CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-813 Bijlage 9 - Rapport quickscan natuurwaarden.pdf

Raadsvergadering 28 januari 2026, gemeente DeventerBij agendapunt: Zonnepark Bussinkweg10.714 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE quickscan natuurwaarden Bussinksweg (ong.) Bathmen

Rapport quickscan natuurwaarden Bussinksweg (ong.), Bathmen Opdrachtgever

Vrij op Naam Zonneparken BV Burg L F de Montignyln 149 3055 NB Rotterdam

Rapportnummer

24564.001

Versienummer

D1

Status

Definitief

Datum

29 februari 2024

Opsteller1

Mevrouw S. Fidom, BSc

Kwaliteitscontrole

De heer G.J. Sieperda, MSc

1

Vrijgave In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 5

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .............................................................. 6 4.1 Vogels ............................................................................................................................................. 6 4.2 Vleermuizen ................................................................................................................................... 9 4.3 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 10 4.4 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 12 4.5 Ongewervelden ............................................................................................................................ 14 4.6 Planten ......................................................................................................................................... 16 Specifieke zorgplicht................................................................................................................................ 16

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 18 5.1 5.2 5.3 5.4

6

Broedvogels .................................................................................................................................. 18 Vleermuizen ................................................................................................................................. 18 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 19 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 19

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 20 6.1 6.2

Natura 2000 ................................................................................................................................. 20 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 21

7

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 22

8

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 23

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet

24743.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Vrij op Naam Zonneparken BV opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden aan de Bussinksweg (ong.) te Bathmen. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van de zonneweide. De quickscan natuurwaarden heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

24743.001 versie D1

1 / 25

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 3,5 ha) ligt aan de Bussinksweg (ong.) te Bathmen. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft een maïsveld met aan de noord- en zuidzijde houtwallen en greppels. De houtwallen bestaan uit diverse boomsoorten, zoals zwarte els en berk, maar ook ruigtesoorten zoals wilde kamperfoelie en braam. Direct ten westen is een sloot met kale oeverranden te vinden. De onderzoekslocatie bevindt zich in het buitengebied van Bathmen, omgeven door andere agrarische percelen. Ten noordoosten is een boerenerf gelegen. Enkele kilometers ten westen zijn diverse bosgebieden aanwezig, zoals Jachtlandgoed Oostermaet en De Slenk. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m figuur 2.8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

24743.001 versie D1

2 / 25

Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 2.3 Noordelijke houtwal met takkenhopen en ruigte, met links het maïsveld.

Figuur 2.4 Onderzoekslocatie het oosten gezien.

vanuit

Figuur 2.5 Boerenerf ten noordoosten van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.6 Sloot met kale oeverranden direct ten westen van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.7 Greppel aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.8 Intensief beheerd grasland direct ten oosten van de onderzoekslocatie.

24743.001 versie D1

3 / 25

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens een zonneweide te realiseren. In figuur 2.9 is de inrichtingsschets weergegeven. De werkzaamheden bestaan uit het plaatsen van een hekwerk, het plaatsen van draagframes in de grond voor het monteren van de zonnepanelen, het realiseren van een toegangsweg en het plaatsen van een batterij-opslagsysteem. Natuurinclusieve maatregelen, zoals het aanplanten van struweelhagen worden getroffen. Ook zal er ruimte over worden gehouden aan de onderzijde van het hekwerk (circa 20 centimeter) voor de passage van kleine zoogdieren. Daarnaast hebben de zonnepanelen niet alleen twee meter tussenruimte, maar worden ze ook op circa 0,7 meter boven het maaiveld geplaatst. Deze maatregel biedt eventuele schapenbegrazing toe.

Figuur 2.9

Inrichtingsschets Zonneweide (Bron: Bright, 2023).

24743.001 versie D1

4 / 25

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 12 februari 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Overijssel opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

24743.001 versie D1

5 / 25

4

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: huismus, kerkuil, steenuil, bosui, roek, boerenzwaluw, huiszwaluw, boomvalk, buizerd, havik, oehoe, ooievaar, sperwer, torenvalk, ransuil, slechtvalk en wespendief. Van deze soorten kunnen de huismus, boerenzwaluw, huiszwaluw en de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. De slechtvalk broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. De huismus, boerenzwaluw en huiszwaluw zijn afhankelijk van openingen in bebouwing om te nestelen. De onderzoekslocatie is onbebouwd en daarom ongeschikt voor deze soorten om te nestelen. Kerkuil De kerkuil is een soort die vrijwel uitsluitend gebruik maakt van speciale nestkasten om in te broeden. Incidenteel worden loze ruimtes in (kap)schuren in het agrarisch gebied ook gebruikt als broedlocatie. Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing aanwezig waarmee een vaste rust- en/of paarplek is uitgesloten. Afhankelijk van de kwaliteit van het leefgebied kan de grootte variëren van 60 tot 1.200 hectare.

Gezien de grootte van de onderzoekslocatie en er voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving aanwezig is kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie geen essentieel leefgebied vormt voor de kerkuil. Er zijn daarnaast tijdens het veldbezoek geen sporen aangetroffen die wijzen op een beschermde functie van de kerkuil. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van de kerkuil zijn uitgesloten. Oehoe De oehoe heeft een relatief groot territorium en komt in zeer uiteenlopende gebieden voor, maar nestelt vooral op richels van steengroeven en soms in oude nesten van roofvogels of op de grond. De onderzoekslocatie bestaat uit maïsveld en biedt daarmee ongeschikt broedhabitat voor de oehoe. Tijdens het veldbezoek zijn daarnaast geen geschikte nestplaatsen voor de oehoe aangetroffen waarmee overtredingen van de Omgevingswet zijn uitgesloten.

24743.001 versie D1

6 / 25

Steenuil De steenuil is zeer plaatstrouw en blijft graag nabij zijn nestplaats en komt vooral in kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan landschapselementen voor. Steenuilen maken onder andere gebruik van speciale nestkasten, holten in bomen en ruimten in schuren als nestlocatie. Dergelijke geschikte plekken ontbreken op de onderzoekslocatie waarmee een vaste rust- en/of paarplek op de onderzoekslocatie is uitgesloten. Het foerageergebied van de steenuil bestaat uit open terrein met hele jaar door lage vegetatie (beweiding) en daaromheen kleine landschapselementen. De onderzoekslocatie bestaat uit een intensief beheerde akker en is ongeschikt als foerageergebied voor de steenuil. Waarnemingen worden enkele honderden meters ten noorden van de onderzoekslocatie gedaan (zie figuur 4.1, NDFF), waar geschikter leefgebied aanwezig is. Dit betreft de paardenhouderij en de kruidenrijke graslanden aan de Meutsteeg. Met het ontbreken van geschikte nestplaatsen en geschikt foerageergebied zijn overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van de steenuil uitgesloten.

Figuur 4.1

Waarnemingen van de steenuil in de afgelopen 5 jaar (NDFF).

Bosuil De bosuil nestelt in boomholtes en nestkasten. Deze soort komt voor in open bos of gemengd bos, op boerenerven, in (stads)parken, groene woonwijken, met oude bomen en grote binnentuincomplexen. De onderzoekslocatie bestaat uit maïsveld en houtwallen, met in de directe omgeving (intensief) beheerde agrarische terreinen, en biedt daarmee matig geschikt habitat voor de bosuil. In het bosgebied ten zuidwesten zijn geschikter leefomgevingen aanwezig en daar zijn ook recentelijk individuen van de bosuil waargenomen (NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen oude bomen met boomholtes of geschikte nestkasten waarin de bosuil kan nestelen aangetroffen. Door het ontbreken van geschikte nestplaatsen zijn overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet met betrekking tot de bosuil uitgesloten.

24743.001 versie D1

7 / 25

Roek De roek is een sociale kraaiachtige, die in kolonies broedt in hoge bomen. Deze nesten bevinden zich vaak in vrijstaande, hoge groepen bomen (zoals populieren) langs wegen, treinsporen of kanalen met omliggende graslanden. Een kolonie kan vele jaren tot zelfs decennia op dezelfde plek broeden. Nesten worden in rap tempo opgebouwd, om beschadigde en weggewaaide nesten van het voorgaande seizoen aan te vullen. Vanwege de omvang van dergelijke roekenkolonies zijn deze gemakkelijk waar te nemen. Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van roekennesten en deze zijn niet aangetroffen op de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van nesten op de onderzoekslocatie van de roek is daarmee uitgesloten. Boomvalk, ransuil, sperwer en torenvalk Ransuilen en torenvalken maken gebruik van oude nesten van roofvogels, zwarte kraaien en eksters. De sperwer heeft zijn nest vaak dicht tegen de stam aan. De boomvalk broedt in soortgelijke nesten. De ransuil, sperwer, torenvalk en boomvalk zijn honkvaste broeders die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest. De torenvalk broedt daarnaast voornamelijk in speciale nestkasten. De bomen op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van dergelijke nesten. Vanwege het ontbreken van een bladerdak konden de bomen goed onderzocht worden.

Tijdens het veldbezoek zijn geen dergelijke nesten waargenomen op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, waarmee overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van de boomvalk, ransuil, sperwer en torenvalk zijn uitgesloten. Buizerd, wespendief en havik De buizerd, wespendief en havik broeden in grote nesten in bomen, ook wel horsten genoemd. Op de onderzoekslocatie zijn geen bomen aanwezig. De directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van dergelijke horsten. Vanwege het ontbreken van een bladerdak konden de bomen goed onderzocht worden. Potentiële nesten van de buizerd, wespendief en havik zijn niet aangetroffen waarmee overtreding van de Omgevingswet is uitgesloten. Ooievaar Ooievaars broeden op hoge plaatsen zoals bomen, torens, schoorstenen en hoogspanningsmasten. Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen nestplaatsen van de ooievaar aangetroffen. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzijn van de ooievaar zijn daarom uit te sluiten. Categorie 5-soorten De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai.

Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding op dit punt te voorkomen (zie hoofdstuk 5).

24743.001 versie D1

8 / 25

Overige broedvogels De houtwallen op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, grasmus en kneu (zie Figuur 4.2). Ook het maïsveld kan nestgelegen bieden aan soorten zoals de kievit en gele kwikstaart. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).

Figuur 4.2 Nest van mogelijk houtduif.

4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart en bosvleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. Er is geen bebouwing op de onderzoekslocatie aanwezig, waarmee het voorkomen van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten uitgesloten zijn.De aanwezige bomen in de houtwallen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen. Met de voorgenomen ingreep blijven de bomen (houtwallen) tevens behouden, waarmee overtredingen van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet uit te sluiten zijn.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.

24743.001 versie D1

9 / 25

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat (bomen en slootkanten) gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, rosse vleermuis en mogelijk bosvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, bomen en andere groenstructuren blijven behouden. Wel dient er rekening te worden gehouden met kunstmatige verlichting gedurende de aanleg- en gebruiksfase (zie hoofdstuk 5). Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Op de onderzoekslocatie en omgeving zijn in potentie essentiële vliegroutes aanwezig, dit betreft de houtwallen aan weerszijden van de onderzoekslocatie. Met de voorgenomen werkzaamheden blijven deze potentiële vliegroutes behouden. Het gebruik van kunstmatige verlichting gedurende de aanleg- en gebruiksfase kan leiden tot verstoring van mogelijk aanwezige vliegroutes (zie hoofdstuk 5).

4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, boommarter, eekhoorn, das, bunzing, wezel, hermelijn, bever en egel. Steenmarter De steenmarter komt in de omgeving voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. De houtwallen op de onderzoekslocatie bestaat uit ruigte, struwelen en takkenhopen die door de steenmarter in gebruik genomen kunnen worden als vaste rust- en voortplantingsplaats, maar ook als migratieroute. Met het huidige planvoornemen blijven de houtwallen met de takkenhopen en ruigte behouden. Tijdens het veldbezoek zijn evenmin sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort.

Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken van sporen, het planvoornemen waarbij de landschapselementen behouden blijven en het hekwerk wordt verhoogd, zijn overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van de steenmarter uitgesloten.

24743.001 versie D1

10 / 25

Boommarter De boommarter komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie, deze waarnemingen worden gedaan in het bosrijke gebied ten westen van de onderzoekslocatie. De boommarter leeft bij voorkeur in bossen, waar deze soort boomholtes, konijnen- of dassenholen of takkenbossen gebruikt als rust- of voortplantingsplaats. Boommarters komen echter vrijwel niet voor in het agrarisch gebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen alsook geen holen (konijn, das) op de onderzoekslocatie aangetroffen. Hoewel het habitat op de onderzoekslocatie suboptimaal is, is er bosrijke omgeving ten westen van de onderzoekslocatie en daardoor matig geschikt. Vanwege de aanwezigheid van houtwallen met struwelen, ruigte en takkenhopen, is het daarom niet uit te sluiten dat de soort incidenteel voorkomt op de onderzoekslocatie. Met het huidige planvoornemen, waarbij de landschapselementen behouden blijven en het hekwerk wordt verhoogd, zijn er echter geen negatieve effecten op de soort te verwachten. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten.

Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabijgelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Kleine marterachtigen zijn afhankelijk van landschapselementen die met elkaar in verbinding staan, zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- en voortplantingsplaatsen en foerageergebieden. Als vaste rust- en voortplantingsplaatsen worden takkenhopen en holen in de grond gebruikt. De onderzoekslocatie bestaat uit maïsveld en is daarmee ongeschikt als leefgebied van kleine marterachtigen.

De houtwallen met takkenhopen en ruigte kunnen wel deel uitmaken van het leefgebied van kleine marterachtigen Deze elementen blijven echter ongeschonden met de voorgenomen werkzaamheden. Overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van kleine marterachtigen zijn daarmee uitgesloten.

24743.001 versie D1

11 / 25

Egel De egel komt voor in allerlei type landschappen. In sommige gebieden is de egel algemener dan in andere. Met name tuinen, bosranden, struweel en loofbos zijn geschikt. Essentieel voor het voorkomen van de egel is groen met voldoende schuilmogelijkheden. Takken- en bladerhopen vormen schuilmogelijkheden voor de egel. In de houtwallen zijn dergelijke elementen aanwezig. De houtwallen blijven behouden met de voorgenomen ingreep. Met het huidige planvoornemen, waarbij de houtwallen behouden blijven en het hekwerk wordt verhoogd, zijn overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van de egel uitgesloten. Bever De bever komt voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De soort heeft een voorkeur voor rivieren en omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Op de onderzoekslocatie is dergelijk habitat niet aanwezig. Ook zijn er tijdens het veldbezoek geen knaag- of andere sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van de bever. Overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van de bever zijn daarmee uitgesloten. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten.

Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als haas en rosse woelmuis (zie figuur 4.2). Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat incidenteel aanwezige dieren verwond of gedood worden tijdens de ingreep (zie hoofdstuk 5).

4.4 Reptielen, amfibieën en vissen

Figuur 4.3 Waarneming van de haas tijdens het veldbezoek bij het naastgelegen grasland.

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: levendbarende hagedis.

24743.001 versie D1

12 / 25

De levendbarende hagedis prefereert heide en hoogveen, maar komt ook voor in open bossen, ruige graslanden, bermen van (spoor)wegen en een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is vochtminnend en wordt veel aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Aan weerszijden van de onderzoekslocatie zijn greppels en houtwallen aanwezig, waardoor het habitat geschikt is. De waarnemingen van de streng beschermde levendbarende hagedis, hebben betrekking op de bosgebieden ten zuiden van de N344 op circa 1,5 kilometer afstand, en het bosgebied circa 2,6 kilometer ten westen van de onderzoekslocatie. Het is niet aannemelijk dat er een populatie van de levendbarende hagedis aanwezig is in de houtwallen op de onderzoekslocatie, waarnemingen worden gedaan aan de andere zijde van wegen, greppels en agrarische percelen (barrières). Daarnaast blijven met het voorgenomen planvoornemen de houtwallen behouden. Overtredingen op de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet ten aanzien van de levendbarende hagedis zijn daarmee uitgesloten. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: poelkikker en de kamsalamander. Verder komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in dit deel van Nederland voor: kleine watersalamander, gewone pad, bastaardkikker en bruine kikker.

De kamsalamander komt voor in bosrijk, kleinschalig landschap met houtwallen en/of struwelen nabij geschikt voortplantingswater. Het voortplantingswater bestaat voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. De greppels op de onderzoekslocatie zijn ongeschikt als voortplantingswater vanwege de afwezigheid van goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Vanwege het ontbreken van geschikt voortplantingswater op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn overtredingen van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet uitgesloten De poelkikker wordt aangetroffen in onbeschaduwde wateren met bij voorkeur ontwikkelde oevervegetatie. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. De onderzoekslocatie bestaat uit maïsveld met aan weerszijden houtwallen, beschaduwde greppels en/of geen ontwikkelde oevervegetatie gelegen ten midden van andere agrarisch percelen en is daarmee ongeschikt als leefgebied voor de poelkikker. Hierdoor zijn vaste rustplaatsen van deze soort ook niet te verwachten op de onderzoekslocatie. Daarmee zijn overtredingen van verbodsbepalingen van de Omgevingswet met betrekking tot de poelkikker uitgesloten.

Op de onderzoekslocatie zijn greppels aanwezig waar algemene amfibieën zich kunnen voortplanten. Ook ligt er nabij de onderzoekslocatie ten westen een bredere sloot met kale oeverranden. De greppels op de onderzoekslocatie blijven vrij van ingrepen. De houtwallen aan weerszijden van de onderzoekslocatie vormen geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Ook deze plekken blijven ongeschonden volgens het huidige planvoornemen. Vanwege de ligging nabij geschikt voortplantingswater en geschikt overwinteringsplekken is het echter niet uit te sluiten dat zich incidenteel een algemene amfibie op de onderzoekslocatie bevindt (zie hoofdstuk 5).

24743.001 versie D1

13 / 25

Vissen Langs de noord- en zuidzijde van het perceel zijn greppels aanwezig. De greppels drogen vermoedelijk in de zomer op en zijn ongeschikt als leefgebied voor vissen. Bovendien blijven de greppels met de voorgenomen ingreep behouden.

4.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit NDFF de volgende soorten waargenomen: beekrombout en gevlekte witsnuitlibel. De gevlekte witsnuitlibel is gebonden aan laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen. De beekrombout wordt in uiteenlopende typen stromende wateren aangetroffen. De soort wordt meestal met traag stromende laagland, beken geassocieerd. Belangrijk is de aanwezigheid van zuurstofrijk water en onbegroeide zandige substraten en niet te rijk zijn aan nitraten en fosfaten. Dergelijk habitat ontbreekt op de onderzoekslocatie. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF waarnemingen bekend van grote vos, grote weerschijnvlinder, aardbeivlinder en de kleine ijsvogelvlinder.

De grote weerschijnvlinder heeft boswilg en soms grauwe wilg als waardplanten. De grote weerschijnvlinder vliegt vooral bij oudere en vochtigere bossen. Bij voorkeur zijn de wilgen hoog en staan deze op beschutte, deels in de luwte en half beschaduwde plaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten van de grote weerschijnvlinder op de onderzoekslocatie aangetroffen. Overtredingen van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet ten aanzien van de grote weerschijnvlinder zijn daarmee uitgesloten. De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere pekken met grote (vrijstaande) bomen. De soort heeft vooral iep als waardplant, maar ook de zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten van de grote weerschijnvlinder op de onderzoekslocatie aangetroffen. Overtredingen van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet ten aanzien van de grote vos zijn daarmee uitgesloten.

24743.001 versie D1

14 / 25

De aardbeivlinder komt voor in zowel droge als vochtige terreinen met een afwisseling van lage en hoge vegetaties. Geschikte droge gebieden zijn droge graslanden, zeeduinen, heiden, lage pioniersvegetaties, kapvlakten en schrale zomen langs bosranden. Geschikte vochtige gebieden zijn vochtige graslanden en moerassen met een lage vegetatie. De onderzoekslocatie bestaat uit een maïsakker met houtwallen. Tijdens het veldbezoek zijn geen waardplanten (moerasspirea, bosaardbei, ganzerik en dauwbraam) van de aardbeivlinder aangetroffen. Daarnaast blijven de houtwallen met de huidige planvoornemen behouden. Overtredingen van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet ten aanzien van de aardbeivlinder zijn daarmee uitgesloten. De kleine ijsvogelvlinder komt veelal voor in gevarieerde, vochtige gemende bossen of loofbossen voor. Hier gebruikt de soort de wilde kamperfoelie als waardplant, soms ook de rode kamperfoelie of gecultiveerde kamperfoelies kunnen gebruikt worden. De onderzoekslocatie bestaat uit maïsveld met aan weerszijden houtwallen omgeven door agrarische percelen en biedt daarmee matig geschikt habitat voor de soort. Tijdens het veldbezoek zijn er op meerdere locaties in de houtwallen groeilocaties aangetroffen van de wilde kamperfoelie (zie figuur 4.3 en 4.4). De houtwallen met de wilde kamperfoelie blijven echter met de voorgenomen ingreep ongemoeid.

Overtredingen van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet ten aanzien van de kleine ijsvogelvlinder zijn daarmee uitgesloten.

Figuur 4.4 Wilde kamperfoelie in de houtwallen aan noord- en zuidzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 4.5 Detailfoto wilde kamperfoelie.

Overige soorten Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komt de platte schijfhoren in dit deel van Nederland voor. De platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Vaak in draadalgvegetaties, maar ook in wateren met krabbescheer. De soort leeft niet in verontreinig of brak water. Dergelijk habitat ontbreekt op de onderzoekslocatie. Een vaste voortplantingsplaats van de platte schijfhoren is daarom op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en vermiljoenkever, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

24743.001 versie D1

15 / 25

4.6 Planten Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: kartuizer anjer en de dennenorchis. Voor de kartuizer anjer geldt dat het gaat om ingezaaide soorten en daarmee betreft het een niet wilde populatie in dit deel van Nederland. Hiermee zijn op voorhand overtredingen van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet betreft deze soort uitgesloten. De dennenorchis staat op beschaduwde, droge tot iets vochtige, voedsel- en stikstofarme, meestal zure, goed doorluchte zand- en lemige grond. De soort komt vooral voor in voedselarme, iets vochtige dennenbossen. De onderzoekslocatie bestaat uit maïsakker met houtwallen en biedt daarmee geen geschikte groeiplaatsen voor de dennenorchis. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende plantensoorten waargenomen: zomereik, meidoorn, riet, zwarte els, beuk, brandnetel en berk. De beschermde plantensoort en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.

Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Een Rode Lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen, krekels, korstmossen, land- en zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren.

Volgens de actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) worden onder andere de volgende Rode Lijst-soorten in de afgelopen vijf jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen: haas, graspieper, grauwe vliegenvanger, grote lijster, keep, kramsvogel, patrijs, gewone haft, dubbelloof, jeneverbes, rossig fonteinkruid, holsteelboleet, roodschubbige gordijnzwam en de steenanjer. De omgeving van de onderzoekslocatie, met kleinschalig agrarisch landschap, bomenlanen, boerenerven en bos biedt geschikt leefgebied voor deze soorten. Soorten zoals de grauwe vliegenvanger, dubbelloof en de keep zin niet op de onderzoekslocatie te verwachten. De onderzoekslocatie wordt gebruikt voor intensieve landbouw en is daarom ongeschikt als standplaats of leefgebied voor de meeste soorten van de Rode Lijst.

24743.001 versie D1

16 / 25

Wel kunnen de houtwallen nestgelegenheden bieden aan de graspieper en grauwe vliegenvanger, schuilmogelijkheden voor de haas en foerageermogelijkheden aan de patrijs. De houtwallen, met potentieel leefgebied voor de patrijs, haas en graspieper blijven echter met de voorgenomen ingreep behouden. Voor de broedvogels geldt dat door te voldoen aan de algemene zorgplicht negatieve effecten kunnen worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5.1 – algemene broedvogels). Voor de haas geldt ook door te voldoen aan de algemene zorgplicht van algemene grondgebonden zoogdieren nadelige effecten zijn uitgesloten (zie hoofdstuk 5.3).

24743.001 versie D1

17 / 25

5

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

5.1 Broedvogels Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundige ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om de werkzaamheden uit te voeren zonder daarbij broedvogels te verstoren.

5.2 Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. De houtwallen aan weerszijden van de onderzoekslocatie, zal gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden als foerageerhabitat en vliegroute door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. De bomen zijn echter ongeschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen, door het ontbreken van geschikte spleten of loshangend schors. Met het huidige planvoornemen blijven deze landschapselementen ook behouden.

24743.001 versie D1

18 / 25

Daarnaast zullen de plannen geen aantasting vormen van belangrijk aanwezige vliegroutes of foerageergebied vormen, wanneer verstoring door kunstmatige verlichting kan worden voorkomen. Daarom dient er gedurende de actieve periode van vleermuizen (april tot en met oktober) in zowel de aanleg- als gebruikersfase geen kunstmatige verlichting tussen zonsondergang- en opkomst te worden gebruikt. Indien dit niet mogelijk is dient er een lichtplan te worden opgesteld die voorgelegd dient te worden aan een deskundig ecoloog ter beoordeling.

5.3 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van Artikel 11.54, bal in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In het kader van de zorgplicht zijn redelijkerwijs geen speciale maatregelen te treffen.

5.4 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

24743.001 versie D1

19 / 25

6

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

6.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Sallandse Heuvelrug, bevindt zich op circa 5,4 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).

Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de werkzaamheden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

24743.001 versie D1

20 / 25

6.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 300 meter afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 6.2

Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De onderzoekslocatie is gelegen op 300 meter afstand van een onderdeel van het Overijsselse Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Overijssel een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het ONN of zone ONW niet aan de orde.

24743.001 versie D1

21 / 25

7

HOUTOPSTANDEN

In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Met de planvoornemens blijven de bomen op de onderzoekslocatie behouden. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

24743.001 versie D1

22 / 25

8

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Vrij op Naam Zonneparken BV een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan de Bussinksweg (ong.) te Bathmen. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van de zonneweide. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een zonneweide te realiseren. In figuur 2.9 is de inrichtingsschets weergegeven. De werkzaamheden bestaan uit het plaatsen van een hekwerk, het plaatsen van draagframes in de grond voor het monteren van de zonnepanelen, het realiseren van een toegangsweg en het plaatsen van een batterij-opslagsysteem. Natuurinclusieve maatregelen worden ook getroffen, zoals het plaatsen van struweelhagen. Ook zal het hekwerk worden opgehoogd (circa 20 centimeter) voor de passage van kleine zoogdieren. Daarnaast hebben de zonnepanelen niet alleen twee meter tussenruimte, maar worden ze ook op circa 0,7 meter boven het maaiveld geplaatst. Dit laat eventuele schapenbegrazing toe. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1.

In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 8.1

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Omgevingsvergunning

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

mogelijk

mogelijk

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of broedvogelinspectie gedurende het broedseizoen

jaarrond beschermd

ja

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

-

foerageergebied

ja

mogelijk

nee

nee

geen gebruik van kunstmatige verlichting richting de houtwallen anders lichtplan

vliegroutes

ja

mogelijk

nee

nee

geen gebruik van kunstmatige verlichting richting de houtwallen anders lichtplan

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Broedvogels

Vleermuizen

24743.001 versie D1

23 / 25

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Omgevingsvergunning

Bijzonderheden / opmerkingen*

Amfibieën

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

ja

nee

nee

nee

wilde kamperfoelie in de houtwallen blijft behouden

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

5,4 km

mogelijk

ja

mogelijk

nader onderzoek naar stikstofdepositie

Natuurnetwerk Nederland

300 m

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

n.v.t

houtwallen met bomen blijven behouden

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Indien werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundige ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn Vleermuizen Beschermde vleermuissoorten mogen niet worden verstoord met kunstmatige verlichting. Tijdens de actieve periode van vleermuizen in zowel de aanleg- als gebruikersfase dient er geen kunstmatige verlichting tussen zonsondergang- en opkomst te worden gebruikt. Wel dient er, wanneer er wel verlichting wordt geplaatst tijdens de aanleg- en/of gebruikersfase, een lichtplan te worden opgesteld en deze dient door een deskundig te worden beoordeeld. Als verstoring van vliegroutes, essentieel foerageergebied of verblijffuncties door het toepassen van verlichting niet uitgesloten kan worden zal aanvullend onderzoek naar deze functies noodzakelijk zijn

24743.001 versie D1

24 / 25

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Bij graaf- en bouwwerkzaamheden kunnen algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën verwond of gedood worden. Er geldt een zorgplicht voor deze algemene soorten. Geadviseerd wordt om maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol. Gebiedsbescherming Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000-activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUScalculator).

Econsultancy 29 februari 2024.

24743.001 versie D1

25 / 25

GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2023a). Kennisdocument huismus. van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/

Opgehaald

BIJ12 (2017b). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/

Opgehaald

BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/

Opgehaald

BIJ12 (2017d) Kennisdocument kerkuil. Opgehaald https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/

van

Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 29 februari 2024 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied buitengebied Bathmen, periode 2018-2024. NDFF. Geraadpleegd op 29 februari 2024 van https://ndff-ecogrid.nl. Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 29 februari 2024 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 29 februari 2024 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 29 februari 2024 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 29 februari 2024 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 29 februari 2024 van https://www.vogelbescherming.nl/ Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten.

van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten

Provinciale bronnen www.overijssel.nl (NNB en beschermde gebieden in Overijssel) www.overijssel.nl/thema's/natuur/groenloket

Geraadpleegd

op

29

februari

2024

BIJLAGE 1 NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.

Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow, zie H 6.1 Omgevingswet). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16102410/1