CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 DUO+ gemeenschappelijke regeling

Gemeenteraadsvergadering 18 september 2025, gemeente DiemenBij agendapunt: Voorstel tot wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Duo+14.402 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 6 Kwaliteitsborging Duo+ moet zorgen voor een zorgvuldige en hoogwaardige uitvoering van de taken. In dat verband worden door het bestuur kwaliteitsnormen vastgesteld die gelden voor elke deelnemer. De (basis)kwaliteitsnormen worden beschreven in het dienstverleningshandvest, waartoe vervolgens in de dienstverleningsovereenkomst met bijhorende werkplannen maatwerk kan worden toegepast. Artikel 7 Samenstelling bestuur Dit artikel gaat over de samenstelling van het bestuur en de plaatsvervanging van bestuurders. Dit moet in de GR geregeld worden (art. 10 lid 3 Wgr). Daarbij is rekening gehouden met de wettelijke bepaling dat de leden van het bestuur door en uit de deelnemende colleges moeten worden aangewezen (art. 14a Wgr). Er is voor gekozen om ieder college een lid – de burgemeester – aan te laten wijzen (lid 1). Mocht het voorkomen dat een lid van het bestuur verhinderd is, dan kan dat lid vervangen worden door de door het betreffende college aangewezen plaatsvervanger (de loco-burgemeester). De zittingsduur van de leden van het bestuur en hun vervangers hangt samen met hun ambtstermijn. Dit komt tot uitdrukking in het tweede en derde lid. Artikel 8 Werkwijze Het bestuur dient een reglement van orde vast te stellen. Dit is, in tegenstelling tot het openbaar lichaam (art. 22 lid 1 Wgr jo. art. 16 Gemeentewet), op basis van de Wgr geen verplichting voor de bvo.

Er is echter toch gekozen voor een regelement van orde, omdat het duidelijkheid en kaders biedt voor de vergaderingen van het bestuur en zijn andere werkzaamheden. In het reglement van orde kunnen onder andere bepalingen met betrekking tot openbaarheid worden opgenomen. Hierbij zijn de bepalingen van de Wgr en de Gemeentewet leidend. Lid 2 Het bestuur moet de regels uit de Wgr zelf (art. 22 lid 2 Wgr) over het minimale aantal vergaderingen volgen, namelijk een minimum van twee vergaderingen per jaar. Aanvullend daarop is in lid 2 bepaald dat het bestuur tevens vergadert indien en of meer leden van het bestuur - hieronder tevens te verstaan de voorzitter daarom verzoekt. Lid 4 De algemeen directeur Duo+ is als adviseur aanwezig. Deze heeft daarin geen formele stem. Artikel 9 Stemming en besluitvorming Elk lid van het bestuur heeft één stem zodat er sprake is van een gelijke stemverdeling over de drie gemeenten (één stem per gemeente). Door de gehanteerde stemverhouding, die uitgaat van een gelijke stemverdeling tussen de gemeenten, wordt de samenwerkingsgedachte achter de regeling benadrukt. Lid 3 Besluitvorming binnen het bestuur vindt plaats op basis van gewone meerderheid stemmen, tenzij het een onderwerp betreft waarvoor op grond van lid 3 unanimiteit van stemmen geldt. Van unanimiteit spreekt men als alle stemmen voor of alle stemmen tegen zijn.

Een besluit is dan unaniem aangenomen of afgewezen. Artikel 10 Bevoegdheden bestuur Lid 1 In lid 1 van dit artikel is bepaald dat alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet van toepassing op Duo+ toekomen aan het bestuur. Art. 10 lid 2 Wgr bepaalt dat de regeling aangeeft welke bevoegdheden de besturen van de deelnemende gemeenten aan het bestuur van de bvo hebben overgedragen. In deze regeling is er geen sprake van overdracht van bevoegdheden middels delegatie. Het bestuur beschikt over bevoegdheden die aan het bestuur zijn geattribueerd of gemandateerd.

21

Lid 2 Omwille van overzicht en duidelijkheid zijn in lid 2 de bevoegdheden die het bestuur in ieder geval heeft, op een rij gezet. Voor het merendeel betreffen dat bevoegdheden die ook elders in de regeling zijn opgenomen. Alle bevoegdheden moeten gelezen worden in directe relatie tot het samenwerkingsverband. Zo wordt met ‘de begroting’ (sub a) de begroting van Duo+ bedoeld en zien de rechtspositionele regelingen (sub h) enkel op rechtspositionele regelingen betreffende het personeel van Duo+. Ook de verordeningen (sub e) hebben enkel betrekking op de verordeningen die specifiek voor de organisatie van Duo+ zijn bedoeld, zoals de financiële verordeningen. Zodoende omvat lid 2 sub e niet verordeningen die rechtstreeks verband houden met de beleidsvelden. Dergelijke verordeningen worden door de individuele gemeenten vastgesteld. Lid 4 Met lid 4 heeft het bestuur de mogelijkheid om te besluiten tot de oprichting van en de deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Op grond van art. 31a Wgr is hiervoor vereist dat de regeling in deze mogelijkheid voorziet als het bestuur hiertoe wil besluiten. De mogelijkheid om deel te nemen in stichtingen etc. geeft flexibiliteit bij de uitvoering van taken binnen Duo+.

De gemeenteraden kunnen bij een voornemen daartoe, wensen en bedenkingen indienen. Artikel 11 Voorzitter Het bestuur wijst uit zijn midden een lid als voorzitter aan, die de leiding heeft over de vergaderingen van het bestuur. Dit voorzitterschap (en de vervanging ervan) rouleert in beginsel tweejaarlijks per 1 januari tussen de leden van het bestuur. Het bestuur bepaalt hoe de voorzitter bij afwezigheid vervangen wordt. Op grond van lid 3 ondertekent de voorzitter tezamen met de secretaris de stukken die van het bestuur uitgaan. In artikel 12 lid 4 is dit nogmaals aangegeven onder de beschrijving van secretaris. Artikel 12 Secretaris / algemeen directeur De functie van secretaris van bestuur wordt vervuld door de algemeen directeur van Duo+. Om die reden is in de gewijzigde regeling het artikel ‘algemeen directeur’ samengevoegd met het artikel dat ingaat op de taken en bevoegdheden van de secretaris. Immers, het is één en dezelfde persoon. De secretaris ondertekent mede de stukken die van het bestuur uitgaan. In artikel 11 is aangegeven dat de voorzitter samen met de secretaris de stukken van het bestuur ondertekent. Lid 5 Het is aan het bestuur om verdere invulling te geven aan de functie van secretaris. Artikel 13 Directieberaad Dit artikel gaat nader in op de rol van de drie gemeentesecretarissen van de deelnemers.

De drie gemeentesecretarissen vervullen namens de deelnemers de rol van opdrachtgever. Om die reden werken zij nauw samen met de algemeen directeur van Duo+, die de rol van opdrachtnemer vervult. Daarnaast hebben zij een adviserende stem richting het bestuur, dat de eigenaarsrol vervult. De verdere invulling van de werkzaamheden en de rollen binnen het directieberaad worden vastgelegd in een directiestatuut. Artikel 14 Informatie- en verantwoordingsplichten Dit artikel werkt de informatie- en verantwoordingsplichten van art. 16 t/m 19 Wgr uit. Dat betekent dat het bestuur als orgaan alleen inlichtingen hoeft te verschaffen en dat ieder individueel lid verantwoording moet afleggen aan het college dat hem heeft aangewezen en aan de eigen raad. In dat kader moet ieder lid ook alle inlichtingen verschaffen die hem gevraagd worden. Lid 5 Aanvullend op de informatie- en verantwoordingsplichten van art. 16 t/m 19 Wgr, is met lid 5 een actieve inlichtingenplicht opgenomen. Deze sluit aan op art. 169 lid 2 van de Gemeentewet. Daardoor ontvangen de raden niet alleen inlichtingen op het moment dat zij erom verzoeken, maar ook op het moment dat het bestuur dat in het kader van lid 5 nodig acht. Er is voor gekozen geen specifieke procedure in verband met informatie- en verantwoordingsplicht te regelen.

Het heeft de voorkeur de binnen de verschillende deelnemers gebruikelijke procedures te gebruiken.

22

Artikel 15 Zienswijzen Met die artikel wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 10 lid 5 en 6 van de Wgr. Het bestuur van Duo+ krijgt de bevoegdheden gemandateerd, waardoor het nagenoeg geen formele besluiten neemt. Om die reden is ervoor gekozen om geen besluiten aan zienswijzen van de gemeenteraden te onderwerpen, anders dan wanneer dit al wettelijk verplicht geldt. Denk aan de ontwerpbegroting (art. 35 Wgr) en de wijziging van de GR (art. 1 Wgr). Verder kennen enkele bevoegdheden ook het verplicht vragen van wensen en bedenkingen aan de raden, wat overeenkomt met een zienswijzenprocedure. Daarbij valt te denken aan de oprichting van of deelneming in private rechtspersonen (art. 31a Wgr). Het kan voorkomen dat het bestuur een ingrijpend besluit neemt en dat dit besluit alsnog voor zienswijzen onderworpen wordt. In een dergelijke situatie moeten tenminste twee gemeenteraden hiertoe verzoeken. Het bestuur mag dan niet eerder beslissen, nadat de gemeenteraden in gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen te geven. Het bestuur is verplicht schriftelijk en gemotiveerd op de zienswijzen te reageren en daarbij aan te geven welke conclusie aan de zienswijze wordt verbonden. Artikel 16 Participatie Met dit artikel wordt voldaan aan de verplichtingen van artikel 10 lid 7 en 8 Wgr.

Omdat het bestuur nagenoeg geen formele besluiten neemt, zijn er geen besluiten die verplicht aan een participatietraject worden onderworpen, anders dan wanneer dit wettelijk verplicht natuurlijk al geldt. Het staat inwoners en belanghebbenden natuurlijk altijd vrij om via de gemeenteraden of andere gemeentelijke kanalen in te spreken. Bij voor de gemeentebesturen of ingezetenen of belanghebbenden ingrijpende besluiten van het bestuur van Duo+ kan het bestuur alsnog beslissen een participatietraject in te zetten. Het bestuur regelt daarbij zelf de procedure van dit traject waarbij in elk geval ingezetenen en belanghebbenden bij het besluit in de gelegenheid moeten worden gesteld inspraak te leveren. Er moet dus een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de te betrekken partijen en ingezetenen zodat deze representatief is voor de gehele groep van belanghebbenden dan wel inwoners. Daarnaast moet een zorgvuldige keuze worden gemaakt tussen het doel van de participatie: is dat louter tijdig informeren, input ophalen, delibereren/beraadslagen enz. Het bestuur informeert de colleges over zijn voornemen tot het volgen van een eigen participatietraject. De colleges én het bestuur maken op de in de gemeenten gebruikelijke wijze bekend dat er een eigen participatietraject wordt gevolgd (Gemeenteblad en Blad gemeenschappelijke regeling).

Aanvullende communicatie (via kranten, huis-aan-huisbladen, website e.d.) kan natuurlijk ook altijd worden ingezet. Artikel 17 Organisatie De algemeen directeur is hoofd van de ambtelijke Duo+ organisatie. Artikel 18 Personeel De bvo Duo+ heeft personeel in dienst. Lid 1 en lid 2 Het aannemen, schorsen en ontslaan van personeelsleden van Duo+ behoort tot de bevoegdheden van het bestuur. Deze bevoegdheid kan gemandateerd worden aan de algemeen directeur. Op het personeel in dienst van Duo+ zijn de bepalingen uit de CAO Samenwerkende gemeentelijke organisaties van toepassing. Artikel 19 t/m 26 Algemeen De artikelen 19 tot en met 26 van de regeling hebben betrekking op de financiën van Duo+. Voor een goed begrip van deze bepalingen is het volgende van belang. In de artikelen 19 t/m 26 van de regeling wordt aan het bestuur van de GR de bevoegdheid toegekend tot vaststelling van verschillende documenten (verordeningen, kadernota, begroting en jaarrekening). Deze bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn wettelijk verankerd in de Wgr. Met de nieuw Wgr verandert ook de zogenaamde planning- en control cyclus, met name de begrotingscyclus. Dit geldt bij alle rechtsvormen waarbij de Wgr verplicht een eigen begroting en jaarrekening voorschrijft, te weten gemeenschappelijke openbare lichamen, gemeenschappelijke organen en bvo’s. De artikelen 34, 34b en 35 Wgr zijn daarom aangepast.

23

Aanvullend is bepaald dat het bestuur een Nota reserves en voorzieningen vaststelt. Het gaat hier nadrukkelijk niet om de bevoegdheid tot vaststelling van, bijvoorbeeld, de gemeentebegroting. De bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het bestuur heeft betrekking op de bedrijfsvoeringstaken (personeel, informatievoorziening, organisatie, administratieve organisatie, communicatie, huisvesting en de daarmee samenhangende financiële aspecten) van Duo+. Als het gaat om de beleidsinhoudelijke kaders en de daarin te maken keuzes berust de verantwoordelijkheid en bevoegdheid volledig en onverkort bij de individuele colleges en gemeenteraden. Voor een nadere toelichting en de specifieke rol van de raad zie de artikelsgewijze uitleg hierna. Artikel 19 Algemene financiële bepalingen Dit artikel bevat een aantal algemene financiële bepalingen. Duo+ moet over voldoende middelen beschikken om aan zijn verplichtingen jegens derden te voldoen (art. 35 lid 7 Wgr jo. art. 194 Gemeentewet). Om die reden moeten gemeenten verplicht meewerken aan de uitvoering van de begroting (art. 10a Wgr jo. art. 194 en 195 Gemeentewet). Lid 2 en lid 3 Dit artikel beschrijft de twee componenten waaruit de bijdrage van de deelnemers maximaal bestaat, afhankelijk van het ondergebrachte takenpakket. Het bestuur stelt een bijdrageverordening vast waarin dit nader wordt uitgewerkt (lid 3).

Bij de verplichtingen aan derden (zie lid 1) gaat het bijvoorbeeld om kosten als salaris- en huisvestingslasten en inkoopcontracten. In de bijdrageverordening worden onder meer afspraken opgenomen over de vaste- en eventuele aanvullende bijdrage van deelnemers. De vaste bijdrage is wat elke deelnemer jaarlijks betaalt aan Duo+, bijvoorbeeld voor de vaste kosten van Duo+, die onder andere zien op de overhead en instandhouding van Duo+. Daarnaast stelt het bestuur jaarlijks, in de begroting van Duo+ per deelnemer de (voorlopige) aanvullende bijdrage vast, bijvoorbeeld op basis van de in dat jaar afgenomen taken met de daarbij behorende werkzaamheden. Tevens kunnen in de bijdrageverordening ook afspraken worden opgenomen over een batig, dan wel negatief exploitatiesaldo. Het is mogelijk dat de vaste- en aanvullende bijdragen gezamenlijk soms zorgen voor een batig exploitatiesaldo. Dit kan dan toegevoegd worden aan de algemene reserve van Duo+ als weerstandsvermogen. Daarbij kan ook worden afgesproken dat de algemene reserve een bepaald percentage niveau mogen hebben. Overstijgt het dit percentage, dan wordt bijvoorbeeld het surplus terugbetaald aan de deelnemers. Soms is het is ook mogelijk dat er juist soms een negatief exploitatiesaldo ontstaat, omdat Duo+ in dat jaar te maken kreeg met onvoorziene calamiteiten/gebeurtenissen.

In een geval dat er een negatief exploitatiesaldo ontstaat en de begroting en algemene reserves niet toereikend zijn om deze kosten te dragen, zijn de deelnemers als eigenaar verantwoordelijk voor het nakomen van (financiële) verplichtingen jegens derden. De categorie ‘derden’ is dus ruim uitlegbaar. Bijvoorbeeld: Duo+ sluit als werkgever arbeidscontracten af met medewerkers. Indien er onverhoopt iets onverwachts gebeurt en de begroting en de algemene reserve zijn niet toereikend om nog de salarissen van de medewerkers te betalen, dan dragen de eigenaren verantwoordelijkheid om financieel bij te dragen. Zodat Duo+ als werkgever haar verplichting nakomt. Hetzelfde kan dus als Duo+ een verplichting is aangegaan met een andere dienstverlener. Artikel 20 Gemeentewet Op de financiën van de bvo zijn de genoemde artikelen uit de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing (art. 35 lid 7 Wgr). Dat is in dit artikel herhaald. Met de toepassing van de Gemeentewet is ook het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van toepassing. Ingevolge de artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet dient het bestuur een (of meerdere) verordening(en) vast te stellen waarin de uitgangspunten van het financiële beleid zijn opgenomen alsmede regels voor het financiële beheer en de inrichting van de financiële organisatie van Duo+, inclusief regels over de wijze van de controle daarop.

24

Artikel 21 Kadernota De cyclus start formeel met de kadernota. Moest deze voorheen voor 15 april verzonden zijn aan de gemeenteraad, is die datum onder de nieuwe Wgr naar achter geschoven, naar 30 april. De bvo heeft dus 15 dagen langer de tijd om het stuk op orde te brengen. Benadrukt moet worden dat het hier om een uiterste termijn gaat. Dat betekent dat in de GR ook een eerdere datum kan worden afgesproken, maar in elk geval geen latere datum. Duo+ heeft niet gekozen voor een eerdere datum in de GR Duo+. De gemeenteraad hoeft formeel niets met de kadernota te doen, anders dan deze natuurlijk voor kennisgeving aan te nemen. Dat laat onverlet dat de raad er wel over kan debatteren en er op kan reageren, maar dat moet de raad dan wel tijdig doen. Als de ontwerpbegroting immers reeds is toegezonden, heeft reageren op de kadernota weinig zin meer. De kadernota is ook één van die besluiten waarbij het interessant kan zijn om deze aan een zienswijze te onderwerpen. Dit wordt krachtens de GR Duo+ ook gedaan. Dat betekent wel dat de kadernota vaak eerder al moet worden toegezonden om de raden ook de tijd te geven te kunnen reageren. De kadernota wordt overigens toegezonden door het bestuur van de bvo. Dit artikel is gebaseerd op art. 34b Wgr.

Artikel 22 Begroting Dit artikel beschrijft de gang van zaken rondom de voorbereiding en de vaststelling van de begroting van Duo+ en is gebaseerd op artikel 35 van de Wgr. De termijn van indiening van de ontwerpbegroting of wijziging is afgestemd op de wijziging dienaangaande in de Wgr en de notitie Planning en Controlfunctie SSO. Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar, overeenkomstig art. 189 lid 4 Gemeentewet. Lid 1 en lid 2 De ontwerpbegroting moet aan de gemeenteraden worden gezonden, twaalf weken voordat zij aan het bestuur wordt aangeboden. Dat was voorheen acht weken. Hoewel artikel 35 Wgr niet expliciet vermeldt dat het hier om een minimale termijn gaat, moet er van worden uitgegaan dat de wet zich er niet tegen verzet wanneer de ontwerpbegroting méér dan twaalf weken voordat deze aan het bestuur wordt aangeboden reeds wordt toegezonden aan de raden. Artikel 35 van de Wgr schrijft wél expliciet voor dat het bestuur de ontwerpbegroting aan de gemeenteraad zendt. Het gaat dus om een rechtstreekse toezending, zonder tussenkomst van het college. Het college mag formeel de zienswijzen indienen. Vanwege de relatie tussen de zienswijze en het budgetrecht van de gemeenteraad, moet aangenomen worden dat de aard van de bevoegdheid om zienswijzen in te dienen zich verzet tegen delegatie of mandatering aan het college.

De raad zou dan immers geen enkel kaderstellend middel hebben ten aanzien van de begroting van een samenwerkingsverband. Dezelfde procedure geldt ook bij een bvo. Omdat de rechtsvorm een ongeleed bestuur kent is er geen apart dagelijks bestuur (of voorzitter). Om die reden schrijft de Wgr voor dat in die gevallen de ontwerpbegroting door het bestuur van de bvo moet worden toegezonden aan de raden. Dit is dus ook zo bij Duo+. Dat moet 12 weken voordat het de begroting vaststelt. Lid 5 Op basis van de gewijzigde Wgr is het voortaan verplicht te reageren op de door de raden ingediende zienswijzen. Het bestuur moet schriftelijk én gemotiveerd aan de gemeenteraden laten weten wat het van de zienswijzen vindt en tot welke conclusie dat heeft geleid. Die ‘terugkoppeling’ moet aan de raden worden gegeven vóórdat het bestuur de begroting vaststelt. Dat moet dan dus geschieden in de periode tussen de aanbieding van de begroting aan het bestuur en het moment van vaststelling door het bestuur. Als het niet in die periode valt, dan moet het binnen de twaalf weken gebeuren die de raad heeft om zienswijzen in te dienen. Lid 6 en 7 De procedure gaat dan verder met de vaststelling van de ontwerpbegroting. Daarin verandert niets ten opzichte van de voorgaande Wgr.

Wat wel nog verandert, is dat de inzending van de vastgestelde begroting aan gedeputeerde staten, als financieel toezichthouder, voortaan niet meer vóór 1 augustus hoeft te geschieden, maar vóór 15 september. Dat betekent dus dat er grofweg zes weken meer zijn voor de procedure, waarbij wel moet worden opgemerkt dat een deel daarvan binnen het zomerreces valt als er geen goed proces wordt uitgelijnd.

25

Artikel 23 Jaarrekening Dit artikel is gebaseerd op art. 34 en 34b Wgr. Het bestuur van de bvo (Duo+) stelt op grond van de artikelen voornoemd de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. Lid 2 Het bestuur van de bvo (Duo+) zendt voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting is vastgesteld de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten (artikel 34 b Wgr). Lid 4 De jaarrekening wordt door het bestuur van de bvo (Duo+) binnen twee weken na vaststelling, doch in elk geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop het jaar betrekking heeft aan de gedeputeerde staten gezonden (artikel 34 Wgr). Artikel 24 Jaarverslag Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 25 Verantwoordingsprotocol Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 26 Reserves en voorzieningen De Nota reserves en voorzieningen bevat bepalingen over de wijze van totstandkoming en het omgaan met reserves en voorzieningen. Deze Nota dient voor wensen en bedenkingen te worden voorgelegd aan de raden van de deelnemende gemeenten. Artikel 27 Archiefbeheer Dit artikel sluit in de basis al aan op de nieuwe Archiefwet, die naar verwachting in januari 2025 in de Tweede Kamer wordt besproken en vervolgens 1 januari 2026 in werking treedt.

Duo+ heeft in de basis de verplichting om zorg te dragen voor eigen archiefbescheiden, als ook de documenten welke zij namens de deelnemers ondertekenen. Omdat gewerkt wordt met mandaat behouden de gemeenten (deelnemers) voor deze documenten zelf de verantwoordelijkheid en dient Duo+ zorg te dragen voor het overbrengen van deze archieven. Dit artikel gaat daar nader op in. Artikel 28 Geschillen De procedure voor geschillenbehandeling bestaat uit een getrapte regeling. Bij een geschil wordt eerst minnelijk getracht tot een oplossing te komen. Daarna volgt consultatie van een geschillencommissie bestaande uit drie onafhankelijke deskundigen. Sluitstuk is het voorleggen van het geschil aan Gedeputeerde Staten (art. 28 Wgr). Gelet op de zwaarte en omvang van de GR heeft dit de voorkeur boven het inschakelen van een mediator. Artikel 29 Klachten Dit artikel regelt het klachtrecht ten aanzien van Duo+ overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het externe klachtrecht is de Nationale Ombudsman bevoegd tot behandeling van klachten. Voor Ouder-Amstel is de Ombudsman Metropool Amsterdam bevoegd. Uithoorn maakt evenals Duo+ gebruik van de Nationale Ombudsman.

26

Artikel 30 Toetreding Op grond van artikel 9, eerste lid van de Wgr houdt de GR bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1 van de Wgr. Artikel 30 van de regeling regelt de procedure voor toetreding van nieuwe partijen, voor zover die partijen daartoe op grond van de Wgr bevoegd zijn. Toetreding kan geschieden bij gelijkluidend besluit van de colleges én het potentieel deelnemende college (art. 1 lid 5 Wgr). De colleges moeten daarvoor toestemming van hun raden hebben (art. 1 lid 4 Wgr), zoals ook het potentieel toetredende college dat nodig heeft. In het toetredingsbesluit wordt bepaald wanneer de toetreding ingaat. Nieuw is dat de raden van de deelnemende gemeenten bij de colleges van hun gemeente binnen acht weken na ontvangst van het ontwerp hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren kunnen brengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte (art 1. lid 3 Wgr). Artikel 31 Wijziging Gewijzigde omstandigheden kunnen aanleiding geven om de regeling te wijzigen.

Daarvoor is met deze bepaling een voorziening getroffen. Het bestuur dan wel een of meerdere van de colleges kan voorstellen voor wijziging van de GR doen. De colleges besluiten hierover unaniem (art. 1 lid 5 jo. lid 1 Wgr), na toestemming van hun raden (art. 1 lid 4 Wgr). Nieuw is dat de raden van de deelnemende gemeenten bij de colleges van hun gemeente binnen acht weken na ontvangst van het ontwerp hun zienswijze over het ontwerp van de regeling naar voren kunnen brengen. Indien de raden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij de colleges hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte (art 1. lid 3 Wgr). De wijziging regelt zelf wanneer deze in werking treedt. Dit kan op grond van art. 26 lid 3 van de Wgr niet eerder dan nadat de regeling bekend is gemaakt. De wijze van bekendmaking is voorgeschreven in art. 26 lid 2 van de Wgr. De bekendmaking is op grond van art. 35 van de regeling belegd bij de gemeente Ouder-Amstel. Artikel 32 Uittreding Het opnemen van een uittredingsbepaling is een verplicht onderdeel van de GR. Artikel 9 Wgr regelt onder andere de uittreding. Uit de woorden ‘met inachtneming van artikel 1’ moet worden afgeleid dat de besluitvorming rond wijziging, opheffing, toetreding en de gevolgen van uittreding door de deelnemende bestuursorganen plaatsvindt. Het bestuur van de GR heeft daarin formeel geen rol.

Volgens de nieuwe Wgr moet in de GR het volgende worden geregeld:  De voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden;  De gevolgen voor het vermogen van het samenwerkingsverband;  De gevolgen voor het vermogen van de deelnemende gemeenten (zowel de uittreder als de overblijvende gemeenten). De procedure rondom de uittreding gebeurd in overeenstemming met het bepaalde in artikel 1 van de Wgr. In de navolgende artikelen is gehoor gegeven aan bovenstaande wettelijke verplichting. Bij elk artikel volgt een korte duiding van het artikel. Daarnaast is het voor elke deelnemer mogelijk om uit te treden. Hiertoe heeft de deelnemer geen instemming nodig van de andere deelnemers. Dergelijke bepalingen zijn komen te vervallen. Lid 5 en verder Uit de jurisprudentie betreffende geschillen met betrekking tot de uittreedsom blijkt dat een uittreedsom in beginsel over een periode van 5 jaar dient te worden berekend. Uit vaste jurisprudentie van de Kroon, de voormalige Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) en de Afdeling volgt, dat bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, het uitgangspunt is dat de uittredende deelnemer de schade van het ‘samenwerkingsverband’ en de overblijvende deelnemers dient te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van het uittreden uit de GR 1.

KB van 14 mei 1985, AB 1985, 424, R03.89.3622, Gst. 6977, 4 en ECLI:NL:RVS:2001:AD7959 27 1

Bij het bepalen van mogelijke toekomstige schade ligt het hanteren van een overbruggingsperiode van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van uittreding, voor de hand, waarbij in aanmerking genomen mag worden dat van het bestuur van het samenwerkingsverband verwacht mag worden dat zij zich binnen die periode kan aanpassen aan de ten gevolge van de uittreding gewijzigde omstandigheden. De uittredende deelnemer dient de directe kosten van uittreding en de schade te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van het uittreden uit de GR. Bij directe kosten gaat het bijvoorbeeld om de kosten die de GR maakt voor het berekenen van de hoogte van de uittreedsom. Voor het bepalen van toekomstige schade wordt een overbruggingsperiode van vijf jaar gehanteerd, gerekend vanaf de datum van uittreding. Deze periode is gekoppeld aan de gangbare beleidscyclus en wordt gezien als een redelijke periode waarbinnen de GR en de achterblijvende deelnemers voldoende gelegenheid hebben om de (financiële) gevolgen van het uittreden op te vangen en de bedrijfsvoering aan te passen. Denk bijvoorbeeld aan het wijzigen van beleid en het takenpakket of het opzeggen en wijzigen van lopende overeenkomsten.

Langlopende financiële verplichtingen (bijvoorbeeld erfpachtcontracten, beheer- en onderhoudsverplichtingen) vormen in beginsel geen grond om een uitzondering te maken op de overbruggingsperiode van vijf jaar. De hoogte van de deelnemersbijdrage kan wel een rol spelen bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom 2. Aan de andere kant kan de uittredingsschade bepaald worden door de directe reële schade als gevolg van de uittreding te berekenen. De termijn waarbij aangesloten kan worden is die van de begrotingssystematiek, in welk verband vijf jaar een redelijke overbruggingsperiode wordt geacht 3. Deze manier om schade te berekenen ligt meer voor de hand indien de GR grote schade leidt door de uittreding. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de uittreding van een deelnemer direct leidt tot de liquidatie van een deel van GR4. Om een lange en (soms) bittere juridische strijd te voorkomen dienen deelnemers allereerst een duidelijke uittredingsregeling af te spreken. Deze regeling kan efficiëntie voorop stellen door een gefixeerd bedrag af te spreken. Of deelnemers moeten een materiële beoordeling overeenkomen door verschillende criteria voor het berekenen van de schadevergoeding vast te stellen. Daarbij kan eventueel afgeweken worden van de vijfjaartermijn die de Afdeling als uitgangspunt neemt voor de berekening van de uittredingsschade. De uittredingssom dient reëel te zijn.

Dat betekent dat de uittredende deelnemer op zijn hoogst verplicht moet zijn die kosten te vergoeden die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding en bijdragen aan de overtallige kosten in de overbruggingsperiode. De zakelijk gerechtvaardigde kosten dus. Daarbij mag verwacht worden dat het bestuur van de GR efficiënt en kosten- en schadebeperkend optreedt. Bijvoorbeeld door de overtollige capaciteit zo snel mogelijk af te bouwen. De artikelen 33 tot en met 35 regelen de uitwerking en nadere regels inzake de procedure voor en condities bij uittreding van een deelnemer. Artikel 33 Procedure voor vaststelling uittredingsplan Dit artikel regelt de procedure voor vaststelling van het uittredingsplan. Met deze procedure hebben alle betrokken partijen ten minste een jaar voorafgaand aan de uitreding een hoge mate van duidelijkheid over de condities voor uittreding en de hoogte van de (voorlopige) uittreedsom. Omdat de hoogte van de uittreedsom in het laatste jaar van deelname aan de regeling nog kan wijzigen bepaalt het zesde lid dat het bestuur binnen zes maanden na het moment van uittreding de definitieve uittreedsom dient te bepalen. De berekening van de voorlopige uittreedsom en de definitieve uittreedsom is gebaseerd op de systematiek van de uittreding en de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

Alleen kosten die het directe gevolg zijn van de uittreding komen voor compensatie in aanmerking. Doordat er uiterlijk zes maanden na uittreding een definitieve uittreedsom bepaald wordt, weten alle partijen waar ze aan toe zijn. Het bestuur biedt de uittredende deelnemer gedurende het uittredingsproces de keuze tussen betaling van de uittreedsom in enkele termijnen of betaling van de uittreedsom in één keer.

ECLI:NL:RVS:2015:1198 ECLI:NL:RVS:2001:AD7959, r.o. 2.5.1 4 ECLI:NL:RVS:1993:AQ0619 28 2 3

Artikel 34 Uittreedsom Dit artikel bepaalt welke kosten als gevolg van de uittreding voor compensatie door de uittredende deelnemer in aanmerking komen. De uittredingsregeling maakt daarbij onderscheid tussen frictiekosten en desintegratiekosten. De definitieve uittreedsom bestaat dus uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten. Alle frictiekosten en desintegratiekosten moeten bij de uittredende deelnemer in rekening gebracht worden. De uittredende deelnemer is verplicht deze kosten te betalen. Het gaat hierbij om het saldo van alle frictiekosten en desintegratiekosten. Eventuele baten van mitigerende maatregelen (bijvoorbeeld overname van overtollig personeel) moeten derhalve worden afgetrokken van de bruto kosten. Ook bij de regeling opgebouwde reserves waartoe de uittredende deelnemer gerechtigd is, dienen te worden verrekend met de verschuldigde frictiekosten en desintegratiekosten. De uittredende deelnemer is verplicht om binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom vastgesteld heeft te betalen. Kosten die de uittredende deelnemer maakt in het kader van de uittreding komen voor rekening van de uittredende deelnemer. Deze kosten kunnen niet in mindering worden gebracht op de uittreedsom.

Artikel 35 Verplichtingen uittreder Het eerste lid van dit artikel regelt een inspanningsverplichting voor de uittredende deelnemer om eventuele boventallige formatie over te nemen van Duo+ als gevolg van de uittreding. De waarde van overgenomen formatie wordt in mindering gebracht op de uittreedsom. Tegenover deze verplichting voor de uittredende deelnemer staat de verplichting van de regeling om zich in te spannen de kosten voor uittreding zo laag mogelijk te houden. Het tweede lid bepaalt dat de bepaling in het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op alle andere verplichtingen van Duo+ die als direct gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden. Artikel 36 Opheffing Dit artikel regelt de opheffing van de GR en de gevolgen daarvan. Lid 1 Daartoe zijn gelijkluidende besluiten van de individuele colleges vereist (lid 1), inclusief de benodigde toestemming van de raden. Lid 3 Het bestuur stelt vervolgens een liquidatieplan op. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. Indien Duo+ alle op haar rustende verplichtingen is nagekomen en een batig saldo resteert, dan wordt dit batig saldo aan de hand van de gehanteerde verdeelsleutel aan gemeenten uitgekeerd.

Resteert een negatief saldo, dan zijn gemeenten (deelnemers) naar rato van de gehanteerde verdeelsleutel gehouden deze verplichtingen op zich te nemen. Lid 5 Duo+ blijft bestaan, zolang dat voor liquidatie noodzakelijk is (art. 9 lid 3 Wgr). Artikel 37 Evaluatie Het functioneren van de GR Duo+ wordt periodiek geëvalueerd, in ieder geval in het eerste jaar volgend op het jaar waarin de gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. Artikel 38 Duur De drie gemeenten willen met elkaar een duurzame samenwerking tot stand brengen. De GR is daarom voor onbepaalde tijd aangegaan. Artikel 39 Onvoorziene gevallen De GR Duo+ beoogt zo volledig mogelijk te zijn. In gevallen waarin deze regeling of de Wgr niet voorziet, beslist het bestuur. Artikel 40 Inzenden regeling en bekendmaking De gemeente Ouder-Amstel is belast met verzending van de regeling aan Gedeputeerde Staten en bekendmaking ervan. Deze bepaling is gebaseerd op art. 26 Wgr. 29

Artikel 41 intrekking oude GR Duo+ Dit artikel zorgt ervoor dat met de inwerkingtreding van deze GR, alle voorgaande regelingen worden ingetrokken. Artikel 42 Inwerkingtreding Dit artikel is gebaseerd op art. 26 lid 3 Wgr. Overigens moet de regeling wel op de juiste wijze bekend worden gemaakt (zie artikel 40). Artikel 43 Citeerwijze Dit artikel regelt de citeerwijze (de officiële naam) van de GR.

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=db8385cc-8b1e-4398-b05a-269cc09da15a