2026-06-11 Beantwoording Technische Vragen Volt - Fossiele Reclame
Tekst van het document
Technische vragen Fossiele Reclameverbod 1) Wat is het aandeel van fossiele reclame in de uitingen over de afgelopen contractperiode. a) Wat is het aandeel van vlees-, vis- en zuivelproducten in de uitingen over de afgelopen contractperiode. Antwoord: Dat is binnen de gemeente Deventer niet in beeld. Voor een inschatting van dit aandeel verwijzen we u naar het overzicht in de geheime bijlage van nota 2026-349, waar het op landelijk niveau in beeld gebracht is. b) Wat is het aandeel van (fast)fashion in de uitingen over de afgelopen contractperiode. Antwoord: Dat is binnen de gemeente Deventer niet in beeld. Uit het landelijke overzicht in de geheime bijlage is dit ook niet te herleiden. 2) Hoe is het genoemde percentage van 15% financieel risico in het bespreekvoorstel tot stand gekomen? a) Welke aannames en onderliggende berekeningen liggen hieraan ten grondslag? Antwoord: In de geheime bijlage is beschreven tot welke omzetderving een verbod op fossiele reclame zou kunnen leiden voor de concessiehouders. Dit zou de maximale claim kunnen zijn van de concessiehouders. In het raadsvoorstel is aangegeven hoe die maximale claim zich procentueel verhoudt tot de huidige afdracht van de concessiehouders aan de gemeente.
b) Wat is de verwachte toename van het financiële risico indien het reclameverbod wordt uitgebreid met vlees-, vis- en zuivelproducten? Antwoord: dat is op dit moment niet goed aan te geven, het is namelijk ook afhankelijk van de te hanteren juridische definitie van vlees-, vis- en zuivelreclame. Zoals uit de geheime bijlage blijkt heeft een groot deel (groter dan het aandeel fossiele reclame) van de reclame-uitingen op landelijk niveau betrekking 1
op voedingsmiddelen, restaurants en supermarkten. Een verbod op reclame voor vlees-, vis en zuivelproducten kan hiervoor gevolgen hebben, met mogelijk een grotere impact dan het verbod op fossiele reclame. c) Wat is de verwachte toename van het financiële risico indien het reclameverbod wordt uitgebreid met fast fashion? Antwoord: dit is niet in te schatten, aangezien het aandeel reclame uitingen voor fast fashion niet in beeld is (zie ook antwoord vraag 1b) 3) Op welke data lopen de huidige reclamecontracten af? Antwoord: Er zijn verschillende reclamecontracten. De twee grotere concessies voor de digitale billboards en abri’s liggen als langstlopende contracten vast tot 2034. 4) Welke contractuele verplichtingen bestaan richting exploitanten en welke risico’s brengen vroegtijdige aanpassing met zich mee? Antwoord: Een vroegtijdige aanpassing kan niet eenzijdig worden doorgevoerd, daarvoor zal ook medewerking van de concessiehouders nodig zijn. Het risico is dat een concessiehouder geen medewerking zal willen verlenen aan aanpassing van het contract. Of alleen medewerking zal willen verlenen op grond van financiële compensatie of bijvoorbeeld andere voorwaarden zal stellen (bijvoorbeeld het langer door laten lopen van de concessieovereenkomst). Een gevolg kan ook zijn dat een aanbestedingsprocedure opnieuw doorlopen moet worden, aangezien er nieuwe voorwaarden worden gesteld.
5) Vallen reclame uitingen, bijvoorbeeld door sponsoring of evenementen, ook binnen het APV? Antwoord: in de APV zijn ook regels en vrijstellingen opgenomen voor reclames tijdens evenementen. Indien sponsoring of evenementen gepaard gaan met een reclame-uiting en die aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar zal het ook aan de APV moeten voldoen. 6) Waarin zit het risico dat onvoldoende onderbouwd kan worden dat het reclameverbod voor vlees, vis en zuivelproducten proportioneel en legitiem is?
2
Antwoord: een verbod op bepaalde reclame-uitingen is een inperking van de vrijheid van meningsuiting, zoals die is vastgelegd in Europees recht. Het recht op een vrije meningsuiting mag van overheidswege worden beperkt. De beperking moet echter voldoen aan de criteria die in artikel 10 lid 2 EVRM worden genoemd: “De beperking moet voorzien zijn bij wet, moet een legitiem doel dienen en moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving”. Dat wil zeggen dat er een dringende maatschappelijke behoefte is voor de beperking, dat de beperking proportioneel is ten opzichte van het doel en dat de redenen “relevant and sufficient” zijn. Proportionaliteit en noodzakelijkheid worden door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) eerder aangenomen wanneer de beperkende maatregel zorgvuldig is voorbereid. De juridische risico’s hebben betrekking op de handhaafbaarheid, de noodzakelijkheid in relatie tot bijvoorbeeld volksgezondheid en de effectiviteit (aangezien niet in alle gevallen een scherpe definitie mogelijk is).
3