CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen GroenLinks raadsbesluiten Omgevingswet 220113 compleet.docx

Informatieve raadsvergadering 13 januari 2022, gemeente DiemenBij agendapunt: Omgevingswet2.250 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO Bestemd voor Van Betreft

: : :

Datum

:

Gemeenteraad De heer A.J.M. (Lex) Scholten Beantwoording technische vragen inzake enkele raadsbesluiten Omgevingswet 13 januari 2022

Beantwoording technische vragen gemeenteraad inzake enkele raadsbesluiten ter voorbereiding op de Omgevingswet Vragen GroenLinks 1. bovenaan pag 3: voorwaarde hiervoor is dat (3e bullet) de aanvrager de kans krijgt een zienswijze in te dienen wat betreft het toepassen van de uitgebreide procedure: wat wordt hier precies mee bedoeld? Kan een aanvrager om een uitgebreide procedure vragen? Of kan deze hier bezwaar tegen maken? Of ...? Antwoord:

Artikel 16.65 van de Omgevingswet (verder: Ow) geeft drie mogelijkheden waarmee Afdeling 3.4 (de uitgebreide procedure) van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing kan worden bij de voorbereiding op de aanvraag om een omgevingsvergunning. 1. Als in een AMvB de betreffende activiteit aangewezen is voor toepassing van Afdeling 3.4 (artikel 16.65, eerste lid, sub a, van de Ow)). 2. Op verzoek of met instemming van de aanvrager (artikel 16.65, eerste lid, sub b, van de Ow). 3. Door het van toepassing verklaren door het bevoegd gezag (in het algemeen het college van burgemeester en wethouders) als het gaat om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben op de fysieke leefomgeving en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben (16.65, vierde lid, van de Ow). Als gebruik wordt gemaakt van deze bevoegdheid, moet de aanvrager voorafgaand in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn zienswijze naar voren te brengen (16.65, vijfde lid, van de Ow). Het bevoegd gezag heeft bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, onder bepaalde voorwaarden, de mogelijkheid om ook wanneer er geen instemming van de aanvrager wordt verkregen, de uitgebreide procedure van toepassing te verklaren. Als dat tegen de wil van de aanvrager wordt gedaan, krijgt die de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

Er zijn op dat moment geen andere juridische instrumenten waarmee de aanvrager toepassing van de uitgebreide procedure kan blokkeren.

2. pag 4, anterieure overeenkomst: a. in hoeverre zijn de wensen en bedenkingen van de raad bij een anterieure overeenkomst dwingend voor het college? Ook als we afspreken dat we de huidige werkwijze aanpassen aan wat hier staat, is dit nog steeds relevant voor anterieure overeenkomsten die wel samenhangen met aanvragen voor een omgevingsvergunning die nog wel bij de raad komen. b. Is het voorstel van het college ook om gesloten anterieure overeenkomsten alleen met de raad te delen bij de actualisatie van het Meerjarenperspectief Grondzaken? Of worden deze wel na afsluiten gedeeld, en is het Meerjarenperspectief Grondzaken vooral bedoeld als expliciet moment om deze te bespreken?

Antwoord: a. De mogelijkheid voor de raad tot het geven van ‘wensen en bedenkingen’ vloeit voort uit artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet. Dit artikel regelt dat het college bepaalde besluiten, besluiten waartoe het college bevoegd is, voorlegt aan de raad voor wensen en bedenkingen wanneer dit besluit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. De raad krijgt hiermee geen instemmingsbevoegdheid maar de mogelijkheid om het college overwegingen mee te geven bij het nemen van het besluit. Eventuele wensen en bedenkingen hebben dan ook geen dwingend karakter voor het college. De gevallen van anterieure overeenkomsten die wij in het vervolg niet meer standaard aan de raad zullen voorleggen betreffen overeenkomsten die geen ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de gemeente. b. Het voorstel van het college is (zoals weergegeven in het raadsvoorstel) om “verantwoording hierover achteraf af te leggen door hierover te rapporteren in de jaarlijkse actualisatie bij het Meerjarenperspectief Grondzaken”. Het college is dus niet voornemens om de volledige inhoud van desbetreffende anterieure overeenkomsten alsnog na te zenden aan de raad, maar enkel bij het MPG te rapporteren over de hoofdlijn van deze overeenkomsten (welk bouwplan, wanneer gesloten, en financiële stand van zaken).

De raad is natuurlijk altijd bevoegd om, indien zij daar vanuit haar rol aanleiding toe ziet, de volledige anterieure overeenkomst (onder geheimhouding) bij het college op te vragen.

3. Participatietrajecten door initiatiefnemer a. Pag 5, in ad 3 staat Wel moet er, indien geen participatie plaatsgevonden heeft, in de aanvraag aangegeven worden dat dit niet gedaan is. Moet hierbij ook worden aangegeven waarom niet? b. Als het participatietraject, naar ons oordeel onvoldoende of van onvoldoende kwaliteit is geweest, kan dit mee wegen in de besluitvorming. Zou dit niet altijd zo moeten zijn, dus dan zal dit meewegen in de besluitvorming? Zoals later aangegeven is het ook mogelijk om in die gevallen de aanvraag als incompleet te beschouwen en dus alsnog om een nieuw / beter traject te eisen?

Antwoord: a. Nee, dat is geen verplichting. In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling (ministeriële regeling onder de Omgevingswet) is het volgende opgenomen:

1. Bij de aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. 2. Als burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens over hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. De bedoeling van dit artikel is primair om de aanvrager te stimuleren om na te denken over participatie. Besluit hij om tot participatie over te gaan, dan moet het bevoegd gezag geïnformeerd worden wie er betrokken zijn en wat de resultaten van de participatie waren. b. In het stelsel van de Omgevingswet is - en blijft – het bevoegd gezag verantwoordelijk voor het besluit en de motivatie om het besluit wel of niet te verlenen. De informatie die ontvangen wordt via het aanvraagvereiste participatie kan worden betrokken bij de door ons te maken beoordeling. Het kan zich dus voor doen dat wij van mening zijn dat we een slecht doorlopen participatietraject ontvangen, maar dat we desondanks wel beschikken over alle relevante feiten en belangen en daarom over kunnen gaan tot besluitvorming. De Omgevingswet gaat uit van de vormvrijheid van de participatie door de aanvrager. Wij mogen dan ook geen extra aanvraag- en of vormvereisten opleggen.

Als de participatie voldoet aan de eis van artikel 7.4, tweede lid, van het Omgevingsbesluit kan de aanvraag niet buiten behandeling worden gelaten. Wij verwachten echter dat de eisen van artikel 7.4, tweede lid, van het Omgevingsbesluit wel enige concreetheid zullen gaan inhouden. Als een aanvrager niet inzichtelijk weet te maken met wij hij heeft geparticipeerd, hoe die participatie heeft plaatsgevonden en/of wat de resultaten zijn, heeft er naar onze beoordeling geen participatie plaatsgevonden in de zin van dit artikel en achten wij het mogelijk om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Voldoet het participatietraject wel aan de eisen van artikel 7.4, tweede lid van het Omgevingsbesluit maar vinden wij het van onvoldoende kwaliteit of te beperkt van opzet, dan is er geen mogelijkheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen. In dat geval kunnen wij zelf extra informatie inwinnen en/of trachten de aanvrager te bewegen om daar zorg voor te dragen.

4. Participatie bij alle aanvragen voor een buitenplanse omgevingsactiviteit (pag 5): voorgesteld wordt om dit niet te doen, omdat het een erg grote stap in één keer is. a. Voor wie is dit een grote stap? b. Is zoiets als een dakopbouw altijd een buitenplanse activiteit? Wat zijn andere type activiteiten van de kruimellijst (die ons als raad een helder idee geven wat hier zoal onder valt en met enige regelmaat voorkomt)? c. Hoeveel aanvragen zou dit daadwerkelijk betreffen, kijkende naar de ervaringen van de afgelopen jaren?

Antwoord: a. Dit lijkt ons voor aanvragers als voor de gemeentelijke organisatie een te grote stap. Als bij alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten participatie verplicht wordt gesteld, leidt dit tot een aanzienlijke verhoging van de regeldruk. De resultaten van de trajecten zullen goed moeten worden beoordeeld door de ambtelijke organisatie.

b. Een dakopbouw is niet altijd een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Afhankelijk van de regels van het omgevingsplan kan een dakopbouw vergunningsvrij zijn dan wel kan er sprake van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit of buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Per locatie kunnen de regels hierover verschillen. Er zijn verschillende bepalingen uit de kruimelregeling van artikel 4 van Bijlage II behorende bij het Bor (verder Bijlage II) die regelmatig worden gebruikt. Als bijlage bij deze beantwoording reft u gemakshalve de op dit moment geldende bepaling aan. Vooral de leden 1, 4, 8, 9 en 11 van artikel 4 van Bijlage II worden in Diemen geregeld gebruikt in het kader van de behandeling om een aanvraag om een omgevingsvergunning. c. In het kader van een beleidsinventarisatie is naar voren gekomen dat in de periode tussen 1 januari 2011 en 1 maart 2019 er 295 vergunningen zijn aangevraagd waarbij verzocht is om af te wijken van het bestemmingsplan. In 35 van die gevallen is sprake geweest van toepassing van de uitgebreide procedure. Het percentage van gevallen waarbij momenteel de uitgebreide procedure van toepassing is, zal de laatste jaren nog minder zijn geworden omdat het toepassingsbereik van artikel 4 van Bor bijlage II aanzienlijk is verruimd.

Van de 260 overgebleven vergunningen is niet bekend hoeveel de binnenplanse procedure zijn doorlopen en hoeveel via artikel 4 van Bor bijlage II. Het is overigens ook mogelijk dat in één vergunning gebruik is gemaakt van beide afwijkingsmogelijkheden. Zonder twijfel is echter het aantal buitenplanse omgevingsvergunningen dat de reguliere procedure heeft gevolgd via artikel 4 van Bor bijlage II vele malen groter dan het aantal aanvragen dat de uitgebreide procedure heeft doorlopen.

5. pag 6, Ad 4) a. eerste streepje het verwerken van buitenplanse omgevingsactiviteiten in het omgevingsplan: klopt het dat dit goedgekeurde / vergunde buitenplanse omgevingsactiviteiten betreft? b. tweede streepje Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kan een wijzigingsplan echter niet meer in procedure worden gebracht. Deze zin begrijpen wij niet, graag een verdere toelichting / uitleg wat hier wordt bedoeld.

Antwoord: a. Dat klopt. b. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening kan in een bestemmingplan een wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen. Als er een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, kan het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan, mits aan alle voorwaarden zoals die zijn opgenomen wordt voldaan, het plan zelfstandig wijzigen. Onder de Omgevingswet keert deze wettelijke wijzigingsbevoegdheid niet terug. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kan het college dan ook geen procedure meer beginnen om een in een bestemmingsplan/omgevingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid uit te voeren. Dat is ook niet nodig omdat de Omgevingswet een algemene delegatiemogelijkheid geeft waarmee de raad het college de bevoegdheid kan geven om

delen van het omgevingsplan te wijzigen. Via het voorgestelde delegatiebesluit laten we, onder meer, de huidige wijzigingsbevoegdheden herleven.

Artikel 4 van Bijlage II behorende bij het Bor Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: •

•

•

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: o

a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

o

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

2. een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: o

a. niet hoger dan 5 m, en

o

b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: o

a. niet hoger dan 10 m, en

o

b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²;

•

4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

•

5. een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;

•

6. een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;

•

7. een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;

•

8. het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

•

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover

gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen; •

•

10. het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: o

a. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

o

b. de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,

o

c. de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en

o

d. de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;

11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=8ed13a24-041a-43da-b05a-b3e0ebfb6038