2026-379-bijlage-20260526 GETEKEND Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Deventer 2026
Tekst van het document
Re-i ntegratieve rord en i ng Pa rtici patiewet ge m ee nte
Deventer 2O26 Hoofdstuk 1: Algemene Bepalineen
Art¡kel 1. Definities ln deze verordening wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, of artikel 7a, eerste lid, van de weU
b. klantgroep die geen dan wel een kleine afstand tot de arbeidsmarkt heeft: gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbende kan de arbeidsmarkt binnen zes maanden worden bereikt (Matchen); c. klantgroep met een afstand tot de arbeidsmarkt én ontwikkelpotentieel: gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbende kan de arbeidsmarkt bínnen drie jaar worden bereikt (Groeien); d. klantgroep zonder arbeidspotentieel maar met part¡cipatiemogelijkheden: gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van belanghebbende ondersteunt het college belanghebbende om te participeren en van waarde te zijn voor de samenleving (Faciliteren); e. klantgroep waarbij het college, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en persoonlijke omsta ndigheden va n belanghebbenden, primair voorziet in inkomenszekerheid (Zorg); f. doelgroepregister: het doelgroepregister is een register waarin mensen staan die vallen onder de doelgroep van de banenafspraak. De banenafspraak is een afspraak tussen het kabinet en werkgevers om te zorgen voor extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking. g. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; h.
jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en/of behouden van werk; i. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; j. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de weU k. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; l. loonkostensubsidie: compensatie voor de verminderde loonwaarde voor een werkgever die een (tijdelijk) dienstverband aanbiedt aan een persoon uit het doelgroepregister waarvan is vastgesteld dat hij, vanwege ziekte of een handicap, een verminderde loonwaarde heeft en niet in staat is zelfstandig het minimumloon te verdienen. m. beschut werk: werk in een beschutte omgeving en onder aangepaste omstandigheden als bedoeld in artikel 10b van de wet; n. voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; o. startkwalificatie: een diploma Mbo 2 of hoger of een diploma havo/vwo; p.
nugger: niet uitkeringsgerechtigde zoals bedoeld in artikel 6, lid 1- onder a, van de wet;
1
q. mantelzorg: langdurige zorg die in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; r. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn orga nisatie; s. werkleerbedrijf: uitvoerder van de participatiewet en de sociale werkvoorziening; t. werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel LOd eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is;
u. wet: Participatiewet (Pwet). Hoofdstuk 2:
eid en evaluatie
Artikel 2. Evenwichtige verdeling L. Het college biedt aan een persoon uit de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat noodzakelijk acht een voorziening gericht op a rbeidsinschakeling.
2. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen, biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid.
3. Het college kan aan een niet uitkeringsgerechtigde (nugger) inwoner ondersteuning bieden bij de arbeidsinschakeling aanbieden voor zover: a. het inkomen van deze inwoner niet meer bedraagt dan L3O% het wettelijk minimumloon. 4. Het vorig lid is niet van toepassing op een persoon die behoort tot het doelgroepenregister. 5. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 6. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.
7. Het college zendt tweemaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. Hoofdstuk 3: voorzieningen Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen 1,. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; 2
d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinscha keling; of
e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. f. de persoon, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Wet, jonger is dan zestien iaar: g. het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, schoolvoor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het verzoek om ondersteuning heeft gedaan en daarbij geen overga ngsdocument heeft verstrekt.
2. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen L3 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen n¡et nakomU b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2",van de we! d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3.
Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44avan de wet.
Artikel4. Werkstage
t. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze behoort tot de doelgroep.
2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of arbeidsmarktoriëntatie. 3. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt 4. ln een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage; b. de duur van de werkstage; en c. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 5. Het college stelt nadere regels over de doelgroep, de duur en de voorwaarden die verbonden zijn aan een werkstage. 3
Artikel 5. Proefplaatsing
L. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7 eerste lid onder a van de wet die algemene bijstand ontvangt toestemming verlenen om op een proefplaatsing bij een werkgever voor de duur van twee maanden, met mogelijkheid tot verlenging met maximaal4 maanden, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doelvan een proefplaatsing is het beoordelen of een persoon voldoende competenties heeft voor een beoogde werkplaats. 3. Voor een proefplaatsing wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat geacht wordU b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinscha keling;
c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de ¡ntentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. 6. Het college kan een persoon op een proefplaatsing persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de paragrafen 4.2 en 4.3. 7. Het college stelt nadere regels over de doelgroep, de duur en de voorwaarden die verbonden zijn aan een proefplaatsing.
Artikel 6. Werkervaringsplaats 1. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon bedoeld als in artikel 7 eerste lid onder a van de wet die algemene bijstand ontvangt toestemming verlenen om op een werkervaringsplaats bij een werkgever voor de duur van drie maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Het college stelt nadere regels over de doelgroep, de duur en de voorwaarden die verbonden zijn aan een werkervaringsplaats en proefplaatsingen. 4. Het college plaatst de persoon niet als hierdoor de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 7. Sociale activering
4
L Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 8. Ondersteuning bij maatschappelijke participatie 1,. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand ondersteuning bieden bij maatschappelijke participatie. 2. Het gaat hier uitsluitend om personen zonder arbeidspotentieel, die van grote waarde willen en kunnen zijn voor de samenleving. 3. Het college stelt nadere regels over de doelgroep en de voorwaarden' Artikel 9. Detacheringsbaan L. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. Het college stelt nadere regels over de doelgroep en de voorwaarden. Artikel 10. Scholing
1". Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden.
2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. Het gaat de capaciteiten van de te scholen persoon niet te boven; b. Het vergroot de kansen op de arbeidsmarkt. 3. Scholing betreft bij voorkeur een praktijkgerichte opleiding of training. 4. Het college stelt nadere regels over de aard, de duur en de voorwaarden die verbonden zijn aa n een scholingstraject.
Artikel 11. Ondersteuning bii Nederlandse taal L. Het college kan aan een persoon ten aanzien van wie het redelijk vermoeden bestaat dat hij niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening aanbieden ter ondersteuning van de beheersing van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F in het kader van de wet Taaleis. 2. De voorziening als bedoeld in het eerst lid wordt vastgelegd in een taalplan. ln het taalplan wordt in ieder geval beschreven: a. welke vorm van ondersteuning wordt aangeboden; en b. de wijze waarop de voortgang van de beheersing van de Nederlandse taal wordt beoordeeld. Artikel 12. Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan met toepassing van artikel 7a, derde lid, van de wet, een persoon zonder startkwalificatie, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de wet, ondersteuning bieden voor zover die ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject. Artikel 13. Persoonlijke ondersteuning bij werk
5
- Lleventer
-àseÍreelre
t. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep.
2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 3, verstrekt overeenkomstig de paragrafen 4.2 en 4.3.
Artikel 14. Werk-leerroute
1'. Het college kan een werk-leerroute aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werkroute nodig is.
2. Het college stelt nadere regels over de doelgroep, de duur en de voorwaarden die verbonden zijn aan een leer-werkroute.
Artikel 15. Participatievoorziening Beschut Werk L Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Het college zal, indien het aantal geraamde beschut werkplekken in één jaar is gerealiseerd, indien nodig, nadere regels opstellen over voorrang van instroom op "beschut werk" werkplekken. 3. Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. arbeidsmatigedagbesteding, b. sociale activering als bedoeld in artikel 7, c. scholing als bedoeld in artikel L0; d. persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 13; e. Schuldhulpverlening als bedoeld in de wet gemeentelijke schuldhulpverlening. 4. Bovenop het aantal geraamde beschut werk werkplekken realiseert het college geen extra dienstbetrekkingen beschut werk. 5. Het college stelt nadere regels aan de voorwaarden die verbonden zijn aan beschut werk. Arti kel 16. Loonkostensubsidie 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a.
een persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, of als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de Pa rticipatiewet;
b. die persoon is niet in staat met volt¡jdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en
c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.
2. Het werkbedrijf adviseert het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon.
3. Het college kan de loonkostensubsidie forfaitaire vaststellen op 50% van het wettelijke minimumloon over de eerste periode van maximaal zes maanden vanaf de indiensttreding van de werknemer. ln dat geval wordt de loonkostensubsidie na maximaal zes maanden alleen voortgezet, indien de naderhand vastgestelde loonwaarde lager is dan het wettelijk minimumloon.
6
4. De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.
Artikel 17. Startbaansubsidie t. Het college kan een startbaan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een persoon die behoort tot de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten, voor zover dit gezien de afstand tot de arbeidsmarkt passend is. 2. De starbaansubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdring plaatsvindt. 3. Het college stelt nadere regels over de hoogte en de voorwaarden die verbonden zijn aan de sta rtbaa nsubsid ie.
Artikel 18. Tijdelijke tegemoetkoming loonkosten t. Het college kan een tijdelijke tegemoetkomíng in de loonkosten verstrekken aan werkgevers die met een persoon met een afstand tot de arbeidsmarkt én ontwikkelpotentieel een a rbeidsovereenkomst sl uiten. 2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. 3. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. 4. Het college stelt nadere regels over de doelgroep, de duur en de voorwaarden die verbonden zijn aan het verstrekken van deze tijdelijke tegemoetkoming in de loonkosten. 5. De in dit artikelgeregelde tijdelijke tegemoetkoming in de loonkosten moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen LOc en 10d van de Participatiewet en zoals bedoeld in artikel 16 van deze verordening. Artikel 19. U¡tsiloompremie
L Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand. 2. Het college stelt nadere regels over de doelgroep en de hoogte van de premie.
Artikel 20. overige vergoedingen t. Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. Het gaat daarbij in ieder geval om: a. kosten van de kinderoPvang,
b. reiskosten, c. noodzakelijk geachte werkplekaanpassingen.
Hoofdstuk 4: Specifieke bepalineen doelgroep Breed Offensief Pa ragraaf 4. 1 Administratief
proces loonkostensu bsidie
7
Artikel 21. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1'. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 6, onder e, van de wet. ln geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vierde lid van dit artikel van toepassing. 2. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 3. Het college stelt binnen 24 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 4. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht. Paragraaf 4.2 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
Artikef 22.Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud; of b. heeft VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; c. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; d. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal 6 maanden; e. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; f. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; g. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en h. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel 23.
Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen L Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aa nvraagform u I ier va ststel len.
2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. Het college onderzoekt maar uiterlijk binnen 4 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon.
4. Het college kan een deskundig oordeel inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
B
v
Ðevenrer
-Þ:=-::-:Ê
5. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
6. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1", of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.
Artikel 24. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen L. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2. Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft Paragraaf 4.3 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk
Artikel 25. Persoonlijke ondersteuning bij werk L Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject Artikel 26. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bii werk 1.. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 4 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 27. Jobcoaching
I
t. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de bijlage. 2. De in te zetten jobcoaching wordt ingezet op basis van 4 verschillende regiems en zwaarte met daarbij bij elk van de regiems een percentage aan begeleiding van het aantal gewerkte uren en de maximale duur van het regiem. Deze zijn opgenomen in de bijlage. 3. Het college kan van de in het tweede lid bedoelde maximale percentages afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 4. Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan.
Artikel 28. Jobcoaching in natura
1. Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoachíng in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 22tot en met 27 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1'. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 22toL en met 27, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuìteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a. ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven. Artikel 30. lnterne werkbegeleiding L.
Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleid ing. Paragraaf 4.4 Specifieke bepali ngen overige voorzieningen 10
<à"Eemeenre v
Dãvenrer
Artikel 31. Specifieke voorwaarden toeken ning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 32. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische beperking 1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie. Artikel 33. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1,.
Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. ln principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. ln bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. Artikel 34. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen L. Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. ln beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn
Paragraaf 4.5 Specifieke bepalingen van school naar duurzaam werk
Artikel 35. Verzoeken van scholen en onderwijsinstellingen l. Het college bevestigt binnen twee weken de ontvangst van een verzoek om een voorziening gedaan door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2O2O of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. 2. Als de beslissing op het verzoek geen beschikking, als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, inhoudt, beslist het college binnen acht weken op het verzoek, en deelt deze beslissing mee aan het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, en aan de persoon op wie het verzoek betrekking heeft. De termijn gaat ¡n op het moment dat het overgangsdocument ontvangen is. 11
- Deventer
-àee=ee1re Hoofdstuk 5. Slotbepalinsen
Artikel 36. lntrekken oude verordeningen en overgangsrecht t. De Re - i nte g roti eve rorde n i n g P o rti ci patiew et 2023 w ordt ingetro kke n. 2. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de ße¡ntegrot¡everordening Porticipotiewet 2023, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Rentegratieve ro rde ni ng Pa rticipatiew et 2023 voor de d uu r: a. van periode L2 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a. 3. Het college kan na afloop van de in het derde lid, onderdeela, bedoelde periode, besluiten of een voorziening ín verband met een bijzondere indíviduele situatie wordt voortgezet. 4. De Re-integratieverordening Participatiewet 2023 bnjft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede en derde lid. i
Artikel 37. lnwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1januari2026. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Deventer 2026.
vastgesteld in de openbare raadsvergadering van L juli 2026 De De
A. Ke
oemd,
ad r,
de voorzitter
R.C. König
Biilage behorende bij artikel 27, eerst lid Re-integrotieverordening Porticipotiewet gemeente Deventer 2026 t...1
Behorende bij roodsbesluit von 1 juli 2026. De griffier vdn gemeente Deventer,
12
Toelichting Algemeen De Participatiewet geeft burgemeester en wethouders de opdracht om zorg te dragen voor ondersteuning van re-integratie van verschillende categorieën werkzoekenden. Deze opdracht is opgenomen in artikel 7 van de Partic¡patiewet. De gemeenteraad heeft van de wetgever de opdracht gekregen om re-integratievoorzieningen in een verordening te regelen. Aan deze opdracht wordt invulling gegeven met deze re-lntegrat¡everordening. Er is gekozen voor een algemene re-integratieverordening, waarín de kaders worden weggezet. Deze
keuze is gemaakt vanwege de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet voor het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Re-integratie is
namelijk maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Verder speelt een rol dat de arbeidsmarkt niet statisch is. Er doen zich continu ontwikkelingen voor, die om flexibele inzet van reintegratievoorzieningen vragen. Daarom is/wordt ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden. Het college maakt tevens van haar bevoegdheid gebruik om nog nadere regels te stellen bij deze voorzieningen.
Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en 10, eerste lid, van de Pa rticipatiewet); scholing of opleiding als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (artikelSa, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelSa, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); en participatievoorziening beschut werk als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en LOb, vierde lid, van de Participatiewet).
loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d, van de Participatiewet, voor zover het gaat om de vormgeving van het administratieve proces tot verstrekking hiervan (artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); proefplaats (artikel 8a, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet); vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participat¡ewet, die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); intermediaire act¡viteit, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die noodzakelijk is in verband met een visuele of motorische handicap (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); meeneembare voorziening, als bedoeld in artikel L0, eerste lid, van de Participatiewet, voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); De regels dienen aandacht te besteden aan de wijze waarop, rekening houdende met de
persoonlijke omstandigheden, ten behoeve van de doelgroep en doelgroep loonkostensubsidie,
13
wordt voorzien in de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de continuìteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk (artikel 8a, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdelen a en g, en 10 eerste lid, van de Participatiewet). Aanpassingen naar aanleiding van wetswijziging 'Breed Offensief' Onder de noemer "Breed offensief" zijn verschillende maatregelen aangekondigd en ingezet om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Hiervoor is in de wet: "Wijziging von de Porticipotiewet en enkele ondere wetten in verband met het verbeteren von de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)" het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. ln deze verordening zijn deze wijzigingen verder uitgewerkt. Het doel van de maatregelen is dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Het gaat om mensen met een beperking die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen en vallen onder de doelgroep banenafspraak of die zijn aangewezen op beschut werk. De wet verplicht om bij verordening verdere zaken uit te werken, zoals opgenomen in artikel 8a, tweede lid, onder c tot en met g, van de Participatiewet. Deze zijn uitgewerkt in de artikelen L6 en 21 tot en met 34.
Daarmee wordt het uit de wet voortvloeiende belang van het bieden van specifieke ondersteuning voor deze doelgroep duidelijk geborgd.
Aanpassingen naar aanleiding van 'Wet van school naar duurzaam werk, Met de Wet van school naar duurzaam werk wil de regering de kansengelijkheid vergroten door betere begeleiding mogelijk te maken voor jongeren tot 27 jaar met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk. De doelgroep bestaat uit personen van wie het college oordeelt dat het volgen van uit's Rijks kas bekostigd onderwijs niet mogelijk of niet passend is (artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, van de participatiewet). Daarnaast bestaat de doelgroep uit personen voor wie de ondersteuning wordt verzocht door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2O2O of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Ten slotte bestaat de doelgroep ook uit personen die initieel onderwijs volgen als bedoeld in de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs (artikel 7a, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet). HBO- en WO-studenten, dus. Op grond van artikel 8a van de Participatiewet stellen gemeenten bij verordening regels vast met betrekking tot het ondersteunen van en het bieden van voorzieningen aan deze nieuwe doelgroep.
Deze verordening voorziet dan ook in regels en ondersteuningsmogelijkheden om jongeren tot 27 jaar meer preventieve en passende ondersteuning te bieden en om deze jongeren beter te begeleiden bij de overgang van school naar werk én bij het behouden van werk. Dit betekent dat de gemeente niet alleen reageert op problemen, maar ook actief zorgt voor begeleiding en ondersteuning die voorkomt dat jongeren uitvallen op de arbeidsmarkt. Naast de ondersteuning op basis van deze verordening wordt op grond van (nieuw) artikel 9.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs binnen elke arbeidsmarktregio een regionaal programma ontwikkeld. ln dit programma werken onderwijsinstellingen, gemeenten en andere relevante regionale partijen samen aan een gezamenlijke aanpak voor jongeren van 12 tot 27 jaar. Deze aanpak richt zich op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten én het bevorderen van een duurzame overgang naar werk. De maatregelen in het kadervan dit programma zijn aanvullend op de voorzieningen en ondersteuning die op grond van deze verordening in het kader van artikel 7a van de wet aan jongeren worden aangeboden. Artikelsgewijze toelichting Enkel de bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. 14
Artikel 1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de
Participatiewet. Het betreft : personen die algemene bijstand ontvangen; personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WtA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geenloonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend; personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Particípatiewe! personen met een nabestaanden- of wezen uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna : ANW); personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); - personen zonder uitkering die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening. - personen zonder uitkering; en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening. I
nte rne we rkbegele id ing
lnterne werkbegeleiding is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een interne werkbegeleider. Een interne werkbegeleider is een directe collega van een werknemer met een beperking die hem bij de dagelijkse werkzaamheden begeleidt omdat hij zonder die begeleiding niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Het moet hierbij gaan om, in verband met de beperking, meer dan gebruikelijke begeleiding. Om als interne werkbegeleider in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men de vaardigheden heeft om de begeleiding op een kwalitatief verantwoorde manier te kunnen bieden' De wetgever spreekt in dit verband van opgeleide collega's, niet zijnde jobcoaches, die persoonlijke ondersteuning op de werkvloer verlenen (Kamerstukken ll 2OL9/20,35 394, nr. 3, p. 56). Zie verder de toelichting bij artikel 31.
lobcoaching Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een jobcoach. Een jobcoach is een erkende deskundige die een werknemer met een beperking en/of zijn werkgever methodische ondersteuning biedt, zodat de werknemer een passende baan kan vinden en behouden. Om als jobcoach in het kader van de verordening te worden beschouwd is het noodzakelijk dat men voldoet aan een aantal eisen die er op zijn gericht om de professionaliteit en de kwaliteit van de jobcoaching te waarborgen. Zie verder de toelichting bij artikel 28. Overige voorzieningen 15
Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet moeten er in de verordening
regels opgenomen worden voor een drietal specifieke voorzieningen die bedoeld zijn voor personen met een arbeidsbeperking. Het gaat om vervoersvoorzieningen, noodzakelijke intermediaire activite¡ten en meeneembare voorzieningen. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip 'overige voorzieningen'. Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. ln de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een "Harrie" genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukkenll2OIg/20, 35 394, nr.
3, p. 9).
Prqktijkroute Opname in het doelgroepenregister kan op verschillende manieren plaatsvinden. Naast de aanvraagroute via het UWV is er ook een route die loopt via de gemeente. Deze route staat bekend als de praktijkroute en volgt uit artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het is een procesroute waarbij het college door middel van een loonwaardemeting op de werkplek vaststelt dat de loonwaarde van een werknemer bij voltijdse arbeid minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon, welke vaststelling leidt tot opname in het doelgroepenregister. Deze route kan alleen worden gevolgd op het moment dat iemand aleen werkplek heeft. Hoofdstuk 2: Beleid en evaluatie
Artikel 2. Evenwichtige verdeling Het college bíedt voorzieningen en ondersteuning zoals o.a. bedoeld in deze verordening aan personen die behoren tot de doelgroep. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen en biedt maatwerk. Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de betrokkene, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid.
Voor niet uitkeringsgerechtigden geldt dat de ondersteuning afgestemd wordt op de mogelijkheden en wensen van betrokkene én op doelmatigheid met het oog op arbeidsinschakeling. Het bieden van ondersteuning aan niet-uitkeringsgerechtigden kan bijdragen aan het verbeteren van de financiële positie van werkende armen of een gezin met een niet-werkende partner. Ook kan het bijdragen aan het tegengaan van de armoedeval. Het college stelt wel een inkomens- en vermogensgrens, aansluitend bij het minimabeleid (lid 3). Enerzijds omdat, in het geval van een hoger inkomen of vermogen, in alle redelijkheid verwacht mag worden dat een nugger over voldoende middelen beschikt en geen beroep hoeft te doen op schaarse overheidsmiddelen. Anderzijds omdat de 'evenredige verdeling'van voorzieningen en middelen onder druk komt te staan als we een hogere of geen inkomens- en vermogensgrens hanteren. Het derde lid geldt niet voor personen die een indicatie banenafspraak hebben en in het doelgroepenregister zijn opgenomen. voor deze personen kan het college de '16
a'ù"oemeenre v
Däventer
werkgeversinstrumenten loonkostensubsidie en begeleiding op de werkplek inzetten zoals bedoeld in de artikelen 1.0d en LOda van de Participatiewet. Voor deze personen geldt dus niet de inkomensen vermogensgrens uit het 3de lid. Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen meteen handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. ln dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.
Voor het zevende lid geldt dat er een periodieke terugkoppeling moet zijn aan de raad, waarin wordt toegelicht wat de doeltreffendheid en de effecten van de verordening zijn in de praktijk. Hiermee wordt besteding van de middelen verantwoord. Hierbij kan aangesloten worden bij de reguliere rapportages. Voor inhoudelijke toelichting is het mogelijk het Factsheet Sociaal Domein uit te breiden met de gewenste kengetallen met betrekking tot de inzet van re-integratievoorzieningen. Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het soort voorziening en/of instrument dat het college inzet wordt mede bepaald door de klantgroep waartoe belanghebbende behoort. Weigeringsgronden Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan weigeren en in welke gevallen dat kan. De weigeringsgronden in deze bepaling zijn niet uitputtend, omdat voor een aantal voorzieningen er ook weigeringsgronden zijn die voortvloeien uit de specifieke aard van die voorziening. Een voorbeeld van een weigeringsgrond kan een UWV re-integratievoorziening zijn of en stage en/of ondersteuning die aangeboden wordt door een onderwijsinstelling. Die gronden vloeien voort uit de
artikelen in deze verordening die specifiek betrekking hebben op die voorzieningen. Het college kan een voorziening voor de doelgroep uit artikel 7a, eerste lid, van de wet, voorts weigeren wanneer de betrokkene jonger is dan de in dit onderdeel vastgestelde leeftijdsgrens van zestien jaar. Jongeren tot zestien jaar zijn leerplichtig en gaan in beginsel naar school. Zij mogen slechts beperkt werken, met str¡kte regels voor werktijden en werkzaamheden die volgen uit de Arbowetgeving. Ook zestien- en zeventien- jarigen zijn beperkt in de werkzaamheden die zij mogen verrichten vanwege veiligheids- en gezondheidsrisico's. Het college kan een jongere al tijdens de schoolperiode ondersteuning bieden gericht op werk. Dit kan op verzoek van een school uit het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of een mboinstelling of op verzoek van een student uit het hoger of wetenschappelijk onderwijs (artikel 7a, eerste lid, onder b, van de wet). De school stelt voor iedere jongere uit het arbeidsmarktgerichte u¡tstroomprofiel een overgangsdocument op. Wanneer de school het college vervolgens om ondersteuning van de jongere verzoekt, dan verstrekt de school daarbij het overgangsdocument van de jongere met de daarvoor relevante informatie. Ontbreekt het document, dan kan het college dit
ook als reden aanvoeren om een voorziening te weigeren.
17
Ook zal het college bij de beoordeling van het recht op een voorziening de in artikel 2 opgenomen verdeling over verschillende doelgroepen in acht moeten nemen. Het betreft hier een "kan-bepaling" , zodal het college altijd een afweging moet maken of een weigering in een individuele situatie al dan niet op zijn plaats is. Hoewel het weigeren van een voorziening, als een afwijzingsgrond zich voordoet, wel het uitgangspunt vormt, is dit geen automatisme. Dit hangt samen met het feit dat re-integratie vraagt om maatwerk. Dit geldt ook als de school het overgangsdocument niet levert. De gemeente heeft de mogelijkheid om de jongere alsnog in begeleiding te nemen. Plan van oanpok Het college stelt een plan van aanpak op. Dit doet het college uitdrukkelijk na overleg met betrokkene. Het plan bevat een overzicht van de belangrijkste stappen die door betrokkene gezet gaan worden om ervoor te zorgen dat (arbeids-)participatie bereikt wordt. ln het plan wordt uiteengezet hoe dit bereikt wordt en welke rol betrokkene daar zelf in speelt. Conform artikel 9 van de Participatiewet zijn betrokkenen onder andere verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening en/of instrument en mee te werken aan onderzoeken naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van aanpak.
Beëindigingsgronden Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een
werkgever. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a
onder2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jarengeen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel LOd van de Participatiewet is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integrat¡ekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten op grond van de Participatiewet worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel4. Werkstage Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst.
18
Werkstoge is gericht op uitbreiden kennis en ervoring De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van
gemaakte kosten. Geen verdringing
ln het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afuloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: - eigen initiatief van de werknemer; - handicap; - ouderdomspensioen; - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of - gewettigd ontslag om dringende redenen.
Doelvan de werkstage Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde 'snuffelstage', waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. ln de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega's. O pste I le n sch rifte I ii ke ove re e n kom st ln het vierde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld' Hierin kan expliciet het doel en de duur van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding. Nodere regels Het vijfde lid biedt het college de mogelijkheid om nadere regels op te stellen over de invulling van de voorziening werkstage.
Artikel 5. Proefplaatsing Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder "het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten". Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukkenll20tg/20,35394, nr. 3, p. 55). Artikel5 geeft hier invulling aan. Doe lg roe p oa n bie de n proefplaatsi ng
19
Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een proefplaatsing aanbieden voor zover dit passend wordt geacht op basis van zijn actuele mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest in het mogelijke vakgebied of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. Van langdurige werkloosheid is in ieder geval sprake bij de klantgroep Groeien. Doel van de proefplaatsing Het doel van de proefplaatsing is het beoordelen van iemands vaardigheden en kennis ten behoeve van een concrete werkplek. De beoogde kandidaat heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt zodat een normale proefperiode niet reëel is. De beoogde kandidaat heeft door de proefplaatsing geen recht op loon. De werkgever dient welvoldoende vertrouwen te hebben in de beoogde