5) Bijlagen bij de toeliching - deel 1.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Overdiemerweg 38-40, recreatiewoningen en horeca Ontwerp Januari 2023
23 januari 2023
Bijlagenboek deel 1 (bijlagen 1 t/m 5)
Bijlage 1 Quick scan ecologie
5
Quickscan Wet natuurbescherming Overdiemerweg 38, Diemen
Opdrachtgever: R.M. Smeenk en E.J. Smeenk – Aan het Rot Grindzuigerstraat 45 1333 MS Almere
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
202454 16-9-2021 B. ten Dam B. ten Dam M. van der Heide Definitief 1
© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave Quickscan Wet natuurbescherming ........................................................................................................................ 1 1
Inleiding ....................................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5
2.1
Huidige situatie .......................................................................................................................................5
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................8
3
Natuurwetgeving en -beleid........................................................................................................................ 9
3.1
Inleiding ..................................................................................................................................................9
3.2
Bescherming van soorten .......................................................................................................................9
3.3
Bescherming van gebieden .....................................................................................................................9
3.4
Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................10
3.5
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................11
4
Methode.................................................................................................................................................... 12
4.1
Inleiding ................................................................................................................................................12
4.2
Bureauonderzoek .................................................................................................................................12
4.3
Terreinbezoek .......................................................................................................................................12
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 13
5.1
Inleiding ................................................................................................................................................13
5.2
Planten..................................................................................................................................................13
5.3
Zoogdieren ............................................................................................................................................13
5.4
Vogels ...................................................................................................................................................16
5.5
Reptielen...............................................................................................................................................18
5.6
Amfibieën .............................................................................................................................................18
5.7
Vissen ....................................................................................................................................................19
5.8
Ongewervelden ....................................................................................................................................19
6
Conclusie ................................................................................................................................................... 20
6.1
Beschermde soorten.............................................................................................................................20
6.2
Bescherming gebieden .........................................................................................................................21
6.3
Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................21
6.4
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................21
6.5
Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................21
6.6
Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................22
Bijlage 1 verbeelding nieuwe ontwikkeling .......................................................................................................... 24 Bijlage 2 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 25 Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 3
1 Inleiding De initiatiefnemer is voornemens om op de locatie Overdiemerweg 38 te Diemen een huidige woning, schuur en loods af te breken om vervolgens 15 Short Stay huisjes en een restaurant te ontwikkelen. In afbeelding 1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 4
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie De woning, schuur en loods gelegen aan de Overdiemerweg 38 te Diemen, hierna te noemen ‘plangebied’, ligt ten noordoosten van Diemen in de Diemerpolder. In afbeelding 1 wordt de ligging van het plangebied weergegeven. De onbewoonde woning met als bouwjaar 1906 is opgetrokken uit baksteen met open stoot voegen en dicht getimmerde ramen. De schuur , eveneens daterend uit 1906, is opgetrokken uit hout en gedekt met pannen. Als laatste bestaat de loods uit een combinatie van hout en metaal, daterend uit 1970 (BAG Viewer, 2021). Naast deze gebouwen bestaat het plangebied uit verhardingen met om de woning groene elementen voornamelijk bestaande uit bosschages van berk, wilg en braam met naast de woning één grote den. De woning verkeerd in zeer slechte staat en wordt omringd door overwoekerende houtopstanden. De overige bebouwing verkeerd in betere staat en is momenteel nog in gebruik. In afbeelding 2 worden enkele foto’s van het plangebied getoond. Deze foto’s zijn gemaakt tijdens het veldbezoek op 31 augustus 2021.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 5
Figuur 1 Ligging plangebied. Boven met topografische kaart (van Aalst, 2021), onder met luchtfoto 2018 (ESRI, 2021). Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 6
Figuur 2: Impressie van het plangebied, 31 augustus 2021.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 7
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemers zijn voornemens de bestaande opstallen te slopen en op de locatie 15 Short stay huisjes en een restaurant te ontwikkelen. In bijlage 1 worden enkele ontwerptekeningen van het nieuwe pand weergegeven. Dit betreft echter een eerste ontwerp, de bouwkundige uitstraling van het gebouw kan ten opzichte van de huidige situatie nog wijzigen. De planning van de werkzaamheden is volledig afhankelijk van de gemeentelijke procedures en benodigde onderzoeken in het kader van beschermde flora en fauna.
Figuur 3: Overzicht voorgenomen ontwikkeling.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 8
3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten “Vogelrichtlijn”, beschermingsregime soorten “Habitatrichtlijn” en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 2 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 0,6 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. De aard van de voorgenomen Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 9
werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een Stikstofberekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Echter, de exacte gegevens die voor deze berekening noodzakelijk zijn, zijn in deze fase van de ontwikkeling nog niet beschikbaar of nog niet concreet. Zodra deze gegevens beschikbaar en concreet zijn dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd naar stikstof-gerelateerd effecten van de voorgenomen ingreep.
3.4 Bescherming van houtopstanden Het kappen of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.
De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. • het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 10
• •
het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.
De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied enkele bomen gekapt. Het gebied ligt buiten de bebouwde kom aan de grens van Diemen waarmee een gemeentelijke vergunning niet aan de orde is. Tevens betreft het een geringe opstand van enkele bomen en bosschages kleiner dan 10 are en niet deel uitmakend van een rijbeplanting van meer dan 20 bomen waarmee een kapmelding bij de provincie Noord-Holland eveneens niet aan de orde is.
3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Een toetsing aan het natuurbeleid is alleen noodzakelijk als de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast moet het plangebied in het NNN of een andere door de provincie beschermde natuurzone liggen. In een aantal provincies kent het natuurbeleid externe werking. Dit betekent dat in die provincie bij een ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is altijd een toetsing aan het natuurbeleid moet worden uitgevoerd. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt buiten de NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.
Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een uitgebreide toetsing wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 11
4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied.
4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door M. Oomen uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 31 augustus 2021 bij 17 °C, bewolkt weer en windkracht 3 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
• •
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
•
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, Sovon Vogelonderzoek Nederland, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 12
5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.2 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Hierbij is specifiek gelet op soorten welke voorkomen op oude muren. Derhalve is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop niet verwacht, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.
5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en mogelijk ook meervleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 13
Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Bomen In het plangebied zijn enkele appelbomen met holtes aanwezig. Deze holtes bevinden zich echter op een dusdanig geringe hoogte dat het niet aannemelijk is dat deze als potentiële verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen kunnen dienen. Bebouwen De aanwezige panden zijn wel geschikt voor gebouw bewonende vleermuizen om in te verblijven. Vooral door de aanwezigheid van houten plaatwerk, kieren en ruimten in de dakconstructie maken de panden geschikt. Vleermuizen kunnen de spouwmuur van het pand bereiken via de open stootvoegen van de zijgevels. De combinatie met de aanwezigheid van open water en de bomen rondom het pand maakt dat het plangebied zeer geschikt is voor vleermuizen. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied is door de aanwezigheid van groene elementen redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. De omgeving is eveneens geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van diverse bunkers en wateroppervlaktes in de omgeving. Vleermuizen gebruiken (donkere) lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals houtsingels, welke als vliegroute kunnen dienen. Deze zijn binnen het gebied gedeeltelijk aanwezig in de vorm van beplanting. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten “Habitatrichtlijn”.
Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dient te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Verblijfplaatsen Met de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op gebouw bewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk om een beeld te kunnen krijgen van de populatieomvang en om te kunnen nagaan of er negatieve effecten kunnen optreden. Het nader onderzoek naar vleermuizen is tijdgebonden. Van 15 mei tot 15 september zijn minimaal 5 veldbezoeken in de avond en in de ochtend noodzakelijk. Het nader onderzoek moet uitwijzen of een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk wordt geacht.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 14
Foerageergebied en vliegroutes Met betrekking tot het foerageergebied en vliegroutes worden negatieve effecten niet verwacht. Het plangebied blijft ook na de ontwikkeling geschikt voor vleermuizen om te foerageren. Met het toepassen van nieuwe verlichting aan de nieuw te realiseren panden dient men rekening te houden met vleermuizen (zie kader Verlichting). Zodat foeragerende vleermuizen niet worden verstoord door uitstraling van licht. Conclusie: nader onderzoek naar gebouw bewonende vleermuissoorten wordt noodzakelijk geacht. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter).
Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:
• • •
verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
•
beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
•
geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 15
5.3.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: vos, haas, bruine rat en diverse algemene (spits)muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leefen foerageergebied. Daarnaast maakt een aantal mogelijk gebruik van het plangebied als migratieroute. Genoemde soorten zijn in de provincie Noord-Holland bij ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Binnen het plangebied worden ook enkel soorten verwacht welke niet beschikken over een provinciale vrijstelling. Vanuit de NDFF zijn waarnemingen bekend van wezel en boommarter in nabijheid van het plangebied. Daarnaast kunnen soorten als bunzing, hermelijn en steenmarter niet worden uitgesloten binnen het plangebied. Verblijfplaatsmogelijkheden zijn in de vervallen woningen mogelijk aanwezig voor deze marterachtigen. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”.
Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Noord-Holland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor de bovenstaande marterachtigen zijn verblijfplaatsen niet op voorhand uit te sluiten. Gericht nader onderzoek middels cameravallen is noodzakelijk om te bepalen of deze soorten binnen het plangebied aanwezig zijn. Uit dit nader onderzoek zal blijken of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is voor één of meerdere soorten. Conclusie: nader onderzoek naar boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel wordt noodzakelijk geacht.
5.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Kerk- en steenuilen worden dan ook niet verwacht. Tevens zijn er geen horsten of oude kraaiennesten aangetroffen. Tijdens het Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 16
veldbezoek ging speciale aandacht uit naar de aanwezigheid van broedende huismussen. Huismussen broeden namelijk niet alleen onder de eerste rij van de dakpannen, maar broeden ook in nissen van kozijnen of tussenruimten van zonnewering. Tijdens het veldbezoek in augustus was het niet mogelijk om territoriale huismussen te inventariseren. Hierdoor kunnen huismussen niet geheel worden uitgesloten. Andere jaarrond beschermde vogelsoorten die het pand kunnen gebruiken als verblijfplaats zijn gierzwaluwen. Gierzwaluwen keren in de eerste dagen van mei terug uit Afrika en zoeken hun huidige nestplaatsen weer op. Voorbeelden van nestplaatsen van gierzwaluw zijn nissen in gebouwen, overstekjes van dakgoten en ruimten onder kozijnen. De aanwezigheid van gierzwaluw wordt niet verwacht omdat ze doorgaans voorkomen in woonwijken. Desondanks kan gierzwaluw niet geheel worden uitgesloten. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als zwarte roodstaart, koolmees, pimpelmees, grote bonte specht, kleine bonte specht, groene specht en spreeuw. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van steden en parken.
Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; houtduif, Turkse tortel, zwartkop, winterkoning, witte kwikstaart, tjiftjaf, fitis, kauw, merel en zanglijster. Binnen het plangebied is één nest van een houtduif aangetroffen in een wilg. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Huismus en gierzwaluw vallen onder deze bescherming. Nader onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk. Nader onderzoek naar huismus vindt plaats in het voorjaar middels twee veldbezoeken tussen 1 maart en 15 mei. Het nader onderzoek naar de gierzwaluw valt gezien de omvang van de projectlocatie samen met het vleermuisonderzoek, en vraagt in die zin om beperkte extra onderzoeksinspanning. Het onderzoek naar de gierzwaluwen vindt plaats tussen 15 mei en 15 juli en bestaat uit 2 veldbezoeken, hierbij worden voornamelijk invliegende dieren op gebouwniveau gekarteerd.
Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 17
De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Binnen het plangebied is een nest van een houtduif in een wilg aangetroffen. Deze valt vanzelfsprekend ook onder de hiervoor genoemde bepalingen. Soorten als witte kwikstaart, spreeuw, zwarte roodstaart en winterkoning broeden geregeld in oude gebouwen. Derhalve kan het slopen van de gebouwen binnen het plangebied alleen plaatsvinden wanneer gedurende het broedseizoen aantoonbaar geen nesten aanwezig zijn. Dit dient te worden bepaald door een ecologisch ter zaken kundige. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels. Tevens wordt nader onderzoek naar gierzwaluw en huismus noodzakelijk geacht.
5.5 Reptielen Voorkomen en functie Rondom het plangebied zijn veelvuldig waarnemingen bekend van ringslang (NDFF). Ringslangen komen voor in zeer waterrijke omgevingen waarbij zij verblijven in broeihopen, takkenbossen, onder boomstobben of andere wegkruipmogelijkheden. Dergelijke mogelijkheden zijn niet binnen het plangebied aanwezig wat vrijwel uitsluitend bestaat uit gebouwen en verhardingen. Mogelijk komen ringslangen wel incidenteel binnen het plangebied voor. Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
5.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, worden niet binnen het plangebied verwacht. In de omgeving komt echter wel rugstreeppad voor. Rugstreeppad is een zeer mobiele soort welke zich snel kan vestigen in nieuwe biotopen met een voorkeur voor gebieden in pionier stadium (open zand). Het wordt hierom geadviseerd om gedurende de bouwwerkzaamheden geen plassen met water en zanddepots te laten staan welke rugstreeppad zou kunnen gaan gebruiken als voortplantingsbiotoop.
1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 18
Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Noord-Holland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Wel wordt geadviseerd om gedurende de bouwwerkzaamheden geen plassen met water en zanddepots te laten staan waarmee vestiging van rugstreeppad kan worden voorkomen. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk. Wel is het belangrijk om tijdens de werkzaamheden geen plassen met water en zanddepots te laten staan waarin rugstreeppad zich kan vestigen.
5.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Effecten op beschermde vissen zijn dan ook uit te sluiten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) zijn alleen waarnemingen bekend van grote weerschijnvlinder ten noordoosten van het plangebied. Hier is geschikt leefgebied aanwezig voor deze soort in de vorm van nat wilgenbos. Dergelijk biotoop ontbreekt binnen het plangebied. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 19
6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk en beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft enkele algemene (spits)muis- en amfibieënsoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Gebouw bewonende vleermuizen zijn niet op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek naar vleermuizen is op deze locatie noodzakelijk. Het vleermuisonderzoek loopt globaal van 15 mei tot en met 15 september met minimaal 5 veldbezoeken. Afhankelijk van dit vleermuisonderzoek moet blijken of er sprake is van een negatief effect, en of men een ontheffing Wet natuurbescherming moet aanvragen. Boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel Boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel zijn op voorhand niet uit te sluiten. Nader onderzoek naar deze soorten is op deze locatie noodzakelijk. Het onderzoek kan aan de hand van een zogenaamde Struikrover-cameraval worden uitgevoerd. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen2 uit te voeren.
Gierzwaluw en huismus Gierzwaluw en huismus zijn op voorhand niet uit te sluiten. Nader onderzoek naar gierzwaluw en huismus is op deze locatie noodzakelijk. Nader onderzoek naar huismus vindt plaats in het voorjaar middels twee veldbezoeken tussen 1 maart en 15 mei. Het nader onderzoek naar de gierzwaluw valt gezien de omvang van de projectlocatie samen met het vleermuisonderzoek, en vraagt in die zin om beperkte extra onderzoeksinspanning. Het onderzoek naar de gierzwaluwen vindt plaats tussen 15 mei en 15 juli en bestaat uit 2 veldbezoeken, hierbij worden voornamelijk invliegende dieren op gebouwniveau gekarteerd. Amfibieën Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk. Wel is het belangrijk om tijdens de werkzaamheden geen plassen met water en zanddepots te laten staan waarmee rugstreeppad zich kan vestigen. 2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 20
6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Amfibieën In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om de werkzaamheden aan de oever en watergang uit te voeren wanneer de larven zijn volgroeid, vanaf augustus, en voordat volwassen exemplaren zich ingraven voor de winterslaap, voor november.
6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten In de directe omgeving van het plangebied liggen drie Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof gerelateerde effecten Een Stikstofberekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Echter, de exacte gegevens die voor deze berekening noodzakelijk zijn, zijn in deze fase van de ontwikkeling nog niet beschikbaar of nog niet concreet. Zodra deze gegevens beschikbaar en concreet zijn dient een stikstofberekening te worde uitgevoerd naar stikstof-gerelateerd effecten van de voorgenomen ingreep.
6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied enkele bomen gekapt. Het gebied ligt buiten de bebouwd kom aan de grens van Diemen waarmee een gemeentelijke vergunning niet aan de orde is. Tevens betreft het een geringe opstand van enkele bomen en bosschages kleiner dan 10 are en niet deel uitmakend van een rijbeplanting van meer dan 20 bomen waarmee een kapmelding bij de provincie Noord-Holland eveneens niet aan de orde is.
6.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een uitgebreide toetsing wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Naar aanleiding van dit verkennend flora- en faunaonderzoek is vastgesteld dat een nader onderzoek naar vleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en marterachtigen noodzakelijk is. Uit dit onderzoek moet duidelijk worden of er mogelijke beschermde functies zoals verblijfplaatsen of nestplaatsen aanwezig zijn. Het onderzoek vormt echter geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de plannen, omdat mogelijke negatieve effecten op vleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en marterachtigen uitgesloten kunnen worden
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 21
door het treffen van mitigerende maatregelen. Daarnaast zullen aanvullende maatregelen worden toegepast bij het slopen, zoals het werken buiten de kwetsbare periode van de betreffende soorten. Voor overige soorten vormt de ontwikkeling tevens geen belemmering mits rekening wordt gehouden met de beschreven maatregelen en werkwijzen zoals vermeld in deze natuurtoets. Voor verblijfplaatsen van vleermuizen, gierzwaluwen, huismussen en marterachtigen worden regelmatig ontheffingen aangevraagd en verkregen. In zijn algemeenheid moeten daarbij de volgende maatregelen genomen worden om de gunstige staat van instandhouding te garanderen en aan de zorgplicht te voldoen: • aanbieden nieuwe en meer verblijfplaatsen vóór verwijderen huidige; • in stand houden voldoende functioneel leefgebied (foerageergebied en dergelijke); • voorkomen van aantasten/doden dieren bij uitvoering, bijvoorbeeld door uit te voeren buiten de gevoelige periodes. Door bovengenoemde maatregelen te nemen wordt de functionaliteit van het plangebied (en/of directe omgeving) voor de dieren in stand gehouden. In dat geval kan een ontheffing worden aangevraagd voor het verstoren van de dieren. Ten slotte moet aangetoond worden dat er geen alternatieven zijn. De ontwikkeling is locatie specifiek, hiervoor is geen alternatief.
Alternatieven in het kader van de werkwijze en planning worden ingevuld bij het opstellen van het activiteitenplan en de ontheffing. In het kader van het bestemmingsplan zijn deze onderdelen echter niet relevant. Het bestemmingsplan biedt voldoende ruimte om aan de eisen voor een ontheffing te voldoen. De noodzaak voor een ontheffing belemmeren de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dus niet.
6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 0. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies, ten aanzien van de effecten op beschermde soorten, leiden.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 22
Literatuurlijst • • • • •
AERIUS Calculator (2021). Datum van raadplegen: 14-09-2020. https://calculator.aerius.nl/calculator/?locale=nl# BAG Viewer (2021). Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Opgehaald van Kadaster: https://bagviewer.kadaster.nl/ ESRI Nederland (2021). https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NDFF (2021). Nederlandse Databank Flora en Fauna. https://www.ndff.nl/
Foto’s: M. Oomen, Eelerwoude
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 23
Bijlage 1 verbeelding nieuwe ontwikkeling
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 24
Bijlage 2 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 25
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 26
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Overdiemerweg 38, Diemen | Eelerwoude | 27
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.