3 BP Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)_Toelichting
Tekst van het document
4.8.2
Onderzoek
In januari 2022 is door onderzoeksbureau Aviv een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (zie Bijlage 8). Uit het onderzoek is het volgende gebleken:
Hogedruk aardgasleiding W-533-01-deel 1 Plaatsgebonden risico De berekeningen hebben niet geleid tot een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor het plan. Groepsrisico
27
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
Het groepsrisico is in zowel de huidige als toekomstige situatie kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierbij wordt ingegaan op de volgende onderwerpen: a. De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleidingen. b. De hoogte van het groepsrisico. c. De bestrijdbaarheid. d. De zelfredzaamheid. Over de punten c en d dient voorgelegd te worden aan de veiligheidsregio voor advies. Een nadere beschouwing van risico reducerende maatregelen en ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico is in dat geval niet nodig. Belemmeringenstrook Het plangebied ligt buiten de belemmeringenstrook.
Overig Weg Het plangebied ligt buiten de 200 meter zone ter verantwoording van het groepsrisico maar in het invloedsgebied van zowel de A1 als de A10. De veiligheidsregio dient daarom in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen omtrent zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Vaarweg Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van het Amsterdam - Rijnkanaal en daarom wordt deze risicobron buiten beschouwing gelaten. Spoor Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de spoorlijn Amsterdam Muiderpoort - Diemen en daarom wordt deze risicobron buiten beschouwing gelaten. Het plangebied ligt buiten de 200 meter zone ter verantwoording van het groepsrisico maar in het invloedsgebied van de spoorlijn Duivendrecht Diemen. De veiligheidsregio dient daarom in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen omtrent zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Advies Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland Op 9 mei 2022 heeft de veiligheidsregio geadviseerd over het aspect externe veiligheid (zie Bijlage 9). Bijzondere aandacht verdiend het risico op een fakkelbrand. Het plangebied ligt buiten de effectafstand van 70 meter voor verblijf in gebouwen maar binnen de 200 meter afstand met risico voor personen in de buitenlucht. De Veiligheidsregio verzoekt om bij nadere uitwerking van (de bouwwerken in) het plangebied de invulling van bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen af te stemmen met de Veiligheidsregio. De Veiligheidsregio verzoekt om bij uitwerking van de bouwwerken en bouwkundige voorzieningen de brandweer te betrekken voor beoordeling van de brandveiligheid en inzet van hulpdiensten Er worden ook een aantal mogelijke maatregelen voorgesteld om risico's te beperken en/of de mogelijkheid voor hulpverlening en zelfredzaamheid te vergroten. Deze maatregelen zijn niet limitatief, er zijn wellicht ook nog andere maatregelen die toegepast kunnen worden. Het gaat om de volgende maatregelen: Toereikende opstelplaatsen voor hulpverleningsvoertuigen en toereikende bluswatervoorzieningen realiseren; Een goede ontsluiting van het plangebied realiseren waarbij van de verschillende risicobronnen af kan worden gevlucht; Ontvluchtingsmogelijkheden (vluchtroutes en nooduitgangen) vanuit bouwwerken in het plangebied
28
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde) realiseren die van de verschillende risicobronnen af zijn gericht; Een graafverbod ter plaatse van de nabij het plangebied/bouwwerk gelegen aardgasleidingen; Bij werkzaamheden aan de aardgastransportleiding in de buurt van het plangebied/bouwwerk geen of zo weinig mogelijk personen op de locatie aawezig laten zijn; Voorlichting en risicocommunicatie voor de aanwezigen in het plangebied.bouwwerk met betrekking tot het handelingsperspectief bij incidenten. Geadviseerd wordt om deze maatregelen te overwegen en bij de afweging over de acceptatie van het risico (verantwoording groepsrisico) de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening te betrekken. Beperkte verantwoording groepsrisico Vanwege de hogedruk aardgasleiding is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. Hiervoor is door onderzoeksbureau Aviv een verantwoording opgesteld (zie Bijlage 10). De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Bij de verantwoording van het groepsrisico hebben de volgende overwegingen een rol gespeeld: Het groepsrisico neemt door de ontwikkeling niet berekenbaar toe. De kans op een ongeval is heel klein. In algemene zin geeft de Veiligheidsregio aan voorbereid te zijn op het beperken van de effecten van een dergelijk ongeval en het in veiligheid brengen van mensen.
Er zijn in de omgeving voldoende vluchtwegen van de risicobron af aanwezig. De aanwezigen zijn over het algemeen zelfredzaam. Er worden geen specifieke functies gerealiseerd voor mensen die zichzelf niet in veiligheid kunnen brengen (zoals een ziekenhuis of een kinderdagverblijf). Het groepsrisico is hiermee verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht.
4.8.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
4.9.1
Wet- en regelgeving
Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) Met de WAMZ is het verplicht voor ruimtelijke plannen en projecten om het archeologisch belang een volwaardige plaats toe te kennen. De wet vraagt de gemeenten om in de voorbereidingsfase van ruimtelijke plannen inventariserend archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt zes wetten op het gebied van cultureel erfgoed en sorteert hiermee voor op de komende Omgevingswet. Door de wetten te bundelen en een aantal regels te vernieuwen is de wetgeving minder versnipperd. In de Erfgoedwet staat onder andere wat cultureel erfgoed is, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. De Erfgoedwet gaat over de bescherming van het cultureel erfgoed. Er is ook erfgoed in ruimtelijke ordening (de leefruimte om ons heen). Hoe Nederland daarmee omgaat staat in de Wabo.
4.9.2
Onderzoek
De ontwikkellocatie is volgens de Archeologische waardenkaart van de gemeente Diemen gelegen in een gebied met lage archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
29
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
Afbeelding: uitsnede Archeologische waardenkaart Diemen, plangebied geel omcirkelt
Er bevinden zich geen cultuurhistorische waarden in het gebied waarmee rekening moet worden gehouden. Ten zuiden van deze locatie ligt de Nederlands-Israëlitische begraafplaats. Deze wordt beschermd door de Erfgoedwet omdat het een Rijksmonument betreft. De beoogde woningbouw heeft hierop echter geen invloed. Nader onderzoek is niet nodig.
4.9.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.10
Ecologie en stikstofdepositie
4.10.1 Wet- en regelgeving Sinds 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. Deze wet neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Dat is niet alleen van belang vanwege het feit dat Nederland is gehouden tot nakoming van zijn internationale verplichtingen, maar ook, omdat de Europese regelgeving een hoog beschermingsniveau van de natuur verzekert, hoger dan de bescherming die vóór de totstandbrenging van de Europese kaders werd geboden door de nationale wetgeving. De taken en verantwoordelijkheden worden in het wetsvoorstel zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd, overeenkomstig het uitgangspunt 'decentraal tenzij'. Eén van de verantwoordelijkheden van de provincie is het Natuurnetwerk Nederland, een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Was het in de vorige wetgeving nog zo dat individuele exemplaren van zeldzame soorten werden beschermd, nu betreft het bescherming van de soort. Een belangrijk criterium in de wet is 'gunstige staat van instandhouding van een soort'. Daarvan is sprake als: uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te
30
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde) zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. 4.10.2 Onderzoek In mei 2022 is voor het plangebied door onderzoeksbureau By Nature advies een quick scan Flora en fauna uitgevoerd (zie Bijlage 11).
Gebiedsbescherming en gemeentelijk beleid Uit de quick scan is gebleken, dat negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op Natura 2000 (zie ook onder stikstofdepositie), het NNN en gemeentelijk beschermde groenstructuren zijn uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Verder is gebleken dat de watergang en groenstructuur direct ten oosten van het plangebied deel uitmaakt van een stedelijke groenstructuur. De groenstructuur wordt door de geplande werkzaamheden niet direct aangetast. Wel moet worden zorggedragen dat tijdens de werkzaamheden geen extra licht uitstraalt van het plangebied naar de groene verbinding.
Soortbescherming Uit de quick scan is gebleken dat door de geplande werkzaamheden in het groen eventueel het leefgebied van kleine marterachtigen (tijdelijk) verstoord, beschadigd of vernield kan worden. Nader onderzoek naar aanwezigheid van deze soorten is noodzakelijk. Door de realisatie van het woongebouw langs de watergang aan de zuidzijde kunnen negatieve effecten op een potentiële vliegroute niet op voorhand uitgesloten worden. Op basis van luchtfoto's betreft het waarschijnlijk geen potentieel essentiële vliegroute. Nader onderzoek in het veld is nodig om dit met zekerheid vast te stellen. De garages aan de noordzijde zijn potentieel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en er is in één te behouden populier één holte aanwezig die geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Op basis van de quickscan wordt gesteld dat directe negatieve effecten op verblijfplaatsen vleermuizen tijdens en na de herinrichting te voorkomen zijn als: tijdens de werkzaamheden zorgvuldig omgegaan wordt met verlichting (geen uitstraling naar de boom en de garages). de oostzijde van het plangebied en de strook langs de watergang na de inrichting weer groen ingericht worden en er bij het lichtplan rekening wordt gehouden met leefgebieden van vleermuizen. Vervolgens is in de zomer van 2022 aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 12).
Hieruit is gebleken dat de aanwezigheid van leefgebied van (kleine) marterachtigen in het plangebied Buitenlust op basis van het ecologisch onderzoek uitgesloten is. Negatieve effecten op leefgebied zijn hierdoor tevens uitgesloten. Het parkje aan de oostelijke kant van het plangebied en de watergangen aan de oost- en zuidzijde van het plangebied maken deel uit van een foerageergebied van de gewone dwergvleermuis. De watergangen aan de zuid- en oostzijde van het plangebied worden door de gewone dwergvleermuis gebruikt om zich te verplaatsen (vliegroute). Vanwege de naastgelegen begraafplaats en het volkstuincomplex betreft het geen essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied. Zowel de begraafplaats als het volkstuincomplex worden door de waargenomen vleermuizen diffuus gebruikt om zich te verplaatsen en om te jagen. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen of andere beschermde functies van vleermuizen aanwezig.
31
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
Tijdens de herinrichting blijft het volkstuincomplex en de begraafplaats beschikbaar en geschikt voor vleermuizen.
Afbeelding: Visualisatie van het advies met betrekking tot behoud van donkere routes voor vleermuizen tijdens de ontwikkeling. De begrenzing van de te ontwikkelen woningbouw en herinrichting groen zijn in bovenstaande afbeelding globaal weergegeven.
Op korte termijn (tijdens uitvoer werkzaamheden) zijn er geen negatieve effecten mits: de watergang aan de oostzijde van het plangebied (langs het parkje) donker blijft en de verlichting aan de westzijde (parkeerplaatsen) gelijk blijft of verminderd ten opzichte van de huidige situatie. Op de lange termijn hebben de plannen geen negatief effect op vleermuizen, mits het parkje in het oosten na de herinrichting onverlicht blijft en de mate van verlichting nabij de parkeerplaatsen aan de westzijde gelijk blijft (of minder wordt) als in de huidige situatie. Vanwege de afwezigheid van essentiële functies voor vleermuizen is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Wel moet te allen tijde rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht en aanwezigheid van algemene broedvogels.
Stikstofdepositie In februari 2023 is door onderzoeksbureau Cauberg Huygen een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 13). Uit de berekeningen blijkt dat er voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen vergunning nodig op grond van de Wet natuurbescherming.
4.10.3 Conclusie Uit onderzoek is gebleken dat zich geen beschermde dieren in het plangebied bevinden, die door het voornemen worden aangetast. Voor het uitvoeren van de geplande werkzaamheden is dan ook geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Wel moet te allen tijde rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht en aanwezigheid van algemene broedvogels. In het ontwerp wordt al zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezige sloot en de aanwezige bomenrij. Zo is er voor een zone langs de sloot de bestemming 'Groen' opgenomen die bouwen uitsluit. Ecologie en stikstofdepositie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
32
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
4.11
Luchtvaartverkeer
4.11.1 Wet- en regelgeving Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke maatregelen op rijksniveau die verband houden met de luchthaven Schiphol. Het Luchthavenverkeerbesluit is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchthavenluchtverkeer. Samen vormen deze besluiten een uitwerking van hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart. 4.11.2 Onderzoek De projectlocatie ligt buiten de zones waar beperkingen aan kwetsbare functies worden gesteld. De maximum bouwhoogte conform het LIB bedraagt 74 meter boven NAP (toetshoogte radar, maatgevende kaart). Het bouwvoornemen gaat uit van gebouwen met een maximale hoogte van 15 meter, zodat het bouwplan ruim voldoet aan het LIB. 4.11.3 Conclusie Het LIB vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.12
Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties
In een ruimtelijk plan dienen planologisch relevante leidingen te worden opgenomen. Deze kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik in de omgeving. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals waterleidingen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen, afvalwaterleidingen, en dergelijke. Indien dergelijke leidingen in het plangebied voorkomen zullen deze als zodanig bestemd moeten worden, inclusief de afstand die vrijgehouden moet worden van bebouwing ter bescherming van de leiding. In het gebied bevinden zich geen kabels, leidingen of telecommunicatie installaties, die planologisch relevant zijn. Dit aspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.13
Bezonning
4.13.1 Wet- en regelgeving TNO-normen Er bestaan in Nederland geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing. Wel zijn er normen van TNO: de lichte norm en de strenge norm. De lichte norm Een gebouw voldoet aan de lichte norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt. De strenge norm Om te voldoen aan de strenge norm moet er in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonning mogelijk zijn gedurende drie uren per etmaal. Ook hierbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt.
33
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
4.13.2 Bezonningsstudie In mei 2023 is door Van Riezen & Partners een bezonningsstudie uitgevoerd, waarbij het effect van het maximum kader volgens dit bestemmingsplan op de bezonning van objecten in de omgeving in kaart is gebracht (zie Bijlage 14). Daarnaast is de situatie ook getoets aan de hiervoor beschreven TNO-normen. 21 Maart / 23 September In het voor- en najaar is er rond 10 uur in de ochtend extra schaduw in de tuinen van de adressen 51 t/m 54. In eerste instantie is bij de bezonningsstudie geen rekening gehouden met aanwezige bomen, struiken en schuttingen, die al in de huidige situatie schaduw in de tuinen veroorzaken. Daarnaast zijn er extra plaatjes aangemaakt met aanwezig bomen (zie volgende afbeeldingen). Duidelijk wordt hierdoor, dat de schaduw door de nieuwbouw zeer beperkt toeneemt.
Afbeelding: bezonning bestaande en nieuwe situatie met aanwezige bomen en schuttingen
Rond 12 uur ontstaat ook meer schaduw op de achtergevel van 54 en in de middag ook op de zijgevel van nummers 54 en 55. Aangezien er in de zijgevel van nummer 55 geen ramen zijn, heeft de schaduw hier geen relevant effect. 21 Juni In deze maand is er geen sprake van extra schaduw op woningen door de nieuwbouw. 22 December In de winter is er sprake van schaduwwerking op de achtertuinen en de achtergevels van Buitenlust 42 t/m 44 en 47 t/m 54 voor een deel van de ochtend en voor de achtertuinen en achtergevels van Buitenlust 51 t/m 54 alsmede de zijtuinen en zijgevels van nummers 54 en 55 voor een groot deel van de dag, maar ook hierbij geldt, dat de aanwezige bomen, struiken en schuttingen al in de huidige situatie voor schaduw zorgen. Lichte TNO norm Uit de TNO toets blijkt dat overal aan de lichte norm wordt voldaan. Dat betekent dat minimaal 2 uur per dag sprake is van een bezonningsduur van 2 uur, gedurende de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Strenge TNO norm Aan de strenge norm, waarbij sprake is van een minimale bezonningsduur van 3 uur per dag, gedurende de periode 21 januari tot en met 22 november, wordt niet overal voldaan. Dat is echter al in de huidige situatie het geval en wordt vooral veroorzaakt door de berging/uitbouw van betreffende woningen. Alleen bij nummer 54 is sprake van een vermindering van de bezonning door de nieuwbouw.
Deze vermindering is echter zeer gering.
34
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
4.13.3 Conclusie Door de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte nieuwbouw is over het algemeen sprake van een beperkte toename aan schaduwwerking. Er wordt overal voldaan aan de lichte TNO norm. Er wordt niet overal voldaan aan de strenge norm, maar dat wordt niet veroorzaakt door de nieuwbouw en is voor betreffende woningen in de huidige situatie ook al het geval. Het effect van de nieuwbouw hierop is zeer beperkt. De situatie wordt aanvaardbaar geacht. Bezonning vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.14
Duurzaamheid en klimaatadaptie
Gasloos bouwen is uitgangspunt van de nieuwbouw. Bij de uitwerking van het gebouw zal rekening worden gehouden met de duurzaamheidseisen. De gemeente Diemen heeft als doelstelling om in 2040 een gebouwde omgeving in Diemen te hebben die onafhankelijk is van fossiele energie. Hierbij gaat het om energiebesparing en het opwekken van duurzame energie door gemeente, burgers en bedrijven. Intensivering is nodig om de doelstelling energieneutraal in 2040 te kunnen halen. Voor nieuwbouw die op 2 juli 2020 (Duurzaamheidsagenda) nog niet planologisch of contractueel vastlag hanteert de gemeente als doelstelling dat deze gasloos en minimaal energieneutraal is, waarbij wordt gestreefd naar energiepositief. Om de woningbouw maximaal toekomstbestendig (geschikt voor vrijwel alle aardgasloze verwarmingstechnieken en energiezuinige koeling) te maken is het toepassen van lage temperatuurverwarming wenselijk
In lijn met de landelijke doelstelling heeft de gemeente Diemen als doelstelling om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben. Voor een circulaire economie is het wenselijk om bij (ver)nieuwbouw: 1. materiaalverspilling tegen te gaan, 2. zo hoogwaardig mogelijk gebruik te maken van wat er lokaal aan (sloop)materialen beschikbaar is, 3. gebruik te maken van hernieuwbare materialen (de gemeente heeft het MRA convenant houtbouw mede-ondertekend), 4. een zo laag mogelijke milieubelasting na te streven (zo laag mogelijke MPG waarde) 5. flexibel en levensloopbestendig te ontwerpen voor een lange levensduur en 6. zodanig te ontwerpen (modulair, schroefbaar, materialenpaspoort, etc.) dat materialen bij sloop zo hoogwaardig mogelijk geoogst en hergebruikt kunnen worden. De gemeente heeft het beleid om bepaalde sterk milieubelastende materialen niet toe te passen: lood, ongecoat zink, teerhoudende dakbedekking, koperen waterleidingen\dakbedekking, (hard)hout zonder FSC-keurmerk. De gemeente Diemen heeft als doelstelling dat gebieden in principe een bui van 120mm in een uur kunnen bergen/afvoeren zonder dat gebouwen en (parkeer)kelders onderlopen. Alleen als dat niet realiseerbaar is wordt een norm van 90mm in een uur gehanteerd.
In Buitenlust zijn de effecten van regenbuien voor de wegen en gebouwen minimaal, omdat de bestaande woningen ten opzichte van de wegen een stuk hoger liggen. Om wateroverlast in de woningen te voorkomen, moet regenwater van een extreme bui tijdelijk in de openbare buitenruimte worden geborgen. In de plannen voor de nieuwbouw dient er rekening mee te worden gehouden om deze woningen op dezelfde hoogte te bouwen. Hierbij is het van belang dat het vloerpeil van de woningen zich ruim voldoende boven de wegverharding bevindt. De vloerpeilen van Buitenlust bevinden zich op NAP -0,75 m. De maat tussen het rioolsysteem en het vloerpeil is eigenlijk kleiner dan gewenst waardoor er nauwelijks afschot is in de huisaansluitingen van woning naar openbaar riool. Dit leidt vaak tot verstoppingen. Dit pleit ervoor het vloerpeil van de nieuwe appartementen met 20 cm te tillen naar NAP-0,55 m. Dit heeft tevens een gunstige invloed op de mate van klimaatbestendigheid. We worden geconfronteerd met steeds warmere zomers. Hiermee neemt de noodzaak toe om maatregelen te treffen om het risico op oververhitting bij nieuwbouw woningen te beperken. Nieuwe woningen worden energiezuinig gebouwd, en houden daardoor hun warmte beter vast. Directe zonintreding heeft een grote invloed op oververhitting bij nieuwbouwwoningen wat in de zomer problemen
35
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde) kan opleveren. Hogere binnentemperaturen leiden tot gezondheidsrisico's en overlast. Er is een indicator voor verlaging van het risico op oververhitting genaamd: TOjuli (TOjuli). De grenswaarde per 1 januari 2021 voor de TOjuli-indicator is: 1,20. Deze waarde is een indicatiegetal waarmee per oriëntatie van het gebouw inzicht wordt gegeven in het risico op temperatuuroverschrijding in het gebouw. De TOjuli volgt automatisch uit de software van de Energieprestatieberekening volgens de NTA 8800. Woningen met een actieve koeling voldoen automatisch aan de TOjuli-eis. Bij de inrichting van het gebied worden de bestaande groenzones zoveel mogelijk en zorgvuldig ingepast in de nieuwe situatie. De beoogde groene invulling van de ruimte rond de nieuwbouw heeft een gunstig effect tegen hittestress. Voor de ecologie met betrekking tot de groenzones wordt verwezen naar paragraaf 4.9.1 Woningcorporaties hebben doorgaans niet de mogelijkheid om de kosten voor de gemeentelijke wensen op het gebied van duurzaamheid af te wentelen op de huurders. Deze kosten, drukken zwaar door in de vastgoedexploitatie zonder dat daar een huurverhoging of huurprijs tegenover staat. Terwijl de nationale milieucriteria waaraan de nieuwbouw moet voldoen zijn geborgd in het Bouwbesluit. Er worden geen verdergaande eisen bovenop de eisen van het Bouwbesluit opgelegd.
Wel wordt in samenspraak met de ontwikkelaar onderzocht of er op het gebied van duurzaamheid nog bepaalde no regret maatregelen en quick wins te realiseren zijn
4.15
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.15.1 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, 2017) is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. De Ladder voor duurzame verstedelijking is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' De begrippen “bestaand stedelijk gebied” en “nieuwe stedelijke ontwikkeling” zijn opgenomen in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder h en i Bro. De 'behoefte' is de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar -looptijd van een bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). De Ladder bepaalt niet voor welke regio de behoefte in beeld moet worden gebracht. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt.
De afbakening van het onderzoeksgebied is dus afhankelijk van het beoogde programma in het bestemmingsplan. De Ladder biedt de mogelijkheid om in geval van een globaal bestemmingsplan met uitwerkingsplichten en/of wijzigingsbevoegdheden, in het moederplan te bepalen dat het Ladderonderzoek pas hoeft te worden verricht bij vaststelling van het uitwerkingsplan of het wijzigingsplan. 4.15.2 Behoefte Diemen is gelegen in Noord-Holland Zuid, regio Amstelland-Meerlanden. In de periode 2017-2040 neemt de woningbehoefte in Noord-Holland toe met 212.000 woningen en 189.700 in Noord-Holland Zuid. De woningbehoefte blijft ook in de regio Amstelland-Meerlanden toenemen. Voor Diemen is een behoefte van 5.800 woningen tot 2040 geprognosticeerd (Bron: Prognose 2017-2040: bevolking, huishoudens en woningbehoefte, Provincie Noord-Holland). Door een dalende nieuwbouwproductie is het binnenlands migratiesaldo van de regio de laatste jaren afgenomen. Dit is deels een crisiseffect maar hangt ook samen met de opkomst van een meer stedelijke woonvoorkeur en de afnemende groei van het aantal gezinnen met kinderen. De afgelopen tijd
36
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde) zien we dat vooral de gemeenten groeien die direct grenzen aan Amsterdam (Diemen en Amstelveen). Door de vele bouwmogelijkheden, de goede bereikbaarheid, de hoge druk op de woningmarkt in Haarlem en Amsterdam en de aantrekkende economie valt te verwachten dat de woningbouwproductie blijft aantrekken en de bevolkingsgroei in de regio gaat stijgen. Dit leidt in 2040 tot een groei van 67.800 inwoners en 35.400 huishoudens. Door de specifieke groei uit het verleden is de vergrijzing in deze regio vrij groot. Dit gaat samen met een relatief hoge groei van het aantal jonge huishoudens.
Deze geschetste ontwikkeling van de woningbehoefte sluit grotendeels aan bij de ambitie in de provinciale omgevingsvisie en het ontwikkelingsbeeld van de Metropoolregio Amsterdam. Verschil t.o.v. de uitgangspunten in deze beleidsdocumenten is dat de groei in de provincie Noord-Holland groter is dan verwacht en zich meer concentreert in de oude steden in Noord-Holland Zuid.
Er is grote behoefte aan extra sociale woningen in Diemen en de regio. Daarom heeft het College van B&W de ambitie om de komende periode 1.085 sociale woningen toe te voegen. Het totaal van 1.085 woningen is niet het resultaat van de behoefteberekening, maar gebaseerd op de nu bekende ruimtelijke en financiële mogelijkheden. De behoefte voor sociale woningbouw ligt namelijk aanzienlijk hoger. Over 10 jaar zullen er in Diemen tussen de 17.000 en 18.000 huishoudens gevestigd zijn. Van de huishoudens in groot Amsterdam valt meer dan 40% onder EU-inkomens grens voor de sociale huur. Voor Diemen betekent dat 6.800 sociale huurwoningen. In Diemen zijn nu 3.576 woningen met een sociale huurprijs. Er is daarom een feitelijke behoefte van 2.224 sociale woningen. Het toevoegen van 1.085 sociale woningen is ruim onvoldoende om hierin te voorzien.
Uit het voorafgaande wordt duidelijk dat er behoefte is aan nieuwe woningen, met name in het sociale
37
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde) segment. Juist herin voorziet dit bestemmingsplan. Deze worden binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. 4.15.3 Conclusie De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte woningen voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
4.16
Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten) en activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D-activiteiten). Bepalend daarbij is of een project moet worden beschouwd als een “stedelijk ontwikkelingsproject”. M.e.r. en m.e.r.-beoordeling Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van het stedelijk ontwikkelingsproject een rol. Uit die rechtspraak volgt voorts dat of per saldo aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, daarbij niet van belang is. De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling van 38 sociale huurwoningen kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Dit initiatief blijft wel onder de drempelwaarden uit het besluit.
De omschrijving van de drempelwaarden (2000 of meer woningen) behorend bij deze categorie is opgenomen in onderstaande tabel.
Conclusie Voor dit bestemmingsplan is een voormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing. Uit voorafgaande hoofdstukken is duidelijk gebleken dat de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen relevante gevolgen hebben voor de omgeving, die aanleiding geven voor het uitvoeren van een MER. Omdat de gemeente Diemen zelf initiatiefnemer is, is geen aparte aanmeldnotitie MER nodig. Het project blijft in omvang onder de drempelwaarden zodat er geen onderzoek nodig is. Voor een compleet beeld is in de toelichting van de bestemmingsplan aandacht besteed aan de effecten van het plan op de omgeving (geluid, lucht, externe veiligheid, ecologie, stikstof, klimaatadaptief) zodat op deze manier is voorzien in de beoordeling van deze effecten van het plan op de milieusituatie ter plaatse en in de omgeving met als resultaat dat het plan passend is binnen deze milieubelangen.
38
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planopzet
Standaard en plansystematiek
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (kaart), regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridische plan. De plantoelichting heeft geen bindende rechtskracht. Standaard Het bestemmingsplan Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde) is opgesteld en ingericht conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Systematiek Dit bestemmingsplan is een gedetailleerd bestemmingsplan, dat wil zeggen dat aan de meeste percelen en gebieden specifieke bestemmingen zijn toegekend, in plaats van globale bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.
Hoofdstuk 2 Bestemmingen Artikel 3 Groen De bestemming Groen is gegeven aan beeld- of structuurbepalend groen. Het gaat dan om gronden die in gebruik zijn als onder meer parken, plantsoenen, bermen, en voet- en fietspaden. Binnen de bestemming Groen zijn tevens speelvoorzieningen toegestaan. Daarnaast zijn via aanduidingen enkele specifieke, afwijkende functies in het groen mogelijk gemaakt, zoals nutsvoorziening, fietsenstalling en parkeren. Artikel 4 Verkeer Het verkeersareaal in het plangebied heeft de bestemming Verkeer gekregen. Binnen deze bestemming zijn wegen en een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan, zoals parkeren, groen- en waterpartijen, nutsvoorzieningen en dergelijke. Artikel 5 Wonen De woningen zijn voorzien van de bestemming Wonen. Hier zijn gestapelde woningen mogelijk. Deze zijn uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken toegestaan. De bouwvlakken mogen volledig bebouwd worden met de op de verbeelding aangegeven maximum goot- en bouwhoogte. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overkraging' zijn alleen ondergeschikte bouwdelen in de vorm van galerij, balkon, trappenhuis en dakoverstek toegelaten.Ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' is vanwege onderhoud bebouwing uitsluitend vanaf de tweede bouwlaag toegelaten. Er is een parkeernorm opgenomen van 1,5 fietsparkeerplaatsen per woning om in het 39
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde) hoofdgebouw een inpandige gemeenschappelijke fietsenstalling te realiseren voor het fietsparkeren van bewoners. Binnen de woonfunctie is het uitoefenen van aan-huis-gebonden beroepen of bedrijven in hoofdgebouwen toegestaan, mits de woonfunctie blijft prevaleren, geen hinder optreedt voor de woonomgeving en wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Om te garanderen dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, mag ten hoogste 30% van het vloeroppervlak worden benut ten behoeve van de kantoor-, praktijk- of bedrijfsruimte met een maximum van 50 m².
Hoofdstuk 3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen. Artikel 6 Antidubbeltelregel Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn regels opgenomen die waarborgen dat bij het bouwen de parkeernormen in acht worden genomen voor autoparkeren en fietsparkeren. Hiervan is afwijking mogelijk indien de situatie ter plaatse of de aard van het bouwwerk hiertoe aanleiding geeft. Artikel 8 Algemene gebruik sregels In dit artikel worden de vormen van verboden gebruik van gronden en/of water genoemd. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels om bij een omgevingsvergunning af te wijken. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.
Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is opgenomen dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen. Artikel 11 Overige regels Verwijzing naar andere regelgeving In de regels van het bestemmingsplan wordt met verwijzing naar een (andere) wettelijke regeling een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. De van toepassing verklaarde wettelijke regeling geldt zoals deze luidt op het moment van de vaststelling van het plan. Wijziging van de wettelijke regeling na de vaststelling van het bestemmingsplan zou anders zonder Wro-procedure een wijziging van het bestemmingsplan met zich meebrengen. Bestaande maten regeling Door deze regel worden gebruik, bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zoals die zijn vergund op basis van de bestaande bestemmingsplannen, geacht op grond van dit plan te zijn toegestaan en mogen respectievelijk als bestaand gebruik, bestaand bouwwerk, bestaand werk geen bouwwerk zijnde en bestaande werkzaamheid worden aangemerkt.
Hoofdstuk 4 Overgangsrecht en slotregel Artikel 12 Overgangsrecht
40
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). Artikel 13 Slotregel Deze regel bevat de titel van de regels van het plan.
41
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De Wro stelt verplicht dat de gemeenteraad tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vaststelt voor kostenverhaal in het geval het bestemmingsplan nieuwe, bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen bouwplannen mogelijk maakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de bouw van één of meer woningen, de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen of de uitbreiding of verbouwing van gebouwen. In de wet is aangegeven welke kosten verhaald kunnen worden. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld door gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van nieuwbouw van woningen en voorzieningen en maakt daarmee een aangewezen bouwplan mogelijk. Het plangebied is volledig in eigendom van de gemeente. De gemeentelijke plankosten en de inrichting van de openbare ruimte worden volledig gedekt door de gemeentelijke grondexploitatie, waarmee de economische uitvoerbaarheid is verzekerd. Voor het project is op 16 december 2021 door de gemeenteraad een grondexploitatie vastgesteld. In de grondexploitatie Sociale woningbouw Buitenlust wordt de financiële haalbaarheid van het project weergegeven. De gemeente is eigenaar van de grond en zal het gebied bouw- en woonrijp maken.
De bouwrijpe grond wordt verkocht aan woningcorporatie Rochdale conform het vigerende grondprijzenbeleid. Rochdale zal de sociale woningen bouwen en verhuren. Schade tijdens en als gevolg van de bouw moet zoveel mogelijk worden voorkomen en als deze toch voorkomt, worden vergoed. De aannemer is verantwoordelijk om tijdens het bouwproces schade, waaronder schade aan omliggende panden, te voorkomen. Planschade Het bestemmingsplan biedt mogelijkheden tot herontwikkeling met een risico op planschade. Deze risico's worden afgedekt in de koopovereenkomst(en), af te sluiten met de ontwikkelende partij.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan wordt getoetst aan het vooroverleg met de reguliere overlegpartners en een zienswijzenperiode voor reacties van bewoners en andere belanghebbenden. Het gemeentebestuur hecht veel waarde aan een breed gedragen en haalbaar bestemmingsplan. De reacties uit zowel het vooroverleg als de zienswijzenperiode worden voorzien van een beantwoording en afgewogen in het bestemmingsplan.
6.2.1
Participatie
In het kader van een zoektocht naar geschikte locaties voor het realiseren van sociale huurwoningen is de locatie Buitenlust in 2018 aangewezen als zoekgebied. Hierover zijn de bewoners van Buitenlust geïnformeerd. En zijn diverse overleggen geweest tussen gemeente en bewoners. Aan de bewoners is de mogelijkheid geboden tot participatie over de invulling van de zoeklocatie van sociale woningbouw in Buitenlust door middel van cocreatie. Voor deze vorm van participatie bleek onvoldoende animo. Vervolgens heeft de gemeente in 2020 een schetsplan opgesteld met varianten wat in het najaar 2020 aan bewoners is voorgelegd door middel van een online raadpleging en een enquête. Dit mede vanwege de beperkingen als gevolg van de maatregelen om het COVID-19 virus in bedwang te houden. De resultaten van de enquête zijn meegenomen in het verder uitwerken van het schetsplan naar een conceptplan. Over het conceptplan zijn in maart 2021 online bijeenkomsten georganiseerd en konden bewoners van Buitenlust hun vragen stellen. De vragen en opmerkingen zijn meegenomen bij de vaststelling van het conceptplan door de gemeenteraad op 6 juli 2021.
42
Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde)
6.2.2
Inspraakreacties en resultaten wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1 Bro)
Op 14 april 2022 is bekend gemaakt dat het voorontwerp bestemmingsplan Buitenlust 2022 (sociale woningbouw zuidzijde) van 15 april tot en met 26 mei 2022 ter inzage is gelegd. Gedurende de ter inzage legging zijn er 7 reacties van vooroverlegpartners en 31 schriftelijke inspraakreacties namens omwonenden ontvangen. Er zijn geen mondelinge inspraakreacties ontvangen. De ontvangen reacties zijn behandeld in een reactienota (zie Bijlage 15). In aanvulling op de inspraakperiode hebben de wethouders Hans Prins (portefeuille ruimtelijke ordening) en Marian Everhardt (portefeuille wonen) in juli en september overleg gevoerd met de Werkgroep Buitenlust Groen en zijn de bewoners van Buitenlust per brief van 26 september 2022 uitgenodigd om aanvullend een reactie te geven over de situering van het gebouw met drie opties voor situering tijdens een participatieavond op 6 oktober 2022 waar wethouders Hans Prins (ruimtelijke ordening) en Marian Everhardt (wonen) aanwezig waren. Tevens kon een reactie per e-mail worden gegeven in de periode van 6 tot en met 10 oktober 2022. De resultaten van de participatiebijeenkomst zijn verwoord in een antwoordbrief van 25 november 2022 die is toegevoegd als bijlage bij de hiervoor genoemde reactienota.
In het kader van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de volgende instanties: Provincie Noord-Holland; Waternet/Waterschap Amstel, Gooi en Vecht; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Rijkswaterstaat Noord-Holland; ProRail Liander; Gasunie; GGD Amsterdam; Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland. Er zijn reacties ontvangen van Liander, ODNZKG, Provincie Noord-Holland, Waternet, Rijkswaterstaat WNN, Prorail en de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland. Ook deze reacties zijn behandeld in de reactienota (zie Bijlage 15). In Bijlage 16 is in de 'Nota van Wijzigingen van voorontwerp naar ontwerp bestemmingsplan Buitenlust 2022 (woningbouw zuidzijde)' een overzicht gegeven van de wijzigingen in het ontwerp bestemmingsplan ten opzichte van het voorontwerp bestemmingsplan Buitenlust 2022 (woningbouw zuidzijde). 6.2.3
Resultaten zienswijzen op ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 3 maart tot en met 13 april 2023 ter inzage gelegen. Gedurende de ter inzage legging zijn er 13 zienswijzen ontvangen. De ontvangen zienswijzen zijn behandeld in een aparte Nota van Beantwoording Zienswijzen (zie Bijlage 17). In Bijlage 18 is in de 'Nota van Wijzigingen van ontwerp naar vaststelling bestemmingsplan Buitenlust 2022 (woningbouw zuidzijde)' een overzicht gegeven van de wijzigingen in bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan Buitenlust 2022 (woningbouw zuidzijde). 6.2.4
Beroep
Omdat het bestemmingsplan meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk maakt is de Crisis en herstel (Chw) van toepassing. Dit betekent dat voor dit bestemmingsplan de versnelde behandeling bij de Raad van State geldt. De verklaring dat de Chw van toepassing is wordt vermeld in het vaststellingsbesluit en in de bekendmaking over de ter inzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan.
43