CConstaterende datDeventer
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-539-bijlage-2025-08-11 Lysias Staatssteuanalyse - Gemeente Deventer - Sportbedrijf

Raadsvergadering 15 oktober 2025, gemeente DeventerBij agendapunt: Renovatie de Scheg8.212 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Voor:

Gemeente Deventer T.a.v. Erik Kok, dw.kok@deventer.nl

Cc:

Arno Spekschoor, aal.spekschoor@deventer.nl

Van:

Melvin Könings, melvinkoenings@lysiasadvies.nl

Betreft:

Staatssteunadvies Deventer Sportbedrijf

Datum:

11 augustus 2025

Samenvatting De voorgenomen nieuwe lening van de gemeente Deventer van circa € 40,3 miljoen aan het Deventer Sportbedrijf bevat waarschijnlijk staatssteun. Dit zit ‘m in de relatief lage rente die partijen van plan zijn met elkaar af te spreken. Je kan uit staatssteunoptiek ook redeneren dat een niet-marktconform voordeel (via een lagere rente) aan het Sportbedrijf geen potentieel effect op de handel heeft, en dat de lening dus geen staatssteun bevat. Toch achten we dat kwetsbaar, want dit gaat over vastgoedinvesteringen, waar marktpartijen actief zijn op een internationale vastgoedmarkt. We vinden het daarom verstandiger om uit staatssteunoptiek de rechtszekerheid goed te borgen, te erkennen dat er (wel) staatssteun aan de orde is en daar een rechtmatige route voor kiezen. Staatssteun is geen showstopper, maar het moet wel rechtmatig geborgd worden. Dat is belangrijk, zowel voor de steunverstrekkende partij (de gemeente Deventer), de steunontvangende partij (Sportbedrijf) als voor eventuele concurrenten (eerlijk speelveld) en andere betrokkenen. Een eerste rekenkundige vingeroefening in deze staatssteunanalyse laat zien dat er sprake is van een jaarlijks rentevoordeel van 1,41%-punt. En dat levert met de thans ingeschatte lening van € 40,3 miljoen een bruto steunequivalent op tussen € 8 miljoen en € 9 miljoen.

De gemeente Deventer kan deze lening rechtmatig verstrekken op basis van de AGVV (artikel 55) of via het zogeheten DAEB-Vrijstellingsbesluit. De gemeente Deventer verstrekt dan geen middelen “vrij van staatssteun”, maar verstrekt dan rechtmatige staatssteun en is vrijgesteld van een goedkeuringsprocedure uit Brussel. Wel moeten de subsidiemaatregelen dan aan een aantal vormvoorwaarden voldoen, deze staan in dit advies alvast uitvoeriger toegelicht. We adviseren dat de gemeente de AGVV route neemt, deze bevat minder administratieve lasten. Met vriendelijke groet,

Melvin Könings

Lysias Advies

Lysias Advies Soesterweg 310D | 3812BH Amersfoort 033 464 70 70 | info@lysiasadvies.nl | lysiasadvies.nl IBAN: NL18 ABNA 0574 2170 53 | KVK: 30166304 | BTW: NL809282471B01

1

1. Sportbedrijf Deventer in het kort Sportbedrijf Deventer initieert, beheert en exploiteert duurzame binnensport– voorzieningen, ondersteunt sportverenigingen en stimuleert inwoners waarvoor gezond bewegen (nog) geen tweede natuur is. Deze organisatie is in eigendom en staat onder regie van de gemeente Deventer. De gemeente financiert investeringen van en door het sportbedrijf via leningen. Het multifunctionele sportcomplex De Scheg bestaat 30 jaar en is technisch verouderd. De huidige technische staat maakt dat op korte termijn investeringen nodig zijn om De Scheg voor al haar functies en gebruikers toekomstbestendig te houden. Daarom is in 2023 een toekomstvisie opgesteld voor De Scheg. De gemeenteraad van Deventer heeft in februari 2024 de ‘Toekomstvisie De Scheg’ vastgesteld met als uitkomst dat alle functies (de ijsbaan, het zwembad en de sporthallen) behouden blijven, worden gerenoveerd en dat een verduurzaming plaatsvindt. De raad heeft daarbij de voorkeur uitgesproken voor scenario 2 'renovatie' van De Scheg in de zogeheten '+variant'. Plan is nu ook verbeteringen uit te voeren om vanuit samenhang en aantrekkelijkheid ook voor het publiek De Scheg toekomstbestendig te houden. Met de keuze voor het voorkeursscenario 2 +variant is voorgesorteerd op de richting renovatie op bepaalde onderdelen.

Direct na het raadsbesluit (voorkeur voor scenario 2 'renovatie' van De Scheg in de zogeheten '+variant') is invulling gegeven aan dit advies. Er is historische informatie verzameld. Mede op basis hiervan en praktijkobservaties zijn op diverse vlakken verdiepende onderzoeken uitgevoerd. De totale investerings– kosten voor de herstelmaatregelen van de ijsbaan, zwembad en de sporthallen gezamenlijk zijn geraamd op € 8,6 miljoen. (exclusief btw), De investeringskosten voor de herstel– maatregelen zijn zowel voor de voorkeurs–variant als de mogelijke alternatieven noodzakelijk om uit te voeren. Om De Scheg toekomstbestendig, gebruiksvriendelijk en economisch rendabel te maken, is er ook een uitbouw van de zwembadfuncties voorzien, met uitbreiding van de horeca en een betere koppeling van de zwembadfuncties. Deze investering is geraamd op € 12,8 miljoen (exclusief btw). Vervolgens is er ook een pakket investeringen aan de orde gericht op energiebesparing, deze kosten zijn thans geraamd op € 10,9 miljoen (exclusief btw). Dan zijn er nog investeringen in de IT nodig, deze zijn geraamd op € 1 miljoen (exclusief btw). Inclusief btw zijn daarmee de kosten van de totale investering voor voorkeursvariant 2 (+variant) € 40,3 miljoen. De kosten zijn nog allemaal ramingen, er moet nog aanbesteding plaatsvinden en uitvoering.

De gemeente Deventer financiert het (eigen) sportbedrijf via leningen. Voor dit plan is dus een lening voorzien van circa € 40,3 miljoen en er is ook een zekere herfinanciering aan de orde (dus van de bestaande leningen). De plannen en de financiering zijn nog in de maak, er is een kans dat de gemeente een lening gaat verschaffen met een rentetarief van de zogeheten interne omslagrente, deze staat op dit moment (2025) op 1,7% en gaat naar verwachting in 2026 naar 1,4%. De gemeente bekijkt nu of dit uit staatssteunoptiek mogelijk is. In deze notitie zetten we de staatssteunspelregels nog eens goed op een rij en we bieden handvaten op welke wijze de voorgenomen nieuwe lening rechtmatig kunnen worden verstrekt. In dit advies kijken we dus vooral met een staatssteun-bril naar de lening, we geven geen inhoudelijk advies over het plan.

2

2. De staatssteunregels uit Europa Samenwerking in de Europese Unie (EU) is gebaseerd op diverse uitgangs– punten en beleidsdoelstellingen, zoals het bevorderen van milieu– bescherming, werkgelegenheid, innovatie en volksgezondheid. Dit pakt vaak uit in gedetailleerde Europese regelgeving, aangevuld met actuele maatschappelijke uitdagingen als migratie en de gemeenschappelijke munt. De historisch belangrijkste pijler van de samenwerking (“nooit meer oorlog”) sneeuwt in de praktijk soms wat onder, inclusief de bijbehorende spelregels en uitgangspunten. Het staatssteunrecht is als onderdeel van de Europese samenwerking sinds de start van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1952) een vast onderdeel van het Europese mededingingsrecht. Het mededingingsrecht ziet toe op een eerlijk speelveld voor ondernemers, waarbij marktwerking voorop staat. Marktmacht van te sterke bedrijven wordt voorkomen (via fusie- en kartelrecht) en invloed van overheden moet beperkt blijven tot die plekken in de economie waar marktfalen optreedt. In de EU geldt een algemeen verbod op staatssteun, gecombineerd met ingewikkelde uitzonderingsclausules uit het EU-Verdrag (VWEU) en secundaire wetgeving. Zodra overheden zich gaan bemoeien met economische activiteiten en investering- of exploitatieverliezen gaan dekken is er vaak snel sprake van staatssteun.

Volgens artikel 107 lid 1 VWEU is er sprake van staatssteun als er aan alle vier volgende criteria is voldaan: 1. de steun wordt door de overheid verleend of met overheidsmiddelen bekostigd; 2. het voordeel is selectief, d.w.z. het komt ten goede aan bepaalde onderneming(en); 3. het verschaft een economisch voordeel aan onderneming(en) dat zij langs normale commerciële weg niet zou(den) hebben verkregen; 4. het voordeel moet een (potentiële) invloed op de handel tussen lidstaten hebben. Als een maatregel niet aan één van de vier hierboven genoemde criteria voldoet bevat de maatregel geen staatssteun meer volgens het VWEU. De EU-staatssteunregels en -procedures stellen belangrijke kaders aan het beleid van ministeries, provincies, gemeenten, waterschappen en andere (semi)publieke organen. Het staatssteunrecht werkt met een “nee, tenzij”-beginsel: staatssteun is alleen rechtmatig als het netjes geborgd is onder de EU-staatssteunregels en -procedures.

2.1 Staatssteun procedures De Europese Commissie heeft de exclusieve taak en bevoegdheid om vooraf te beoordelen of aan de uitzonderingscriteria van het VWEU is voldaan. In beginsel moet iedere overheidsinstantie elk voornemen tot verlening van steun vooraf bij de Commissie aanmelden. Deze meldingsprocedure duurt snel twee jaar, steun mag niet verleend worden voordat de Commissie goedkeuring heeft verleend via een beschikking. De meeste vormen van staatssteun zijn echter vrijgesteld van voorafgaande melding en goedkeuring; een digitale kennisgeving volstaat bij zo’n vrijstelling. Deze steunvormen zijn uitgewerkt in de zogeheten Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV), ook zijn er vrijstellingsverordeningen voor landbouw en visserij en voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB). Inmiddels valt meer dan 99% van de Nederlandse steunmaatregelen onder de vrijstellingsverordeningen, meestal de AGVV. Deze AGVV werkt in de praktijk als een juridische kapstok. Steunmaatregelen (ad hoc of in de vorm van regelingen) kunnen een haakje in de AGVV zoeken voor een rechtmatige vorm van staatssteun, met vormvoorwaarden, definities, bijbehorende subsidiabele kosten en maximale steunintensiteit. Het kiezen van het juiste AGVV-haakje staat in principe vrij. Soms levert dat een beetje een puzzel op welke steunroute het meest passend, eenvoudig, robuust en rechtmatig is.

En soms levert het een vorm van gemixte routes op.

3

Voor strikt publieke activiteiten of taken, ook wel niet-economische activiteiten genoemd, is het staatssteunrecht niet van toepassing. Voorbeelden zijn het aanleggen van wegen en dijken, de kosten voor onderwijs aan jongeren, de politie en bijvoorbeeld het leger. Naast het onderscheid tussen economische en niet-economische activiteiten, is het eigendom ook van belang: publiek of privaat. Overheden mogen en kunnen ook economische activiteiten verrichten, zolang zij dit onder dezelfde voorwaarden doen als het bedrijfsleven. Betrokken overheden mogen dit transparant en onder marktconforme condities doen, de voorwaarden daarvoor staan opgesomd in de Europese Transparantierichtlijn (nr. 2006/111/EG). Hun (publieke) financiële inzet is dan geen staatssteun, zolang deze marktconform is. Daarbij gelden dan wel de regels uit de Nederlandse Wet Markt en Overheid, waar de Autoriteit Consument en Markt (www.acm.nl) op toeziet.

2.2 De-minimis steun: geen staatssteun In de dagelijkse staatssteun praktijk gebruiken veel overheden bij relatief lage steunbedragen het middel de-minimis. De-minimis is het Latijnse woord voor klein. Basis– gedachte achter de-minimis steun is dat beperkte steun (tot maximaal € 300.000 per ondernemer per drie jaar) een verwaarloosbaar effect heeft op de internationale handel. En geen effect op de handel betekent geen staatssteun. De spelregels hiervoor heeft de Europese Commissie vastgelegd in EUVerordening 2023/2831. Belangrijk daarbij is wel dat deze spelregels nauwkeurig moeten worden opgevolgd. Als steun wordt verstrekt onder de minimis, maar deze steun blijkt achteraf niet volledig te voldoen aan de deminimis spelregels, dan ontstaat er (vaak automatisch) een vorm van onrechtmatige staatssteun. Bij elke steunverstrekking onder de-minimis moet gekeken worden welke de-minimissteun er de afgelopen 36 maanden is verstrekt en heeft de voorgenomen steun impact op de komende 36 maanden. Het meest eenvoudige is de-minimis te zien als een emmer, die nooit mag overlopen. Nu heeft niet iedere ondernemer een eigen de-minimis emmer, een ondernemer moet zijn of haar emmer in ieder geval delen met alle moeder- en dochterbedrijven. Je kijkt dus niet per inschrijving in de Kamer van Koophandel, maar je moet ook naar eigendomsstructuren kijken.

En dat niet alleen: ook volstrekt zelfstandige ondernemingen die samen een exclusieve prijsovereenkomst aangaan, worden volgens het Europese Hof van Justitie geacht hun rekening en risico te delen en moeten om die reden hun de-minimis-emmer delen. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij franchisecontracten, zoals pompstations en restaurants, en ook bij coöperaties, zoals bij melkveehouderijen. Idee daarachter is dat als je door prijsafspraken samen risico loopt en samen winst maakt, je ook samen voordeel kunt hebben aan staatssteun en dus ook samen je de-minimis emmer moet delen. In de praktijk wordt in Nederland kleine steun regelmatig onder de vlag van de minimis buiten de staatssteunregels geplaatst. Dat lijkt voor het betrokken individuele overheidsloket een vlotte methode met lage administratieve lasten en die overheid schuift de verantwoordelijkheid voor cumulatie van de-minimis meestal door naar de begunstigde met een zogeheten de-minimis verklaring. Maar die ingewikkelde spelregels rondom de emmer en cumulatie zijn niet bij iedereen goed bekend. Dat levert rechtsonzekerheid op en dat is onwenselijk voor zowel de steungever als de steunontvanger. Nodig is dat echter niet. Het reguliere staatssteunrecht biedt doorgaans voldoende mogelijkheden rechtmatig staatssteun te verschaffen met minder administratieve lasten.

Samengevat is het vaak verstandiger de-minimis uitsluitend te gebruiken als juridische noodoplossing als het reguliere staatssteunrecht tekortschiet.

4

3. Het sportbedrijf en de staatssteunregels 3.1 Wel of geen economische activiteiten? Bij een staatssteunanalyse moet allereerst worden gekeken of er eigenlijk wel staatssteun aan de orde is. De eerste hamvraag die dan aan de orde is, betreft het onderscheid tussen economische en niet-economische activiteiten. Het Europese mededingingsrecht stelt zich hier nogal strak in op. Zodra er een zeker verdienmodel aan een activiteit zit, met exploitatie, inkomsten en uitgaven, dan is er sprake van economische activiteiten. Dat is ook bij de sportfaciliteiten het geval, gebruikers moeten toegang betalen en er is bijvoorbeeld horeca aanwezig. In dat geval is er sprake van economische activiteiten. Of deze activiteiten nou renderend zijn of niet is daarin niet van belang, ook verlieslatende exploitatie zonder subsidie is een economische activiteit.

3.2 Staatssteun criteria Bij een lening is er sprake van de inzet van staatsmiddelen. De maatregel is ook specifiek (voor één bedrijf) en er is mogelijk sprake van handelsverstoring. Nu kan je uit staatssteunoptiek betogen dat De Scheg vooral een lokale en regionale functie heeft. Vooral inwoners uit Deventer zelf en omgeving maken er gebruik van, je kan dan betogen dat een vorm van subsidie of goedkope leningen nauwelijks tot geen effect op de handel heeft. De Europese Commissie heeft in 2001 in een staatssteunzaak rond een Duits zwembad in Dorsten geoordeeld dat de exploitatiesubsidie aan dat zwembad om die reden geen staatssteun bevatte.1 Deze manier van redeneren (een subsidie of goedkope lening bevat geen staatssteun, want geen effect op de handel) staat ook bekend als de Dorsten-doctrine. Deze redenering heeft Lysias Advies ook in 2012 voor de gemeente Deventer gebruikt bij de toenmalige financiering van investeringen in De Scheg. Je kan dus deze Dorsten-doctrine (weer) toepassen op De Scheg. Toch zien we daar uit staatssteunoptiek wel een zeker risico. Want bij de reddingsteun van de gemeente Heereveen in 2020 aan ijsbaan Thialf oordeelde de Europese Commissie juist dat er wel potentiële handelsverstoring aan de orde was, onder meer omdat er internationale schaatswedstrijden plaatsvinden.

2 In de zwembad branche zien we dat er private partijen actief zijn in Nederland, zoals LACO, die ook significante vastgoedbelangen hebben en die ook actief (kunnen) zijn op de internationale vastgoedmarkt. De Europese Commissie heeft weliswaar een aantal besluiten genomen met het oordeel “geen effect op de handel dus geen staatssteun” (zelfs bij zwembaden), maar het Europese Hof van Justitie heeft zich hier nog nooit expliciet over uitgesproken. Juist vanuit dit bredere perspectief zijn we laatste jaren vaak terughoudender om activiteiten als “strikt lokaal” te oormerken. Het kan uit staatssteunoptiek, maar we zien ook risico’s. Meestal is het verstandiger om gewoon wel te erkennen dat er staatssteun aan de orde is en de staatssteunregels toe te passen, dan weet je tenminste zeker dat de steun rechtmatig is en zit je zowel als lokale overheid, als het Sportbedrijf, gewoon veilig in de wedstrijd. De enige manier om staatssteun echt duidelijk te voorkomen in de lening (of minder diplomatiek uitgedrukt “te ontlopen”) is om een marktconforme lening te verschaffen. Als het Sportbedrijf een marktconforme rente betaalt aan de gemeente Deventer voor de lening, dan is er geen sprake van een economisch voordeel, en dus ook geen sprake van staatssteun.

Dan worden de financieringslasten voor het Sportbedrijf natuurlijk wel groter, dan moeten wellicht ofwel de exploitatie-inkomsten flink omhoog, ofwel de gemeente moet exploitatiesubsidie gaan verschaffen.

1

https://ec.europa.eu/competition/state_aid/cases/137009/137009_1153410_12_2.pdf

2

https://ec.europa.eu/competition/state_aid/cases1/202027/286277_2169663_62_2.pdf

5

4. Leningen uit staatssteunoptiek Als overheden leningen of garanties verstrekken aan ondernemingen onder markt–conforme voorwaarden, dan is er geen sprake van staatssteun (want geen voordeel). Als overheden leningen (of garanties) verstrekken onder niet marktconforme voorwaarden, zoals een lening met een lagere rente dan de marktrente, dan is er (wel) sprake van staatssteun. Het bedrag van staatssteun is dan gelijk aan het verschil tussen de marktconforme rente en de rente die werkelijk is betaald. Dit verschil heet in het jargon het bruto steun equivalent (BSE). De Europese Commissie heeft een methode van referentie- en disconteringspercentages vastgesteld om de marktconformiteit en/of steuncomponent te berekenen. Bij de berekening wordt rekening gehouden met de kenmerken van de onderneming en de looptijd van de lening (via een netto contante waarde berekening). Op de website van de Commissie wordt het actuele basispercentage bijgehouden.3 In augustus 2025 bedraagt het basispercentage 2,21% voor Nederland (gelijk in de gehele eurozone). Over dit basispercentage moeten dan opslagen in basispunten (100 basispunten is 1 procentpunt) worden toegevoegd. Hoe meer risico aan de orde is, hoe meer basispunten aan het basispercentage moeten worden toegevoegd en hoe hoger de marktconforme rente uitvalt.

In de "EU Mededeling referentie- en disconteringspercentages" (2008/C14/02) staat de methode nader uitgelegd. De marktconformiteit van een lening hangt van twee factoren af: de ratingcategorie van de betrokken onderneming (lees: hoe solvabel en solide is het betrokken bedrijf?) en de aangeboden zekerheidstelling (lees: wat wordt er met de lening gedaan en welke zekerheden liggen daaronder?). Onderstaande tabel bevat de opslagen die vervolgens berekend moeten worden. Opslagen voor leningen in basispunten Zekerheidsstelling: Ratingcategorie:

Hoog

Normaal

Laag

Zeer goed (AAA-A)

60

75

100

Goed (BBB)

75

100

220

Bevredigend (BB)

100

220

400

Zwak (B)

220

400

650

Slecht/ Financiële moeilijkheden (CCC en lager)

400

650

1000

Normaalgesproken worden 100 basispunten aan het basispercentage toegevoegd. Dit geldt voor leningen aan ondernemingen met een bevredigende rating en hoge zakelijke zekerheden en leningen aan ondernemingen met een goede rating en normale zakelijke zekerheden. Een bedrijf dat in een normale ratingcategorie zit (goed/BBB) moet dus bij een normale lening met normale zekerheden 2,21% (basispercentage) + 100 basispunten = 3,21% rente betalen. Dat is dan uit staatssteunoptiek de marktconforme rente. Hiermee kan een overheid of een publiek gefinancierd fonds leningen verstrekken die uit staatssteunoptiek kwalificeren als “geen staatssteun, want marktconform”.

3

https://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html

6

5. Rentetarief uit staatssteunoptiek We zien bij een nieuwe lening aan het Sportbedrijf, dat het Sportbedrijf zelf, met 100% eigendom van de gemeente, een ratingcategorie van Zeer Goed (AAA) draagt. Dit komt omdat het Sportbedrijf (uit optiek van ratingcategorie) gewoon onderdeel is van de totale “holding overheid”. En de zekerheidstelling onder de lening is hoog, omdat deze financiering werkt als een vastgoedinvestering, met het vastgoed als onderpand. Ook zijn de exploitatie-inkomsten relatief goed voorspelbaar, omdat er al decennia een zwembad en schaatsbaan aanwezig is in Deventer. In dat geval kunnen we via de tabel zien dat we “maar” 60 basispunten hoeven op te tellen bij de actuele discontorente van 2,21%, een tarief van 2,81% is dus op dit moment marktconform. Als er besluitvorming gaat plaatsvinden (waarschijnlijk in februari 2026) bij het uiteindelijke investeringsvoorstel en de beoogde leenovereenkomst(en), dan moet de basisrente van dat moment gehanteerd worden. Wellicht is de Europese discontorente dan verder gezakt en het rentevoordeel dan kleiner. De gemeente Deventer kijkt nu naar een plan om met 1,4% (interne omslagrente in 2026) te rekenen. Dan ontstaat er uit staatssteunoptiek een gat tussen de te hanteren huidige marktconforme rente (2,81%) en de mogelijk af te spreken omslagrente (1,4%).

Anders gezegd, in dat geval bevat de lening dan jaarlijks een rentevoordeel van 1,41%-punt. Gedurende de exploitatie wordt er afgelost en neemt dit jaarlijkse (potentiële) rentevoordeel dus stapsgewijs af. Om de nominale hoogte van dit rentevoordeel te kwantificeren moet je overigens ook een netto contante waarde berekening maken. Dat wil zeggen: het jaarlijkse rentevoordeel (gekwantificeerd op jaarlijks 1,41%-punt) in de toekomst “terugrekenen” naar huidige waarde. Ook daar gebruiken we weer diezelfde EU discontorente voor (2,21% op dit moment).

5.1 De hoogte van het voordeel berekenen De netto contante waarde (NCW) is een financiële maatstaf die wordt gebruikt om de huidige waarde van toekomstige kasstromen te bepalen. Het geeft aan hoeveel een investering of project vandaag waard is, nadat deze is omgerekend naar de huidige waarde. Omdat geld in de loop van de tijd minder waard kan worden, wordt er bij de NCW-methode rekening gehouden met de factor tijd. Op deze manier kunnen de effecten van uitgaven en inkomsten die op verschillende tijdstippen plaatsvinden, met elkaar vergeleken worden.

De website van Europa Decentraal bevat een “Staatssteun Calculator”, waarmee je de netto contante waarde van een rentevoordeel kan berekenen. We hebben deze calculator als vingeroefening ingevuld met een looptijd van 40 jaar en een rente van 1,4%, met een lineaire aflossing (annuïteiten is een andere, alternatieve aflosmethode). Dat levert de volgende berekening op:

7

Kortom, als je een lening van € 40,3 miljoen met een looptijd van 40 jaar en een omslagrente van 1,4% en met annuïtaire aflossing een lening afspreekt, zit daar een bruto steunequivalent in van € 8,6 miljoen. Bij lineaire aflossing bedraagt dit voordeel afgerond € 8,1 miljoen. Kortom, de bandbreedte van zo’n rentevoordeel ligt op dit moment ongeveer tussen € 8 miljoen en € 9 miljoen. Bij het definitief afsluiten (tekenen) van de lening moet de dan geldende basispercentage worden gehanteerd.

8

6. De gekwantificeerde staatssteun rechtmatig borgen Nu we het steunvolume (ongeveer) berekend hebben, kunnen we kijken naar een rechtmatige borging binnen de staatssteun–spelregels. Er zijn dan grofweg twee routes die je als gemeente kan lopen om de subsidie rechtmatig te verstrekken. 1. AGVV: Aan de ene kant heb je steun die projectgericht is, zoals een investering, dan volstaat vaak toepassing van de Algemene Groeps-Vrijstellings-Verordening (AGVV). De AGVV bevat diverse relevante artikelen voor de voorgenomen investeringen, bijvoorbeeld voor energiebesparing. De steun is dan echter gelimiteerd tot de meerkosten in vergelijk met een referentie-investering, dat levert nogal eens ingewikkelde constructies op. De AGVV bevat ook staatssteunregels voor lokale sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur (artikel 55), deze lijken het beste te passen. 2. DAEB: Voor publieke geldstromen die gericht zijn op bredere dienstverlening naar inwoners, zoals ook deze sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur kan je ook de staatssteunregels voor Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) toepassen. Dat is een ander rechtmatig staatssteunregime, doorgaans gebaseerd op het zogeheten DAEB-Vrijstellingsbesluit. We kijken in dit hoofdstuk naar beide routes (die dus uit staatssteunoptiek beide mogelijk lijken).

6.1 AGVV: sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur Deel 12 van de AGVV (artikel 55) is gericht op steun sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur. Belangrijk is dat de sportinfrastructuur niet uitsluitend door één gebruiker uit de profsport wordt gebruikt (zoals een professionele voetbalclub). Het gebruik van de sportinfrastructuur door andere prof- of amateursporters moet jaarlijks goed zijn voor ten minste 20 % van de tijdscapaciteit. Dit is bij De Scheg het geval, daar maken diverse clubs en talrijke individuele inwoners gebruik van. De voorgenomen investering kwalificeert evengoed als multifunctionele recreatieve infrastructuur, dit zijn recreatieve faciliteiten met een multifunctioneel karakter die met name culturele en recreatieve diensten bieden (met uitzondering van attractieparken en hotelfaciliteiten). De toegang tot de sportinfrastructuur en/of multifunctionele recreatieve infrastructuur dient open te staan voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Dat is bij De Scheg het geval. Er is geen sprake van een concessie of toewijzing aan een derde om de sportinfrastructuur of multifunctionele recreatieve infrastructuur te bouwen, te moderniseren en/of te exploiteren.

Steun kan en mag de vorm hebben van: a) investeringssteun, met inbegrip van steun voor de bouw of modernisering van sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur; b) exploitatiesteun voor sportinfrastructuur. Wat investeringssteun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur betreft (hier aan de orde), zijn de in aanmerking komende kosten de kosten voor investeringen in materiële en immateriële activa. Het steunbedrag mag niet hoger zijn dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme. Anders gezegd: de investeringssteun mag niet leiden tot grote winsten of zo, er moet vooraf (prognose) een exploitatiemodel worden neergelegd, met een balans tussen investeringen en exploitatie. In bijlage 1 staat nog een overzicht van aanvullende randvoorwaarden en AGVV-procedures.

9

6.2 Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) In het Europees recht verwijst de term 'Dienst van Algemeen Economisch Belang' (DAEB) naar diensten van economische aard, die door de overheid aan ondernemingen zijn opgedragen. De interne marktregels en de mededingingsregels zijn ook op deze diensten van toepassing. Bij deze diensten valt te denken aan post, energie, telecommunicatie, onderwijs, audiovisuele diensten, sociale woningbouw en bepaalde zorgdiensten. Veel van deze diensten liggen binnen het domein van gemeenten, provincies of waterschappen zoals beheer en ophalen van afval, streekvervoer, sociale woningbouw en de regionale omroep. Een DAEB onderscheidt zich van reguliere economische activiteiten omdat er een publiek belang mee gemoeid is waarin door de markt niet, onvoldoende of op onjuiste wijze wordt voorzien. Kort gezegd: een DAEB zou niet of op, voor de overheid onbevredigende wijze, worden uitgevoerd als de overheid niet zou ingrijpen (‘marktfalen’). De overheid hecht zo veel belang aan bijvoorbeeld de beschikbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid van dergelijke activiteiten dat ze als het ware wil garanderen (via ‘overheidssturing’ of ‘specifiek overheidsingrijpen’) dat deze activiteiten op haar voorwaarden worden aangeboden.

Er is geen Europese regeling waarin bepaald wordt welke diensten van algemeen belang er zijn en op welke wijze deze georganiseerd moeten worden. Elke lidstaat heeft een zekere vrijheid in het benoemen van diensten van algemeen belang en de organisatie daarvan. Het is dan ook in de eerste plaats aan de decentrale of nationale overheden om zelf te bepalen wat zij als DAEB beschouwen en hoe deze dienen te worden uitgevoerd. Indien de overheid van mening is dat bepaalde diensten in het algemeen belang zijn en het marktmechanisme niet in voldoende mate in deze diensten voorziet, kan zij besluiten om in deze diensten van algemeen belang te gaan voorzien. Deze bevoegdheid is echter niet onbeperkt: de Europese Commissie (bijvoorbeeld in geval van een staatssteunmelding) en het Europese Hof van justitie (bij een conflict voor het Hof) kunnen achteraf toetsen of de overheid bij het aanwijzen van een DAEB geen ‘kennelijke fout’ heeft gemaakt. De basis van de regelgeving voor staatssteun en DAEB wordt gevormd door het Altmark-arrest uit 2003.

In dat arrest bepaalde het Europese Hof van Justitie dat financiering ter compensatie van de uitvoering van openbaredienst-verplichtingen (DAEB's) onder bepaalde omstandigheden geen staatssteun bevat.4 Met toepassing van de zogeheten Altmark-criteria wordt geborgd dat er geen sprake is van een niet marktconform voordeel voor de entiteit die de DAEB uitvoert. De Altmark-criteria zijn vrij algemeen omschreven en niet eenvoudig te interpreteren. Wanneer zij niet zijn vervuld, kan er sprake zijn van staatssteun. In dat geval kan het DAEBVrijstellingsbesluit een uitkomst bieden. Voor lokale sportfaciliteiten biedt het DAEB-Vrijstellingsbesluit uitkomst. Een groot aantal gemeenten heeft deze route overigens gekozen en hun sportsubsidies ook al ondergebracht onder het DAEB-regime. Een bijkomend voordeel is dan dat er formeel sprake is van staatssteun, waardoor de Nederlandse Wet Markt en Overheid niet meer van toepassing is. Dit geldt overigens evengoed voor staatssteun die via de AGVV wordt verstrekt. Het DAEB-Vrijstellingsbesluit bevat voorwaarden voor het belasten van ondernemingen met een DAEB, het berekenen van de omvang van compensatie en de controle op overcompensatie. De eerste voorwaarde van het vrijstellingsbesluit is dat een onderneming (in dit geval het Sportbedrijf) correct belast wordt met het beheer van een DAEB (artikel 4).

Tevens moet er een verwijzing worden opgenomen naar het DAEB-Vrijstellingsbesluit. In het DAEB-Vrijstellingsbesluit zijn vervolgens beginselen vastgelegd voor de berekening van de omvang van compensatie voor het verrichten van een DAEB (artikel 5). Hoe dan ook mag het compensatiebedrag niet hoger

4

Zie Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie, PbEU C 8/4 van 11 januari 2012 en de Handreiking DAEB en staatssteun, Europa decentraal, het Ministerie van BZK, Den Haag uit 2008.

10

zijn dan nodig ter dekking van de netto kosten van de uitvoering van de DAEB-diensten, met inbegrip van een redelijke winst (artikel 5 lid 1). Procedureel zit het DAEB-Vrijstellingsbesluit eenvoudiger in elkaar dan de AGVV. Een kennisgeving is niet nodig, de steun kan direct verstrekt worden zo lang de vormvoorwaarden netjes geborgd worden (zie ook bijlage 1). Alleen achteraf moet op basis van de jaarrekeningen het definitieve steunbedrag bepaald worden en worden gerapporteerd via het Ministerie van BZK aan Brussel.5 In bijlage 2 hebben we alle vormvoorwaarden van het DAEB-Vrijstellingsbesluit verder toegelicht. Een simpele zoektocht op “aanwijzingsbesluit DAEB” op Google levert al honderden hits op met praktijkvoorbeelden. Het Kenniscentrum Europa Decentraal heeft ook diverse praktijkvoorbeelden opgenomen in een handreiking.

7. Keuze maken: AGVV of DAEB? Uit staatssteunoptiek moet je dus een keuze maken of je de AGVV toepast of de DAEB spelregels. Qua steunhoogte maakt het niet uit, in beide gevallen lijkt de voorgenomen steun inpasbaar. Of anders gezegd, mag je als gemeente de financieringskloof (of ook wel onrendabele top genoemd) dichten. Voordeel van de AGVV route is dat je een ontvangstbevestiging uit Brussel krijgt, als juridische bewijslast dat over de steun een kennisgeving is gedaan. Juridisch gezien is dit niet veel waard, maar sommige gemeenten vinden het prettig steun netjes door de procedure te halen. Bij toepassing van het DAEB-Vrijstellingsbesluit rapporteer je pas veel later (bij verantwoording en eenmalig om de 2 jaar), dan is er een langere theoretische onzekerheid of de steun wel geoorloofd is (minimaal risico). Een belangrijk ander voordeel van de AGVV is dat je steun mag verstrekken op het investeringsmoment op basis van redelijke prognoses, je hoeft dan verder geen afspraken te maken over een eventueel terugvordering– mechanisme. Dat scheelt simpelweg administratieve lasten. Om die reden geven we een lichte voorkeur aan de AGVV route. Niet uitgesloten is dat het Sportbedrijf ook andere subsidies ontvangt van de gemeente (bijvoorbeeld exploitatiesubsidie) en dat deze steun wel onder de DAEB-regels wordt geborgd of geborgd gaat worden.

Of dat andere sport- en recreatiefaciliteiten ook allemaal onder de DAEB-regels (gaan) vallen. Wellicht is het dan eenduidiger om “alle steun” aan het Sportbedrijf onder het DAEB regime te brengen (houden). Dat soort overwegingen kan de gemeente Deventer dit najaar nog bekijken (vanuit een breder perspectief).

5

Meer informatie: https://europadecentraal.nl/onderwerp/staatssteun/procedures-staatssteun/rapportage/

11

Bijlage 1: Vormvoorwaarden AGVV In hoofdstuk 1 van de AGVV wordt een aantal algemene voorwaarden genoemd waaraan moet voldoen. We lopen deze kort na. 1.

2.

3.

4.

5.

Steun is alleen toegestaan indien die transparant is en waarvan het bruto-subsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse nodig is (zie artikel 5 AGVV). Een aantal categorieën wordt hoe dan ook als transparant beschouwd, zoals subsidies. Bij andere steunvormen, zoals rentevoordeel bij een achtergestelde lening, ligt dat soms complexer. Er moet sprake zijn van een stimulerend effect (artikel 6 AGVV). Steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben als de begunstigde, voordat een project start, bij de betrokken lidstaat een schriftelijke steunaanvraag heeft ingediend. Voor ad-hoc steun aan grote ondernemingen moet uit door de onderneming opgestelde documenten (die onderdeel zijn van de aanvraag) blijken dat de steun zal leiden tot een wezenlijke toename van de reikwijdte, de totale uitgaven of de snelheid van een project. Partijen dienen rekening te houden met cumulatie (artikel 8 AGVV). Bij de check of de staatssteundrempels en de maximale steunintensiteiten niet worden overschreden, moet een overheid kijken naar het totale bedrag aan staatssteun ten behoeve van het project of de onderneming. Als andere overheden ook subsidie hebben verleend (waaronder de minimissteun), moet die dus worden meegenomen in de berekening. Er mag geen steun worden verleend aan ondernemingen in financiële moeilijkheden (artikel 1, lid 4, sub c, AGVV).

Dit geldt overigens niet voor startende bedrijven (maximaal 3 jaar oud), want die kunnen boekhoudkundig vaak niet aantonen dat ze niet in financiële moeilijkheden zijn. Er mag geen steun worden verleend aan ondernemingen waarbij er een bevel tot terugvordering van eerder (onrechtmatig) toegekende steun uitstaat (artikel 1 AGVV, lid 4 sub a en b, AGVV). Dit is de zogeheten Deggendorf-clausule. De verplichting om eerst steun terug te vorderen, voordat diezelfde overheid nieuwe steun uitdeelt, is bedoeld om de eerder bestaande onrechtmatige situatie te herstellen.

Staatssteunprocedures AGVV Er gelden relatief eenvoudige procedurele eisen bij de toepassing van de AGVV. Binnen 20 dagen na de inwerkingtreding van een steunmaatregel onder de AGVV, moet de overheid de Europese Commissie op de hoogte stellen met een kennisgeving. Dit is een relatief korte digitale invuloefening in het SANI-systeem van onder meer naam, bedrag, steunpercentage en looptijd. In Nederland verloopt dit doorgaans via het Kenniscentrum Europa Decentraal. Belangrijk is dat in de subsidieregeling en in elke subsidieverleningsbeschikking expliciet verwezen wordt naar de AGVV en het toegepaste artikel. Ook moet de overheid de tekst van de steunmaatregel op haar website of digitaal publicatieblad publiceren. Verder geldt een publicatieverplichting voor individuele steunmaatregelen die boven een bepaalde drempel aan een marktpartij worden verleend, via de State Aid Transparency Award Module, oftewel TAM. De standaard drempel bedraagt € 100.000 per onderneming. Verder dient jaarlijks aan de Europese Commissie te worden gerapporteerd over de daadwerkelijke uitgaven van op basis van de AGVV kennisgegeven steun. Dit gebeurt via de State Aid Reporting Interactive (SARI) applicatie van de Europese Commissie.

Ten slotte geldt voor steunmaatregelen die zijn geborgd onder de AGVV een bewaartermijn van 10 jaar en dient een goede dossiervorming plaats te vinden voor een eventueel tussentijds onderzoek (monitoring) door de Europese Commissie.

12

Bijlage 2: Vormvoorwaarden DAEB-Vrijstellingsbesluit De basis van de regelgeving voor staatssteun en DAEB wordt gevormd door het Altmark-arrest uit 2003. In dat arrest bepaalde het Europese Hof van Justitie dat financiering ter compensatie van de uitvoering van openbaredienst-verplichtingen (DAEB's) onder bepaalde omstandigheden geen staatssteun bevat.6 Met toepassing van de zogeheten Altmark-criteria wordt geborgd dat er geen sprake is van een niet marktconform voordeel voor de entiteit die de DAEB uitvoert. De Altmark-criteria zijn vrij algemeen omschreven en niet eenvoudig te interpreteren. Wanneer zij niet zijn vervuld, kan er sprake zijn van staatssteun. In het DAEB-Vrijstellingsbesluit worden de voorwaarden gesteld waaronder compensatie van decentrale overheden voor een DAEB verenigbaar is met het Verdrag (rechtmatige staatssteun) en kan worden vrijgesteld van melding. Het vrijstellingsbesluit is onderdeel van het nieuwe DAEB-pakket, dat in januari 2012 in werking is getreden. Het DAEB-Vrijstellingsbesluit richt zich vooral op een verlicht toepassingsregime voor lokale en sociale DAEB. 7 Bedrijven die minder dan vijftien miljoen euro per jaar aan compensatie ontvangen, vallen onder het vrijstellingsbesluit en zijn vrijgesteld van melding bij de Europese Commissie als zij aan de voorwaarden uit het besluit voldoen.

Het DAEB-Vrijstellingsbesluit is niet van toepassing op compensaties in de vervoersinfrastructuur- en vervoerssector. Als de compensatie varieert over de periode waarin de onderneming met de DAEB is belast, wordt het gemiddelde jaarlijkse compensatiebedrag berekend. Als dit gemiddelde onder de € 15 miljoen per jaar ligt, valt de compensatie onder deze vrijstelling. Dit besluit is alleen van toepassing wanneer de periode waarvoor de onderneming met het beheer van de dienst van algemeen economisch belang wordt belast, niet langer is dan tien jaar. Wanneer die periode langer is dan tien jaar, is dit besluit alleen van toepassing voor zover van de dienstverrichter een aanzienlijke investering wordt gevergd die, in overeenstemming met algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen, over een langere periode moet worden afgeschreven.

Belast met het beheer van een DAEB (artikel 4) Deze voorwaarde is van fundamenteel belang. Immers: als de uitvoerder van de DAEB niet (formeel) is belast met de DAEB en de dienst niet is afgebakend, is niet meer te berekenen, laat staan te controleren, waarvoor de vergoeding wordt gegeven. Het eerste deel van deze voorwaarde, ‘belast met’, wil zeggen dat de opdracht in een openbare officiële rechtshandeling moet zijn neergelegd (wetgeving, compensatiebesluit of contract). Deze officiële rechtshandeling moet openbaar of op aanvraag toegankelijk zijn. Denk hierbij aan een officiële publicatie. Uit de beschikkingenpraktijk van de Europese Commissie blijkt dat ook een ‘samenstel van (Europese) regelgeving’ voldoende is om aan te nemen dat een onderneming met een DAEB is belast. Geadviseerd wordt om een belasting steeds op basis van één of meer besluiten te doen. Verder moet er een duidelijke omschrijving van de basisverplichting voor het verrichten van de diensten zijn, met daarin: a) b) c) d) e) f)

6

7

de inhoud en de duur van de openbaredienstverplichtingen; de betrokken onderneming en, in voorkomend geval, het betrokken grondgebied; de aard van alle uitsluitende of bijzondere rechten die de onderneming door het toewijzende overheidsorgaan zijn verleend; een beschrijving van het compensatiemechanisme en de parameters voor berekening, monitoring en herziening van de compensatie; de regelingen om eventuele overcompensatie te vermijden en terug te vorderen, en een verwijzing naar dit besluit.

Zie Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie, PbEU C 8/4 van 11 januari 2012 en de Handreiking Diensten van Algemeen Economisch Belang en staatssteun, Europa decentraal, het Ministerie van BZK, Den Haag uit 2008. http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2012:007:0003:0010:NL:PDF

13

Bij het afbakenen van de verplichtingen is dus een gedetailleerde omschrijving van de gewenste diensten vereist. Voor de uitoefening van een DAEB kan het noodzakelijk zijn om een uitsluitend of bijzonder recht aan een onderneming toe te kennen. Dankzij dit recht kan een onderneming binnen een bepaald geografisch gebied een dienst verrichten of een activiteit uitoefenen ongehinderd door vrije concurrentie. Een uitsluitend of een bijzonder recht kan voor de uitoefening van een DAEB noodzakelijk zijn als de onderneming zonder deze rechten de haar opgedragen DAEB niet kan vervullen, of als de betrokken onderneming de hem opgedragen DAEB niet onder ‘economisch aanvaardbare omstandigheden’ kan verrichten. Zo kan de toekenning van een uitsluitend of bijzonder recht noodzakelijk zijn om de exploitatie rond te kunnen krijgen of om gedane investeringen terug te kunnen verdienen. Ook kunnen deze rechten nodig zijn om problemen met ‘cherry picking’ te voorkomen, waarbij een onderneming slechts de economisch rendabele activiteiten zou uitvoeren ten nadele van de verliesgevende activiteiten. Bij de toekenning van bijzondere rechten aan meerdere ondernemingen moet rekening gehouden worden met een hogere compensatie dan bij toekenning van uitsluitend recht. De (winst-)marges per bedrijf zullen immers lager zijn omdat er meerdere ondernemingen op de markt actief zijn.

Als een uitsluitend of bijzonder recht wordt toegekend zonder daarbij een compensatie te verstrekken, zal er doorgaans geen sprake zijn van een met overheidsmiddelen bekostigd voordeel. Ook is van belang dat de onderneming geen misbruik maakt van zijn machtspositie, en dat het uitsluitende of bijzondere recht de mededinging op bepaalde markten op geen enkele wijze meer beperkt dan noodzakelijk is om aan de regeling voor openbare- en universele dienstverplichtingen te voldoen waaraan de betreffende contractant is gehouden. Bedoeling van deze bepalingen is dat in het compensatiebesluit als algemene norm wordt opgenomen zodat de uitvoerder van de DAEB een toerekeningsysteem gebruikt dat voldoet aan de eisen en met check vooraf en achteraf door een accountant. De parameters moeten vooraf worden vastgesteld en kenbaar gemaakt. De parameters kunnen gelden voor een langere periode, bijvoorbeeld de subsidieperiode. De parameters moeten ook zeer precies in tijd en omvang in een document worden vastgelegd (bijvoorbeeld de totale kosten van een project, de kosten voor rekening van de overheid – procentueel en tot welk absoluut maximum -, en de afbakening in tijd). Ieder denkbaar compensatiesysteem voor DAEB is volgens Europees recht toegelaten, mits overcompensatie door een vooraf kenbaar gemaakte, sluitende, extern controleerbare parameter wordt uitgesloten.

Bij al deze systemen is toegelaten dat de overheid de compensatie van de DAEB geheel voor haar rekening neemt, of een (groot) deel voor rekening van marktdeelnemers laat, al naar gelang in haar beleid past.

Compensatie (artikel 5) Het DAEB-Vrijstellingsbesluit bepaalt de kosten die gecompenseerd mogen worden. DAEB komt geheel of gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Er moet rekening worden gehouden met opbrengsten en een redelijke winst. Het begrip “redelijke winst” wordt nader gedefinieerd. De compensatie dient aan de volgende voorwaarden te voldoen: 1.

Het compensatiebedrag is niet hoger dan hetgeen nodig is ter dekking van de netto-kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen, met inbegrip van een redelijke winst.

2.

De netto kosten kunnen worden berekend als het verschil tussen de kosten in de zin van lid 3 en de inkomsten in de zin van lid 4. Een alternatieve mogelijkheid is om deze te berekenen als het verschil tussen de netto kosten van de onderneming met de openbaredienstverplichting en de netto kosten of -winst van dezelfde onderneming zonder de openbaredienstverplichting.

3.

De in aanmerking te nemen kosten omvatten alle kosten die voor het beheer van de dienst van algemeen economisch belang worden gemaakt. Deze worden aan de hand van algemeen aanvaarde beginselen van kostprijsadministratie als volgt berekend:

14

a) wanneer de activiteiten van de betrokken onderneming tot de dienst van algemeen economisch belang beperkt blijven, kunnen al haar kosten in aanmerking worden genomen; b) wanneer de onderneming ook buiten de dienst van algemeen economisch belang werkzaam is, kunnen alleen de met de dienst van algemeen economisch belang verband houdende kosten in aanmerking worden genomen; c)

de aan de dienst van algemeen economisch belang toegerekende kosten kunnen alle directe kosten omvatten die voor het beheer van de dienst van algemeen economisch belang worden gemaakt, alsmede een passende bijdrage in de gemeenschappelijke vaste kosten van de dienst van algemeen economisch belang en de overige activiteiten;

d) de kosten verband houdende met investeringen, met name ten behoeve van infrastructuur, mogen in aanmerking worden genomen wanneer deze voor het beheer van de dienst van algemeen economisch belang noodzakelijk zijn. 4.

De in aanmerking te nemen inkomsten omvatten ten minste alle met de dienst van algemeen economisch belang behaalde inkomsten, ongeacht of deze inkomsten als staatssteun in de zin van artikel 107 van het Verdrag worden aangemerkt. Beschikt de betrokken onderneming over bijzondere of uitsluitende rechten die zijn verbonden aan andere activiteiten dan de dienst van algemeen economisch belang waarvoor de steun wordt verleend, welke een hogere winst opleveren dan een redelijke winst, of geniet zij andere door de staat toegekende voordelen, dan worden deze tot haar inkomsten gerekend, ongeacht de kwalificatie daarvan voor de toepassing van artikel 107 van het Verdrag. De betrokken lidstaat kan besluiten dat de winst die wordt behaald met andere activiteiten welke buiten de dienst van algemeen economisch belang vallen, geheel of gedeeltelijk voor de financiering van de dienst van algemeen economisch belang moet worden bestemd.

5.

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder "redelijke winst" verstaan het rendement op kapitaal dat zou worden verlangd door een gemiddelde onderneming die afweegt of zij de dienst van algemeen economisch belang al dan niet moet verrichten gedurende de hele periode waarvoor zij met het beheer van die dienst zou worden belast, rekening houdende met de omvang van het risico. Onder "rendement op kapitaal" wordt verstaan de interne opbrengstvoet die de onderneming gedurende de periode waarvoor zij met het beheer van de betrokken dienst is belast, op haar geïnvesteerde kapitaal behaalt. De omvang van het risico is afhankelijk van de betrokken sector, het soort dienst en de kenmerken van de compensatie.

6.

Om te bepalen wat een redelijke winst is, mogen de lidstaten stimulerende criteria invoeren met betrekking tot, met name, de kwaliteit van de dienstverlening en de winst op het punt van productie-efficiëntie. Efficiëntiewinsten gaan niet ten koste van de kwaliteit van de dienstverlening. Beloningen die zijn gekoppeld aan winst op het punt van productie-efficiëntie, worden op een zodanig niveau vastgesteld dat die winst evenwichtig wordt verdeeld tussen de onderneming en de lidstaat en/of de gebruikers.

7.

Voor de toepassing van dit besluit wordt een rendement op kapitaal dat niet hoger ligt dan de relevante swaprente, met een opslag van 100 basispunten hoe dan ook als redelijk beschouwd. De relevante swaprente is de swaprente waarvan de looptijd en de valuta overeenstemmen met de looptijd en de valuta van het besluit waarbij de onderneming met het beheer van een dienst van algemeen economisch belang wordt belast. Wanneer aan het verrichten van de dienst van algemeen economisch belang geen substantieel zakelijk of contractueel risico is verbonden, met name wanneer de aan het beheer van de dienst van algemeen economisch belang verbonden netto kosten achteraf in wezen volledig worden gecompenseerd, mag de redelijke winst niet meer bedragen dan het relevante swaprentepercentage, met een opslag van 100 basispunten.

8.

Wanneer het wegens bepaalde omstandigheden niet passend is het rendement op kapitaal te gebruiken, kunnen de lidstaten, voor het bepalen van wat als redelijke winst geldt, ook gebruikmaken van andere winstgevendheidsindicatoren, zoals het gemiddelde rendement op eigen vermogen, de return on capital employed, de return on assets of de return on sales. Onder "rendement" wordt verstaan het courante resultaat in dat jaar. Het gemiddelde rendement wordt berekend aan de hand van de disconteringsvoet tijdens de looptijd van het contract zoals die in de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6.) is vermeld. Ongeacht de gekozen indicator, verstrekt de lidstaat de Commissie, op haar verzoek, het nodige bewijs dat de winst niet hoger ligt dan zou worden verlangd door een gemiddelde onderneming die afweegt of zij de dienst van algemeen economisch belang al dan niet moet verrichten, door bijvoorbeeld ter vergelijking het rendement te geven dat wordt behaald met vergelijkbare soorten contracten die onder concurrerende voorwaarden zijn toegewezen.

9.

Wanneer een onderneming activiteiten verricht die zowel binnen als buiten de dienst van algemeen economisch belang vallen, worden in de interne boekhouding de met de dienst van algemeen economisch belang verband houdende kosten en inkomsten, en die van de andere diensten, gescheiden opgenomen, alsook de parameters voor de toerekening van die kosten en inkomsten (volgens de Transparantierichtlijn gescheiden boekhouding). De kosten die verband houden met activiteiten die buiten de dienst van algemeen economisch belang vallen, omvatten alle directe kosten, plus een passende bijdrage in de gemeenschappelijke vaste kosten en een passend rendement op kapitaal. Voor deze kosten wordt geen compensatie verleend.

10. De lidstaten eisen van de betrokken onderneming dat deze alle ontvangen overcompensatie terugbetaalt.

15

Controle op overcompensatie (artikel 6) De lidstaten zorgen ervoor dat de compensatie ten behoeve van het beheer van de DAEB voldoet aan de in het DAEB-Vrijstellingsbesluit vastgestelde voorwaarden, en met name dat de onderneming geen compensatie ontvangt die het overeenkomstig artikel 5 bepaalde bedrag overschrijdt. Het nodige bewijsmateriaal moet op diens verzoek overlegd worden bij de Commissie. Het Besluit vereist ook dat er regelmatige controles ten minste om de drie jaar worden uitgevoerd. Wanneer een onderneming compensatie heeft ontvangen die het overeenkomstig artikel 5 bepaalde bedrag overschrijdt, eist de verantwoordelijke overheid van de betrokken onderneming dat deze de overcompensatie terugbetaalt. De parameters voor het berekenen van de compensatie worden voor de toekomst bijgewerkt. Wanneer het bedrag van de overcompensatie niet meer dan 10% van het bedrag van de gemiddelde jaarcompensatie bedraagt, mag deze overcompensatie naar de volgende periode worden overgedragen en op het voor die periode te betalen compensatiebedrag in mindering worden gebracht.

Overige aandachtspunten DAEB-vrijstellingsbesluit Het DAEB-Vrijstellingsbesluit richt zich vooral op een verlicht toepassingsregime voor lokale en sociale DAEB's. Ondernemingen die minder dan € 15 miljoen per jaar aan compensatie ontvangen, vallen onder het vrijstellingsbesluit en zijn vrijgesteld van melding bij de Europese Commissie als zij aan alle voorwaarden uit het besluit voldoen. Het plafond van € 15 miljoen geldt voor iedere specifieke DAEB waarmee een bepaalde onderneming wordt belast. Wordt een onderneming met drie verschillende DAEB's belast, dan geldt het plafond voor elk van deze DAEB's: de onderneming kan dus op grond van het besluit een totale compensatie van maximaal € 45 miljoen krijgen, mits de compensatie per DAEB maximaal € 15 miljoen bedraagt. Wanneer dezelfde DAEB wordt toegewezen aan vijf ondernemingen samen, dan geldt het plafond slechts één keer voor die specifieke DAEB-taak. Als de compensatie varieert over de periode waarin de onderneming met de DAEB is belast, wordt het gemiddelde jaarlijkse compensatiebedrag berekend. Als dit gemiddelde onder de € 15 miljoen per jaar ligt, valt de compensatie onder deze vrijstelling. Dit gaat allemaal zowel om toezeggingen (ex ante) als ontvangen gelden (ex post). Het gaat dus niet om projectkosten of subsidiabele kosten, het gaat om de compensatiebedragen.

Monitoring De betrokken overheid dient gedurende de uitvoering van het programma en ten minste tien jaar na afloop van deze periode, alle gegevens te bewaren die noodzakelijk zijn om vast te stellen of de verleende compensatie met het DAEB-Vrijstellingsbesluit verenigbaar is. Op een eventueel schriftelijk verzoek van de Commissie dient de overheid de nodige gegevens aangaande de compensatie te verstrekken (artikel 8 van het DAEBVrijstellingsbesluit). Verder dient Nederland (de lidstaat) om de twee jaar bij de Commissie een verslag in te dienen over de uitvoering van het DAEB-Besluit. Het Coördinatiepunt Staatssteun Decentrale Overheden van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) coördineert en begeleidt deze rapportage en verzoekt gemeenten en provincies t.z.t. om relevante gegevens aan te leveren. De aan te leveren informatie is overigens vrij eenvoudig en beknopt.

Procedures Procedureel zit het DAEB-Vrijstellingsbesluit eenvoudiger in elkaar dan de AGVV. Een kennisgeving vooraf is niet nodig, de steun kan direct verstrekt worden zo lang de vormvoorwaarden netjes geborgd worden. Alleen achteraf moet op basis van de jaarrekeningen het definitieve steunbedrag bepaald worden en worden gerapporteerd via het Ministerie van BZK aan Brussel.8

8

Meer informatie: https://europadecentraal.nl/onderwerp/staatssteun/procedures-staatssteun/rapportage/

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15931769/1