CConstaterende datDiemen
Koppel je AI →
Document · PDF

B8 Archeologich bureauonderzoek.pdf

Informatieve raadsvergadering 10 november 2022, gemeente DiemenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Prinses Irenestraat 35.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Archeologisch bureauonderzoek voor het plangebied aan de Prinses Irenestraat 3 in Diemen, gemeente Diemen

Hollandia reeks 943

HOLLANDIA archeologen

COLOFON Hollandia reeks nr. 943 Titel: Archeologisch bureauonderzoek voor het plangebied aan de Prinses Irenestraat 3 in Diemen, gemeente Diemen. Toponiem: Diemen Prinses Irenestraat 3 Bevoegde overheid: Gemeente Diemen Onderzoeksmeldingsnummer: 5109361100 Hoekcoördinaten: 126.104/483.536, 126.101/483.526, 126.080/483.532 en 126.082/483.541. Uitvoerder: Hollandia archeologen Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk Auteur: drs. M.E. Luitjes In opdracht van: Hooyschuur Architecten en Adviseurs Jeroen C.J. Hooyschuur Wetenschappelijke leiding: P. Floore Illustraties: M.E. Luitjes, tenzij anders vermeld. Beheer en plaats documentatie: Transitiedepot Hollandia archeologen, Zaandijk. Naderhand: Provinciaal archeologisch depot Noord-Holland, Castricum ARCHIS3 Versie: Concept 31-8-2021 Intern Projectnummer: 1305 ISSN: 1572-3151 Autorisatie: P.M. Floore Omslagafbeelding: Tekening van de Ouddiemerlaan, gezien in noordelijke richting, uit 1750 door H.P. Schouten. Bron: Beeldbank Archief Amsterdam

© Hollandia archeologen, Zaandijk 2021 Tuinstraat 27a 1544 RS Zaandijk  075 - 622 49 57  info@archeologen.com

HOLLANDIA archeologen

I N H O U D S O P G AV E Samenvatting

5

1. Inleiding 2. Onderzoeksgebied 3. Beleid 4. Doel en methode 5. Aardwetenschappelijke gegevens 6. Historische gegevens 7. Bekende archeologische gegevens 8. Gespecificeerde archeologische verwachting 9. Conclusie en advies

7 9 11 13 15 17 21 23 25

Literatuurlijst

26

Bijlagen 1. Archeologische perioden 2. Archeologisch stappenplan

27

4

S A M E N VAT T I N G In augustus en september 2021 heeft Hollandia Archeologen, in opdracht van J.C.J. Hooyschuur van Hooyschuur Architecten en Adviseurs, een archeologisch bureauonderzoek opgesteld voor een planlocatie aan de Prinses Irenestraat 3 in Diemen, gemeente Diemen (NH). De aanleiding voor het onderzoek is de geplande bouw van een nieuwe woning met een 2-laagse parkeervoorziening die zal worden verzonken in het maaiveld. Op de ‘Nieuwe kaart van het baljuwschap van Amstelland’ uit 1749 zijn de ingepolderde Bijlmermeer en de Diemerpolder afgebeeld. Het onderzoeksgebied is op deze kaart onbebouwd en bevindt zich hierop bij Diemerbrug. Ook op de kadastrale minuut van 1811-1832 en de Bonnekaart van rond 1900 is het onderzoeksgebied onbebouwd. Het onderzoeksgebied ligt op deze kaarten op een van de langgerekte percelen die haaks op de Ouddiemerlaan liggen en is waarschijnlijk in gebruik geweest als weiland. Het plangebied kan in het laat paleolithicum en mogelijk vroeg mesolithicum zijn bewoond door jagers-verzamelaars. Deze sporen kunnen zich bevinden op het pleistoceen niveau, dat waarschijnlijk tussen 8,11 en 10,03 m -NAP (ca. 7-9 m -mv) ligt. Wegens deze grote diepte waarop resten uit deze periode zich bevinden is hierover weinig bekend.

Van het midden mesolithicum tot en met midden neolithicum ligt het plangebied in een wad- en kweldergebied dat waarschijnlijk te nat is voor bewoning, met uitzondering van hoog opgeslibde kwelders en kreekoevers. Deze afzettingen bevinden zich op het niveau van het laagpakket van Wormer/formatie van Naaldwijk, waarvan de top waarschijnlijk rond 6 m -NAP (5-6 m -mv) ligt (Roodenburg 2020 en DInoLoket). Het veengebied dat vanaf het midden neolithicum ontstaat, is ongunstig voor bewoning en waarschijnlijk uitsluitend gebruikt voor jacht, visvangst en het weiden van vee. Het veengebied wordt in de 11e eeuw ontgonnen. Het plangebied ligt aan de ontginningsas Ouddiemerlaan. De eerste boerderijen worden op maaiveldniveau gebouwd maar door inklinking wordt het opwerpen van huisterpen noodzakelijk. Ook vinden regelmatig overstromingen plaats door ontginning en klink van het veen. Eventuele resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd bevinden zich op het niveau van het Hollandveen laagpakket van de formatie van Nieuwkoop, vermoedelijk direct onder de recent opgebrachte lagen.

Advies Gezien de middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd wordt geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen uit te voeren in het plangebied om de archeologische waarde en de mate van verstoring van het plangebied met voldoende mate vast te kunnen stellen. Bovenstaande vormt een advies en op grond van de resultaten van dit rapport en bijbehorend advies zal het bevoegd gezag (gemeente Diemen) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

5

B ur

gem eest er

de K i

evie ts

tr a a

t

29

Kadastrale gemeente: Diemen Perceelnummer: 95 Sectie: F Plaatselijk bekend als: Prinses Irenestraat 3

38 1

513 0

P P

P

P P

P

0 245

P

200

P P

P

530 0

0

520

2-la ag verz s park e onk en in ersyst maa eem iveld

P bvv 2021-05-17

F:\200205 Prinses Irenelaan Diemen\tekenwerk\Model\200205 BA.rvt

Getekend: Datum: Bestand:

200205

Projectnummer:

BA-00-72

Tekeningnummer: 1 : 200

Schaal:

Maten in het werk te controleren

Entr ee 3 Situatie

Gevellijn

9 Onderdeel:

200

Gevellijn

3022

7 5

11

ra a t Prins es Ir enes t

NOORD

6

Afbeelding 1. De ligging van de nieuwe woning en parkeervoorziening op de plantekeningen. Bron: mailcorrespondentie opdrachtgever. 200

1

INLEIDING In augustus en september 2021 heeft Hollandia Archeologen, in opdracht van J.C.J. Hooyschuur van Hooyschuur Architecten en Adviseurs, een archeologisch bureauonderzoek opgesteld voor een planlocatie aan de Prinses Irenestraat 3 in Diemen, gemeente Diemen (NH) (zie afb. 2 en 4). De aanleiding voor het onderzoek is de geplande bouw van een nieuwe woning met een 2-laagse parkeervoorziening die zal worden verzonken in het maaiveld (zie afb. 1 en 3). De hiermee gepaard gaande grondroering vormt mogelijk een bedreiging voor het archeologisch bodemarchief. Dit bureauonderzoek brengt de bekende bodemkundige, historische en archeologische gegevens van het plangebied en de nabije omgeving in kaart om in een vroeg stadium een zo nauwkeurig mogelijk beeld te vormen van de te verwachten archeologische resten. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt een advies geformuleerd over eventueel te nemen vervolgstappen en waarover de gemeente Diemen uiteindelijk het definitieve besluit neemt. In ARCHIS3 is het onderzoek aangemeld onder onderzoeksmeldingsnummer 5109361100.

7

Afbeelding 2. De locatie van het plangebied op een luchtfoto.

Straatbeeld

8

Afbeelding 3. De nieuwe woning in het straatbeeld. Bron: mailcorrespondentie opdrachtgever. bvv 2021-05-17

F:\200205 Prinses Irenelaan Diemen\tekenwerk\Model\200205 BA.rvt

Getekend: Datum: Bestand:

200205

Projectnummer:

BA-00-74

Tekeningnummer: 1 : 100

Schaal:

Maten in het werk te controleren Straatbeeld

Onderdeel:

2

ONDERZOEKSGEBIED De RD-hoekcoördinaten van het perceel zijn: 126.104/483.536, 126.101/483.526, 126.080/483.532 en 126.082/483.541. Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan het begin van de Prinses Irenestraat, ter hoogte van huisnummer 3, direct aan de straat (zie afb. 2 en 4). Het plangebied ligt op dit moment braak. Toekomstige situatie Direct aan de Prinses Irenestraat zal een woning worden gerealiseerd met twee verdiepingen en achter de woning wordt een 2-laags parkeersysteem aangelegd dat zal worden verzonken vanaf het maaiveld (zie afb. 1). Het gehele perceel heeft een oppervlakte van ca. 240 m2. Hierop worden een woning en een parkeersysteem gebouwd; de woning heeft een bouwvlak van ca. 47,2 m2 en het parkeersysteem heeft een gezamenlijke oppervlakte van ca. 55,1 m2. De funderingen voor de woning zullen tot 0,9 m -mv worden aangelegd en de woning zal worden onderheid, en het parkeersysteem zal reiken tot een diepte van 1,9 m -mv. Bekende vergravingen Op de Verstoringsbronnenkaart zijn geen verstoringen bekend binnen het plangebied (Bron: https://rce.webgispublisher.nl)

9

Afbeelding 4. De ligging van het plangebied op een open-topokaart.

10

3

BELEID In de Erfgoedwet stellen het Rijk en de provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat er ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. In 2006 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Holland het beleidskader Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen archeologische terreinen zoveel mogelijk behouden te blijven en ingepast te worden in de nieuwe ruimtelijke structuur. Terreinen van zeer hoge en van hoge waarde dienen in het bestemmingsplan te worden opgenomen en beschermd. Bij ontwikkeling geldt dat werkzaamheden die kunnen leiden tot aantasting van de aanwezige waarden vergunningsplichtig zijn. Archeologische overblijfselen moeten door een archeologisch vooronderzoek in een zo vroeg mogelijk stadium worden gelokaliseerd. Waardevolle vindplaatsen die niet behouden kunnen blijven moeten voorafgaand aan de planuitvoering worden onderzocht door opgraving.

De provincie bepleit om bij planontwikkeling de cultuurhistorische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium te inventariseren en bij het ruimtelijk ontwerp zoveel mogelijk in te passen (www.ruimtelijkeplannen.nl). In het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Centrum’ uit 2013. Op de achterste helft van het perceel heerst een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1. Dit betekent dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een inventariserend veldonderzoek heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, tenzij de aanvraag leidt tot grondroerende werkzaamheden tot ten hoogste 50 m2 en het bouwwerk niet dieper dan 0,5 m onder peil wordt geplaatst of dat er uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage verwachting is op archeologische waarden en er geen ander archeologisch onderzoek nodig is. Aangezien de bodem zal worden geroerd tot 0,9 m -mv voor de woning en tot 1,9 m -mv voor de parkeervoorziening wordt de dieptegrens uit het bestemmingsplan overschreden. Het gehele perceel heeft een oppervlakte van ca. 240 m2. Hierop worden een woning en een parkeersysteem gebouwd; de woning heeft een bouwvlak van ca. 47,2 m2 en het parkeersysteem heeft een gezamenlijke oppervlakte van ca. 55,1 m2. Hiermee wordt ook de oppervlaktegrens overschreden.

Op basis van het bureauonderzoek, waarin de verwachting op archeologische waarden wordt onderzocht, moet nu bepaald worden of er een aanvullend inventariserend veldonderzoek noodzakelijk is (www.ruimtelijkeplannen. nl).

11

12

4

DOEL EN METHODE Het doel van een bureauonderzoek is om aan de hand van bestaande bronnen informatie te verzamelen over bekende of te verwachten archeologische waarden binnen een bepaald gebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, het karakter en de omvang, de datering, gaafheid en conservering en de relatieve kwaliteit van de archeologische waarden. Afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden, de aard van de aanleiding tot het onderzoek en de vraagstelling (welke archeologische waarden kunnen binnen het plangebied verwacht worden? En in hoeverre zullen de graafwerkzaamheden deze archeologische resten bedreigen?) zullen aanvullende gegevens verzameld dienen te worden. Het bureauonderzoek resulteert in een rapport met een gespecificeerd verwachtingsmodel. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt een (selectie)advies gegeven. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Diemen, kan hierop een (selectie)besluit maken ten aanzien van (eventueel) vervolgonderzoek. Tevens kan door middel van het bureauonderzoek in een vroeg stadium rekening worden gehouden in de planvorming met aanwezige archeologische waarden in de bodem. Bij een bureauonderzoek worden, indien voorhanden, bronnen geraadpleegd die informatie verschaffen over de geologie en archeologie van het betreffende gebied. Onder andere wordt gebruik gemaakt van: 1.

Kaartmateriaal, zoals bodemkundige, geomorfologische, geologische en historische kaartgegevens, evenals beleidskaarten zoals gemeentelijke en provinciale verwachtingskaarten. 2. Gegevens omtrent eerder verricht onderzoek en vondstmeldingen in het gebied uit de database van het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS) van de Rijksdienst vor Cultureel Erfgoed (RCE). 3. Relevante geologische, historische en archeologische literatuur.

13

14

5

AARDWETENSCHAPPELIJKE GEGEVENS Type gegevens Bron

Omschrijving

NAP hoogte

0,8-1,1 m -NAP

Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN)

Geomorfologie Bodemkunde

Geomorfologische kaart

Niet geclassificeerd, ten noorden en (zuid)oosten

van Nederland (PDOK)

ontgonnen veenvlakten (M81)

Bodemkaart van

Niet geclassificeerd, ten noorden en zuiden

Nederland (PDOK)

weideveengronden op veenmosveen (pVs) en waardveengronden op rietveen of zeggerietveen (kVr)

(Naar L. Kleij 2017) De afzettingen die rond en in Diemen aan het oppervlak en in de ondiepe ondergrond liggen, zijn gevormd tijdens het holoceen. In de beginperiode van het holoceen (ca. 8.800 v. Chr.) steeg de zeespiegel met als gevolg dat grote delen van het kustgebied overspoeld raakten. Hierdoor ontstond het getijdenbekken van Holland. Aan de zeezijde van het bekken werden lage strandwallen gevormd waarachter zich een gebied met wadden en kwelders uitstrekte. In dit gebied werd op verschillende plaatsen zand en lichte of zware klei afgezet. Meer landinwaarts steeg de grondwaterspiegel en werd er een veenpakket gevormd, het Basisveen Laagpakket. Vanaf ca. 3.000 v. Chr. begon de zeespiegel minder snel te stijgen. Hierdoor nam de aanvoer van zand naar de kust toe en dit resulteerde uiteindelijk tot het aan elkaar groeien van de strandwallen. Op enkele plaatsen bleef de kustlijn echter open door de mondingen van de rivieren. Dankzij het neerslagoverschot en de aanvoer van rivierwater werd het grondwater in het gebied achter de strandwallen steeds zoeter. Dit zoete water resulteerde uiteindelijk in grootschalige veenontwikkeling. De dikke veenkussens, het Holland laagveen, staken boven het omringende landschap en de zeespiegel uit.

Het drassige gebied werd ontwaterd door vele riviertjes en stroompjes en een van deze riviertjes was de Diem die ten oosten van het huidige Diemen stroomde. Ruim voor het begin van de jaartelling begonnen de mondingen van de grote rivieren zich te verruimen en drong de zee zich rond de bestaande riviermondingen door tot het achterliggende veengebied. Op verschillende plaatsen leidde dit tot erosie van het Hollandveen en de afzetting van kleidekken, behorende tot het laagpakket van Walcheren van de formatie van Naaldwijk. Rond het jaar 900 kwam er een einde aan de veengroei en dit is dan ook de periode waarin er in Noord-Holland op grote schaal begonnen werd met de ontginning van de veengebieden. Oorspronkelijk lag het oppervlak van het Hollandveen boven NAP, maar door oxidatie, ontginning, ontwatering door drainage, en turfwinning kwam het maaiveld steeds lager te liggen. Veel gebieden kwamen hierdoor uiteindelijk 1-2 meter onder de zeespiegel te liggen en hierdoor werden overstromingen een groot probleem. In de 12e eeuw vonden er een groot aantal stormen plaats waarbij veel land in het water verdween en dit was de aanleiding voor de grootschalige aanleg van dijken. Tijdens de periode van overstromingen zijn er een aantal meren ontstaan en deze zijn door de afgraving van veen steeds groter geworden. Ook zijn er door veenwinning plassen ontstaan.

Wind zorgde er op deze grote wateroppervlakken voor dat het water steeds meer land van de randen afsloeg. De steeds groter wordende meren waren een probleem en dus werden ze in de loop der eeuwen voor een groot deel drooggemalen. Dit goldt ook voor het Diemer- en Bijlmermeer; deze zijn in respectievelijk 1629 en 1627 drooggelegd en vormen tegenwoordig het Watergraafsmeer.

15

Afbeelding 5. Uitsnede van de ‘Nieuwe kaart van het baljuwschap van Amstelland’ uit 1749. Kaart is niet op schaal, noorden is boven. Bron: oldmapsonline.nl

16

Afbeelding 6. Uitsnede van de kadastrale minuut van 1811-1832, geprojecteerd op de huidige topografie. Bron: HISGIS.

6

HISTORISCHE GEGEVENS De geschiedenis van Diemen neemt aanvang in de periode van grootschalige ontginning in het Noord-Hollandse hoogveengebied vanaf de 10e eeuw. Als hoofdreden voor deze ontwikkeling wordt aangenomen dat er behoefte was aan beschikbaar land voor akkerbouw. Door onder andere de bevolkingsstijging, het verlies van bewerkbaar land in de duinenregio als gevolg van zandverstuivingen en de verbeterde hydrologische condities van het veengebied zelf gaan de mensen op zoek naar nieuw land, wat ze uiteindelijk zelf gaan moeten ‘maken’ (Besteman e.a. 1990). Voor de eerste ontginners was het noodzakelijk een goed ontwaterings- en afwateringssysteem te ontwikkelen om zo het veen begaanbaar, bewerkbaar en bewoonbaar te maken en het bovendien in die staat te houden. De grondwaterstand in het veen was namelijk zeer hoog en praktisch gelijk aan het maaiveld. Als eerste bepaalde men een ontginningsas, dit kon bijvoorbeeld een waterloop of een bestaande weg zijn. De verdere ontginning van het gebied vond plaats vanuit deze as waarbij haaks op deze lijn sloten werden gegraven. Op deze manier ontstond een patroon van regelmatige percelen. Om te voorkomen dat water van de omliggende, nog onontgonnen, delen op deze ontgonnen landerijen kwam, werden deze op hun beurt afgeschermd door de aanleg van zij- en achtersloten (Besteman e.a. 1990).

De ontginning van het veengebied van Diemen geschiedde in twee fasen. In de eerste fasen, tussen 1000 en 1070, waren de ontginners waarschijnlijk afkomstig uit Muiden of het Gooi. Ze vestigden zich bij Overdiemen (het huidige Diemerdam) op de oeverwallen van de Diem, een veenstroom aan de oostelijke rand van het veengebied. Van daaruit werd het gebied in westelijke richting ontgonnen. Deze ontginners leefden waarschijnlijk van visserij, landbouw en veeteelt. Wanneer oxidatie en inklinking optraden, dat weer bodemverlaging en wateroverlast veroorzaakte, groeven de ontginners nieuwe sloten verder de velden in, waardoor de ontginningskavels steeds langer werden. De ontginningen langs de Diem breidden zich vervolgens langzaam uit aan beide kanten van de Diem (van Reenen / Ibelings 2007). Aanwijzingen voor deze eerste fase werden in 1992 gevonden door het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam. Aan de oostzijde van de Diem, langs de Overdiemerweg, werd een huisterp opgegraven waarvan de oudste resten bestonden uit constructiedelen van een boerderij uit het tweede kwart van de 11e eeuw. De jongste boerderij op de terp dateerde uit het derde kwart van de 12e eeuw (Lagerweij / Veerkamp 2009). De tweede ontginningsfase vond plaats tussen 1070 en 1150. Tijdens deze fase werd niet ontgonnen vanuit de oeverwallen maar vanuit het zuiden, vanuit Ouderkerk.

De belangrijkste ontwikkelingskern van deze fase is oorspronkelijk Oud Diemen. De Ouddiemerlaan, die vanaf de Diemerzeedijk naar Ouderkerk aan de Amstel liep, fungeerde vermoedelijk als westelijke grens van de ontginning, de zogenaamde achterdijk. Deze kan dan vervolgens weer dienen als nieuwe ontginningsbasis (Haag 2001). In het midden van de 17e eeuw werd de Weespertrekvaart gegraven, nu de Rijkersloot, en werden de zandpaden verbreed tot een wagenweg. Als gevolg van het sterk groeiende scheepvaart- en werkverkeer van en naar Amsterdam verschoof het grootste deel van de Diemense bewoning gaandeweg van Oud Diemen naar Diemerbrug. Ondanks de toename van de bevolking en de bedrijvigheid bleef de bebouwing beperkt tot een smalle strook langs de trekvaart. De Ouddiemerlaan ten noorden en de Ouderkerkerlaan ten zuiden van de Weespertrekvaart behielden tot ver in de 20e eeuw hun landelijke en agrarische karakter (Mulder et al. 1987).

17

Afbeelding 7. Uitsnede van de Bonnekaart van rond 1900. Kaart is niet op schaal, noorden is boven. Bron: Topotijdreis.

18

Op de ‘Nieuwe kaart van het baljuwschap van Amstelland’ uit 1749 zijn de ingepolderde Bijlmermeer en de Diemerpolder afgebeeld (zie afb. 5). Het onderzoeksgebied is op deze kaart onbebouwd en bevindt zich hierop bij Diemerbrug. Ook op de kadastrale minuut van 1811-1832 (zie afb. 6) en de Bonnekaart van rond 1900 (zie afb. 7) is het onderzoeksgebied onbebouwd. Het onderzoeksgebied ligt op deze kaarten op een van de langgerekte percelen die haaks op de Ouddiemerlaan liggen en is waarschijnlijk in gebruik geweest als weiland.

19

2797785100

3292912100

2197825100 2238243100

plangebied 2113438100 20

Afbeelding 8. Overzichtskaart van de in de tekst genoemde Archismeldingsnummers ten opzichte van het plangebied.

7

ARCHEOLOGISCHE GEGEVENS Binnen een straal van 1 kilometer rond het plangebied bevinden zich geen archeologische monumenten. Binnen het plangebied heeft nog niet eerder archeologisch onderzoek plaatsgevonden, maar in de directe omgeving zijn wel onderzoeken gedaan (ARCHIS3). Direct ten zuiden van het plangebied is een archeologische begeleiding uitgevoerd bij de kruising van de Muiderstraatweg, de Ouddiemerlaan en de Burgemeester de Kievietstraat (2113438100). In de zuidwesthoek van het onderzoeksgebied is loodrecht op de Ouddiemerlaan een profiel gemaakt om de opbouw van de weg te documenteren. Het profiel doorsnijdt ook de sloot die langs de weg lag; op de natuurlijke spoellaagjes, die in stilstaand water zijn ontstaan, lag een kleiige veenlaag van 60 cm dik. In deze laag is de sloot uitgegraven tot minimaal 70 cm. Op de bodem lag een 20 cm dikke laag slib waarin 18e eeuws vondstmateriaal is aangetroffen. De sloot is in de 19e eeuw afgedekt met een 6 cm dikke stromat die tot de grenen beschoeiing is gelegd. Over de rietmat en de beschoeiing lag een pakket aarde met 19e eeuws afval (ARCHIS3). Ten noorden van het plangebied is een inventariserend proefsleuvenonderzoek en aanvullend booronderzoek uitgevoerd bij het Nelson Mandelapark aan de René Cassinlaan (2197825100 / 2238243100).

In de zes proefsleuven bleek de bodemopbouw vrijwel volledig te bestaan uit recente ophogingslagen. Werkput 1, parallel aan de Ouddiemerlaan, is tot 1,18 m -NAP, en lokaal tot 2,42 m -NAP, aangelegd. De bovenste laag bestond uit schoon zand, terwijl de onderliggende laag uit een recente ophoging van bouwpuin, veen en klei was opgebouwd. In het oostelijk deel van het onderzoeksgebied is een boring gezet waarbij op een diepte van 1,7 m -mv (ca. 1,9 m -NAP) een intacte ophogingslaag is opgeboord. Deze ophogingslaag is mogelijk een restant van een aan de Ouddiemerlaan gelegen terp en het aardewerk dateert uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd (ARCHIS3). Ten noordoosten van het plangebied is een archeologische begeleiding uitgevoerd aan de Ouddiemerlaan 112-142 (3292912100). Bij deze begeleiding werden twee kelders gesloopt, maar achter de keldermuren bevond zich een pakket schoon zand, dus de oorspronkelijke bouwput strekte zich buiten deze kelders uit. Ook onder de keldervloer was enkel schoon bouw- of funderingszand aanwezig. Bij dit onderzoek zijn er dus geen archeologische waarden aangetroffen die met de sloop in gevaar zouden komen. Ten noorden van het plangebied is een archeologische vondstmelding gedaan (2797785100). Het betreft een bolvormige miniatuurpot van Paffrath aardewerk (ARCHIS3).

Verder zijn er een aantal bureauonderzoeken opgesteld voor plangebieden in de omgeving, maar in deze onderzoeken is vaak geen vervolgonderzoek geadviseerd, omdat er in deze bureauonderzoeken lage verwachtingen voor archeologische waarden waren vastgesteld of omdat de geplande ingrepen geen archeologie zouden gaan verstoren (ARCHIS3).

21

22

8

A R C H E O L O G I S C H E V E R WA C H T I N G Periode

Verwachting

Diepte

Omschrijving van de te verwachte resten

Prehistorie

Onbekend

ca. 8-10 m -NAP

Onbekend

IJzertijd/Romeinse tijd

Laag

n.v.t.

n.v.t.

Vroege middeleeuwen

Laag

n.v.t.

n.v.t.

Late middeleeuwen

Middelhoog

Direct onder maaiveld

Nederzettings- en ontginningssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, begravingen, waterputten, aardewerk, natuursteen, gewei, benen voorwerpen, metalen voorwerpen, houten voorwerpen, leer, aanplempingslagen, kelders

Nieuwe tijd

Middelhoog

Direct onder maaiveld

Nederzettings- en ontginningssporen, ploegsporen, cultuurlagen, greppels, kuilen, begravingen, waterputten, aardewerk, natuursteen, gewei, benen voorwerpen, metalen voorwerpen, houten voorwerpen, leer, aanplempingslagen, kelders

Het plangebied kan in het laat paleolithicum en mogelijk vroeg mesolithicum zijn bewoond door jagers-verzamelaars. Deze sporen kunnen zich bevinden op het pleistoceen niveau, dat waarschijnlijk tussen 8,11 en 10,03 m -NAP (ca. 7-9 m -mv) ligt. Wegens deze grote diepte waarop resten uit deze periode zich bevinden is hierover weinig bekend. Van het midden mesolithicum tot en met midden neolithicum ligt het plangebied in een wad- en kweldergebied dat waarschijnlijk te nat is voor bewoning, met uitzondering van hoog opgeslibde kwelders en kreekoevers. Deze afzettingen bevinden zich op het niveau van het laagpakket van Wormer/formatie van Naaldwijk, waarvan de top waarschijnlijk rond 6 m -NAP (5-6 m -mv) ligt (Roodenburg 2020 en DInoLoket). Het veengebied dat vanaf het midden neolithicum ontstaat, is ongunstig voor bewoning en waarschijnlijk uitsluitend gebruikt voor jacht, visvangst en het weiden van vee. Het veengebied wordt in de 11e eeuw ontgonnen. Het plangebied ligt aan de ontginningsas Ouddiemerlaan. De eerste boerderijen worden op maaiveldniveau gebouwd maar door inklinking wordt het opwerpen van huisterpen noodzakelijk. Ook vinden regelmatig overstromingen plaats door ontginning en klink van het veen. Op historisch kaartmateriaal is het plangebied onbebouwd.

Eventuele resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd bevinden zich op het niveau van het Hollandveen laagpakket van de formatie van Nieuwkoop, vermoedelijk direct onder de recent opgebrachte lagen (Roodenburg 2020 en Dinoloket).

23

24

9

CONCLUSIE EN ADVIES In augustus en september 2021 heeft Hollandia Archeologen, in opdracht van J.C.J. Hooyschuur van Hooyschuur Architecten en Adviseurs, een archeologisch bureauonderzoek opgesteld voor een planlocatie aan de Prinses Irenestraat 3 in Diemen, gemeente Diemen (NH). De aanleiding voor het onderzoek is de geplande bouw van een nieuwe woning met een 2-laagse parkeervoorziening die zal worden verzonken in het maaiveld. In het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Centrum’ uit 2013. Op de achterste helft van het perceel heerst een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1. Dit betekent dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een inventariserend veldonderzoek heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, tenzij de aanvraag leidt tot grondroerende werkzaamheden tot ten hoogste 50 m2 en het bouwwerk niet dieper dan 0,5 m onder peil wordt geplaatst of dat er uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage verwachting is op archeologische waarden en er geen ander archeologisch onderzoek nodig is. Aangezien er tot 0,9 m -mv en 1,9 m -mv zal worden gegraven en het plangebied een oppervlakte heeft van minimaal 102 m2 is archeologisch vervolgonderzoek, bij een hoge verwachting op archeologische waarden, noodzakelijk.

Op de ‘Nieuwe kaart van het baljuwschap van Amstelland’ uit 1749 zijn de ingepolderde Bijlmermeer en de Diemerpolder afgebeeld. Het onderzoeksgebied is op deze kaart onbebouwd en bevindt zich hierop bij Diemerbrug. Ook op de kadastrale minuut van 1811-1832 en de Bonnekaart van rond 1900 is het onderzoeksgebied onbebouwd. Het onderzoeksgebied ligt op deze kaarten op een van de langgerekte percelen die haaks op de Ouddiemerlaan liggen en is waarschijnlijk in gebruik geweest als weiland. In de nabije omgeving van het plangebied zijn een aantal bureauonderzoeken opgesteld, maar in deze onderzoeken is vaak geen vervolgonderzoek geadviseerd. Direct ten zuiden van het plangebied is loodrecht op de Ouddiemerlaan een profiel gedocumenteerd van de naastgelegen sloot. De sloot was ingegraven in een kleiige veenlaag tot ca. 70 cm -mv en was afgedekt met een stromat. Over deze mat en de beschoeiing lag een pakket aarde met 19e eeuws vondstmateriaal. Op de bodem van de sloot lag een dikke laag slib met 18e eeuws vondstmateriaal. Bij het Nelson Mandelapark is een proefsleuven- en booronderzoek uitgevoerd. De bodemopbouw in alle proefsleuven bestond uit recente ophogingslagen tot 1,18 m -NAP en bij een aantal lokale verdiepingen zelfs tot 2,42 m -NAP. De bovenste laag bestond uit schoon zand, terwijl de onderliggende laag uit een recente ophoging van bouwpuin, veen en klei was opgebouwd.

In het oostelijk deel is met een boring wel een intacte ophogingslaag met laatmiddeleeuws en nieuwetijds aardewerk opgeboord op 1,7 m -mv (1,9 m -NAP). Advies Gezien de middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd wordt geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek middels verkennende boringen uit te voeren in het plangebied om de archeologische waarde en de mate van verstoring van het plangebied met voldoende mate vast te kunnen stellen. Bovenstaande vormt een advies en op grond van de resultaten van dit rapport en bijbehorend advies zal het bevoegd gezag (gemeente Diemen) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

25

L I T E R AT U U R

Besteman, J.C. (1990). North Holland AD400-1200: turning tide or tide turning? In: J.C. Besteman, J.M. Bos, H.A. Heidinga (eds.): Medieval Archaeology in the Netherlands, p. 91-120, Assen-Maastricht. Haag, J. (2001). Diemen: Van Boerendorp tot randstadsdeel. In: Historische Kring Diemen Jubileumnummer 2001, Diemen. Kleij, L. (2017). Archeologisch bureauonderzoek Wilhelminaplantsoen 1 te Diemen, Argo-rapport 131, Zaandam. Lagerweij, A. & J. Veerkamp (2009). Een twaalfde-eeuwse overstroming in de hoofdrol. In: Blok, H., W. Krook, P. van Reenen & R. Wiggers (eds.) (2009). Diemen in het land van de Amstel, pp.30-74, Amsterdam. Mulder, J., H. Blok, K. van Reenen (eds.) (1987). Diemen buyten Amsterdam, Diemen Reenen, van P.T. & Ibelings, B. (2007). Over de ontstaansgeschiedenis van Diemen, Duivendrecht, de Watergraafsmeer en Amsterdam. In H. Blok, W. Krook, P.T. van Reenen, & R. Wiggers (eds.), Diemen in het land van Amstel Bataafse Leeuw.

26

Roodenburg, F. (2020). Ouddiemerlaan 104, Diemen, gemeente Diemen: een bureauen inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende en karterende fase, Bureau voor Archeologie Rapport 973, Utrecht.

Websites ARCHIS3 Beeldbank Cultureel Erfgoed HISGIS Ruimtelijke Plannen Topotijdreis

BIJLAGEN Inhoudsopgave Bijlage 1: Archeologische perioden Bijlage 2: Archeologisch stappenplan

27

Late-Middeleeuwen

B 1.250-1.500

Late-Middeleeuwen

A 1.050-1.250

Vroege-Middeleeuwen

D

900-1.050

C

725-900

B

525-725

A Laat-Romeinse tijd

Miden-Romeinse tijd

Vroeg-Romeinse tijd

28

450-525 B

350-450

A

270-350

B

150-270

A

70-150

B

25-70

A

12-25

Late-IJzertijd

12 na Chr.250 v. Chr.

Midden-IJzertijd

500-250

Vroege-IJzertijd

800-500

Late-Bronstijd

1.100-800

Midden-Bronstijd

B 1.500-1.100 A 1.800-1.500

Vroege-Bronstijd

2.000-1.800

Midden-Neolithicum

Vroeg-Neolithicum

B

2.450-2.000

A

2.850-2.450

B

3.400-2.850

A

4.200-3.400

B

4.900-4.200

A

5.300-4.900

Laat-Mesolithicum

6.450-4.900

Midden-Mesolithicum

7.100-6.450

Vroeg-Mesolithicum

8.800-7.100

Laat-Paleolithicum

B 18.000-8.800

MESOLITHICUM NEOLITHICUM

A 1.500-1.650

Laat-Neolithicum

A 35.000-18.000

Midden-Paleolithicum

300.000-35.000

Vroeg-Paleolithicum

-300.000

PALEOLITHICUM

Nieuwe tijd

MIDDELEEUWEN

B 1.650-1.850

ROMEINSE TIJD

Nieuwe tijd

IJZERTIJD

C 1.850-heden

BRONSTIJD

Nieuwe tijd

NIEUWE TIJD

B I J L A G E 1 : ARCHEOL OGISCHE PERIODEN

BI J LA G E 2: A R C H E O L O G I S CHE STAPPENPL AN In het “stappenplan archeologie” wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden. Op basis daarvan wordt zeer gericht ingezoomd op voor het plan(gebied) relevante archeologische informatie. Na iedere stap wordt beredeneerd gekozen voor meer diepgaand onderzoek op specifieke plekken, zodat uiteindelijk voldoende bekend is over aanwezige vindplaatsen om gemotiveerde afweging in het ruimtelijke-ordeningsproces te kunnen maken. I. Bureauonderzoek Het doel van bureauonderzoek is het verwerven van informatie - aan de hand van bestaande bronnen - over bekende of verwachte archeologische waarden binnen of relevant voor het plangebied. Daarnaast moet het bureauonderzoek inzicht bieden in eventueel benodigd inventariserend onderzoek (stap II, zie onder).

Een bureauonderzoek bestaat uit een archief- en literatuuronderzoek van archeologische en bodemkundige gegevens die bij RCE, provincie, gemeente en/of andere instanties (b.v. universiteiten, musea) bekend zijn over het betreffende gebied. Het Bureauonderzoek dient de volgende aspecten te behandelen: * Aangeven wat de aanleiding is voor het bureauonderzoek en om welk gebied het gaat in verband met het bepalen van het onderzoekskader. * Beschrijven van het huidige gebruik van de locatie op basis van beschikbare relevante gegevens. * Beschrijven van het historische grondgebruik of de historische ontwikkeling van het gebied op basis van geofysische, fysische en historisch geografische gegevens. * Een korte impressie over de onstaansgeschiedenis van het landschap. * Een impressie van de bewoningsgeschiedenis. * Beschrijven bekende archeologische waarden. * Archeologisch waardevolle terreinen zoals deze zijn opgenomen in het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de RCE. Dezelfde terreinen zijn tevens opgenomen op de Archeologische Monumentenkaarten (AMK) van de provincies. Archeologisch waardevolle terreinen genieten wettelijke bescherming (ex artikel 3 en 6 van de Monumentenwet) of dienen een planologische bescherming te krijgen binnen het bestemmingsplan. * Archeologische vindplaatsen zoals deze in het Centraal Archeologisch Archief (CAA) van de RCE aanwezig zijn.

Clustering van vindplaatsen kan wijzen op de aanwezigheid van bewoningssporen uit het verleden. * Beschrijven van de archeologische verwachtingen en opstellen van een gespecificeerd en onderbouwd verwachtingsmodel van de verwachte archeologische waarden. * Aan de hand van de door de RCE ontwikkelde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde of trefkans komen in ieder geval voor een nader archeologisch onderzoek in aanmerking. * Aan de hand van een meer gedetailleerde provinciale c.q. gemeentelijke verwachtingskaart. * Rapportage met daarin advisering ten behoeve van het vervolgtraject gerelateerd aan de verschillende stadia van het planvormingsproces.

29

II. Inventariserend veldonderzoek (IVO) Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het zeer gericht aanvullen en toetsen van de uitkomsten van het bureauonderzoek. Stapsgewijs wordt bekeken óf er archeologische waarden aanwezig zijn en zo ja, wat dan de aard, karakter, omvang, datering, gaafheid, conservering en relatieve kwaliteit is. Ten behoeve van een IVO dient een Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden. In principe wordt het IVO uitgevoerd op basis van een Plan van Aanpak (PvA). Het onderzoek kan bestaan uit de volgende methoden: * non-destructieve methoden: geofysische methoden ; * weinig destructieve methoden: oppervlaktekartering, booronderzoek, sondering (putjes van maximaal een vierkante meter); * destructieve methoden: proefsleuven. Welke methoden (kunnen) worden ingezet hangt af van de locatie en vraagstelling. De onderbouwing voor de in te zetten methoden is in het bureauonderzoek gegeven. Een inventariserend veldonderzoek moet leiden tot een waardering en een archeologisch inhoudelijk selectieadvies. Nadere toelichting onderzoeksmethoden: 1 en 2: Bij non-destructieve methoden moet men denken aan elektrische, magnetische en elektromagnetische methoden, eventueel in combinatie met remote sensing technieken.

30

Bij weinig destructieve methoden gaat het om oppervlaktekartering en booronderzoek. Dit houdt in dat het plangebied wordt gekarteerd door middel van het “belopen” van akkers en weilanden, waarbij gezocht wordt naar aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Daarnaast wordt door middel van boringen onderzocht hoe het staat met de bodemopbouw, en of er archeologische lagen of indicatoren te onderscheiden zijn. De aangetroffen vindplaatsen kunnen vervolgens nader bekeken worden met een meer diepgaand booronderzoek . Dit levert nadere informatie over de omvang en waardering op. Soms is het nodig om in dit stadium proefputjes te graven. Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd indien uit de minder destructieve onderzoeksmethoden is gebleken dat er in een plangebied waardevolle archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Door middel van het graven van een aantal proefsleuven kunnen de exacte begrenzing, de datering en de graad van conservering van een vindplaats worden onderzocht. Uit het proefsleuvenonderzoek moet blijken of een vindplaats behoudenswaardig of zelfs beschermenswaardig is. Is dit het geval, dan zal bekeken moeten worden of de vindplaats ingepast kan worden in het plan. Het rijks- en ook het provinciaal archeologiebeleid gaat in eerste instantie uit van behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke in de bodem).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Diemen&id=b2886986-a503-440a-99b0-169658d0a0c2