2026-01-13 Beantwoording technische vragen D66 - IHP
Tekst van het document
1. Wat wordt precies bedoeld met "te rekenen met circulaire restwaarde"? De bijlage in het IHP met de uitleg hierover heb ik gelezen, maar wat wordt de raad concreet voorgesteld voor de situatie in Deventer? In hoeverre is dit een bezuiniging op de afschrijvingslasten binnen het IHP, of is het anders, of is het meer? Het is anders. Door te rekenen met circulaire restwaarde, blijft er aan het einde van de levensduur een object op de balans waar nog waarde aan hangt (je schrijft niet langer af naar een boekwaarde van 0). Door deze methodiek toe te passen, ontstaat er in de begroting ruimte om in het begin een hoger bedrag te investeren. Dit kan je niet ‘zomaar’ doen: dit doen we met een onderbouwde rekenmethode waarbij de kosten van de totstandkoming van een gebouw en de verwachte restwaarde na 50 jaar berekend worden. De raad wordt concreet voorgesteld om nu te rekenen met een circulaire restwaarde welke we in eerste instantie begroting op 10% (bovenop het oorspronkelijke investeringsbedrag). De ontwerpende en bouwende partijen worden gevraagd om een gebouw te maken wat minimaal aan deze 10% voldoet. Na aanbesteding wordt vastgesteld wat het daadwerkelijke percentage restwaarde is, en tot dit percentage wordt het gebouw over een periode van 50 jaar afgeschreven.
Uiteindelijk is het bedrag waarover wordt afgeschreven gelijk aan het oorspronkelijke investeringsbedrag, waardoor de kapitaallasten grotendeels gelijk zijn. Omdat over het totale investeringsbedrag rente betaald wordt is het rentebedrag iets hoger (afschrijving is gelijk). 2. Op pagina 2 van het raadsvoorstel wordt gesproken over een business case voor een school. Wat kan ik mij daarbij voorstellen? Gaat dit om een total cost of ownership (TCO), of iets anders? Een business case gebruiken we om het totale financiële overzicht van een project in beeld te brengen. Er wordt in het raadsvoorstel gesproken business cases voor Centrum(Schil) en Keizerslanden. Een voorbeeld van een business case, zou het inzichtelijk maken tussen twee scenario’s zijn: een afweging tussen levensduurverlengde renovatie en uitbreiding van een bestaand pand of nieuwbouw op een andere locatie. Hierbij wordt enerzijds gekeken naar de financiële gevolgen, maar bijvoorbeeld ook de ruimtelijke inpasbaarheid op locaties, wensen van gebruikers en maatschappelijke meerwaarde. De business case wordt altijd bekeken vanuit TCO, de ‘volledige levensduurkosten’: wat is zowel nu als over de volledige levensduur van een gebouw de juiste keuze? 3. Hoe groot is het financiële risico van zowel de uitvoeringskredieten als de voorbereidingskredieten? Lees: zijn er nog voorziene risico's
die eventueel later in de tijd nog voor aanvullende besluitvorming van de raad over extra budget kunnen leiden, of zijn alle bekende risico's al meegenomen in deze budgetvragen? En welke bekende voorziene risico's zijn er, en op welke hoogte vallen deze te stellen? De uitvoeringskredieten kennen eigenlijk geen risico’s: dit zijn de stichtingskoten (bouwkosten en bijkomende kosten) aangevuld met kosten voor bijvoorbeeld tijdelijke huisvesting en locatie gebonden kosten. Ambitie voor de uitvoeringskredieten is dat we hiervoor niet weer naar de gemeenteraad hoeven: er zijn realistische financiële kaders (het IHP) en we kijken naar de onderwijsportefeuille over een langere termijn. Ontwikkelingen (lokaal, geopolitiek) maken dat we hiervoor soms toch terug moeten. De voorbereidingskredieten omvatten het geld om een project op te starten en/of het totale project goed in beeld te brengen. In deze projecten wordt het totaal benodigde krediet in beeld gebracht, denk bijvoorbeeld aan de locatie gebonden kosten, grondkosten, (financiële) samenhang tussen ontwikkelingen, faseringen, tijdelijkehuisvesting en sloopkosten. Hier volgt nog besluitvorming over. Het integrale financiële plaatje wordt in de voorbereiding uitgewerkt. Het is moeilijk om vooruitlopend op de voorbereiding al aan te geven hoe groot deze risico’s en kansen zijn.
De stichtingskosten voor de scholen, zijn opgenomen in de begroting. 4. Hoe groot is het financiële risico bij het hanteren van de circulaire restwaarde methodiek, specifiek voor Deventer? Dit naar aanleiding van de tweede bullet bij de tegenargumenten onder kopje 7, pagina 5, van het raadsvoorstel (2025-942) De methodiek die we gaan hanteren, kent een voorzichtige rekenwijze. Zo worden bij het bepalen van de restwaarde ook toekomstige kosten voor transport en ontmanteling (het losmaakbaar maken van onderdelen) van de restwaarde afgehaald. Daarnaast wordt er niet gerekend met inflatie op de boekwaarde. Het bedrag op de balans blijft altijd tegen aanschafwaarde gewaardeerd, terwijl de prijzen historisch gezien altijd licht stijgen. Het financiële risico is dat het pand en de materialen over 50 jaar niet meer waard zijn waarvoor het nu wordt opgenomen in de boekhouding (minimaal 10% van de stichtingskosten). Als bij de inschrijving van de aanbesteding blijkt dat de 10% restwaarde niet gehaald wordt, is de aanbesteding mislukt en wordt opnieuw aanbesteed. Zodoende is het risico om onder de begrote 10% restwaarde te komen niet aanwezig. Bij een hogere restwaarde dan 10% zal het af te schrijven bedrag lager worden.
Het toepassen van deze methodiek is weliswaar nieuw, maar hierop is tussentijds positief op geadviseerd door alle grote accountantskantoren en vanuit de Commissie BBV (Besluit begroting en verantwoording) zijn
nog geen negatieve signalen ontvangen. Het hanteren van deze 10% restwaarde bij begroting is ook getoetst bij professionals en stakeholders. 5. Wat is de grondslag om de afschrijvingstermijn van schoolgebouwen naar 50 jaar te vergroten? Krijgen we dan niet in de laatste jaren van een school te maken met veel hogere (of te hoge) onderhoudslasten? In de toelichting wordt ook gesproken (in mijn woorden) over de mate van onzekerheid in hoeverre dit valt toe te passen bij schoolgebouwen en of de accountant hier mee akkoord gaat. Doen we hier niet op termijn onderwijspersoneel en kinderen een onvoldoende schoolgebouw aan doordat onderhoud, renovatie of nieuwbouw te lang wordt uitgesteld? In hoeverre is dit een verantwoord besluit? De afschrijvingstermijn van 50 jaar hanteren we sinds het vaststellen van het IHP. In vergelijking met voorheen (waar de afschrijvingstermijn 40 jaar was), wordt vanuit het IHP strategischer nagedacht over de totale portefeuille, wordt er een hoger kwaliteitsniveau gerealiseerd (Ruimte-OK) en wordt gerealiseerd vanuit de volledige levensduur kosten (investering en onderhoud gecombineerd). Tenslotte blijkt uit cijfers dat de gemiddelde levensduur van een onderwijspand ruim boven deze 50 jaar ligt, namelijk 60-70 jaar. Dit onderbouwt het besluit.