens de monstername in het veld bepaald. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De meetwaarden geven geen aanleiding de analysestrategie te wijzigen. Tabel 2: Veldmetingen grondwater Peilbuis
Filter (m-mv)
GWS (m-mv)
Temp. (0C)
pH
Ec (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
06
1,0-2,0
0,42
13,6
6,8
1.460
101
16
1,0-2,0
0,51
13,2
7,0
1.290
46
A01
1,0-2,0
0,48
13,3
6,8
1.470
89
B01
1,2-2,2
0,63
13,4
6,7
1.350
38
Op basis van de gemeten Ec is sprake van brak (400 µS/cm <Ec <2.800 µS/cm) grondwater. Tijdens de monstername van het grondwater is in alle peilbuizen een NTU van > 10 gemeten. De peilbuizen (nummers) staan in een klei/veen pakket. Wij zien dit niet als een afwijking op de BRL SIKB 2000 en houden hiermee rekening met de interpretatie van de meetresultaten (paragraaf 4.1).
Aanvullend veldwerk naar aanleiding van verontreinigingen Naar aanleiding van analyseresultaten van boring 10, waarbij een sterk verhoogd gehalte zink is aangetroffen in het traject van 0,4-0,7 m-mv, is er een afperkend onderzoek uitgevoerd. Voor de verticale afperking is een extra analyse gedaan van de reeds bemonsterde bodem. Voor de horizontale afperking zijn zes extra boringen geplaatst. Vier in de directe omgeving van de aangetroffen verontreiniging met zink en twee in het verlengde van de asfaltverharding voor eventuele aanvullende inkadering, mochten de eerst boringen voor de horizontale inkadering nog verontreinigd zijn.
Stantec | m18b0225.r01 14
3.4
ANALYSESTRATEGIE
Onderstaande tabel geeft, voor de verschillende aanleidingen, de geselecteerde monsters weer met de bijbehorende zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde analyses. Voor de inzet van de (meng)monsters is gebruik gemaakt van de zintuiglijk meest verdachte monsters. Tabel 3: Analysestrategie Aanleiding
Code Samengesteld Bodemtype Zintuiglijke Analyses (meng)monster uit boringen waarnemingen Grond Grondwater diepte (m-mv) Algemene kwaliteit grond Zintuiglijk schone 01, 02, 03, 04, NEN(oorspronkelijke) Zand MM01 (0-120) 05, 7, 8 grond¹ bovengrond Oostelijk deel Zintuiglijk schone 09, 11, 13, 15, NEN(oorspronkelijke) MM02 (5-100) Zand 16, 18, 19, 20 grond¹ bovengrond Westelijke deel Zwak puinhoudende Zwak NENMM03 (40-100) 06, 14, 16 Zand ondergrond puinhoudend grond¹ Zintuiglijk schone NENMM04 (50-200) 01, 07, 19 Zand ondergrond (zand) grond¹ Zintuiglijk schone NENMM05 (50-200) 01, 09, 10, B01 Klei ondergrond (klei) grond¹ Zintuiglijk schone MM06 (100NEN06, 19, A01, B01 Veen ondergrond (veen) 220) grond¹ Sterk puinhoudende Sterk NENZand M10-4 (40-70) 10 bovengrond puinhoudend grond¹ Algemene kwaliteit grondwater Zuidoostelijk NEN06-1-1 06 terreindeel grondwater² Locatie voormalige NEN16-1-1 16 dieseltank grondwater² Verdachte deellocatie Verdachte laag, bovengrondse brandstofopslag Verdachte laag, bovengrondse brandstofopslag
MA01-2 (20-40) A01
Zand
-
MB01-2 (10-30) B01
Zand
-
Stantec | m18b0225.r01 15
minerale olie/ BTEXN³ minerale olie/ BTEXN³
-
-
A01
-
-
-
B01-1-1
B01
-
-
-
10
Klei
-
Zink
-
101
Klei
-
Zink
-
102
Klei
-
Zink
-
103
Klei
Resten baksteen
Zink
-
104
Zand
-
Zink
-
Nader onderzoek Vertikale inkadering M10-5 (70-90) Horizontale 101-1 (70-100) inkadering Horizontale 102-3 (50-80) inkadering Horizontale 103-1 (70-100) inkadering Horizontale 104-1 (5-50) inkadering 1
NEN-grond:
2 NEN-grondwater:
3 BTEXN:
minerale olie/ BTEXN³ minerale olie/ BTEXN³
A01-1-1
lutum- en organisch stofpercentage, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM) en polychloorbifenylen (PCB). barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen (som o,m,p), styreen, naftaleen, vinylchloride, 1,1dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform, minerale olie. vluchtige aromatische koolwaterstoffen: benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen (som o,m,p) en naftaleen.
Stantec | m18b0225.r01 16
3.5
CHEMISCHE ANALYSES
De analyseresultaten met de bijbehorende toetsingswaarden en een verklarende woordenlijst zijn opgenomen in bijlage 3. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 5. De chemische analyses zijn uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (RvA geaccrediteerd). De analyses zijn uitgevoerd conform het AS3000 protocol. In het analysecertificaat 12886559 is een opmerking opgenomen voor de analyse PAK in monster MM01 en MM06. Het gehalte is indicatief vanwege de aanwezigheid van componenten die en storende invloed hebben op de meting. Aangezien het gehalte PAK niet verhoogd is gemeten in deze monsters, is het resultaat voldoende representatief. In het analysecertificaat 12887231 is een opmerking opgenomen voor de analyse lutum in monster MM06. Het gehalte is indicatief vanwege een storing in de matrix. De verhoogde gehalten die zijn gemeten in dit monsters zijn dermate laag, dat het gehalte lutum niet van invloed is op de resultaten. De resultaten zijn voldoende representatief. In het analysecertificaat 12887231 is een opmerking opgenomen voor de analyse barium in monster MM06. Het gehalte is indicatief omdat de hoeveelheid toegevoegd zuur niet voldoende is om het hoge organische gehalte te maskeren. Aangezien het gehalte barium niet verhoogd is gemeten in dit monsters, is het resultaat voldoende representatief.
In het analysecertificaat 12887231 is een opmerking opgenomen voor de analyse PCB in monster MM06. De rapportagegrens is verhoogd in verband lage droge stof. Aangezien het gehalte PCB niet verhoogd is gemeten in dit monsters, is het resultaat voldoende representatief.
Stantec | m18b0225.r01 17
4.0
BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN
In dit hoofdstuk wordt de verontreinigingssituatie beschreven op basis van de onderzoeksresultaten. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten getoetst aan de in hoofdstuk 2 geformuleerde hypothese.
4.1
ALGEMENE BODEMKWALITEIT
Grond In de zandige (oorspronkelijke) bovengrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In de zandige, zwak puinhoudende ondergrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten koper, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie gemeten. De verontreiniging hangt hoogstwaarschijnlijk samen met de aangetroffen puin bijmenging. In de zandige schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In de kleiige ondergrond zijn licht verhoogde gehalten kwik, lood en molybdeen gemeten. De herkomst van deze verhoogde gehalten is onbekend. Waarschijnlijk is sprake van verhoogde achtergrondwaarden. In de venige ondergrond zijn licht verhoogde gehalten kwik, lood, nikkel, zink en molybdeen gemeten. De herkomst van deze verhoogde gehalten is onbekend. Waarschijnlijk is sprake van verhoogde achtergrondwaarden. Ter plaatse van de verdachte locaties, de brandstofopslagplaatsen, zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Ter plaatse van boring 10 is van 0,4 – 0,7 m-mv een sterk verhoogd gehalten zink en licht verhoogde gehalten cadmium, kobalt, koper, lood, molybdeen en nikkel gemeten. De verontreiniging hangt samen met de aangetroffen puin bijmenging. Ter verticale afperking is de laag van 0,7 – 0,9 m-mv van boring 10 geanalyseerd. Hierin zijn geen verhoogde gehalten met zink gemeten. Ter horizontale afperking zijn boringen 101 t/m 104 geplaatst.
In boring 101 (0,7 – 1,0 m-mv) is een licht verhoogd gehalte zink gemeten. In boringen 102 t/m 104 (0,05- 1,0 m-mv) zijn geen verhoogde zink gehalten gemeten. Op basis van deze gegevens is ter plaatse sprake van een verontreiniging met een omvang van 15 m³. Derhalve is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging beperkt zicht tot onder de asfaltverharding en is vermoedelijk het resultaat van de sterke puinbijmenging. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarden en/of detectiegrenzen gemeten.
Stantec | m18b0225.r01 18
Grondwater In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties barium en xylenen gemeten. Ter plaatse van deellocatie A is licht verhoogde concentraties xylenen gemeten. Ter plaatse van deellocatie B zijn geen verhoogde concentraties gemeten. De herkomst van deze verontreinigingen is onbekend. Mogelijk is sprake van verhoogde achtergrondwaarden. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarden en/of detectiegrenzen gemeten. Een verhoogde troebelheid (> 10 NTU) kan invloed hebben op het meetresultaat. Bij een te hoge troebelheid kan een overschatting van het meetresultaat voor organische verbindingen (minerale olie, vluchtige (aromatische en gechloreerde) koolwaterstoffen, PAK en PCB) plaatsvinden. Er kan daardoor ten onrechte vastgesteld worden dat sprake is van een grondwaterverontreiniging. In het grondwater afkomstig uit alle peilbuizen is een NTU >10 aangetoond. Voor één of meerdere organische verbindingen is een overschrijding van de streefwaarde(n) aangetoond. De tussenwaarde(n) wordt echter niet overschreden. De verhoogde troebelheid kan een (geringe) invloed hebben gehad op deze verhoogde concentratie. Echter omdat de tussenwaarde niet wordt overschreden is ons inzien geen noodzaak tot aanvullend onderzoek.
4.2
INDICATIEVE TOETSING BESLUIT BODEMKWALITEIT
De analyseresultaten van de geanalyseerde grond(meng)monster(s) zijn indicatief getoetst aan de, normwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bron 8) behorende bij het Besluit bodemkwaliteit (bron 9). De in het laboratorium gemeten gehalten zijn hierbij omgerekend naar standaard bodem op basis van de gemeten lutum- en organische stofpercentages. De uitwerking van deze (indicatieve) toetsing is opgenomen in bijlage 3. Het betreft hier een indicatieve toetsing conform het generieke beleid (landelijke beleid). Bij gebiedsspecifiek beleid dient te worden getoetst aan het door het bevoegd gezag vastgestelde lokale bodembeleid (bodembeheernota, bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart) met lokale maximale waarden en eventueel aanvullende specifieke eisen ten aanzien van grondverzet. Over het algemeen kan de vrijkomende bovengrond worden ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. De vrijkomende ondergrond kan worden ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Industrie.
Toelichting hergebruik grond (milieuhygiënische verklaring) Voor een definitieve vaststelling van de bodemkwaliteitsklasse is in veel gevallen een partijkeuring conform AP04 vereist. Een dergelijke keuring onderscheidt zich van het onderhavige onderzoek door een intensievere bemonstering, een aangepaste monstervoorbehandeling in het laboratorium, zowel monstername als analyse in duplo en in enkele gevallen uitloogonderzoek.
Stantec | m18b0225.r01 19
4.3
SAMENVATTENDE TABEL BODEMKWALITEIT EN VEILIGHEIDSKLASSE
In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de indicatieve toetsing aan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit en het Besluit bodemkwaliteit conform het generieke beleid (landelijke beleid). Tevens wordt de, op basis van de indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit bepaalde, voorlopige veiligheidsklasse weergegeven.
Tabel 4: (Indicatieve) toetsing analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering 2013 en de Regeling/het Besluit bodemkwaliteit Analysemonster Boringen (cm-mv) Algemene bodemkwaliteit 01, 02, 03, 04, MM01 (0-120) 05, 7, 8 09, 11, 13, 15, MM02 (5-100) 16, 18, 19, 20
MM03 (40-100)
06, 14, 16
MM04 (50-200)
01, 07, 19 01, 09, 10, B01
MM05 (50-200) MM06 (100-220)
06, 19, A01, B01
M10-4 (40-70)
10
Toetsing Wbb >AW
>T
>I
-
-
-
koper, lood, zink, PAK, som PCB (7) , minerale olie kwik, lood, molybdeen kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink cadmium, kobalt, koper, lood, molybdeen, nikkel
Toetsing Bbk
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 132)
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400)
-
AW
Geen
Basishygiëne
-
-
AW
Geen
Basishygiëne
-
-
Industrie
Basisklasse
Basishygiëne
-
-
AW
Geen
Basishygiëne
-
-
Industrie
Basisklasse
Basishygiëne
-
-
Industrie
Basisklasse
Basishygiëne
-
zink
NIET
Basisklasse
Basishygiëne
Verdachte deellocaties A01 MA01-2 (20-40) MB01-2 (10-30) B01
-
-
-
AW AW
Geen Geen
Basishygiëne Basishygiëne
Nader onderzoek M10-5 (70-90) 101-1 (70-100) 102-3 (50-80) 103-1 (70-100) 104-1 (5-50)
zink -
-
-
AW Industrie AW AW AW
Geen Basisklasse Geen Geen Geen
Basishygiëne Basishygiëne Basishygiëne Basishygiëne Basishygiëne
10 101 102 103 104
Stantec | m18b0225.r01 20
Toelichting: AW: Wonen: Industrie: NIET:
Bodemkwaliteitsklasse AW; Bodemkwaliteitsklasse Wonen; Bodemkwaliteitsklasse Industrie; Niet toepasbaar.
Tabel 5: Resultaten grondwater Peilbuis
SRC
ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400)
Filterstelling
Toetsing Wbb
(cm-mv)
>S
>T
>I
75%
100%
barium, xylenen -
-
-
-
-
Basishygiëne
-
-
-
-
Basishygiëne Basishygiëne
Algemene kwaliteit grondwater 06 16
100-200 100-200
Verdachte deellocaties A01 100-200 xylenen B01 120-220 - geen verhoogde gehalten gemeten
4.4
Basishygiëne
TOETSING HYPOTHESE
Onverdachte locatie Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de in paragraaf 2.6 opgestelde hypothese niet aanvaard, op basis van de sterke verontreiniging met zink aangetroffen bij boring 10. De licht verhoogde gehalten kunnen worden beschouwd als (verhoogde) achtergrondwaarden. De bij boring 10 aangetroffen verontreiniging is voldoende afgeperkt. De verontreiniging wordt gerelateerd aan de sterke puinbijmenging en bevindt zich onder de asfaltverharding. Deellocatie A De opgestelde hypothese voor deellocatie A wordt aanvaard, in verband met de aangetroffen verontreiniging met xylenen in het grondwater. Deze verontreiniging is als gevolg van langdurig gebruik van de onderzoekslocatie. Vergelijkbare concentraties worden ook aangetroffen op het onverdachte deel van de locatie. Deellocatie B De opgestelde hypothese voor deellocatie B wordt niet aanvaard, hier zijn geen verontreinigingen aangetroffen.
Stantec | m18b0225.r01 21
5.0
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken:
Conclusies •
• •
• • • • •
• •
• •
De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot een diepte van circa 0,51,7 m-mv globaal uit zand, gevolgd door klei tot een diepte van 0,5 tot de maximale boordiepte. Daaronder is bij enkele boringen een veenlaag aangetroffen van 0,8 tot maximaal boordiepte. Aan het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Visueel is in het opgeboorde materiaal geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het opgeboorde materiaal zijn bij enkele boringen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Deze bijmengingen bestaan voornamelijk uit puin (zwak tot sterk) en zijn hoogstwaarschijnlijk het gevolg van het opmengen van de puinlaag met de bodem. In de zandige bovengrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In de zandige ondergrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten koper, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie gemeten. In de kleiige ondergrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten kwik, lood en molybdeen gemeten. In de venige ondergrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink gemeten. In de zandige grond van boring 10 (0,4-0,7 m-mv) zijn sterk verhoogde gehalten zink en licht verhoogde gehalten cadmium, kobalt, koper, lood, molybdeen en nikkel aangetroffen. Deze verontreiniging met zink is zowel horizontaal als verticaal afgeperkt.
Op basis van dit onderzoek is ter plaatse van boring 10 sprake van een verontreiniging met een omvang van 15 m³. Derhalve is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde concentraties barium en xylenen gemeten. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de locatie in milieuhygiënisch opzicht geschikt geacht voor de huidige en toekomstige bestemming. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Er dient rekening te worden gehouden met de op de locatie aanwezige verontreiniging met zink. Geadviseerd wordt om deze op een natuurlijk moment te saneren. Door de aard en concentraties van de in de grond aanwezige stoffen kent bij eventuele graafwerkzaamheden vrijkomende grond mogelijk een beperkt hergebruik. Eventueel vrijkomende grond kan waarschijnlijk op of buiten de locatie worden hergebruikt.
Aanbevelingen • •
Het verdient altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem. Indien vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen.
Stantec | m18b0225.r01 22
BRONVERMELDINGEN 1.
NEN 5740, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, NEN, 1 januari 2009 + NEN 5740/A1, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, NEN, februari 2016. 2. NEN 5725, ‘Bodem- Landbodem- Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek’, Nederlands Normalisatie-instituut, januari 2009. 3. NTA 5755, ‘Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek Onderzoek naar de aard en omvang van de bodemverontreiniging’, Nederlands Normalisatieinstituut, juli 2010. 4. BRL SIKB 2000, ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 5, 12 december 2013. 5. Protocol 2001, ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 3.2, 12 december 2013. 6. Protocol 2002, ‘Het nemen van grondwatermonsters’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 4, 12 december 2013. 7. Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant nummer 16675, 27 juni 2013. 8.
Regeling bodemkwaliteit, regeling van 13 december 2007, houdende regels voor de uitvoering van de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr. 247, 20 december 2007 en bijbehorende wijzigingen en besluiten. 9. Besluit bodemkwaliteit, besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr. 469, 3 december 2007 en bijbehorende wijzigingen, besluiten en rectificaties. 10. CROW-publicatie 132 ‘Werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water’, juli 2014. 11. CROW-publicatie 400 ‘Werken in of met verontreinigde bodem’, december 2017.
Stantec | m18b0225.r01 23
Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 5: Bijlage 6:
Overzichtskaart (1:12.500) Situatietekening (1:750) Verklarende woordenlijst Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Analysecertificaten en gaschromatogrammen Foto’s onderzoekslocatie
Bijlage 1: Overzichtskaart (1:12.500)
Verkennend en nader bodemonderzoek Rietschuur Kriekenoord Diemen Overzichtskaart Legenda
)J
Projectlocatie
0
200
400
600
800
1.000 m
±
Opdrachtgever:
Gemeente Diemen
Datum: Schaal: Status:
13-12-2018
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
M18B0225 A3 landscape KIHE
1:12.500 Concept
F:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M18\M18B0225\10_output
J )
Bijlage 2: Situatietekening (1:750)
Verkennend en nader bodemonderzoek Rietschuur Kriekenoord Diemen Situatietekening
! (
D
ú8ú
20
! (
19
! (
17
B01
15
ú8ú
13
! (
14
Projectgebied
ú8ú ?
11
210 %102 % 2 ! ( 103 101 % 2 % 2 106 2 % 104
! (
! (
D
06
?
! . ! .
105
08
07
09
ú8ú
05
04
! (
03
02
103 106
D
Boring tot 2,0 m-mv
Gedempte sloot
D
! (
Boring tot 1,5 m-mv
Gronddepot - minimale dikte 50 cm A01
102
Boring tot 1,0 m-mv
Zink > I (traject 0,4 - 0,7 m-mv)
12
105
104
Boring tot 0,5 m-mv
D
16 - voormalige dieseltank
2 %
10
! (
2 %
?
! (
101
Peilbuis tot 3 m-mv
! .
ú8ú
?
! (
?
01
1:250
0
10
20
30
40
50 m
±
Opdrachtgever:
Gemeente Diemen
Datum: Schaal: Status:
8-1-2019
Projectnummer: Formaat: Tekenaar:
M18B0225 A3 landscape LUSC
1:750 Concept
F:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M18\M18B0225\10_output
! (
Legenda
18
Bijlage 3.1: Verklarende woordenlijst
VERKLARENDE WOORDENLIJST Een grond- en/of grondwaterverontreiniging kan veroorzaakt worden door verschillende parameters. Soms betreft het stoffen die van nature in de bodem voorkomen. In andere gevallen is er sprake van milieuvreemde stoffen. Om een indicatie te krijgen van een eventuele grond(water)verontreiniging worden analyses uitgevoerd op verschillende parameters.
Toetsingskader Sinds oktober 2008 zijn in het kader van de Wet bodembescherming de streefwaarden (grondwater) en interventiewaarden (grond en grondwater) van kracht en daarmee het toetsingskader voor beoordeling van de kwaliteit van grond en grondwater. Daarnaast gelden voor de toepassing van grond de (landelijke) achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit.
Achtergrondwaarde (grond) De Achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond.
Streefwaarde (grondwater) Als de streefwaarde wordt overschreden is er sprake van bodemverontreiniging. Voor de stoffen die van nature voorkomen, komt de streefwaarde overeen met het zogenaamde ‘gemiddelde achtergrondgehalte’. Voor stoffen die niet van nature in de bodem voorkomen is de streefwaarde gelijkgesteld aan de aantoonbaarheidsgrens van de huidige analysetechnieken, ook wel ‘detectiegrens’ genoemd.
Tussenwaarde Deze waarde geeft de milieukwaliteit aan, waarbij er sprake is van verhoogde, maar in het algemeen niet potentieel onaanvaardbare, risico's voor mens en milieu. Het betreft een rekenkundig gemiddelde van de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) en de Interventiewaarde, dat niet rechtstreeks aan een specifiek risiconiveau is gekoppeld. Overschrijding van deze waarde heeft slechts een indicatieve functie, namelijk het aangeven van de noodzaak om een nader onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uit te voeren. Grond of grondwater die de tussenwaarde wel maar niet de interventiewaarde overschrijdt, wordt aangeduid als matig verontreinigd.
Interventiewaarde De interventiewaarde is de waarde die aangeeft bij welke concentratie sprake kan zijn van een dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor plant, mens en dier.
Toetsingswaarden asbest Voor asbest in grond geldt alleen een interventiewaarde c.q. restconcentratienorm. Deze norm is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. asbest (gewogen). De Interventiewaarde voor asbest is gebaseerd op het verwaarloosbaar risiconiveau (VR). Grond met een gehalte aan asbest (gewogen) lager dan de Interventiewaarde mag hierdoor als niet verontreinigd worden aangemerkt. Het gewogen gehalte aan asbest wordt berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met tienmaal het gehalte aan amfibool asbest.
Geval van ernstige bodemverontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde en de verontreiniging is ontstaan voor 1987. Asbest is uitgezonderd van dit volumecriterium.
BRL SIKB 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek Alleen bedrijven die door het Ministerie van I en M zijn erkend mogen veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek verzorgen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Zij zijn ook de enigen die voor deze activiteit het keurmerk ‘Kwaliteitswaarborging bodembeheer SIKB' mogen voeren. Bedrijven met een erkenning staan vermeld op de lijst met erkende veldwerkers bij milieuhygiënisch bodemonderzoek op de website van Rijkswaterstaat Leefomgeving (www.rwsleefomgeving.nl)).
Besluit bodemkwaliteit Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Volgens dit besluit kan per gemeente een beleid worden gevoerd, waarin rekening gehouden is met lokale omstandigheden. Per gemeente dient voor toepassing gecontroleerd te worden of er sprake is van gebiedsspecifiek beleid of dat de generieke normen van het besluit van toepassing zijn. Voor de ontvangende bodem dient de bodemkwaliteit te zijn vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden afgeleid van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Als geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld moet met bodemonderzoek de kwaliteit van de ontvangende bodem worden vastgesteld. Een dergelijk onderzoek dient tenminste te worden uitgevoerd volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740.
PARAMETERS Asbest Asbest is een verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen, die zijn opgebouwd uit fijne, microscopisch kleine vezels. Losse asbestvezels zijn met het blote oog niet zichtbaar. Asbestvezels zijn sterk en flexibel tegelijk. Bovendien zijn ze thermisch en elektrisch isolerend, bestand tegen zuren en logen en hebben ze een hoge wrijvingsweerstand. Hierdoor zijn ze geschikt voor veel verschillende toepassingen, als: • golfplaten; • waterleidingbuizen; • rem- en frictiemateriaal; • isolatiemateriaal. Asbest is met name na de Tweede Wereldoorlog veel gebruikt. Niet-hechtgebonden asbest is sinds 1983 vrijwel niet meer toegepast. De beroepsmatige toepassing en verkoop van alle soorten asbest is sinds 1 juli 1993 volledig verboden.
Minerale olie Onder verontreinigingen met minerale olie vallen o.a. benzine, diesel en huisbrandolieverontreinigingen. Verontreinigingen met minerale olie komen veelvuldig voor. Minerale olie is in de meeste gevallen in de bodem terechtgekomen door lekkage bij ondergrondse tanks of calamiteiten. Een olieverontreiniging is in de meeste gevallen goed zintuiglijk waarneembaar door geurafwijkingen en/of met behulp van de olie-op-watertest. Bij de olie-op-watertest wordt een beetje grond in water gebracht. De in de grond aanwezige olie komt boven drijven en wordt zichtbaar als een oliefilm. Na analyse kan in de meeste gevallen een redelijk betrouwbare indicatie worden gegeven van de oliesoort. Indien sprake is van een benzineverontreiniging dient tevens rekening gehouden te worden met een verontreiniging met vluchtige aromaten (BTEXN) en bij nieuwe gevallen met ETBE of MTBE.
Organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) Bestrijdingsmiddelen worden ook wel pesticiden genoemd. Met name bij (voormalige) tuinbouwkassen en akkerbouw wordt rekening gehouden met deze vorm van verontreiniging. DDT en drins zijn bekende voorbeelden.
Polychloorbifenylen (PCB) PCB zijn olieachtige vloeistoffen die veel zijn toegepast in transformatoren en condensatoren vanwege hun goede elektrisch-isolerende eigenschap in combinatie met het bestand zijn tegen hoge temperaturen. In het verleden zijn PCB ook toegepast in producten als motorolie, tl-armaturen, inkt, lijm en verf. Tegenwoordig zijn PCB op de zwarte lijst geplaatst en is de toepassing ervan verboden. PCB zijn voor mens en dier met name schadelijk omdat zij de eigenschap hebben om zich op te hopen in vet.
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) PAK zijn teerachtige producten. PAK wordt gevormd bij diverse verbrandings- en chemische processen, veelal door onvolledige verbranding van koolstofverbindingen. PAK kan in hoge gehaltes voorkomen in asfalt, steenkoolteer, pek, creosoot, diverse oliesoorten, zuiveringsslib en dakbedekkingsmaterialen. In de bodem komen PAK-verbindingen vaak voor in combinatie met koolas of sintels. In totaal bestaan er circa 250 verschillende PAK-verbindingen. Bij analyse op PAK ten behoeve van bodemonderzoek wordt een selectie van deze verbindingen geanalyseerd, bijvoorbeeld de zogeheten zestien van EPA of tien van VROM. Enkele PAK-verbindingen, zoals benzo(a)pyreen, zijn carcinogeen ofwel kankerverwekkend.
Vluchtige aromaten (BTEXN) Vluchtige aromaten (BTEXN = benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen) worden bereid uit aardolieën. Ze zijn met name aanwezig in benzine en oplosmiddelen (bv. thinner). Ze zijn vrij vluchtig en hebben een sterk oplossend vermogen voor een groot aantal kunststoffen. Van bijvoorbeeld benzeen is bekend dat het kankerverwekkend is.
Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOH/ VOCl) Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen zijn koolwaterstoffen met een halogeenverbinding, met name chloor is in dit kader bekend. VOH/ VOCl worden veel gebruikt als ontvettings- en schoonmaakmiddelen bij chemische wasserijen, metaalindustrie en drukkerijen. Met name verontreinigingen met ‘Per’ (tetrachlooretheen) en ‘Tri’ (trichlooretheen) komen veel voor. Per en Tri hebben een hoog soortelijk gewicht (zwaarder dan water) en zijn vrij vluchtig. Ook deze stoffen hebben een sterk oplossend vermogen voor een groot aantal kunststoffen. Van deze stoffen is bekend dat ze het zenuwstelsel aan kunnen tasten.
Zware metalen Zware metalen komen van nature in kleine hoeveelheden voor in de bodem. In deze hoeveelheden zijn ze niet schadelijk voor volksgezondheid of milieu. Grote (schadelijke) hoeveelheden zware metalen zijn in veel gevallen in het milieu terecht gekomen door: • verwerking metaalertsen; • metaalbewerking; • metaaloppervlaktebehandeling (galvaniseren/emailleren); • glazuren van aardewerk (loodwit); • metalen in drukinkt, cosmetica, katalysatoren, accu's, batterijen en verbrandingsafval (sintels, cokes, vliegas, slakken). Zware metalen komen in de bodem vaak in combinatie met puin en aardewerk voor. Door toepassing van lood als antiklopmiddel in benzine zijn grote hoeveelheden lood diffuus verspreid in het milieu terecht gekomen, vooral langs wegen en in stedelijke gebieden.
Bijlage 3.2: Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel)
Projectnaam Projectcode
Kriekenoord Diemen M18B0225
Tabel: Analyseresultaten grond (as3000) monsters (gehalten in mg/kgds, tenzij anders aangegeven) Monstercode Bodemtypebt)
Malen van monstermateriaal (-)
M10-41 1 or
organische stof (gloeiverlies) (% vd DS) organische stof (gloeiverlies) (% vd DS)
br
#
droge stof (gew.-%) 93.1 gewicht artefacten (g) <1 aard van de artefacten (-) Geen
MA01-22 2 or
br
MM014 4 or
br
-
--
--
83.2
--
--
95.3
--
--
83.3
--
--
--
--
<1
--
--
<1
--
--
<1
--
--
--
Geen
--
Geen
--
Geen
--
<0.5
--
-
2.5
-
br
--
-
--
-
--
--
--
--
-
-
4.1
--
--
KORRELGROOTTEVERDELING lutum (bodem) (% vd DS) <1 --
--
-
-
1.3
--
--
-
-
20 <0.2 2.2 <5 <0.05 11 <0.5 7.4 23
77.5 0.22 7.73 6.75 0.0494 16.7 0.35 21.6 51.8
METALEN barium+ cadmium kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink
1.7
MB01-23 3 or
100 0.99 5.2 25 0.06 140 1.7 13 360
388 1.7 18.3 51.7 0.0862 220 1.7 37.9 854
* * * * * * ***
VLUCHTIGE AROMATEN benzeen tolueen ethylbenzeen xylenen (0.7 factor) totaal BTEX (0.7 factor) naftaleen -
<0.05 <0.05 <0.05 0.07 0.18 <0.05
0.14 0.14 0.14 0.28 ---
POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN naftaleen <0.01 --pak-totaal (10 van VROM) (0.7 factor) 0.827 0.827 POLYCHLOORBIFENYLEN (PCB) som PCB (7) (0.7 factor) (µg/kgds) 4.9 24.5 MINERALE OLIE totaal olie C10 - C40
<20
70
a
-
<20
56
---
<0.05 <0.05 <0.05 0.07 0.18 <0.05
0.175 0.175 0.175 0.35 ---
---
-
-
<0.01
--
-
0.194
0.194
-
4.9
12
<20
34.1
<20
70
Monstercode en monstertraject 1 12886559-001 M10-4 M10-4 10 (40-70) 2 12886559-002 MA01-2 MA01-2 A01 (20-40) 3 12886559-003 MB01-2 MB01-2 B01 (10-30) 4 12886559-004 MM01 MM01 01 (0-50) 02 (0-50) 03 (0-50) 04 (70-120) 05 (50-100) 07 (50-70) 08 (0-50)
--
De resultaten zijn voor de interventiewaarde getoetst aan de toetsingswaarden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatcourant 27 juni 2013, Nr. 16675 en voor de achtergrondwaarde aan het Besluit Bodemkwaliteit, Staatscourant 20 december 2007, Nr. 247. Tevens zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd: De gewijzigde grenswaarden van een aantal OCB (per 30-07-2008) (www.Senternovem.nl) en de wijziging in de Staatscourant 67 van 7 april 2009 en met wijzingen zoals beschreven in de Staatscourant nr. 22335 (02-11-2012). * ** *** -# a
b
+
or br
bt)
het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde het gehalte is groter dan de interventiewaarde geen toetsingswaarde voor opgesteld niet geanalyseerd Verhoogde rapportagegrens, voor meer informatie zie analysecertificaat gecorrigeerd gehalte is groter dan of gelijk aan de achtergrondwaarde (of geen achtergrondwaarde voor opgesteld), maar wel kleiner dan de RBK rapportagegrens zoals beschreven in de Staatscourant nr. 22335 (02-11-2012), dus mag verondersteld worden kleiner dan de achtergrondwaarde te zijn. gecorrigeerd gehalte is groter dan de achtergrondwaarde (of geen achtergrondwaarde voor opgesteld), en groter dan de RBK rapportagegrens zoals beschreven in de Staatscourant nr. 22335 (02-11-2012). De interventiewaarde voor barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene verontreiniging en geen sprake is van thermisch gereinigde grond en baggerspecie. Origineel resultaat Omgerekend resultaat De achtergrond- en interventiewaarden zijn afhankelijk van de bodemsamenstelling.
Voor de toetsing zijn de grond (as3000) monsters ingedeeld in de volgende bodemtypen: (als humus/lutum niet is gemeten geldt een default waarde van lutum = 25% en organische stof = 10%.) 1: lutum 1% humus 1.7% 2: lutum 25% humus 2.5% 3: lutum 25% humus 0.5% 4: lutum 1.3% humus 4.1%
Projectnaam Projectcode
Kriekenoord Diemen M18B0225
Tabel: Analyseresultaten grond (as3000) monsters (gehalten in mg/kgds, tenzij anders aangegeven) Monstercode Bodemtypebt)
MM021 5 or
droge stof (gew.-%) 84.9 gewicht artefacten (g) <1 aard van de artefacten (-) Geen
MM032 6 or
br
MM043 7 or
br
MB01-64 8 or
br
br
--
--
74.0
--
--
81.5
--
--
68.4
--
--
--
--
<1
--
--
<1
--
--
45
--
--
--
Geen
--
Geen
--
Stenen
--
--
3.6
--
--
1.3
--
--
8.9
--
--
KORRELGROOTTEVERDELING lutum (bodem) (% vd DS) <1 --
--
4.3
--
--
1.0
--
--
3.2
--
--
100 <0.2 4.2 42 0.10 66 0.92 13 120
301 0.217 11.8 76.6 0.137 96.9 0.92 31.8 246
*
<20 <0.2 1.9 <5 <0.05 <10 <0.5 6.6 <20
54.2 0.241 6.68 7.24 0.0503 11 0.35 19.2 33.2
93 0.48 5.4 33 0.22 85 2.0 15 200
313 0.618 16.8 53.4 0.294 116 2 39.8 384
* * * * * * * *
--
<0.01
--
0.02
--
--
*
0.447
0.447
14.23
14.2
*
36.1
40.6
*
130
146
organische stof (gloeiverlies) (% vd DS)
METALEN barium+ cadmium kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink
0.5
<20 <0.2 1.8 <5 <0.05 <10 <0.5 5.2 <20
54.2 0.241 6.33 7.24 0.0503 11 0.35 15.2 33.2
POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN naftaleen <0.01 --0.07 -pak-totaal (10 van VROM) (0.7 factor) 0.234 0.234 8.37 8.37 POLYCHLOORBIFENYLEN (PCB) som PCB (7) (0.7 factor) (µg/kgds) 4.9 24.5 MINERALE OLIE totaal olie C10 - C40 <20
70
a
* *
9.4
26.1
*
4.9
24.5
90
250
*
30
150
--