Beleidsnota risicomanagement 2025 - argumenten voor en tegen - 20251003
Tekst van het document
Beleidsnota risicomanagement 2025 Argumenten voor en tegen 3 oktober 2025 De raad heeft verzocht om ten behoeve van de besluitvorming rond de beleidsnotitie risicomanagement de argumenten voor en tegen uiteen te zetten (in aanvulling op de genoemde argumenten in het raadsvoorstel). Argumenten voor Het hanteren van de ISO31000 norm draagt bij aan het versterken en verbeteren van het risicomanagement binnen de gemeente door het toepassen van de bijbehorende principes en raamwerk (de eerste twee pijlers van het risicomanagement). De risicomanagementcyclus (de derde pijler van het risicomanagement) blijft zoals deze nu is, inclusief de classificatie, vastlegging en rapportage. Het risicomanagementbeleid is voorzien van heldere en goed toepasbare spelregels. In het weerstandsvermogen wordt een meer zuivere berekening gebracht. De opslagen voor onvoorziene risico’s worden losgekoppeld van de berekende risico’s. In de huidige systematiek wordt aan het berekende weerstandsvermogen een opslag van 2% OZB en 2% Algemene uitkering toegevoegd voor de niet kwantificeerbare risico’s. Deze opslag vervalt en wordt vervangen door een buffer van 50% van de berekende risico’s. De hoogte van de samengevoegde reserves (specifieke weerstandsreserve en generieke weerstandsreserve) verandert niet door dit besluit. De twee reserves functioneerden als egaliserende reserves voor elkaar.
Deze functie vervalt door deze reserves samen te voegen. De weerstandsratio werd in de oude methodiek gelijk gehouden aan 1,0. Daarmee verliest deze aan betekenis. Als deze altijd gelijk is aan 1,0 heeft het geen signaalwaarde over het weerstandsvermogen. Het weerstandsvermogen wordt uitgedrukt in een ratio die de werkelijke weerbaarheid weerspiegelt: hoe goed kunnen we risico’s opvangen? Met een ratio van 3,7 (uitkomst begroting 2026) is meteen duidelijk dat het weerstandsvermogen goed op orde is. Bij besluiten met grote financiële impact op de algemene reserves kan de ratio opnieuw berekend worden. Het effect van het besluit op ons weerstandsvermogen kan uitgedrukt worden in de daling van de ratio. Zo kunnen risico’s en het weerstandsvermogen beter worden meegenomen in de besluitvorming. Door het hanteren van de ratio 1,5 voor de risico’s zijn alle middelen boven de 1,5 in de algemene reserve beschikbaar voor aanwending. Het debat over de aanwending van de huidige generieke weerstandsreserve wordt daarmee losgekoppeld van niet kwantificeerbare risico’s en de beklemming daarvan. De ratio van 1,5 wordt tevens de ondergrens van de hoogte van de algemene reserve. Deze ondergrens was er niet en is een extra waarborg. Als de weerstandsratio lager is dan 1,5 wordt het college/de wethouder financiën opgedragen maatregelen te nemen waardoor de algemene reserve weer op dat 1
niveau terecht komt. Hiervoor wordt een langere periode gehanteerd (2-3 jaar) en voorzien van een plan. Hiermee wordt voorkomen dat er direct moet worden toegevoegd en dit spanning zet op onze uitgaven. Met een ratio van 1,5 is de gemeente Deventer in staat om het beleid goed uit te voeren en risico’s op te vangen. Argumenten tegen Meer aandacht voor risicomanagement kan ertoe leiden dat er meer risico’s worden geïdentificeerd en er wellicht meer berekend benodigd weerstandsvermogen noodzakelijk is. Nuancering hierop is dat er een afwegingskader is en dit verder wordt aangescherpt met betrekking tot een beroep op opname in het benodigde weerstandsvermogen van risico’s. Door het hanteren van de ratio 1,5 worden er meer middelen beklemt ten behoeve van risico’s met een ratio van 1,0. Nuancering hierop is dat in de oude berekening de ratio 1,0 de opslagen voor niet kwantificeerbaar bevat en dat door de nieuwe berekening die opslag de buffer van 50% (0,5) omvat. De opgenomen buffer van 50% is geen exacte wetenschap, maar een inschatting op basis van het risicobeeld van de afgelopen jaren. In de nieuwe berekening wordt de zekerheid van de Monte Carlo-analyse verhoogd van 90% naar 95%. Door toenemende onzekerheid in het algemeen is onze veronderstelling dat risicogebeurtenissen ook gelijktijdig kunnen optreden en een hogere zekerheid wenselijk is.
Dit leidt tot een verhoging van de berekende risico’s en daarmee de buffer. Het effect op het benodigde weerstandsvermogen is ongeveer € 1,8 miljoen. Het hanteren van een ratio van 1,5 kan te laag zijn wanneer de onzekerheid toeneemt en de risicopositie groter moet zijn (dan we voorzien in de begroting en jaarrekening) en een ratio van 2,0 meer voor de hand zou liggen.
2