NIEUW 2025-787-bijlage-Verordening tot wijziging Algemene plaatselijke verordening Deventer 2025
Tekst van het document
Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Deventer De raad van de gemeente Deventer besluit vast te stellen de volgende verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Deventer
Artikel I De Algemene plaatselijke verordening Deventer wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 2:24 lid 1 onder b wordt als volgt gewijzigd: b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet B Artikel 2:34b komt als volgt te luiden: Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Het is een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op sociaal-culturele activiteiten uitsluitend toegestaan om zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken binnen de volgende tijden: a. maandag tot en met donderdag van 17.00 uur tot uiterlijk 23.00 uur, en; b. vrijdag van 17.00 uur tot uiterlijk 00.00 uur, en; c. zaterdag van 13.00 uur tot uiterlijk 00.00 uur, en; d. zondag van 13.00 uur tot uiterlijk 23.00 uur. 2. Een paracommerciële rechtspersoon, die zich voornamelijk richt op het organiseren van sportieve, recreatieve activiteiten en andere dan in lid 1genoemde paracommerciële rechtspersonen, kunnen zwak-alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf twee uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon met inachtneming van de in lid 3 en 4 genoemde tijden. 3. Het is een paracommerciële rechtspersoon als genoemd in lid 2, uitsluitend toegestaan om zwak-alcoholhoudende drank te verstrekken binnen de volgende tijden: a.
maandag tot en met donderdag van 17.00 uur tot uiterlijk 23.00 uur, en; b. vrijdag van 17.00 uur tot uiterlijk 00.00 uur, en; c. zaterdag van 13.00 uur tot uiterlijk 00.00 uur, en; d. zondag van 13.00 uur tot uiterlijk 23.00 uur. 4. In afwijking van lid 3 sub a en b zijn de schenktijden bij welzijnsinstellingen gericht op ouderenzorg van maandag tot en met vrijdag van 13.00 uur tot uiterlijk 23.00 uur. 5. Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 6. De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in dit artikel. C Artikel 2:34d komt als volgt te luiden: Artikel 2:34d Ontheffing 1. De burgemeester kan een ontheffing verlenen: a. van het bepaalde in de artikelen 2:34b lid 1 tot en met 4 en 2:34c; b. van het bepaalde in artikel 2:34b lid 5 voor maximaal 10 maal per kalenderjaar; 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht betreffende de positieve beschikking bij niet tijdig beslissen is niet van toepassing.
D Artikel 2:34 e Proeverijen in slijtlokaliteiten, wordt vernummerd naar artikel 2:34g E Na artikel 2:34 d worden artikelen ingevoegd, welke luiden als volgt: Artikel 2:34e Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van de APV kan de burgemeester een ontheffing op grond van artikel 2:34d APV weigeren als: 1. de bijeenkomst zich hoofdzakelijk richt op jongeren onder de 18 jaar; 2. de ontheffing leidt tot oneerlijke concurrentie met reguliere horeca in de omgeving; 3. overtredingen van de APV, Alcoholwet of ontheffingsvoorwaarden zijn geconstateerd binnen een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag; 4. de bijeenkomst plaats vindt buiten de toegestane tijden zoals bepaald in artikel 2:34b APV; 5. de bijeenkomst niet is toegestaan op grond van de nadere regels; 6. het verstrekken van alcoholhoudende drank tijdens de bijeenkomst een op zichzelf staand doel is; 7. de paracommerciële rechtspersoon geen reglement heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 9 van de Alcoholwet; 8. als er bij gebruik van eerdere ontheffingen of bij regulier gebruik sprake is geweest van (geluids)overlast. Artikel 2:34f Intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 van de APV kan de burgemeester een verleende ontheffing op grond van artikel 2:34d APV intrekken als: 1.
de ontheffing wordt gebruikt voor commerciële doeleinden die niet passen binnen de doelstelling van de paracommerciële instelling; 2. de alcoholhoudende drank niet wordt verstrekt door en onder verantwoording van een houder van een Alcoholwetvergunning (artikel 3 Alcoholwet). F Artikel 2:51 komt als volgt te luiden: Artikel 2:51 Parkeren van fietsen, bromfietsen of vergelijkbaar vervoermiddel 1. Het is verboden een fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, te plaatsen of laten staan: a. als daardoor op een voetpad of trottoir de doorgang wordt gehinderd of belemmerd; b. als daardoor de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd; c. als daardoor op of aan een openbare plaats hinder, overlast of schade ontstaat of d. als daardoor voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets, bromfiets of vergelijkbaar vervoermiddel is geplaatst de doorgang of het uitzicht wordt belemmerd; e. tegen een monument of gedenkteken. 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. 3.
Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen ter voorkoming of beëindiging van hinder, overlast of gevaar fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde fietsparkeervoorzieningen te laten staan. 4. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg of in een parkeerfietsvoorziening te laten staan. G Artikel 2:52 komt als volgt te luiden:
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op kermis, evenemententerrein e.d. 1.Het is verboden op een gemotoriseerd voertuig te rijden, te fietsen of zich op een ander vervoermiddel voort te bewegen op een terrein waar een kermis, uitvoering, evenement, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt welke publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. 2.Dit verbod is niet van toepassing voor zover de bestuurder van het gebruik van dit vervoermiddel lichamelijk afhankelijk is (scootmobiels e.d.). H Artikel 2:74 komt als volgt te luiden: Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden en/of zich daar heen en weer te bewegen met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2, 2a en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling en al dan niet vanuit een voertuig, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
I Artikel 2:74d komt als volgt te luiden: Artikel 2:74d Openlijk drugsgebruik Het is in de door het college aangewezen gebieden verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. J Artikel 5:9 komt als volgt te luiden; Artikel 5:9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2.40 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
K Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets, vervalt.
Artikel II Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij bekend is gemaakt.
Toelichting AFDELING 8A. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE ALCOHOLWET Algemeen Deze modelverordening bevat medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet (AW). Door middel van een wijziging van de model-Algemene Plaatselijke Verordening (model-APV) worden de bepalingen als afdeling 8A ingevoegd. Hoewel de model-APV voor het overgrote deel uit autonome bepalingen bestaat is ervoor gekozen om deze medebewindbepalingen daarin op te nemen omdat dit vanuit praktisch oogpunt een logische stap is. Immers, de model-APV regelt al aanverwante zaken zoals de horeca-exploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke. Oneerlijke mededinging De op basis van artikel 4 van de AW door gemeenten te stellen regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09, 32 022, nr. 3, p. 10) blijkt dat de regering ervan uitgaat dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren.
Concreet komt het erop neer dat de gemeentelijke uitwerking moet leiden tot regels die op z’n minst in enige mate bijdragen aan het voorkomen van oneerlijke mededinging. Of in bepaalde gevallen sprake zal zijn van oneerlijke mededinging is sterk afhankelijk van de lokale situatie. Bij de aanzienlijke ruimte die dit uitgangspunt biedt zal de gemeentelijke uitwerking verder overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur plaats moeten vinden. Er is dus aanzienlijke ruimte voor een afweging van belangen, die enerzijds niet tot het volledig uitbannen van oneerlijke mededinging hoeft te leiden en anderzijds niet tot het volledig ongemoeid laten van oneerlijke mededinging mag leiden. Verplichte en niet verplichte bepalingen Een regeling op grond van artikel 4 van de AW, in deze modelverordening uitgewerkt in artikel 2:34b, is verplicht. Dat geldt niet voor de artikelen 2:34c tot en met 2:34g, die gebaseerd zijn op de artikelen 25a, 25b, 25c en 25d van de AW. Daarnaast hebben deze bepalingen niet als doel het tegengaan van oneerlijke mededinging, maar het tegengaan van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren. Bestuurlijke boete, strafbaarstelling en bestuursdwang Uit de eerder aangehaalde memorie van toelichting (p.
51) blijkt dat aan de bestaande arrangementen niets verandert als het gaat om de afbakening tussen bestuursrechtelijke handhaving via bestuurlijke boeten en strafrechtelijke handhaving op grond van de Wet op de economische delicten (hierna: WED). “Uitgangspunt is en blijft dat de handhaving zal geschieden door het opleggen van bestuurlijke boeten. Alleen indien de overtreding een direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft of het door de wetsovertreder genoten economisch voordeel groter is dan de bestuurlijke boetes zal er behoefte kunnen zijn om de zaak voor te leggen aan het OM om via de WED af te doen: de WED voorziet namelijk in een breder arsenaal aan sancties, zoals hogere maxima voor boetes en de mogelijkheid tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Zolang dit duale stelsel bestaat heeft deze situatie zich nog geen enkele keer voorgedaan. We mogen constateren dat tot op heden het duale stelsel in het kader van de DHW probleemloos functioneert.” De grondslag voor het opleggen door de burgemeester van een bestuurlijke boete voor overtreding van onder meer de op basis van deze modelverordening vastgestelde bepalingen is artikel 44a van de AW. Op grond van datzelfde artikel 44a kan de burgemeester ook voor overtreding van een aantal andere bepalingen uit de AW een bestuurlijke boete opleggen. Overtredingen van de op basis van deze modelverordening aan de APV toegevoegde bepalingen zijn strafbaar als overtredingen op grond van artikel 2, vierde lid, jo. Artikel 1, onder 4º, van de WED. De desbetreffende artikelen zijn daarom niet in de opsomming van overtredingen in hoofdstuk 6 van de model-APV opgenomen. In artikel 44 van de AW is voorts bepaald dat de Minister en de burgemeester bestuursdwang kunnen toepassen ter handhaving van de verplichting om een toezichthouder alle medewerking te verlenen bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden (artikel 5:20, eerste lid, van de Awb). Toezichthouders De toezichthouders worden benoemd door de burgemeester. Zij kunnen worden vermeld in artikel 6:2 van de model-APV.
Op grond van artikel 42 van de AW hebben zij de bevoegdheid om woningen binnen te treden zonder toestemming van de bewoners, als de toezichthouder vermoedt dat daar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank aan particulieren wordt verstrekt of als dat daadwerkelijk gebeurt. Artikel 2:34a Begripsbepaling De begripsbepalingen uit de AW werken door in de op de AW gebaseerde regelgeving. Ter verduidelijking is een uitdrukkelijke verwijzing opgenomen, waaruit tevens blijkt dat deze begripsomschrijvingen enkel voor afdeling 8A gelden. Het gaat om de volgende begripsomschrijvingen. Alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat. Horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. In afdeling 8 van de model-APV (toezicht op openbare inrichtingen) wordt de term horecabedrijf niet gebruikt, maar de term openbare inrichting.
Uit de definitie in artikel 2:27 van de model-APV blijkt dat onder openbare inrichtingen niet alleen horecabedrijven als bedoeld in de AW vallen, maar ook bedrijven waar alleen alcoholvrije drank wordt geschonken, of rookwaar voor gebruik ter plaatse wordt versterkt (coffeeshops), of zwakalcoholhoudende drank om mee te nemen wordt verkocht (snackbars en dergelijke). Op de horecabedrijven in de zin van de AW is dus zowel afdeling 8 als afdeling 8A van de modelAPV van toepassing. Horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse. Inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte.
Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf. Sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer volumenprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van wijn. Slijtersbedrijf: de activiteit bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije drank voor gebruik elders dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen. Zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met uitzondering van sterke drank.
Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven Deze modelbepaling is een uitwerking van artikel 25a van de AW. Het verbiedt de verstrekking van sterke of alcoholhoudende drank in inrichtingen die gelegen zijn in bepaalde aangewezen gebieden en/of die beschikken over nader aangegeven aard en/of gedurende nader bepaalde tijdsruimten. De nadere invulling van een verbod dient, in zoverre daarvoor gekozen wordt, in de verordening zelf te gebeuren en kan niet aan de burgemeester gedelegeerd worden. In het tweede lid wordt overeenkomstig artikel 25a, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de AW de burgemeester de bevoegdheid verleend om voorschriften aan de vergunning te verbinden of deze te beperken tot zwak-alcoholhoudende drank, als dit vanwege de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid en de volksgezondheid nodig is. Artikel 2:34d Ontheffing Bij dit artikel wordt vastgehouden aan het uitgangspunt dat voor feesten van persoonlijke aard geen ontheffing wordt verleend. Artikel 4, zesde lid AW bepaalt dat de lex silencio positivo niet van toepassing op ontheffingen op grond van artikel 4, vierde lid, van de AW. Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Dat volgt uit de artikelen 3 en 14 van de Alcoholwet.
Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven indien hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet). Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 3 en 14 neergelegde verboden, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente. Andere winkels, zoals bijvoorbeeld supermarkten, die op basis van de Alcoholwet zwakalcoholhoudende drank mogen verkopen, mogen geen proeverijen in hun winkel organiseren. Deze winkels zijn geen slijtlokaliteit in de zin van de Alcoholwet. De vrijstelling geldt alleen voor slijtersbedrijven. Sommige supermarkten hebben bij hun winkel een kleine slijterij (de zogenaamde borrelshop), waarvoor men over een alcoholwetvergunning beschikt. Als proeverijen zijn toegestaan dan kunnen deze ook in een borrelshop worden georganiseerd. Voorwaarden
De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan genoemd in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal 1 proeverij per dag en maximaal 3 proeverijen per week worden gegeven. Vóór aanvang van de proeverij moeten de kosten van deelname door een leidinggevende van het slijtersbedrijf zijn vastgesteld. De deelnemers aan de proeverij moeten vóór aanvang bekend zijn bij de leidinggevende. De deur van de slijterij is tijdens de proeverij gesloten voor publiek. Alleen de deelnemers hebben toegang. Tijdens de proeverij mag alleen die (alcoholhoudende en alcoholvrije) drank worden verkocht die in het kader van de proeverij aan de deelnemers is verstrekt.
Eerste lid Door het verlenen van een vrijstelling aan slijtersbedrijven om tegen betaling een proeverij in hun slijtlokaliteit te organiseren wordt een uitzondering gemaakt op twee verboden in de Alcoholwet, te weten een uitzondering op het verbod om zonder horecavergunning het horecabedrijf uit te oefenen (artikel 3, eerste lid, van de Alcoholwet). Vrijstelling van dat verbod is nodig omdat het geven van een betaalde proeverij geldt als het uitoefenen van het horecabedrijf. Ten tweede wordt een uitzondering gemaakt op het verbod om een slijtlokaliteit in gebruik te hebben voor ook andere bedrijfsactiviteiten dan slijtersactiviteiten (artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet). De vrijstelling voor het organiseren van een proeverij in een slijtlokaliteit geldt voor alle slijtersbedrijven. Het is niet mogelijk om te differentiëren, dat staat de Alcoholwet niet toe. Het geven van een proeverij kan dus niet nader afhankelijk gesteld worden van een vergunning of een ontheffing. Proeverijen mogen uitsluitend tegen betaling worden georganiseerd.
Tweede lid Tijdens de proeverij mogen alleen de deelnemers aan de proeverij aanwezig zijn in de slijtlokaliteit (artikel 6.1 van het Alcoholbesluit). Een proeverij mag alleen plaatsvinden op een tijdstip dat de slijterij normaal gesproken is gesloten maar bij of krachtens de Winkeltijdenwet wel geopend zou mogen zijn (artikel 25e van de Alcoholwet). Dus als een slijterij gebruikelijk sluit om 18.00 uur, dan zou tussen 18.00 en 22.00 uur een proeverij kunnen worden gegeven. Als echter een slijterij gebruikelijk pas om 22.00 uur sluit, dan is een proeverij in de avonduren dus niet toegestaan. Het is niet mogelijk een slijtlokaliteit eerder dan normaal te sluiten om vervolgens een proeverij te organiseren. Het ligt voor de hand dat een proeverij in de avonduren plaatsvindt, maar een proeverij op zondag is ook denkbaar mits opening op zondag bij winkeltijdenverordening is toegestaan. AFDELING 14. DRUGSOVERLAST Artikel 2:74d Openlijk drugsgebruik Dit artikel wordt toegevoegd om handhavers een gerichte mogelijkheid te geven op te treden tegen (overlast door) gebruik van verdovende middelen. Dat dit artikel nu wordt toegevoegd heeft primair te maken met een ervaren ernstige toename van overlast door het gebruik van ‘nieuwe’ middelen zoals flakka.
Deze middelen hebben een andere uitwerking op gebruikers dan eerder bekende middelen, waardoor gedrag onvoorspelbaar en soms agressief wordt. Dit heeft negatieve gevolgen voor de openbare orde in de stad. Afbakening met de Opiumwet (toelichting Model-APV van de VNG) Op sommige plaatsen in de publieke ruimte ervaren mensen hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid doordat op die plaatsen drugs worden gebruikt. Een aantal gemeenten heeft daarom al enkele jaren een bepaling in de APV opgenomen waarbij openlijk drugsgebruik wordt verboden. De rechtspraak is een aantal jaren wisselend geweest, waarbij in een aantal gevallen zo’n bepaling
onverbindend werd geacht omdat de rechter van oordeel was dat door de overlap met de Opiumwet (men kan immers verboden substanties niet gebruiken zonder deze – in strijd met de Opiumwet – voorhanden te hebben) de bovengrens van de gemeentelijke regelgevende bevoegdheid werd geschonden. Maar inmiddels is er een rechterlijke consensus ontstaan waarbij zo’n bepaling, omwille van de openbare orde, dus met een ander motief dan de Opiumwet, toelaatbaar wordt geacht.